Bijlage 3c Toelichting.pdf
Tekst van het document
25
per ha en de afstand tot de weg van 30 meter, dat overschrijding met 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt bereikt. De realisatie van een woning wordt in het kader van het BEVI niet beoordeeld als een risicovolle activiteit. In de directe omgeving van het plan liggen geen andere risicovolle bedrijven, wegen, spoorwegen, waterwegen of buisleidingen waarover of waardoor structureel en grootschalig gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Er zijn tevens geen bronnen van elektromagnetische straling gelegen in de omgeving van het plan. Daarmee vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Waterhuishouding 4.7.1 Algemeen beleid Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
•
vasthouden, bergen en afvoeren. Dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren. Hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.
Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
26
4.7.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan 'Waterkoers 2016 - 2021' Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. In dit plan geeft De Stichtse Rijnlanden aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vijf hoofdthema's zijn:
• • • • •
waterveiligheid; voldoende water; gezond water; gezuiverd afvalwater; genieten van water.
Wat betreft veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoen aan de veiligheidseisen en dat bij dijkverbeteringenswerken wordt uitgegaan van een duurzaam en robuust ontwerp. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden, zodat het gebied geschikt is om te wonen, werken en recreëren. Daarbij wil De Stichtse Rijnlanden dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Gezond water is voor De Stichtse Rijnlanden gezond als er een grote diversiteit aan planten en dieren in kan leven, als het veilig gebruikt kan worden voor recreatie of als grondstof voor drinkwater. Het water kan alleen zo schoon mogelijk gehouden worden als de (natuurvriendelijke) inrichtingen, het beheer en onderhoud van watersystemen worden aangepast. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert De Stichtse Rijnlanden rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Het laatste thema betreft genieten van water.
Hoewel dit geen kerntaak voor het waterschap is, is het onderwerp zeer belangrijk omdat deze in relatie staat tot het watersysteem en het waterbeheer. Recreatie en in het bijzonder 'genieten van water' neemt in de Nederlandse samenleving een steeds belangrijkere plaats in. Het waterschap wil de bewoners en bezoekers van het gebied laten genieten van water in een gezonde en veilige omgeving. Zo kan het waterschap ook zijn werk zichtbaar maken voor de bewoners. Het vaarwegbeheer is een wettelijke taak van het waterschap, voor de overige recreatieve thema's neemt het waterschap een adviserende en faciliterende rol aan. 4.7.3 Watertoets In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincie, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst waterbeleid 21e eeuw (WB’21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de ‘watertoets’: de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem. Ruimtelijke plannen dienen een waterparagraaf te bevatten. Initiatiefnemers van ruimtelijke plannen moeten in een vroegtijdig stadium van het planvormingsproces de waterbeheerder(s) betrekken. De initiatiefnemer vraagt de waterbeheerder(s) om een wateradvies in de vorm van een watertoets. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van het overleg opgenomen.
Op basis van de watertoets zal de waterbeheerder, indien noodzakelijk, een watervergunning verlenen. Watercompensatie In de huidige situatie is het terrein van het plangebied geheel onverhard. In de toekomstige situatie zal er verharding aanwezig zijn welke bestaat uit de woonbebouwing van de drie woningen en overige verharding voor onder andere de oprit en de tuinrichting. In de volgende tabel is de toekomstige verhardingssituatie (bij benadering) weergegeven, op basis van het concept inrichtingsplan.
27
verharding op basis van 3 vrijstaande woningen
oppervlakte (m²)
toegangspad
365 m²
dakvlakken hoofdgebouw (100 m² per woning)
300 m²
dakvlakken aan-, uit-, en bijgebouwen (125 m² per woning = maximaal toegestaan)
375 m²
overige erfverharding (50 m² per woning)
150 m²
Totaal verharding
1.190 m²
In de Keur staat beschreven dat bij een toename aan verharding van 500 m² tot 10.000 m² een compensatie van 15% noodzakelijk is. Voor deze situatie betekent dit dat ter compensatie naar schatting 178,5 m² (15% van 1.190 m²) nieuw open water aangelegd moet worden. In het stedenbouwkundig inpassingsplan (zie toelichting paragraaf 2.2) is reeds rekening gehouden met de eventueel benodigde watercompensatie. De watercompensatie zal plaatsvinden middels het verbreden en doortrekken van de bestaande sloot en het verwijderen van de bestaande duiker langs de Willeskop, zoveel mogelijk buiten de zones die zijn aangewezen als archeologisch waardevol gebied. Daarbij wordt rekening gehouden met het onderhoud van de watergang. Ter hoogte van de in- en uitrit is binnen het plangebied voldoende ruimte beschikbaar deze watercompensatie te realiseren. Ten behoeve van de ontwikkeling is de watertoets ingevuld (kenmerk: 20181120-14-19267). Hieruit volgt dat een normale procedure dient te worden doorlopen. De watertoets vormt de basis voor overleg met het waterschap naar de waterkansen en -knelpunten. Het waterschap heeft aangegeven te kunnen instemmen met de verbreding van de bestaande watergang aan de Willeskop, mits voldoende rekening wordt gehouden met het regulier onderhoud van de tertiaire watergang.
