Bijlage 4 Toelichting Willeskop 77c 77 Montfoort versie voor vaststelling. 28-10-2021.pdf
Tekst van het document
3.1.2
Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige duurzame leefomgeving. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van ons land de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van rond de 1 miljoen nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. De NOVI geeft richting door strategische keuzes te maken. Ook maakt de NOVI ruimte voor maatwerk in de regio en werkt gebiedsgericht, dat wil zeggen bij de aanpak van de opgaven worden de kenmerken van het gebied als uitgangspunt genomen. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is een instrument binnen de Omgevingswet. De nieuwe Omgevingswet maakt de regels eenvoudiger, biedt ruimte aan ontwikkeling en beschermt de leefomgeving. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet is bedoeld.
Deze visie is nu nog niet geldig, de ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de Novi.
3.1.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vormt de juridische doorvertaling van het rijksbeleid en is een verdere uitwerking van de Wet ruimtelijke ordening. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Belangrijke punten hierin zijn o.a. het zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare (natuur)gebieden en bescherming van het land tegen klimaatverandering, overstroming en wateroverlast, de uitoefening van defensietaken, toekomstige uitbreidingen van de hoofdinfrastructuur. Provincies dienen deze regels door te vertalen in hun beleid en verordeningen en vervolgens dienen deze regels ook een plek te krijgen in de verschillende bestemmingsplannen, aanpassingsplannen etc. Regels t.a.v. de ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Deze ontwikkeling in onderhavig bestemmingsplan schaadt geen nationale belangen. Vandaar dat de regels zoals gesteld in het Barro, niet van toepassing zijn. Onderhavige ontwikkeling is niet in strijd met de regels van het Barro.
24
3.1.4
Ladder duurzame verstedelijking
De Ladder duurzame verstedelijking is een processchema dat alle mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen of initiatieven voor stedelijke functies, via beleidskaders begeleidt naar een optimale locatiekeuze. De ladder duurzame verstedelijking is geïntroduceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De motiveringseis om te voldoen aan de ladder duurzame verstedelijking is vervolgens vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder heeft als doel te komen tot een zorgvuldig ruimtegebruik waarbij goede afwegingen worden gemaakt waar gebouwd mag worden. Het systeem van de ladder zorgt voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming waar wel en waar niet mag worden gebouwd. De ladder is een toetsingsinstrument voor ontwikkelaars en de overheid wat gevolgd moet worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Aan de hand van 3 stappen dient het ruimtelijk vraagstuk gemotiveerd te worden: ▪ ▪ ▪
Bepalen van de regionale vraag naar ruimte Bouwen binnen bestaand stedelijk gebied Bouwen buiten bestaand stedelijk gebied
De beoogde ontwikkelingen bestaan enerzijds uit het planologisch borgen van bestaande (illegaal) opgerichte hippische voorzieningen waarvoor de gemeente al eerder heeft getracht de bestemming aan te passen en anderzijds uit het planologisch vastleggen van de bedrijfsactiviteiten die passen bij een gebruiksgerichte paardenhouderij. Er vindt een zeer geringe uitbreiding van bebouwing (overkapping van 35m2) en bouwwerken geen gebouw zijnde (longeercirkel, paardenbak en paddocks) plaats van noodzakelijke hippische voorzieningen en bedrijfsactiviteiten, welke getoetst moet worden aan de ladder duurzame verstedelijking. Het bouwblok wordt ten behoeve van deze legalisatie niet uitgebreid daarmee blijven de hoofdbebouwing binnen het bouwblok. De toevoeging van deze functies komen niet voor in de opsomming (permanent wonen, kantine, winkels, bedrijventerrein etc.) welke getoetst moet worden aan de ladder duurzame verstedelijking en er is dus geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Derhalve hoeft er geen ladder toets doorlopen te worden.
3.1.5
Visie Paard en Landschap
Op 7 juli 2006 heeft het Ministerie van LNV de visie 'Paard en Landschap' vastgesteld. Het LNV geeft in deze visie aan dat de paardenhouderij een sector in ontwikkeling is, die een groei doormaakt met zichtbare gevolgen voor het landelijk gebied. De doelstelling van de visie is het streven naar een duurzame ontwikkeling van de paardenhouderij in het landelijk gebied. Duurzaamheid staat hierbij voor een duurzame balans tussen mens, milieu en markt in het landelijk gebied. Met name de gemeente en de provincie hebben een rol bij het begeleiden van de ontwikkeling van de paardenhouderij door het wegnemen van belemmeringen en het stellen van eisen ten aanzien van landschappelijke inpassing van bedrijven en voorzieningen. Voor het legaliseren van de paddocks en longeercirkel is door MTD-landschapsarchitecten een inpassingsplan opgesteld, zie paragraaf 2.3 hierin wordt geconcludeerd dat met de aanpassingen doe voorgesteld worden in het inpassingsplan de hippische voorzieningen passend zijn in het landschap.
3.1.6
VNG-richtlijn – ‘Paardenhouderij in het Omgevingsrecht’
De VNG heeft samen met de Sectorraad Paarden een richtlijn voor de paardenhouderij opgesteld in 2008; ‘Handreiking Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening’. Deze is in 2014 geheel herzien in een nieuwe richtlijn ‘Paardenhouderij in het Omgevingsrecht’. Het doel van deze richtlijn is het verschaffen van een instrumentarium waarmee het bevoegd gezag bij rijk, provincie en vooral gemeenten het ruimtelijke beleid voor de paardenhouderij kan vormgeven. Daarnaast dient de handreiking als een informatiebron voor de paardenhouderij en de verschillende partijen die in deze sector werkzaam zijn. Deze richtlijn is het enige beleidsinstrumentarium wat er op landelijk niveau is voor de paardenhouderij. Daarmee is deze richtlijn in de overheids- en advieswereld een veel gebruikt en bekend document voor allen die niet direct thuis zijn in de hippische wereld en hier wel beleidstechnische beslissingen in moeten maken. De paardenhouderij kent een grote diversiteit aan verschijningsvormen. Een relatief beperkt aantal daarvan valt onder de agrarische bestemming. Zuiver agrarische bedrijven zijn bedrijven waar uitsluitend paarden
25
worden opgefokt, bedrijven die als hengstenhouderij in gebruik zijn of bedrijven waar paarden voor de melkproductie worden gehouden. Bij deze bedrijven staat het voortbrengen van agrarische producten voorop en volstaat een agrarische bestemming. De VNG-richtlijn maakt onderscheid in 3 verschillende type paardenhouderijen: Gebruiksgerichte paardenhouderij: een paardenhouderij waar het rijden met paarden primair gericht is op de ruiter/ amazone. Manege: Een bedrijf kan als manege worden beschouwd indien de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit het geven van instructie in één of meerdere disciplines aan derden met gebruik van paarden in eigendom van het bedrijf of aan derden met eigen paarden en het bieden van huisvesting aan die paarden. Ook kunnen er wedstrijden worden georganiseerd voor ruiters en amazones die met hun paarden van buitenaf komen. De meeste maneges hebben een kantine/foyer ingericht om klanten te ontvangen en waar gebruik kan worden gemaakt van een consumptie. Productiegerichte paardenhouderij: een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden. In de paardenhouderij hebben de meeste bedrijven geen zuiver agrarisch karakter.
