CConstaterende datMontfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3c Toelichting.pdf

Raadsvergadering 23 mei 2022, gemeente MontfoortBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Willeskop C276 en 31715.425 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Willeskop, percelen C 276 en 316, Montfoort Gemeente Montfoort

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.0335.BPWilleskop-VG01

Datum:

2022-04-08

Contactpersoon Buro SRO:

R. van der Made

Kenmerk Buro SRO:

SR170107

Opdrachtgever:

Dhr. Lambrechts

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 11 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 11 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 12 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 15

4 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 17 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 17 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 18 4.3 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 19 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 22 4.5 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 24 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 25 4.7 Waterhuishouding.............................................................................................................................................

26 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 28 4.9 Archeologie ....................................................................................................................................................... 31 4.10 Cultuurhistorie ................................................................................................................................................ 32 4.11 Duurzaamheid ................................................................................................................................................. 33 4.12 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 35

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 36 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 36 5.2 Plansystematiek ................................................................................................................................................ 36 5.3 Toelichting afzonderlijke bestemmingen .......................................................................................................... 37

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 39 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 40 7.1 Inspraak en verslag artikel 3.1.1 bro overleg .................................................................................................... 40 7.2 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 40

Bijlage 1: Ontwerpmemo erfaansluiting Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3: Geuronderzoek Bijlage 4: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 5: Akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai Bijlage 6: Quickscan Wet natuurbescherming Bijlage 7: AERIUS-berekening Bijlage 8: Archeologisch onderzoek Bijlage 9: Nota van beantwoording vooroverleg en inspraak Bijlage 10: Nota beantwoording zienswijzen

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer van voorliggend bestemmingsplan is voornemens op het perceel kadastraal bekend onder gemeente Montfoort, sectie C nummers 276 en 316, gelegen tussen de Julianalaan en de Willeskop net ten westen van de kern Montfoort, een drietal vrijstaande woningen te realiseren. De gemeente Montfoort heeft aangegeven een positieve grondhouding te hebben ten opzichte van het plan, onder voorbehoud dat het plan aan een aantal voorwaarden voldoet. Naar aanleiding hiervan zijn diverse haalbaarheidsonderzoeken verricht om aan te tonen dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Momenteel heeft het perceel waar de woningen gaan komen de bestemming 'Agrarisch - Rivierzone'. De beoogde ontwikkeling past daarmee niet binnen het geldende bestemmingsplan ‘Woonwijken'. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te kunnen maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan heeft als doel een nieuw en actueel planologisch-juridisch kader te bieden ten behoeve van de toekomstige ontwikkeling op het perceel.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern Montfoort, aan de noordzijde van de Willeskop. Het betreft het perceel kadastraal bekend onder gemeente Montfoort, sectie C nummers 276 en 316. De directe omgeving kenmerkt zich door woningbouw en diverse bedrijvigheid. De huidige occupatie van de gronden betreffen agrarisch weiland zonder bebouwing. De volgende afbeeldingen tonen de ligging en begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied (witte cirkel, bron: maps.google.nl)

5

Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: maps.google.nl)

6

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Woonwijken'. De gemeenteraad van de gemeente Montfoort heeft dit bestemmingsplan vastgesteld op 31 januari 2011. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Woonwijken' (plangebied aangegeven met rode omkadering)

In het geldende bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming 'Agrarisch - Rivierzone'. Daarnaast bevat het plangebied tevens de gebiedsaanduidingen 'milieuzone - grondwaterbeschermingszone', 'archeologisch waardevol gebied 4' en 'vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m'. Op basis van de geldende bestemming is de realisatie van de drie woningen in het plangebied niet toegestaan. Hiermee is het plan strijdig met het geldende bestemmingsplan. Middels de voorliggende partiële herziening van het bestemmingsplan wordt de voorgenomen ontwikkeling van de woningen planologisch toegestaan op deze locatie.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 volgt allereerst een planbeschrijving van de huidige situatie met vervolgens een beschrijving van de voorziene ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het initiatief getoetst aan het geldende ruimtelijk beleid op verschillende schaalniveaus. In hoofdstuk 4 wordt het initiatief getoetst op inpasbaarheid en uitvoerbaarheid aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten. De juridische toelichting wordt gegeven in hoofdstuk 5. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden in respectievelijk hoofdstuk 6 en 7 belicht.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Ten noorden van de kern Willeskop, net voordat vanuit het westen het dorp Montfoort wordt ingereden, ligt een tweetal onbebouwde agrarische percelen. Deze percelen vormen de overgang met de woonpercelen gelegen aan de Julianalaan. De percelen hebben een oppervlakte van 10.415 m². Tussen het plangebied en de weg is een watergang gelegen, begeleid door een bomenrij.