Waterafvoer De tuinen bij de woningen aan de Julianalaan en de openbare weg (Willeskop) liggen hoger dan de planlocatie. Wateroverlast in deze tuinen is daarom niet aannemelijk. Het terrein binnen het plangebied wordt alleen rondom de nieuwe woningen met 30 cm opgehoogd tot +0,50 meter NAP, zoals het hoogheemraadschap adviseert. Vanaf de hoogteligging van +0,50 meter NAP ter hoogte van de woningen zal het maaiveld geleidelijk aflopen richting de perceelgrenzen en aangrenzende watergangen. Desondanks is ter hoogte van de woning aan de Julianalaan 17, 19 en 21 een greppel voorzien, die in tijde van hevige neerslag kan dienen voor extra waterberging en wateroverlast voorkomt. De greppel is met een voorwaardelijke verplichting verzekerd. De vuilwaterafvoer van het plan zal worden aangesloten op het openbaar riool. Het hemelwater zal volledig gescheiden afgevoerd worden en op eigen perceel worden verwerkt, bijvoorbeeld door infiltratie. Ten slotte worden er bij de bouw van de woning geen uitlogende materialen gebruikt. Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen initiatief.
4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
• • •
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
28
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
• • •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
• •
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels een ecologische quickscan (Blom Ecologie, d.d. 26 augustus 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6) is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Tevens is de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden en beschermde structuren in kaart gebracht en zijn eventuele effecten beoordeeld.
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000gebieden, Belangrijk Weidevogelgebied of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 8 km en meer zijn enkele Natura 2000-gebieden gelegen. Daarnaast is de planlocatie gelegen op een afstand van 1 km tot het Natuurnetwerk Nederland. Omdat het voorliggende bestemmingsplan drie woningen mogelijk maakt en stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden daarmee toe kan nemen, dienen de effecten op Natura 2000-gebieden beschouwd te worden. Hiervoor kan het rekenprogramma AERIUS worden gebruikt. Voor de berekening van stikstofdepositie is gebruik gemaakt van de recente AERIUS Calculator (2020). Wanneer uit AERIUS
29
Calculator volgt de toename aan stikstofdepositie gelijk is aan 0,00 mol/ha/j, dan kan worden geconcludeerd dat het plan geen significant negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden. De ingevoerde gegevens en resultaten zijn opgenomen in een memo (Buro SRO, d.d. 2 juni 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). In de uitgevoerde berekening met AERIUS Calculator (2020) is uitgegaan van een totale verkeersgeneratie van 26 verkeersbewegingen per etmaal. Omdat de beoogde woningen zonder gasstookinstallatie worden uitgevoerd, is ervan uitgegaan dat deze woningen zelf geen stikstofemissie hebben. Uit de berekening met AERIUS Calculator blijkt dat de stikstofdepositie in de gebruisfase van de beoogde ontwikkeling gelijk is aan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kan worden geconcludeerd dat het plan geen significant negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden. Voor de aanlegfase geldt dat de Wet stikstofreductie en natuurverbetering op 1 juli 2021 in werking is getreden. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering introduceert in artikel 2.9a Wet natuurbescherming een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningplicht uit artikel 2.7 van die wet. Hierdoor is er een vrijstelling voor bouw-, sloop- en eenmalige aanlegactiviteiten. Desondanks zijn de effecten van de aanlegfase inzichtelijk gemaakt met een AERIUS-berekening.