Het overgrote deel richt zich mede- al dan niet in overwegende mate – op aanverwante agrarische activiteiten, zoals de trainings- en africhtingstallen, al dan niet als onderdeel van een fok- en opfokstal, de sportstallen, de handelsstallen en de pensionstallen. Vaak komen mengvormen voor. Voor deze bedrijven, inclusief de opfokbedrijven, wordt aanbevolen in bestemmingsplannen de agrarische bestemming te verruimen. Daartoe is een aanpassing van de planregels noodzakelijk. Achterliggende gedachte is dat ook in de paardenhouderij vee wordt gehouden, waardoor vestiging in het buitengebied het meest voor de hand ligt. Ten principale blijft de wijze van bestemmen uiteraard een beleidskeuze van het bevoegd gezag. Het staat de planwetgever immers vrij om het begrip ‘agrarisch bedrijf’ naar eigen inzicht te definiëren. Naast het verruimen van de agrarische bestemming, bestaat ook de mogelijkheid te kiezen voor een specifieke bestemming ‘paardenhouderij’. Deze bestemming kan gebruikt worden voor maneges, maar kan ook ruimer worden toegepast en andere vormen van paardenhouderij bestrijken. Door in de begripsomschrijving van productiegerichte paardenhouderij de woorden ‘in hoofdzaak’ te vermelden, wordt voorkomen dat het gebruiksgericht houden van paarden als nevenactiviteit direct leidt tot een gebruiksgerichte paardenhouderij.
Dit doet recht aan de huidige praktijk, waar de hedendaagse paardenhouderij een mengvorm is van activiteiten, hetgeen, een enkele uitzondering daargelaten, betekent, dat wanneer vastgehouden blijft worden aan het onderscheiden tussen agrarische en niet-agrarische paardenhouderijen, er aan de paardenhouderij onvoldoende ruimte wordt geboden. Er kan niet worden voorbijgegaan aan de ontwikkeling die de productiegerichte paardenhouderij heeft doorgemaakt. Daardoor is het onmogelijk de mengvorm van de diverse verschijningsvormen trachten uit te sluiten en aansluiting te blijven zoeken bij uitsluitend de traditionele agrarische paardenhouderij. Onderhavig bestemminsplan sluit aan bij de VNG-richtlijn. De begripsomschrijvingen in dit plan sluiten aan bij bovenstaande omschrijvingen. Door het aanpassen van de begripsomschrijving van productiegerichte paardenhouderij en het toevoegen van de begrippen gebruiksgerichte paardenhouderij en manege, past paardenhandel direct binnen de productiegebonden paardenhouderij die binnen een agrarische bestemming is toegestaan. Tevens wordt op de locatie Willeskop 77c op het bouwblok en de specifieke aanduiding voor het vastleggen van de buitenbak, longeercirkel en paddocks de aanduiding ‘paardenhouderij’ opgenomen. Hierbij wordt in de planregels uitzonderlijk vermeld dat maneges niet zijn toegestaan.
Het is dan ook niet mogelijk om een manege te realiseren op de Willeskop 77c en/of 77.
26
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1
Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie, geconsolideerd
De eerste Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) is in 2013 vastgesteld, in de periode tussen 2014 en 2018 is de PRS twee keer herzien en eenmaal herijkt. De herijking uit 2016 is opnieuw in zijn geheel vastgesteld. In 2018 is de herijking en de 2e partiele herziening opnieuw partieel herzien. Aan de hand van de vier hoofdpijlers ‘duurzame leefomgeving, beschermen kwaliteiten, vitale dorpen en steden en dynamisch landelijk gebied’ heeft de provincie Utrecht 2 hoofddoelstellingen geformuleerd, één voor het stedelijk gebied en één voor het landelijk gebied. Die voor het landelijk gebied is van toepassing op onderhavig bestemmingsplan: “Behoud en versterken kwaliteit landelijk gebied - Wij hebben een aantrekkelijk landelijk gebied. We willen deze kwaliteit behouden en versterken, zowel voor het landelijk gebied zelf, als voor het stedelijk gebied. De binnenstedelijke opgave vraagt als contramal ook om een aantrekkelijk en bereikbaar landelijk gebied met hoge kwaliteit van landschap, natuur en recreatieve voorzieningen. De cultuurhistorische waarden van onder meer de linies, de buitenplaatsen en het agrarische landschap dragen bij aan een aantrekkelijk landelijk gebied. De landbouw is een belangrijke drager van het agrarische cultuurlandschap. Die rol vergt ruimte voor een economisch duurzame landbouw.” Voor de gehele provincie is een visiekaart opgesteld.
De planlocatie is gelegen binnen het gebied ‘Landschap Groene Hart’. Binnen dit gebied wil de provincie de volgende kernkwaliteiten behouden: openheid, (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.), landschappelijke diversiteit en rust & stilte. Het gebied van het Groene Hart kan onderverdeeld worden in 2 typen landschap: zones (rivierlinten, oude stroomruggen, Lekzone) en velden (open polder, veen, droogmakerijen, waarden). De provincie omschrijft de volgende visie voor deze twee landschapstypen: “Bij ontwikkelingen in het landschap van het Groene Hart staat het bevorderen van de diversiteit op het schaalniveau van de verschillende typen landschap centraal. Daarbij dienen de kernkwaliteiten gerespecteerd en benut te worden om de contrasten tussen de verschillende typen landschap te behouden. Enkel en alleen het accent leggen op rust en stilte doet geen recht aan het Groene Hart. Het waarborgen van rust vraagt ook het bieden van ruimte voor vormen van dynamiek. Daarbij ligt de focus op het vergroten van de contrasten in rust en dynamiek tussen de agrarische landschappen van de velden en de dynamische landschappen van de oude stroomruggen. We vragen dus zorgvuldig om te gaan met de open, lege ruimte en de dynamiek te concentreren in de ‘zones’.”
Figuur 3.1 uitsnede PRS deelkaart 'Landschap' bron: www.ruimtelijkeplannen.nl
27
De planlocatie is gelegen direct aan de Hollandse IJssel en de Willeskop en is van oudsher een bebouwingslint wat de stroming van de IJssel volgt. De planlocatie maakt daarmee dus onderdeel uit van het landschapstype ‘zone’. De provincie bevorderd juist om ontwikkelingen in het buitengebied binnen deze ‘zone’ om zo een duidelijke scheiding tussen rust en dynamiek te realiseren. De beoogde ontwikkeling betreft niet de uitbreiding van hoofdgebouwen, enkel het legaliseren van hippische voorzieningen in de vorm van bouwwerk geen gebouw zijnde en een ondergeschikte overkapping van 35m2 buiten het bouwblok welke noodzakelijk is in het kader van dierenwelzijn. De voorzieningen worden landschappelijk ingepast zoals is opgenomen in paragraaf 2.2.3 en in bijlage 1. Deze ontwikkelingen zijn voorstelbaar binnen de ‘zone’ en hebben daarin een beperkte impact.
3.2.2
Provinciale Ruimtelijke Verordening, geconsolideerd
De Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) is gezamenlijk met de PRS in 2013 vastgesteld en daarna enkele malen herzien. Doel van de verordening is om een aantal provinciale belangen te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau. Op basis van de provinciale verordening is de planlocatie gelegen binnen het ‘Landelijk gebied’, daarnaast gelden de volgende gebiedsaanduidingen: ‘Glastuinbouw niet toegestaan’, ‘Agrarische bedrijven’ en ‘Landelijk gebied, verstedelijkingsverbod en uitzonderingen’.