Aanzicht van het perceel (rechts) vanaf de Willeskop (bron: Google street view)

Ligging van het plangebied (rechts) gezien vanuit de kern Montfoort (bron: Google street view)

De woonbebouwing aan de Julianalaan bestaat veelal uit vrijstaande woningen van één tot twee lagen met een kap. Aan de westzijde van de onderhavige percelen zijn rijenwoningen gesitueerd die met hun achterkant naar de weg zijn geprojecteerd. Aan de oostzijde is een bedrijf (slachterij) gesitueerd. Vanaf de Willeskop is dit bedrijf niet of nauwelijks beleefbaar. Aan de overzijde van de Willeskop bevindt zich een aanhangerverhuurbedrijf en agrarische percelen gelegen. De Willeskop is een provinciale weg en heeft aan de zuidzijde een vrijliggend fietspad.

8

Nabijgelegen bedrijvigheid (een slachterij (rechts) en een aanhangerverhuurbedrijf (links)) (bron: Google street view)

Ligging van het plangebied (links) aan de Willeskop en de agrarische percelen aan de overzijde (bron: Google street view)

2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens op de twee percelen een drietal vrijstaande woningen te realiseren in aansluiting op de naastgelegen rijenwoningen aan de Willeskop, waarbij er een bufferzone tussen de beoogde woningen en het naastgelegen bedrijf aan de oostzijde wordt vrijgehouden. De vrijstaande woningen presenteren zich allen met hun voorzijde naar de Willeskop. De woningen zullen ontsloten worden via de Willeskop door middel van een kleine entreezone. Deze ontsluiting zal komen ter hoogte van de bestaande agrarische in-/uitrit. In het verleden zijn twee mogelijkheden voor de entreezone onderzocht. Beide ontsluitingsvarianten zijn uitgewerkt door Goudappel Coffeng (Ontwerpmemo erfontsluiting Willeskop Montfoort, d.d. 19 juli 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Het voorliggende bestemmingsplan maakt uitsluitend de ontsluitingsvariant via de bestaande in-/uitrit mogelijk. In beeldkwaliteit dienen de woningen aan te sluiten bij het heersende beeld van onder andere de woningen aan de Julianalaan en het aanwezige landschap. Dit om zorg te dragen voor een aantrekkelijk en passend beeld nabij de entree van Montfoort. Het bestaande profiel, inclusief de aanwezige boombeplanting aan de zijde van de Willeskop, kan volledig intact blijven. Ook aan de oostzijde blijft de boombeplanting nagenoeg intact.

Dit draagt bij aan een goede afscherming ten opzichte van het naastgelegen bedrijf. Ten behoeve van eventuele watercompensatie wordt voorgesteld om de bestaande sloot langs de Willeskop te verbreden ter hoogte van de in- en uitrit. Binnen de planopzet is rekening gehouden met de aanwezige geurcontour van het naastgelegen slachtbedrijf en het verkeerlawaai afkomstig van de Willeskop. Naar beide aspecten is specifiek onderzoek verricht en met de resultaten is rekening gehouden bij de inpassing (afstand) van de woningen (zie toelichting paragraaf 4.3 en toelichting paragraaf 4.4).

9

Het noodzakelijk parkeren wordt op de individuele kavels opgelost inclusief het noodzakelijke parkeren voor bezoekers. Hiervoor zijn de kavels royaal genoeg om dit op een adequate wijze op te lossen op eigen terrein.

Impressie toekomstige situatie (verkavelingsschets indicatief)

10

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Aangezien de beoogde ontwikkeling geen rijksverantwoordelijkheid omvat zijn er geen raakvlakken met het Rijksbeleid. In toelichting paragraaf 3.1.3 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

11

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Behoefte Voor de ladder voor duurzame verstedelijking is het van belang of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor het plan getoetst moet worden aan de ladder. Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Het plan moet daarom aangemerkt worden als een stedelijke ontwikkeling. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. De voorgenomen ontwikkeling betreft het positief bestemmen van 3 woningen. Daarmee wordt de locatie niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dergelijke plannen hoeven niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Gezien de omvang van de voorgenomen ontwikkeling kan de ontwikkeling worden aangemerkt als een kleinschalige woning(bouw)locatie. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet noodzakelijk. Bestaand stedelijk gebied Het plangebied maakt tevens onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied.

Daarbij is de ligging van het plangebied aan de rand van Montfoort zeer geschikt om de betreffende woningen te realiseren. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Utrecht De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voorslim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:

• •

waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is;

12

• • • • •

waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.

Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zonne- en windenergie. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar de provincie voor staan kan zij niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.