Tijdens deze fase zullen verschillende mobiele werktuigen gebruikt worden. Voor de berekening is een schatting gedaan van het gebruik van werktuigen, gebaseerd op vergelijkbare ontwikkelingen. Uit de berekening met AERIUS Calculator blijkt dat er in dit geval geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn op Natura 2000-gebieden. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000 gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Voor de effecten anders dan stikstofdepositie (trillingen, geluid, optische verstoring, etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden te groot is en dat de mate van deze verstoringsfactoren niet zullen leiden tot een toename. Tevens zorgen de tussen gelegen percelen, woningen en infrastructuur voor voldoende bufferwerking om deze (eventuele) effecten te ondervangen. De ontwikkeling resulteert niet in een significant verhoogde verkeersintensiteit en/of stikstofdepositie. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland is externe werking geen toetsingskader. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
Soortenbescherming In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten, vissen welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli). Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en vissen, mogelijke kolonisatie van rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Het plan is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
30
De volgende maatregelen dienen in acht te worden genomen bij de ontwikkeling:
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).
•
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
•
Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.
•
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
•
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april - oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
•
Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
•
De kapwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is, dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
•
Bij het uitgraven van de watergangen dient het effect van de graafwerkzaamheden op mogelijk aanwezige (beschermde) soorten geminimaliseerd te worden. Daarbij dient de volgende werkwijze gehanteerd te worden: aan de weerszijden van de bestaande watergangen dient eerst een damwandplaat geplaatst te worden om deze in stand te houden. Zo wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden water met daarin voorkomende soorten het nieuwe gedeelte in stroomt en dat het water in de bestaande watergang vertroebeld. Nadat de extra watergang is gerealiseerd, kunnen de damwandplaten voorzichtig en langzaam worden weggehaald. Tevens dienen deze werkzaamheden uitgevoerd te worden buiten de voortplantingsperiode van vissen (voor de meeste soorten is dit indicatief de periode maart - mei) en buiten periodes met strenge vorst.
4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
31
Voor het hele grondgebied van de gemeente Montfoort is de beleidsnota Archeologie van toepassing (Vestigia-rapport V673, Vestigia Archeologie en Cultuurhistorie, 23 september 2010). Op 14 maart 2011 is deze beleidsnota door de gemeenteraad vastgesteld. Op de bijbehorende archeologische beleidskaart is te zien waar archeologische waarden in de bodem zitten of verwacht kunnen worden. Planspecifiek De gronden in het plangebied zijn aangeduid met een gebiedsaanduiding ‘archeologisch waardevol gebied 4’. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 200 m² en dieper dan 50 cm -Mv. In het kader van de ontwikkeling is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect, Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, karterende fase Willeskop Ong., 23 mei 2018, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8). Op basis van het veldonderzoek is vastgesteld dat in het westelijk en oostelijk deel van het plangebied sprake is van een middelhoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten in de periode Neolithicum-Late Middeleeuwen. Deze verwachting is gerelateerd aan de aanwezigheid van deels intacte oeverafzettingen van de Stuivenberg stroomrug, die sinds het Neolithicum ter plaatse van het plangebied gelegen heeft.
Alleen de top van de oevers is hier verdwenen, vermoedelijk door een combinatie van afkleien en landbewerking. In het centrale deel van het plangebied is sprake van een lage archeologische verwachting. Hier zijn alle oeverafzettingen verdwenen en bevindt zich een bouwvoor en een baksteenhoudend omwerkingspakket direct op beddingzand. Dit is waarschijnlijk het gevolg van kleiwinning. Met het verdwijnen van de oeverafzettingen zijn ook de archeologische resten in dit gebiedsdeel verdwenen. Een westelijk en een oostelijk deel van het plangebied hebben op basis van het onderzoek nog een archeologische verwachting. Deze verwachting hangt samen met de aanwezigheid van deels intacte oeverafzettingen, die vanaf 50 cm -Mv in de ondergrond aanwezig zijn. In 2018 heeft Transect een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Het rapport is door de bevoegde overheid en haar adviseur op 11 juli 2018 goedgekeurd en het advies voor het terrein is overgenomen. In de periode vanaf 2018 tot heden zijn er vanuit archeologisch oogpunt op het terrein zelf geen veranderingen die de verwachtingen hebben beïnvloed. De rapportage is destijds onder de toen geldende norm KNA 4.0 uitgevoerd (overgang naar 4.1). Onder de huidig geldende KNA 4.1 hebben echter ten aanzien van de toen gebruikte norm geen relevante wijzingen plaatsgevonden die van invloed zijn op de geldigheid van dit onderzoek.