Figuur 3.2 uitsnede PRV deelkaart 'Landbouw' bron: www.ruimtelijkeplannen.nl
Op basis van de drie gebiedsaanduidingen is het volgende toegestaan: Agrarisch gebied (artikel 2.1): ▪ ▪ ▪
▪
Artikel 2.1 lid 1: niet van toepassing Artikel 2.1 lid 2: niet van toepassing Artikel 2.1 lid 3: de ontwikkeling mag niet gaan om een omschakeling naar een niet-grondgebonden veehouderij. Het betreft hier een uitbreiding in functies en hippische voorzieningen bij een bestaande paardenhouderij. Een paardenhouderij is een grond gebonden agrarische bedrijfsactiviteit. Artikel 2.1. lid 4: Een bouwperceel bij een grondgebonden veehouderij mag maximaal 1,5 ha bedragen. Voor de planlocatie geldt dat het bouwvlak een oppervlakte heeft van circa 5840m2. Het bouwvlak wordt niet uitgebreid. De hippische voorzieningen worden gerealiseerd door middel van het opnemen van een differentiatievlak met de gebiedsaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – paardenbak’. Het totale oppervlak van deze gebiedsaanduiding bedraagt circa 2730m2. Het totale oppervlak van het bouwvlak en de gebiedsaanduiding samen is circa 8570m2. Daarmee blijft de ontwikkeling binnen de maximale maat van 1,5 ha.
28
▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Artikel 2.1 lid 5: Het is mogelijk om een bouwperceel verder te vergroten naar 2,5 ha. Dit is niet van toepassing omdat het bouwblok circa 0,6 ha groot is en het differentiatievlak circa 0,3 ha groot is. Artikel 2.1 lid 6: niet van toepassing Artikel 2.1 lid 7: niet van toepassing Artikel 2.1 lid 8: op dit momenten voor onderhavig plan niet van toepassing. De bedrijfsactiviteiten die horen bij een gebruiksgerichte paardenhouderij worden bestemd als hoofdactiviteit. Artikel 2.1 lid 9: de ontwikkeling dient gepaard te gaan met een ruimtelijke onderbouwing en een beeldkwaliteitsparagraaf. Hiervoor is onderhavig plan opgesteld en voor de beeldkwaliteit wordt verwezen naar paragrafen 2.2.3 en 2.2.4. en tevens naar bijlage 1 waarin het complete inpassingsplan is opgenomen.
Glastuinbouw niet toegestaan (artikel 2.2.) ▪
Artikel 2.2 lid 1 t/m 4: niet van toepassing, het gaat hier om het planologisch borgen van uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten en hippische voorzieningen bij een bestaande paardenhouderij.
Verstedelijkingsverbod landelijk gebied (artikel 3.2) ▪
Artikel 3.2: Het is niet toegestaan om regels op te nemen die verstedelijking mogelijk maken. Het gaat hier om de uitbreiding van een bestaande paardenhouderij. Een paardenhouderij dient beoordeeld te worden als grond gebonden agrarisch bedrijf en is daarmee onlosmakelijk verbonden aan het buitengebied.
Kernkwaliteiten landschap In de bijlage van de PRV is aanvullend beleid opgenomen over de landschapskwaliteiten. Dit beleid komt overeen met de landschapsvisie die is opgenomen in de PRS. De locatie is gelegen binnen ‘Landschap Groene Hart’. Zoals uit de conclusie onder paragrafen 2.2.3, 4.2 en het inpassingsplan opgenomen in bijlage 1 blijkt, vormt de ontwikkeling geen belemmering voor dit gebied. De voorgenomen ontwikkeling van gebruiksgerichte paardenhouderij en het toestaan van hippische voorzieningen buiten het bouwvlak passen binnen de gestelde regels uit de PRV en vormen derhalve geen belemmering voor de provinciale belangen.
3.2.3
Ontwerp omgevingsvisie en – verordening
De Ontwerp Omgevingsvisie, de Ontwerp Interim Omgevingsverordening en het bijbehorende Milieueffectrapport hebben van 22 september tot en met 2 november 2020 ter inzage gelegen. In de Omgevingsvisie staan keuzes voor de inrichting van de provincie op de lange termijn. In de Interim Omgevingsverordening (Interimverordening) staan de regels die nodig zijn om de keuzes en ambities in de Omgevingsvisie te realiseren. Het aantal regels waarmee de provincie werkt, is sterk verminderd ten opzichte van de huidige regels. Met het opstellen van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening legt de provincie Utrecht alvast een basis voor de Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2022 in werking zal treden. De Omgevingsvisie geeft een ruimtelijke en duurzame doorkijk voor de fysieke leefomgeving naar 2050. Op het thema natuur en landbouw heeft de provincie verschillende ambities geformuleerd om de natuur, flora en fauna en de biodiversiteit te versterken. Voor de landbouw streeft de gemeente naar economisch rendabele bedrijven die circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en diervriendelijk zijn (kringlooplandbouw), en dicht bij de inwoners staan. In de Interim Omgevingsverordening is de planlocatie in de thema kaart ‘landbouw’ wederom opgenomen in het gebied wat is aangeduid als ‘Agrarische bedrijven’. De regels die hierin gelden zijn gelijk aan de regels uit de vigerende PRV.
Aanvullend zijn regels opgenomen over het al dan niet toestaan van geitenhouderijen. Aangezien het hier om een paardenhouderij gaat zijn deze niet van toepassing. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij het provinciaal beleid en biedt geen ruimte voor ongewenste ontwikkelingen zoals opgenomen zijn in de Interim Omgevingsverordening.
29
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1
Structuurvisie - Totaalvisie Montfoort 2030
De gemeente Montfoort heeft op 12 december 2011 haar structuurvisie ‘Totaalvisie Montfoort 2030’ (hierna te noemen: structuurvisie) vastgesteld. De structuurvisie geeft richting en uitvoering aan het ruimtelijk beleid voor de komende 20 jaar. De totale structuurvisie bestaat uit vier delen: ▪ ▪ ▪ ▪
De Totaalvisie Montfoort 2030 De Dorpsvisie Linschoten 2030 De Visie Binnenstad Montfoort 2030 Het Uitvoeringsprogramma
Voor onderhavig plan is de ‘Totaalvisie Montfoort 2030’ van belang. In de TotaalVisie Montfoort 2030 zijn keuzes gemaakt hoe Montfoort zich verder kan ontwikkelen richting 2030. Deze keuzes zijn met name gemaakt op basis van bestaand beleid, er is slechts in beperkte mate nieuw beleid ontwikkeld. Als het aan deze visie ligt heeft de gemeente Montfoort in 2030 minimaal dezelfde kwaliteiten als heden ten dage, maar dan met verbeterde voorzieningen, een betere en veiligere bereikbaarheid en een gevarieerder woonklimaat voor alle leeftijds- en inkomensgroepen. Willeskop wordt als een van de belangrijkste lintbebouwing/ buurtschap gezien.
Figuur 3.3 Visiekaart gemeente
Voor ontwikkelingen in het buitengebied stelt de structuurvisie de volgende randvoorwaarden: ▪ ▪
▪ ▪ ▪
▪
Bij ontwikkelingen in het buitengebied en aan de dorpsranden is landschappelijke inpassing van groot belang voor de leef- en woonkwaliteit. De landbouw is een belangrijke drager van het landelijk gebied en een sterke sector die ruimte moet krijgen voor ontwikkeling. De visie is dat duurzame landbouw op het gebied van energie, klimaat, bodem en voedselproductie groeit. Nieuwe ontwikkelingen vinden plaats binnen de bestaande (historische) structuren en leveren een bijdrage aan de vitaliteit van het buitengebied; Voortzetting van uitvoering van het LOP en extra inzetten op het realiseren en duurzaam beheren van natuur en kleine landschapselementen zonder planologische schaduwwerking voor ondernemers, De natuur die bij dit gebied past, is die van het oude boerencultuurlandschap. Het in stand houden of verbeteren van de biodiversiteit op het boerenland, welke onder druk staat als gevolg van intensieve bedrijfsvoering; Voor bebouwing en bedrijvigheid zijn de uitgangspunten uit het handboek “Linten in de leegte” leidend: - Schaalvergroting: landschappelijke inpassing, landschapskwaliteit en bouwvorm en ligging op de kavel;
30
-
Functieverandering: landschappelijke inpassing en landschapskwaliteit. ‘Wonen op boerenerven’ moet hiervan deel zijn; Bedrijvigheid in de linten: woon-werkcombinaties in relatie tot landschapskwaliteit en eventueel vereveningsconstructies via het Streekfonds naar voorbeeld van Lopik; Nieuwbouw of herbouw: Ligging op de kavel (erfprincipes), bouwvormen, materiaalgebruik.