Planspecifiek Landschap Groene Hart Het plangebied is gelegen binnen het Landschap Groene Hart. De provincie wil voor het landschap Groene Hart de kernkwaliteiten (1) openheid, (2) (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.), (3) landschappelijke diversiteit en (4) rust & stilte, evenals de aardkundige waarden van het gebied behouden en beter beleefbaar maken. Het bevorderen van de diversiteit op het schaalniveau van de verschillende typen landschap staat daarbij centraal, waarbij zorgvuldig omgegaan dient te worden met open en lege ruimte. Daarnaast is het behouden van rust en stilte een belangrijke eigenschap om te waarborgen maar enige mate van dynamiek is mogelijk. Met de ontwikkeling van de drie woningen wordt rekening gehouden met de kernkwaliteiten van het Groene Hart. De kavels van de toekomstige woningen volgt de strokenverkaveling. De woningen zijn georiënteerd op het bebouwingslint en liggen op ruime afstand tot elkaar waardoor de openheid blijft behouden. Daarnaast betreft het plangebied een binnenstedelijke locatie gelegen binnen de rode contour. In haar verstedelijkingsbeleid richt de provincie zich primair op de ontwikkelingsmogelijkheden in het stedelijk gebied. Op deze manier blijven de steden, dorpen en kernen aantrekkelijk om te wonen, te werken en te ontmoeten en blijft het landelijk gebied gevrijwaard van onnodige ruimteclaims.

Doordat het plangebied binnen het stedelijk gebied ligt sluit de ontwikkeling goed aan bij deze visie van de provincie. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken.

13

De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen.

Planspecifiek Voor onderhavig plan heeft de provinciale ruimtelijke verordening relevantie met betrekking tot beschermd drinkwatergebied en Landschap Groene Hart. Overstroombaar gebied Op kaart 3 'Watersysteem kaart 2' staat aangeven dat het plangebied in overstroombaar gebied ligt. Daarbij wordt in artikel 2.10 gesteld dat er rekening gehouden moet worden met overstromingsrisico's. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks geldt dit ook voor individuele woningen en bedrijven. Het plangebied ligt binnendijks waardoor dit artikel voor onderhavig plan niet van toepassing is. Landschap Groene Hart Met betrekking tot deze gronden stelt artikel 7.9 lid 2 van de Omgevingsverordening dat een ruimtelijk besluit voor gronden bestemmingen en regels moet bevatten ter bescherming van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten. Artikel 7.9 lid 3 van de Omgevingsverordening stelt dat deze gronden geen nieuwe bestemmingen en regels mag bevatten die leiden tot een onevenredige aantasting van in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten. Zoals in voorgaande paragraaf reeds is gesteld omvat voorliggend plan slechts de ontwikkeling van 3 woningen. Daarnaast blijft het aanzicht van het plangebied grotendeels groen. Geconcludeerd wordt dat er geen kernkwaliteiten worden aangetast.

De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het gestelde in de Omgevingsverordening Binnenstedelijke woningbouw Daarnaast blijkt uit de navolgende afbeelding dat het plangebied in het gebied ligt wat is aangeduid als Stedelijk gebied. Met betrekking tot dit stedelijk gebied stelt artikel 9.15 lid 2 van de Omgevingsverordening dat verstedelijking, en dus woningbouw, mogelijk is. De voorgenomen ontwikkeling betreft het mogelijk maken van drie vrijstaande woningen. Hiermee is het initiatief passend binnen de Omgevingsverordening. Gezien voorgaande is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met het gestelde in de Interim Omgevingsverordening.

14

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Montfoort 2021 Op 13 december 2021 heeft de raad van de gemeente Montfoort de Omgevingsvisie ‘Vitale kernen in een waardevol landschap’ vastgesteld. In deze omgevingsvisie heeft de gemeente Montfoort haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vastgelegd. Allereerst worden in de omgevingsvisie de identiteit en de kernkwaliteiten van de gemeente onderscheiden. Deze zijn als volgt samen te vatten:

• • • • • •

rust en ruimte koesteren; waardevol blauw en groen; trots op historisch karakter; levendig en zorgzaam; bourgondisch, sociaal en religieus; creatief en innovatief.

De gemeente positioneert zichzelf als 'een toekomstbestendige gemeente met vitale kernen in een waardevol landschap'. Dit doet zij middels de beschrijving van 10 strategische keuzes met bijbehorende ambities en doelstellingen. 1.