In het bestemmingsplan is voor het westelijk en oostelijk deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen, conform de resultaten van het archeologisch onderzoek en het archeologiebeleid van de gemeente. Daarmee worden de belangen vanuit het aspect archeologie veiliggesteld. De locatie van de geplande woningen en de waterlopen staat nog niet vast. Als de bodemingrepen van de afzonderlijke ontwikkelingen binnen het bestemmingsplangebied de vrijstellingsgrenzen van 200 m² en 50 cm- Mv niet overschrijden, is geen verder archeologisch onderzoek noodzakelijk. In het kader van de aanvragen omgevingsvergunning zal dit te zijner tijd worden getoetst.
4.10 Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in de diverse ruimtelijke plannen. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat 'een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden' in het bestemmingsplan opgenomen moet worden.
32
Planspecifiek Het plangebied is gelegen binnen de molenbiotoop rondom molen De Valk. De molenbiotoop heeft betrekking op de hele omgeving van een molen, voor zover die van invloed is op het functioneren van die molen als maalwerktuig én als monument. Het streven in Montfoort is dat bij nieuwe ontwikkelingen zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de molenbiotoop van molen De Valk, zodat de molen goed kan blijven functioneren en er geen onveilige situatie ontstaat. Binnen een straal van 400 meter mag bij nieuwbouw de maximale hoogte niet meer dan 1/30 zijn van de afstand tussen bouwwerk of beplantingen de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek. Nieuw op te richten gebouwen en andere bouwwerken mogen zich niet verder uitstrekken boven de onderste punt van de verticaal staande wiek dan 1:30 van de afstand gemeten tussen het op te richten bouwwerk en het middelpunt van de molen. De bouwhoogte van de oostelijke woning, die op circa 189 meter van het middelpunt van de molen gebouwd mag worden, mag volgens de regeling niet meer bedragen dan 6,3 meter. Hiervan kan afgeweken worden onder voorwaarde dat de molenbiotoop niet in onevenredige mate wordt aangetast. Bij de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen zal aangetoond moet worden dat dit het geval is.
Hierbij zal rekening gehouden worden met het zicht op de molen, de vrije windvang, de hoogteligging en de aanwezigheid van tussenliggende bebouwing en beplanting. Gezien de stellinghoogte van 3,3 meter en het verschil in de hoogteligging van ruim 1 meter, is een bouwhoogte van ten hoogste 9,6 meter geen belemmering voor de molenbiotoop. De maximale bouwhoogte van 9 meter die met het voorliggende bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is geen belemmering voor de molenbiotoop en voldoet aan de regeling die is opgenomen in artikel9.1. Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn verder geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Ook ligt het plangebied niet in een cultuurhistorisch waardevol gebied. Daarmee is uitgesloten dat de ontwikkeling eventuele monumentale en cultuurhistorische waarden aantast.
4.11 Duurzaamheid 4.11.1 Algemeen beleid Bouwbesluit Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. Vanaf 1 januari 2020 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn. De energieprestatie voor bijna energieneutrale gebouwen wordt vastgelegd aan de hand van 3 eisen: 1. 2. 3.
de maximale energiebehoefte in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar; het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar; het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten.
MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. De gebruikte impact van de gebruikte materialen wordt in kaart gebracht aan de hand van productiewijze van de gebruikte bouwmaterialen, het transport, de levensduur van de materialen en de manier van afdanken. Vervolgens worden alle materialen bij elkaar opgeteld. Het resultaat van een dergelijke analyse wordt uitgedrukt in de zogenaamde ‘schaduwkosten’ van het materiaal. Hoe lager de schaduwkosten, hoe duurzamer het gekozen materiaaltype. Per 1 januari 2018 geldt een maximale totale schaduwprijs van 1,0€ / m² bvo.