Voor uitbreiding van bedrijvigheid en bebouwing stelt de structuurvisie de volgende eisen: ▪ ▪
▪
▪
Gewenste functieverandering en schaalvergroting op het platteland wordt getoetst aan het LOP en “Linten in de leegte”; Schuren, bedrijfsgebouwen en andere grote bouwwerken moeten goed ingepast worden in het landelijke gebied. De notitie ‘Linten in de leegte’ vormt de leidraad voor bestemmingsplannen en vergunningverlening. Ook nieuwbouw van woningen en boerderijen in het buitengebied dienen getoetst te worden aan de uitgangspunten van Linten in de leegte. Erfprincipes zijn erg belangrijk voor de streekeigen kwaliteit van het gebied. Tussenruimtes tussen bebouwing in de linten en tussen lintbebouwing en stad of dorp blijven gehandhaafd; Doorzichten tussen woningen en bedrijven in het lint naar het achterland zijn belangrijk.
Dit bestemmingsplan richt zich op een gedeeltelijke functiewijziging van productie gebonden paardenhouderij met uitbreiding in paardenhandel en tevens in activiteiten die aansluiten bij een gebruiksgerichte paardenhouderij (niet zijnde een manege), waarbij het dierenaantal en/of het aantal boxen niet wordt uitgebreid. Daarnaast worden de bestaande paardenbak met een oppervlakte van 800m2 en de illegaal opgerichte paddocks, longeercirkel en overkapping van 35m2 buiten het bouwblok planologisch geborgd middels het opnemen van specifieke aanduidingen. Het bouwblok wordt niet vergroot. Deze voorzieningen liggen naast het bouwvlak. De structuurvisie biedt enerzijds ruimte aan de landbouw om zichzelf te ontwikkelen, paardenhouderijen zijn inherent geboden aan het buitengebied en de landbouw omdat zij en grondgebonden functie zijn. Er vindt geen fysieke uitbreiding meer plaats. Dit bestemmingsplan richt zich op het borgen van reeds aanwezige voorzieningen en activiteiten. Een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing wordt veracht op basis van de structuurvisie. Dit wordt uitgewerkt in paragraaf 2.3 en hoofdstuk 4.
3.3.2
Vigerend bestemmingsplan
De locatie is gelegen binnen het bestemmingsplan Buitengebied 2012, vastgesteld door de gemeenteraad op 11 november 2013. Het bestemmingsplan heeft de status onherroepelijk. Op 26 oktober 2015 heeft de gemeente Montfoort het bestemmingsplan ‘1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012’vastgesteld. Dit plan heeft de status deels onherroepelijk en in werking. Voor de betreffende locatie is het volgende van toepassing: ▪ ▪
Moederplan en verbeelding: Bestemmingsplan Buitengebied 2012 Van toepassing zijnde planregels: 1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012
Op basis van het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen van toepassing: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Hoofdbestemming: Agrarisch – Rivierzone incl. bouwvlak met maatvoering hoogte maximaal 31 meter Gebiedsaanduiding: archeologisch waardevol gebied 4 en 5 Gebiedsaanduiding vrijwaringszone – straalpad Functie aanduiding – cultuurhistorische waarden (op boerderij Willeskop 77) Bouwaanduiding – specifieke bouwaanduiding - gebouw Bouwaanduiding – nokrichting Maatvoering – hoogte 31 meter
31
Figuur 3.5: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied 2012’. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl
3.3.2.1 Wijzigingsbevoegdheid paardenhandel en gebruiksgerichte paardenhouderij In artikel 4.7. behorende bij de bestemming ‘Agrarisch-Rivierzone’ is een stelsel van wijzigingsbevoegdheidsmogelijkheden opgenomen. Voor de boogde ontwikkeling is specifiek artikel 4.7.5 van belang: 4.7.5 Wijziging ten behoeve van vervolgfuncties Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van de volgende vervolgactiviteiten4: ▪ Veehandelsbedrijven (met veetransport) ▪ Africhtingsbedrijven voor paarden ▪ Maneges ▪ Paardenstalling Danwel vervolgfuncties die naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met de genoemde vervolg functies In het vigerende bestemmingsplan is een mogelijkheid opgenomen om paardenhandel en gebruiksgerichte paardenhouderij-activiteiten als vervolgfunctie toe te staan middels de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4.7.5. In onderhavig plan wordt paardenhandel en de gebruiksgerichte paardenhouderij niet als vervolgfunctie
4
Overtollige bestemmingsplanregels die niet van toepassing zijn in dit onderzoek worden buiten beschouwing gelaten.
32
mogelijk gemaakt, maar als aanvulling op de bestaande paardenfokkerij. De paardenhandel wordt mogelijk gemaakt door de begripsomschrijving van een productiegerichte paardenhouderij aan te passen en deze aan te laten sluiten bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in de VNG-richtlijn ‘Paardenhouderij in het omgevingsrecht’. De gebruiksgerichte paardenhouderij wordt mogelijk gemaakt door het opnemen van een extra aanduiding ‘paardenhouderij’, het opnemen van een begripsbepaling voor gebruiksgerichte paardenhouderij en manege (met als doel om geen manege toe te staan) en het opnemen van specifieke gebruiksregels.
3.3.2.2 Afwijkingsmogelijkheden paardenbak In de bestemmingsomschrijving artikel 4 is het volgende opgenomen: 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor Agrarisch - Rivierzone aangewezen gronden zijn bestemd voor: o) ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - paardenbak': tevens voor een paardenbak met de bijbehorende voorzieningen in de vorm van zoals longeercirkels en paardencarrousels, paddocks, stap- en trainingsmolens; 4.5 Specifieke gebruiksregels 4.5.1 Paardenbakken a) paardenbakken en andere aan paardensport gerelateerde voorzieningen, zoals longeercirkels, paardencarrousels, paddocks, stap- en trainingsmolens, ten behoeve van het houden van paarden zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan, met uitzondering van dergelijke paardenbakken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - paardenbak'; b) de afstand van een paardenbak tot een naburig bouwperceel bedraagt ten minste 30 m; c) een paardenbak dient landschappelijk te worden ingepast aan de hand van een door de landschapsdeskundige goedgekeurd beplantingsplan; d) buitenverlichting is niet toegestaan bij een paardenbak, met dien verstande dat: 1) de maximale hoogte van de lichtmasten is 4 meter; 2) maximaal 6 lichtmasten per paardenbak zijn toegestaan; 3) de masten worden direct aan of bij een paardenbak geplaatst; 4) maximaal 60 LUX/m2 gemeten 1 meter boven de bodem van de bak;
5) de lichtbundel wordt door middel van een afscherming gericht op de paardenbak; 6) de verlichting mag gebruikt worden van 7.00 uur 's ochtends tot 22.00 uur 's avonds; e) ten hoogste 50 m² van alle aan-, uit- en bijgebouwen mag worden gebruikt ten dienste van het hobbymatig houden van paarden; f) de afstand van een paardenbak ten dienste van de (semi)bedrijfsmatige paardenhouderij tot het bijbehorende bouwvlak bedraagt ten hoogste 50 m; g) de oppervlakte van een paardenbak bedraagt ten hoogste 800 m2, met dien verstande dat, indien ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan de oppervlakte van een paardenbak meer bedraagt dan 800 m2, de afwijkende oppervlaktemaat wordt gezien als maximaal toelaatbaar. Op de locatie Willeskop 77c is geen specifieke aanduiding voor de aanwezige paardenbak en paddocks opgenomen. Daarom is het van belang te bezien of de bak incl. paddocks middels een afwijking vergund kunnen worden. De afwijkingsregels zijn in artikel 4.6 opgenomen: 4.6 Afwijken van de gebruiksregels: 4.6.3 Paardenbakken Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 4.5.1 onder e tot een oppervlakte van 75 m².
33
Het totale oppervlak aan hippische voorzieningen die vallen onder ‘paardenbak’ en buiten het bouwvlak liggen bedraagt 1530m2. Derhalve kan geen gebruik gemaakt worden van deze afwijking. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het mogelijk om een gebruiksgerichte paardenhouderij gebruik te realiseren middels de wijzigingsbevoegheid uit artikel 4.7.5, echter alleen als vervolgfunctie. Dat is hier niet aan de orde. Het wordt een uitbreiding van de bestaande functie. Omdat het hier niet gaat om een vervolgfunctie en gelet op het gegeven dat de paardenbak, longeercirkel, paddocks en overkapping niet passen binnen het vigerende bestemmingsplan is een partiële herziening noodzakelijk.
3.3.3
Welstandnota gemeente Montfoort
De gemeente Montfoort heeft in 2012 haar welstandnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan aanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. Het legt voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld een dorpskern, een beoordelingskader vast. De langgevelboerderij aan Willeskop 77 die onderdeel uitmaakt van onderhavig bestemmingsplan is aangewezen als een MIP-pand voor de gemeente Montfoort. De planlocatie is gelegen binnen het gebied H4.3 ‘Dijklinte Waardsedijk en Willeskop. Voor dit gebied geldt het PLUSniveau van Welstand. Belangrijk in de planontwikkeling is het gegeven dat de bedrijfswoning Willeskop 77 is aangewezen als MIPpand en dat er vanuit het welstandbeleid de wens bestaat om open zichtlijnen tussen gebouwen en bedrijven zo veel mogelijk te handhaven. In paragraaf 3.2 wordt hier verder op in gegaan t.a.v. de realisatie van de hippische voorzieningen. Binnen onderhavig bestemmingsplan wordt het bouwblok niet uitgebreid. De paardenhouderij aan de Willeskop 77c zit gelet op de Wet Milieubeheer en het activiteitenbesluit op slot en kan daarom in dieraantallen niet verder uitbreiden. In dit plan wordt dan ook geen uitbreiding voorzien van bedrijfsgebouwen. Alleen de overkapping van 35m2 achter op het perceel wordt planologisch geborgd, deze overkapping heeft een oppervlak van 35m2.
Deze overkapping is ondergeschikt en is gebouwd van natuurlijke materialen (hout) met een golfplaten dak en wordt zoals omgeschreven in pararaaf 3.2.3. en bijlage 1 landschappelijk ingepast.
3.3.4
Beleidsnotitie hippische sector gemeente Montfoort
De gemeente heeft eigen hippisch beleid geformuleerd; Beleidsnotitie Hippische sector. Dit beleid is door de gemeenteraad vastgesteld op 25 juni 2012 en vormt tevens onderdeel van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 waarin het als bijlage bij de toelichting is opgenomen. Dit beleid is opgesteld om duidelijkheid te geven over de toelaatbaarheid van paardgerelateerde activiteiten zowel hobbymatig als bedrijfsmatig. Deze beleidsnotitie is de basis om de beleidsregels voor de hippische sector op te nemen in het (toen nog vast te stellen) bestemmingsplan Buitengebied 2012. Bij het opstellen van het beleid is op onderdelen gebruik gemaakt van de (inmiddels herziene) VNG-richtlijn ‘Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening’ die samen met de Sectorraad Paarden is opgesteld. In de beleidslijn maakt de gemeente Montfoort onderscheid in verschillende type paardenhouderij: Bij de beleidsbepaling heeft de gemeente een onderscheid gemaakt in een drietal soorten paardenhouderijen, waarvan twee op grond van omvang verder zijn onderverdeeld. Een paardenhouderij kan een bedrijfsmatige of hobbymatige paardenhouderij betreffen. Daarnaast zijn er ook rijverenigingen, maar deze kunnen niet als paardenhouderij worden aangemerkt. Reden voor het onderscheid is het feit dat bouw- en gebruiksmogelijkheden gekoppeld dienen te zijn aan het type houderij en de (beoogde) omvang hiervan.
Het betreft de volgende categorieën: ▪ ▪ ▪
Hobbymatige paardenhouderij Semi bedrijfsmatige paardenhouderij Bedrijfsmatige paardenhouderij
34
In het beleid wordt de volgende omschrijving gegeven over de wijze van bestemmen. (semi) bedrijfsmatige paardenhouderijen: In het nieuwe bestemmingsplan worden bedrijfsmatige en semibedrijfsmatige paardenhouderijen alleen toegestaan binnen de functie agrarisch. Hiervoor worden in de regels van het bestemmingsplan gebruiksregels opgesteld. Vanwege de flexibiliteit in de agrarische bedrijfsvoering is de paardenbak buiten het agrarisch bouwvlak toegestaan. Om te voorkomen dat de paardenbakken het openlandschap aantasten moet de paardenbak binnen een afstand van 100 meter tot het bijbehorende bouwvlak gerealiseerd worden. Wat betreft de gebruiksgerichte activiteit dienen voor het houden van paarden, voor zover de Wet Milieubeheer dit niet regelt en bestemmingsplan technisch nog niet is gebeurd, zie regels opgenomen te worden over wat als hobbymatig en wat als bedrijfsmatig beschouwd wordt. Het bedrijfsmatige en productiegericht houden van paarden kan enkel binnen de bestemming 'Agrarisch' en 'Manege'. Op basis van de beleidsnotitie is een gebruiksgerichte paardenhouderij mogelijk binnen de bestemming ‘Agrarisch’ en is het in het kader van flexibiliteit toegestaan om de buitenbak buiten het bouwblok te plaatsen mits deze op een afstand kleiner dan 100 meter van het bouwblok wordt geplaatst. De betreffende paardenbak ligt op een afstand van 5 meter van het bouwblok.
Voor een manege werkt de gemeente met een aparte bestemming. Een manege is niet toegestaan en wordt ook niet mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling past daarmee binnen de beleidsnotitie van de gemeente Montfoort.