33
Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Extra hypotheekruimte voor energiezuinige woningen De Tijdelijke Regeling Hypothecair Krediet maakt het mogelijk om extra hypotheekruimte te krijgen voor duurzaamheid. Huiseigenaren die energiebesparende maatregelen willen meefinancieren kunnen hiervoor meer hypotheekruimte krijgen. Voor energie neutrale woningen of nul-op-meter woningen is deze extra ruimte vanaf 1 januari 2017 tot € 25.000. Dit gaat buiten de normale inkomenstoets om. Er zijn wel voorwaarden, waaronder een bruto minimum jaarinkomen van € 33.000,- en een maximum totaal hypotheekbedrag van 106 % van de marktwaarde van de woning ná het nemen van de maatregelen.
Uit andere nieuwbouwprojecten blijkt dat er niet alleen goede technische mogelijkheden zijn om energie neutrale woningen te realiseren, maar ook dat de stijging van de hypotheeklasten overeen kan komen met de daling van de energielasten. De totale kosten (hypotheek + energiekosten) stijgen niet. 4.11.2 Provinciaal beleid De provincie streeft bij gebiedsontwikkelingen naar zelfvoorzienendheid voor energie. Bij uitleglocaties en transformatieopgaven wordt de voorwaarde opgenomen dat gemeenten en initiatiefnemers in ruimtelijke plannen dienen te beschrijven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en de inzet van duurzame energie, waarbij onder meer de toepassing van restwarmte, warmte- en koudeopslag, aardwarmte, zonne-energie en biomassa aan de orde komt. Provincie Utrecht heeft de ambitie om in 2040 het grondgebied van de provincie Utrecht klimaatneutraal georganiseerd te hebben. Het gaat hierbij niet alleen om CO2-reductie, maar ook om het onafhankelijk zijn van beperkt beschikbare fossiele brandstoffen. De opgaven voor klimaatneutraliteit zijn: 1. 2. 3.
het energiegebruik sterk verminderen door besparingen en innovaties; de energie die we nog nodig hebben duurzaam opwekken; energie- of warmte vragende en energie- of warmte leverende functies bij elkaar brengen.
4.11.3 Conclusie De gemeente Montfoort heeft geen eigen duurzaamheidsbeleid. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt hierom aangesloten bij de duurzaamheidsambities van het rijk en de provincie. In het kader van de omgevingsvergunning en daarmee het nadere ontwerp van de woningen zal worden onderzocht op welke wijze kan worden aangesloten op de ambities zoals klimaatneutraal bouwen, de toepassing van restwarmte, warmte- en koudeopslag, aardwarmte, zonne-energie en biomassa. De financiële haalbaarheid speelt eveneens een rol in deze afweging. De woningen worden gasloos uitgevoerd conform de wet VET. Voorts zal in het bouwplan in ieder geval worden opgenomen dat de BENG-norm of beter wordt gehaald. Dit is in overeenstemming met het Bouwbesluit. Daarnaast zal er worden aangesloten op de GPR-score van minimaal 7.
34
4.12 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe ontwikkeling op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Voor het maken van een inschatting van het benodigde aantal parkeerplaatsen en de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn parkeerkencijfers en kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormenpublicatie'. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende parkeerplaatsen en wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Verkeer Voor het bepalen van de verkeersgeneratie die voortkomt uit de ontwikkeling van de woningen zijn de 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' van het CROW aangehouden. Het plangebied is aangemerkt als 'rest bebouwde kom' in een matig stedelijk gebied. De realisatie van de beoogde (koop)woningen leidt tot een toename in extra verkeersbewegingen tussen de 23,4 en 25,8 verkeersbewegingen per etmaal.
Het is aannemelijk dat de huidige verkeersstructuren over voldoende capaciteit beschikken om de toename van maximaal 25,8 motorvoertuigbewegingen per etmaal op te vangen. In de nieuwe situatie worden de woningen via de Willeskop ontsloten. In het verleden bestonden er twee varianten voor de ontsluiting. Eén ter hoogte van de oversteekplaats voor brommers, door middel van een kleine entreezone. De andere variant ten hoogte van de voormalige agrarische in-/uitrit. Deze twee ontsluitingsvarianten zijn uitgewerkt door Goudappel Coffeng (Ontwerpmemo erfontsluiting Willeskop Montfoort, d.d. 19 juli 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1).Uiteindelijk is er voor gekozen om de ontsluiting te laten plaatsvinden ter hoogte van de voormalige agrarische in-/uitrit, nog net buiten de bebouwde kom. Het voorliggende bestemmingsplan maakt uitsluitend deze in-/uitrit mogelijk. Bij het ontwerp van de uitrit zal rekening moeten worden gehouden met een aantal aspecten. De provincie hanteert verschillende modellen voor uitritten. Voor de uitrit van de beoogde ontwikkeling zal minimaal moeten worden uitgegaan van model C. Daarnaast moet er voldoende zicht zijn op en vanaf de uitrit. Eventueel moeten enkele knotwilgen verdwijnen en zal het bord van de bebouwde kom verplaatst moeten worden, zodat er voldoende zicht is.
Omdat de uitrit buiten de bebouwde kom komt te liggen, zal de uitrit met klinkers worden gerealiseerd, zodat het duidelijk is dat het een uitrit betreft en geen ontsluitingsweg. Deze aspecten worden nader beoordeeld en getoetst in het kader van de omgevingsvergunning voor de aanleg van de uitrit. Parkeren De parkeernorm voor 'koop, huis, vrijstaand' in 'rest bebouwde kom' conform de Nota Parkeernormen Montfoort 2020 bedraagt 2,3 parkeerplaatsen per woning. Het noodzakelijk parkeren wordt op de individuele kavels opgelost, inclusief het noodzakelijke bezoekersparkeren. Hiervoor hebben de kavels een royale omvang om dit op een adequate wijze op te lossen. De regeling uit het 'Paraplubestemmingsplan parkeernormen Montfoort' (vastgesteld op 29 november 2018) is overgenomen in artikel 11 van de regels van het voorliggende bestemmingsplan.
35
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Plansystematiek Verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. De bestemming is een beschrijving van de functies waarvoor de grond mag worden gebruikt. Op de verbeelding zijn tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling binnen de regels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de regels een juridische betekenis. Regels Inleidende regels Het opnemen van begripsbepalingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijke) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen, waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert. Begrippen die zijn voorgeschreven in de SVBP2012 worden ook conform de SVBP2012 overgenomen. Wijze van meten Met het oog op het kunnen bepalen van de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Tevens is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven bij het toepassen van de regels. Dit betreft onder meer het in geringe mate mogen overschrijden van bouw- en bestemmingsgrenzen met erkers, luifels en dergelijke. In de SVBP2012 zijn standaarden beschreven waaraan deze regels moeten voldoen. Indien van toepassing, worden deze één op één overgenomen.
Bestemmingsregels Per bestemming zijn, voor zover noodzakelijk, de volgende onderdelen onderscheiden:
• • • •
bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels;
36
• • •
specifieke gebruiksregels;
•
wijzigingsbevoegdheden.
afwijken van de specifieke gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren werkzaamheden;
van
werken,
geen
bouwwerken
zijnde,
of
5.3 Toelichting afzonderlijke bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemming: 'Agrarisch - Rivierzone' De gronden aan de oostzijde van het plangebied hebben de bestemming 'Agrarisch - Rivierzone'. Deze gronden fungeren als bufferzone tussen de beoogde woningen en de naastgelegen slachterij. Op de gronden zijn hobbymatige agrarische activiteiten en bijbehorende voorzieningen toegestaan. Dit gebruik is vergelijkbaar met het huidige gebruik. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Uitzondering hierop is de mogelijkheid tot het bouwen van een schuilhut. 'Tuin' De voor Tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor de aanleg van een voor tuin, toegangspaden, nutsvoorzieningen, parkeren en ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' een toegangspad naar de achterliggende woningen. De gronden waar de greppel ten behoeve van extra waterberging is voorzien hebben de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - greppel'. De aanleg en instandhouding van de greppel is met een voorwaardelijke verplichting verzekerd. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Een erker is mogelijk met een afwijkingsbevoegdheid. Eventuele watercompensatie (door middel van het verbreden van de bestaande sloot) is toegestaan binnen de tuinbestemming.