3.3.5
Kadernotitie Ruimtelijke kaders voor de hippische sector
Burgemeester en wethouders hebben in de tweede helft van 2021 een concept kadernotitie “Ruimtelijke kaders voor de hippische sector” opgesteld om in ruimtelijk opzicht sturing te geven aan de hippische sector op zowel bedrijfsmatig als hobbymatig vlak. De (concept) kadernotitie beschrijft de vertrekpunten voor een nieuwe planologische regeling die zal gaan gelden voor de bedrijfsmatige en hobbymatige paardenhouderij met de bijbehorende faciliteiten. Aanleiding voor de (concept) kadernotitie is o.a. de constatering dat de beleidsnotitie uit 2012 en het vigerende bestemmingsplan ‘1 herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012’ niet met elkaar harmoniëren. De visie en begripsbepalingen uit de beleidsnotitie uit 2012 zijn in dit bestemmingsplan niet consistent overgenomen. Als gevolg hiervan bevat het vigerende bestemmingsplan meer restricties voor paardenhouderijen dan nodig zijn voor een goede ruimtelijke ordening. Uitgangspunten van de (concept) kadernotitie zijn o.a. om:
▪
▪
de begripsomschrijvingen ten aanzien van de paardenhouderij over te nemen uit de VNG-richtlijn “Paardenhouderij in het Omgevingsrecht”, waardoor het o.a. toegestaan wordt te handelen in niet ter plaatse gefokte paarden; het geven van individuele instructie toe te staan op alle typen paardenhouderij.
Als de gemeenteraad instemt met de kadernotitie, zal de nieuwe planologische regeling worden vastgelegd in een herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied. Burgemeester en wethouders brengen deze herziening, die zich specifiek zal richten op de planologische regeling voor de hippische sector, in de eerste helft van 2022 in procedure. Het onderhavige bestemmingsplan voor Willeskop 77 en 77c sluit qua uitgangspunten aan op de (concept) kadernotitie.
35
4 Milieutechnische aspecten In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan alle relevante planologische en milieuaspecten.
4.1 Milieueffectenrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 7 juli is het gewijzigde Besluit Milieueffectenrapportage in werking getreden. Door dit besluit moeten alle ruimtelijke ontwikkelingen na 16 mei 2017 voorzien zijn van een beoordeling. De Milieueffectenrapportage is noodzakelijk om te beoordelen welke significante effecten en invloeden een ontwikkeling op de omgeving kan hebben. Een Milieueffectenrapportage is alleen nodig wanneer een plan of project kan leiden tot een of meerdere initiatieven die nadelige invloed hebben op het milieu. Om te bepalen of een Milieueffectrapportage noodzakelijk is zijn er twee criteria geformuleerd: ▪
▪
Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Of er een passende beoordeling nodig is, is afhankelijk van de uitkomsten die beschreven worden in de paragraaf Flora en Fauna. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten.
Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 echter tevens een m.e.r.beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een m.e.r. moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage II en III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Onderhavige ontwikkeling betreft een bestaande paardenhouderij met 27 paarden, 10 schapen en 10 kippen. Deze kleinschalig ontwikkeling is niet opgenomen in de bijlage C- en/of D lijst van het Besluit M.e.r. Derhalve is het besluit m.e.r. niet van toepassing.
4.2 Flora en Fauna 4.2.1
Wet natuurbescherming
Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Met deze wet geeft Nederland uitvoering aan internationale en/of Europese afspraken. De Wnb vervangt de Boswet, de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten. Bescherming op soortniveau: De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: ▪
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn).
▪
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.
▪
Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
36
Bescherming op gebiedsniveau – Natura2000 Door het Rijk zijn in Nederland Natura2000 gebieden aangewezen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000- gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Bescherming op gebiedsniveau – Natuur Netwerk Nederland Naast de Natura2000 gebieden heeft het Rijk het Natuur Netwerk Nederland (NNN) vastgelegd, dit was voorheen de Ecologische Hoofd Structuur (EHS). Het NNN is een landelijk netwerk van natuurgebieden waarop op Rijksniveau opgaven voor zijn vastgelegd en welke op provinciaal niveau worden door vertaald middels verschillende beheersplannen. Het NNN is breder dan enkel de Natura2000 gebieden.
Figuur 4.1 Overzicht Natura2000 gebieden bron: www.atlasleefomgeving.nl
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen Natura2000 gebieden gelegen. Op een afstand van circa 7km ligt het Natura2000 gebied ‘Uiterwaarden Lek’. Op een afstand van circa 13,5 km is het Natura2000 gebied ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ gelegen en op circa 17km ligt het Natura2000 gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’. Al deze Natura2000 gebieden zijn op een dusdanig grote afstand gelegen dat het plangebied en de beoogde ontwikkeling geen enkele invloed heeft op deze Natura2000 gebieden
37
Figuur 4.2 kaart met NNN-bron: webkaart.provincie-utrecht.nl
De locatie is gelegen op enige afstand van twee gebieden die horen tot het NNN. De locatie maakt geen onderdeel uit van het NNN daarmee zijn er geen belemmeringen om de beoogde ontwikkelingen te legaliseren.
4.2.2
Quickscan Flora en Fauna
Door het bedrijf Kettu BV is op 17 feb. 2021 een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Er is een bureauonderzoek en een veldonderzoek verricht. Het gehele onderzoek is als bijlage 2 toegevoegd. Uit de recente verspreidingsinformatie voor het bureauonderzoek blijkt dat in of nabij (< 1 kilometer) het plangebied in het verleden diverse beschermde soorten zijn waargenomen. Dit betreft de beschermde soorten genoemd in Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de niet-vrijgestelde ‘andere soorten’ uit bijlage I (onderdeel a en b) van de Wet natuurbescherming en vogels met een jaarrond beschermd nest. Naast het bureauonderzoek heeft een veldbezoek plaatsgevonden. Tijdens het veldbezoek zijn alle op de locatie aanwezige biotopen opgenomen. Op basis van de aanwezige biotopen, in directe samenhang met geconstateerde aanwijzingen kan op basis van expert judgement beoordeeld worden welke diersoorten kunnen voorkomen. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden ook niet verwacht gezien het (zeer) intensieve gebruik als paardenhouderij (paddock, longeercirkel, buitenbak, gazon en verharding). Onderhavig bestemmingsplan ziet toe op het planologisch borgen van bestaande (illegale) activiteiten. Er vinden ten aanzien van de feitelijke situatie geen uitbreidingen plaats.
Uit de quickscan blijkt dan ook dat voor de aanwezige flora en fauna nader onderzoek niet noodzakelijk is en er geen maatregelen noodzakelijk zijn.
38
4.3 Ammoniak Op basis van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) dienen ontwikkelingen binnen een zone van 250 meter van een (zeer) kwetsbaar gebied (bos of natuur) beoordeelt te worden. Het uitgangspunt van de Wav is dat verlenen van een omgevingsvergunning milieu voor ammoniak binnen de 250-meter zone niet mogelijk is. Deze vergunning is noodzakelijk bij het vestigen of het uitbreiden van een veehouderij. De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) regelt dit:
▪ ▪
Oprichten van een nieuwe veehouderij is niet toegestaan (artikel 4 Wav) Veranderen of uitbreiden van een bestaande veehouderij is niet toegestaan (artikel 6 Wav).
Bedrijven binnen de 250 meter zone mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie. Uitzondering hierop betreffen bedrijven waar paarden en schapen worden gehouden of dieren die in het kader van natuurbeheer of biologisch worden gehouden. Met de beoogde ontwikkeling wordt bovendien geen uitbreiding in het aantal paarden dat binnen de inrichting mag worden gehouden mogelijk gemaakt. Het betreft hier een paardenhouderij. Het aspect ammoniak vormt dan ook geen belemmering voor het initiatief.
4.4 Archeologie In 1992 is het Verdrag van Malta ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa. Dit verdrag heeft tot doel het cultureel erfgoed wat zich in de bodem bevindt te beschermen en te behouden. Hierbij moet gedacht worden aan archeologische vondsten en resten, gebruiksvoorwerpen, restanten van oude nederzettingen en grafvelden etc. Het verdrag van Malta is heeft geleid tot aanpassingen van de Monumentenwet welke is opgenomen in de Erfgoedwet. Deze Erfgoedwet is in juli 2016 vastgesteld, in deze wet zijn oude wetten en regels die invloed hadden op het cultureel erfgoed gebundeld en op elkaar afgestemd. Op basis van deze wetgeving dient ieder ruimtelijk plan onderzocht te worden naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. Voorafgaand aan een plan moet inzichtelijk gemaakt worden welke verwachtingen er zijn en in hoeverre rekening gehouden dient te worden met de aanwezige archeologische waarden. Gemeenten zijn verplicht om hierover kaders te stellen en dit vast te leggen in bestemmingsplannen. De gemeente Montfoort heeft op 14 maart 2011 haar beleidsnota ‘Archeologiebeleid gemeente Montfoort’ vastgesteld. In de Beleidsnota Archeologie wordt omschreven op welke manier de gemeente Montfoort archeologische waarden in de bodem wil beschermen.
De beleidsnota (deel A) en de ruimtelijke uitwerking daarvan (deel B) bieden voor de gemeente de basis om in het ruimtelijkeordeningsbeleid inhoudelijk, effectief en transparant sturing te geven aan het proces van afweging van belangen bij de ruimtelijke inrichting.
Figuur 4.3 uitsnede Maatregelenkaart archeologie beleid gemeente Montfoort
39
In het beleid heeft de gemeente haar grondgebied op archeologisch niveau in 7 deelgebieden ingericht. De planlocatie ligt gedeeltelijk in categorie 4 en gedeeltelijk in categorie 5. Per categorie heeft de gemeente randvoorwaarden opgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen. Voor het noordelijk deel van het plangebied waarin de paardenbak is gelegen geldt het volgende:
Op de locaties van de paddocks en de longeercirkel ligt categorie 5 hiervoor geldt het volgende:
De bak is gelegen in categorie 4 en heeft een oppervlak van 800m 2 en is voorzien van een speciale bodem. Deze bodem is voorzien van een onderlaag van 15 cm. En een toplaag van 10 cm. Onder de bak is drainage aangelegd op een diepte van circa 40 cm. Voor het aanleggen van de paardenbak is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. De longeercirkel is voorzien van en toplaag van 10 cm en de paddocks zijn verhard. De ingreep hier is 10 cm – mv. Daarmee is op basis van het bestaande beleid nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.
4.5 Mobiliteit en parkeren In de huidige bestemming heeft het plangebied een verkeersaantrekkende werking voor de verkoop van paarden, waarvan op basis van het vigerende bestemmingsplan enkel eigen gefokte paarden verkocht mogen worden. Doordat de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - paardenhouderij’ wordt opgenomen wordt door middel van onderhavig bestemmingsplan handel van niet eigen gefokte paarden ook mogelijk. Hierdoor kunnen er meer paarden per jaar verkocht worden, wat dus ook meer verkeersbewegingen met zich meebrengt. Om deze verkeersbewegingen in beeld te brengen is op basis van het provinciaal beleid en de randvoorwaarden uit artikel 4.7.5. een mobiliteitstoets uitgevoerd door BSVA (projectnummer 200016 d.d. 2 maart 2021). Het gehele onderzoek is opgenomen in bijlage 3. In de mobiliteitstoets zijn twee berekeningen gemaakt één op met een reëel uitgangspunt en één worstcase berekening. Het reële uitgangspunt is toegespitst op de situatie ter plaatse waarbij rekening wordt gehouden met de erfdienstbaarheid. Het worstcase scenario richt zich op de maximale planologische haalbaarheid waarbij geen rekening wordt gehouden met privaatrechtelijke afspraken. De uitvoerbaarheid van de bestemming is niet afhankelijk van de bereikbaarheid voor vrachtverkeer.
De volgende conclusie wordt getrokken: Vanuit de Mobiliteitstoets is er geen aanleiding om de in- en verkoop van paarden en de activiteiten die aansluiten bij handel in paarden en een gebruiksgerichte paardenhouderij niet toe te staan. Momenteel wordt ca. 2x per week lesgegeven en recreatief paardgereden op de Willeskop 77c. Voor de Mobiliteitstoets gaan we uit van een groter aandeel, maximaal 2 à 3 lessen per dag. Het extra verkeersaanbod kan goed en veilig afgewikkeld worden op het aanliggende wegennet.
40
Scenario 1 Met maximaal 27 paarden wordt de paardenhouderij aan Willeskop 77c gekenmerkt als een kleinschalige paardenhouderij. De nadruk ligt op de verkoop van recreatiepaarden voor de particuliere sector en de recreatiesector. Op basis van het maximaal aantal van 27 paarden is de verwachting dat in een goede week 2 paarden verkocht worden. Dit is gebaseerd op ervaringscijfers van Mount advies in den lande en gerelateerd aan het aantal boxen, ca. 10% uitgaande van de huidige 21 boxen. Dit komt ook overeen met wat de eigenaar van Willeskop 77c aangeeft. Dit betekent dat op jaarbasis maximaal 104 paarden verkocht kunnen worden, zonder rekening te houden met vakanties. Op jaarbasis zijn dat 1248 ritten voor 104 verkochte paarden. De verkochte paarden worden ook ingekocht, deze arriveren met een auto met trailer of vrachtwagen, de verdeling is ca. 50/50. Dit zijn totaal 208 ritten (komen en gaan), dit is de maximale benadering dat elk paard apart gebracht wordt. In de praktijk zal het voorkomen dat er ook meerdere paarden in één keer gebracht worden. In de maximale situatie qua weken en verplaatsingen zijn er in het geval van paardenhandel 1456 ritten per jaar. Let wel, zoals voor de huidige situatie is aangegeven is dit het maximale scenario gebaseerd op ervaringscijfers, in de praktijk zal dit waarschijnlijk lager liggen.
Uitgangspunt ervaringscijfers De vergelijking richt zich op het verschil in uitoefening van de paardenhandel. Privé verplaatsingen van de betrokken bewoners worden niet meegenomen omdat deze niet veranderen op basis van hoe de paardenhandel wordt ingevuld. Ten opzichte van de handel in eigen paarden zijn er op jaarbasis 1456 – 144 = 1312 ritten extra per jaar ten opzichte van de handel in zelf gefokte paarden. Dit zijn 656 voertuigen per jaar, dat zijn 12 à 13 voertuigen per week en ca. 2 voertuigen per dag. Daarnaast zijn er nog de paardrijactiviteiten die 2 à 3 voertuigen per dag genereren. Totaal 4 à 5 voertuigen per dag. Scenario 2 Het “worst case” scenario gebaseerd op een bedrijfsplan dat in 2011 is opgesteld door ZLTO (Zuidelijke Landen Tuinbouworganisatie). In dit plan wordt uitgegaan van een omloopsnelheid van 1 maand per paard. Met 27 boxen zijn dat ca. 6 à 7 paarden per week. In de volgende berekeningen wordt uitgegaan van 7 paarden per week. De verkoop van 7 paarden per week leidt tot de verkoop van 364 paarden per jaar, dat zijn 4368 ritten per jaar. Deze paarden worden ingekocht en gebracht dat resulteert in 728 ritten (komen en gaan), totaal zijn dat 5096 ritten op jaar basis. Net als bij de eerdere berekening is uitgegaan van 52 (werk)weken en dat elk paard apart gehaald en gebracht wordt.