'Wonen' De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het realiseren van de drie vrijstaande woningen. Tevens mag aan huis gebonden beroepen en/of bedrijf worden uitgeoefend tot een oppervlakte van 30 m². Het is daarnaast toegestaan om op de gronden met deze bestemming tuinen, erven en ontsluitingpaden aan te leggen. Ook mag er geparkeerd worden op eigen terrein. In de specifieke gebruiksregels van de bestemmingen 'Tuin' en 'Wonen' is het gebruik van een gebouw als geurgevoelig object als strijdig gebruik met de bestemming aangemerkt. Hiermee wordt voorkomen dat gebouwen binnen de berekende geurcontour van 0,5 ouE/m³ als 98-percentiel, waaraan de aanduiding 'milieuzone - geurgevoelig object uitgesloten' is toegekend, als geurgevoelig object gebruikt worden en de slachterij in de omgeving beperkt kan worden in de mogelijkheden. In aanvulling op het bovenstaande worden de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen beperkt voor wat betreft bewoning bedoelde bijbehorende bouwwerken, waaronder huisvesting in verband met mantelzorg. De Afdeling overweegt de uitspraak ECLI:NL:RVS:2018:571 van 21 februari 2018 dat ‘in een concreet geval, wanneer locatie-specifieke omstandigheden hiertoe aanleiding geven en dit strekt tot een goede ruimtelijke ordening, een planregeling kan worden opgenomen die vergunningvrij bouwen aan banden legt’.
In de uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:1408 bevestigt de Afdeling dit onder rechtsoverweging 4. De Afdeling heeft ook overwogen dat het niet vereist is om een andere bestemming aan gronden toe te kennen om zo te garanderen dat de gronden niet als erf in de zin van het Bor worden aangemerkt. In het voorliggende bestemmingsplan is aan de gronden die niet als erf aangemerkt worden voor bewoning bedoelde bijbehorende bouwwerken de aanduiding 'milieuzone - geurgevoelig object uitgesloten' toegekend. Dit zijn de gronden binnen de berekende geurcontour van 0,5 ouE/m³ als 98-percentiel. De specifieke omstandigheden die aanleiding geven voor deze regeling is de aanwezigheid van de slachterij in de omgeving en het uitgevoerde geuronderzoek, waaruit volgt op welke gronden een geurbelasting van ten minste 0,5 ouE/m³ als 98-percentiel verwacht kan worden. Ter voorkoming van het beperken van de mogelijkheden van de slachterij is het gewenst de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen te beperken.
37
Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' Voor de delen van het plangebied waaruit na archeologisch onderzoek is gebleken dat archeologische waarden niet zijn uit te sluiten, is de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4’ opgenomen. Daarmee zijn de betreffende gronden tevens bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische (verwachtings-) waarden. Gebiedsaanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingszone' Ter plaatse van de aanduiding zijn de betreffende gronden tevens bestemd voor de bescherming van het grondwater. Gebruik van de gronden en gebouwen met nadelige effecten voor de drinkwatervoorziening zijn hier niet toegestaan. Gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m' Ter plaatse van het plangebied is een vrijwaringszone van een molenbiotoop opgenomen van 400 m. Binnen deze zone gelden nadere voorwaarden voor het bouwen en de aanleg of het uitvoeren van werken en werkzaamheden in verband met de mogelijke aantasting van belangrijke zichtlijnen en de vrije windvang van een historische molen. Nieuw op te richten gebouwen en andere bouwwerken mogen zich niet verder uitstrekken boven de onderste punt van de verticaal staande wiek dan 1:30 van de afstand gemeten tussen het op te richten bouwwerk en het middelpunt van de molen.
38
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek De gemeente zal ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten. In deze overeenkomst wordt de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Hiermee zijn de kosten anderszins verzekerd en is het ruimtelijke plan financieel uitvoerbaar. In onderhavige situatie wordt voldaan aan bovenstaande voorwaarden.
39
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.1 Inspraak en verslag artikel 3.1.1 bro overleg Het voorontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van 12 februari 2020 gedurende zes weken ter inzage gelegen. De in deze periode ingekomen vooroverleg- en inspraakreacties zijn in de nota van beantwoording vooroverleg en inspraak samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien (zie bijlagen bij toelichting bijlage 9).
7.2 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van woensdag 15 december 2021 tot en met dinsdag 25 januari 2022 ter inzage gelegen. In deze periode zijn drie zienswijzen ingediend. De ingekomen zienswijzen zijn in de nota beantwoording zienswijzen samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien (zie bijlagen bij toelichting bijlage 10).
40