In beide scenario’s wordt tevens rekening gehouden met de instructieactiviteiten. Uitgangspunt “worst case” scenario Op basis van het “worst case” scenario worden deze getallen als volgt, 5096 – 144 = 4952 extra ritten per jaar. Dit zijn 2475 voertuigen, gemiddeld 47 à 48 voertuigen per week en ca. 7 voertuigen per dag. Ook hier komen dan de paardrijactiviteiten nog bij met 2 à 3 voertuigen per dag. Totaal 9 à 10 voertuigen per dag. Toegespitst op situatie Willeskop 77 en Willeskop 77c Op basis van de erfdienstbaarheid clausule mogen er op jaarbasis maximaal 4 vrachtwagens gebruik maken van de oprit. Eerder is aangegeven dat de ingekochte paarden deels (50/50) met een vrachtwagen worden gebracht. Omdat deze vrachtwagens niet gebruik mogen maken van de oprit kunnen deze ritten in mindering gebracht worden op het totaal aantal voertuigen dat gebruik maakt van de oprit. Echter het laden en lossen aan de provinciale weg is niet wenselijk. De eigenaar van Willeskop 77c is zich hiervan bewust en maakt daarom binnenkort gebruik van locatie “de Lange Linschoten”. Paarden die per vrachtwagen gebracht worden, worden in eerste instantie naar deze locatie gebracht, waarna ze met een auto met paardentrailer naar Willeskop 77c gebracht worden. Dit houdt in dat de berekeningen met als uitgangspunt één voertuig per paard niet aangepast hoeven te worden.
Het gebruik van vrachtwagens is niet per definitie noodzakelijk voor de
41
bedrijfsvoering ter plaatse. De uitvoerbaarheid van de bestemming is niet afhankelijk van de bereikbaarheid voor vrachtverkeer. Bij het mobiliteitsprofiel van Willeskop 77c is de volgende vervoerswijze verdeling aangegeven voor gekochte paarden die opgehaald worden. “Het verkochte paard wordt opgehaald met een auto met trailer of (kleine)vrachtwagen, de verdeling is 60% auto met trailer, 10% kleine vrachtwagen (rijbewijs BE) en 30% vrachtwagen”. In het kader van de erfdienstbaarheid mogen deze vrachtwagens geen gebruik maken van de oprit. In deze gevallen wordt het omgekeerde proces gevolgd van de ingekochte paarden. Het paard wordt naar locatie “de Lange Linschoten” gebracht met auto en trailer en daar met de vrachtwagen opgehaald. Net als bij de ingekochte paarden blijven het aantal vervoersbewegingen gelijk en hoeft de berekening niet aangepast te worden. Gebruik oprit Willeskop 77 Op basis van de landelijke ervaringscijfers zullen gemiddeld ca. 4 à 5, inclusief paardrijactiviteiten, extra voertuigen per dag gebruik maken van de oprit. Dat kan een keer meer zijn maar ook minder. Opgemerkt dient te worden dat de berekende aantallen gebaseerd zijn op de theoretisch maximale situatie qua bezetting van de boxen en handel gedurende 52 weken per jaar, waarbij alle paarden apart vervoerd worden.
In de praktijk zullen de aantallen lager zijn door lagere verkochte aantallen en meer gecombineerd vervoer. Op basis van het “worst case” scenario maken ca. 9 à 10 extra voertuigen gebruik van de oprit, met daarbij ook eerdergenoemde kanttekening over verkochte aantallen en gecombineerd vervoer. Vanuit de Mobiliteitstoets is er geen aanleiding om de in- en verkoop van paarden niet toe te staan. De uitvoerbaarheid van de bestemming is niet afhankelijk van de bereikbaarheid voor vrachtverkeer. Het extra verkeersaanbod kan goed en veilig afgewikkeld worden op het aanliggende wegennet. Er worden vanuit de Mobiliteitstoets geen aanvullende maatregen geadviseerd.
4.6 Technische infrastructuur De locatie is reeds aangesloten op alle gangbare technische infrastructuur zoals drukriolering en andere nutsvoorzieningen. Hiervoor hoeven geen infrastructurele aanpassingen plaats te vinden. Het aspect technische infrastructuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. Het gaat om een functieverandering en het legaliseren van bestaande voorzieningen. Er hoeven t.a.v. deze ontwikkeling geen graafwerkzaamheden uitgevoerd te worden. Mocht dit toch noodzakelijk zijn dan zal voorafgaand een klick-melding gedaan worden.
4.7 Bodem Het onderwerp bodemkwaliteit betreft een landelijk geregelde verplichting; de Wet Bodembescherming. Deze wet maakt onderzoek naar de bodem bij ruimtelijke ingrepen verplicht. Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten tevens verplicht om in een ruimtelijk plan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet. Door de ODRU is er een bodemfunctieklassen kaart opgesteld. In figuur 4.4 is een uitsnede van deze kaart opgenomen. Op de Bodemfunctieklassenkaart worden de volgende gebieden/klassen weergegeven:
▪ ▪
gebieden die in de bodemfunctieklasse Wonen) vallen; gebieden die in de bodemfunctieklasse Industrie vallen;
42
▪
gebieden die niet in een bodemfunctieklasse zijn ingedeeld vallen automatisch in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur. Daar gelden de strengste eisen voor het toepassen van grond. Hier mag alleen schone grond worden toegepast, ook wel achtergrondwaarde-kwaliteit of AW2000kwaliteit genoemd.
Figuur 4.4 Bodemkwaliteitskaart bron: odru.gispubliek.nl
Het buitengebied is ingedeeld in de bodemfunctieklasse landbouw/natuur. Echter binnen dit gebied bevinden zich ook percelen met functies wonen of bedrijvigheid. Voor deze percelen wordt de achtergrondwaarde als toepassingseis voor aan te brengen grond te streng gevonden. Daarom gelden voor deze percelen dezelfde toepassingseisen als voor gebieden die op de kaart in de bodemfunctieklasse Wonen vallen. Dit is verder niet weergegeven op de bodemfunctieklassenkaart. Door de ODRU is er een bodem(kwaliteits)kaart opgesteld waarin verdachte locaties zijn aangemerkt en ook reeds uitgevoerde bodemoderzoeken worden opgeslagen. In figuur 4.5 is een uitsnede van deze kaart opgenomen.
Figuur 4.5 Uitsnede bodemkwaliteitskaart
43
De planlocatie is deels aangeduid als functieklas ‘Wonen’ in dit deel zijn de paardenbak en de longeercirkel gelegen. De paddocks liggen in het gebied ‘landbouw/ natuur. ‘Het aspect bodem is beoordeeld door de ODRU: Er is plaatselijk sprake van een verdenking op het voorkomen van een bodemverontreiniging met bestrijdingsmiddelen (OCB) in de bovenste 30 cm (van het originele maaiveld), vanwege het gebruik van deze locaties als boomgaard. De locatie van de paardenbak/ buitenbak is dan ook verdacht op bodemverontreiniging met OCB’s. Bij de ODRU is vanuit luchtfoto’s bekend dat er mogelijk asbestverdachte dakbedekking aanwezig is op de locatie. Asbestverdachte dakbedekking kan tot een asbestverontreiniging van de druppelzone leiden. Er wordt niet verwacht dat een druppelzone van invloed is op de legalisatie van de deellocaties beschreven in paragraaf 2.2. in het bestemmingsplan. Omdat geen sprake is van bouwwerken die bestemd zijn voor het verblijf van mensen én er geen sprake is van een bodemgevoelige functie, kan er in de onderhavige situatie alleen een bodemonderzoek geëist worden door de gemeente als er sprake is van een redelijk vermoeden van ernstig bodemverontreiniging op de plaatsen waar deze voorzieningen aanwezig zijn. Op grond van de bij de ODRU beschikbare bodeminformatie is dit niet gebleken.