De leefomgeving moet passen bij onze identiteit, waarbij we onze landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten beschermen en verbeteren. 2. We kiezen voor een vitale, leefbare en inclusieve gemeente. 3. We bieden ruimte aan woningbouw. 4. We bieden ruimte aan de lokale maakindustrie. 5. Voor mobiliteit volgen we het adagium 'lokaal vertragen, regionaal versnellen'. 6. We bieden (zeer beperkt) ruimte aan energiebronnen in het buitengebied en op bedrijventerreinen. 7. We bouwen recreatieve en toeristische mogelijkheden uit. 8. We gebruiken klimaatadaptatie om de gemeente groener, gezonder en veiliger te maken. 9. We werken mee aan een toekomstbestendige landbouw met ruimte voor natuur. 10. We sturen ook vanuit de fysieke leefomgeving op een gezonde en veilige samenleving. De keuzes die gemaakt moeten worden zijn thematisch en gebiedsgericht uitgewerkt in de omgevingsvisie. De thema's worden aan de hand van vier onderdelen behandeld: Wat zijn onze doelen? Wat is onze rolopvatting daarbij? Wat willen we niet? En waar willen we dat dan? Vervolgens wordt de koers voor acht deelgebieden, ieder met een eigen karakter, kwaliteiten en ontwikkelrichtingen beschreven. Planspecifiek Voor het thema wonen wordt hoofdzakelijk aangesloten bij het doel 'we willen de mogelijkheden die zich aandienen voor woningbouw actief benutten door inbreiding, transformatie of herstructurering'.

Onderhavig initiatief betreft een inbreidingslocatie. Onderhavige locatie wordt niet specifiek benoemd in de omgevingsvisie. De realisatie van de drie woningen vindt plaats middels inbreiding in de bebouwingskern. Het plangebied is gelegen in het deelgebied 'Montfoort'. Om de kernen levendig en vitaal te houden is ontwikkeling van de kernen van belang. Ruimte bieden aan nieuwe instroom en ruimte bieden aan de woonwensen van de inwoners bevordert de vitaliteit van de kernen en heeft een gunstig effect op het draagvlak voor voorzieningen. Het voorgenomen wordt op particulier initiatief gerealiseerd en komt de tegemoet aan de woonwensen. Er dient geconcludeerd te worden dat het plan in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Montfoort 2021.

15

3.3.2 Woonvisie gemeente Montfoort 2019 - 2030 Op 8 juli 2019 heeft de gemeenteraad de Woonvisie 2019-2030 vastgesteld. In de Woonvisie legt de gemeente Montfoort de prioriteiten van het lokale woonbeleid voor de komende jaren vast. De visie geeft inhoud en richting aan de ontwikkelingen op de woningmarkt. Daarbij wordt concreet ingezet op de komende vijf jaar, met een doorkijk naar de jaren daarna richting 2040, voor wat betreft de lange termijn ontwikkelingen die we in het oog willen houden. De gemeente zet zich in voor de vitaliteit van wonen en leven in Montfoort en Linschoten. Een passend woonaanbod vormt een onderdeel hiervan, binnen de integrale ruimtelijke ontwikkeling van de kernen. De gemeente werkt deze ambitie uit aan de hand van de volgende vijf pijlers: 1. 2. 3. 4. 5.

voorzichtige extra groei van de kernen; kernen verschillen in woonmilieus en leefstijlen; voorkomen verdringen kwetsbare groepen op de woningmarkt; toekomstbestendige kernen zijn duurzame en gezonde kernen; en ruimte voor eigen initiatief en innovatie.

Planspecifiek Afhankelijk van het scenario wil de gemeente wil een voorzichtige extra groei in de kernen van ca. 130 woningen voor de lokale behoefte. Daarnaast wil de gemeente het eigen initiatief van inwoners honoreren. De gemeente biedt ruimte voor eigen initiatieven uit de kernen voor verbetering van de bestaande woningvoorraad. Met de beoogde ontwikkeling worden drie vrijstaande woningen gebouwd op agrarische gronden. Deze gronden zijn gelegen in het stedelijk gebied, niet ver van het centrum van Montfoort. De gemeente wil ook bouwen aan toekomstige bestendige kernen. Een van de doelstellingen is energieneutraal worden in 2050. De beoogde woningen worden gebouwd en zullen voldoen aan normen gesteld in de BENG en zullen gasloos worden gebouwd. De duurzaamheidaspecten zullen verder worden besproken in toelichting paragraaf 4.11. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de woonvisie van de gemeente Montfoort.

16

4 Uitvoerbaarheid 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoalsbeschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het voorgenomen initiatief valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (categorie 11.2 onderdeel D: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen of een oppervlakte van 100 hectare of meer. Onderhavig plan bestaat uit het realiseren van een drietal vrijstaande woningen. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;

17

2.

belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

Bij besluiten ten aanzien van waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn: 1. 2. 3.

kenmerken van het project; plaats van het project; kenmerken van de potentiële effecten.

De kenmerken van het project worden in toelichting hoofdstuk 2 beschreven. Gezien de ligging van de planlocatie aan de rand van de kern Montfoort en de toename van het aantal woningen zeer beperkt is, zijn de effecten van het plan op de omgeving zeer klein. De effecten hebben met name te maken met verkeersbewegingen van en naar de woningen en de geluidhinder die daardoor veroorzaakt wordt. Deze effecten zijn gebruikelijk rondom de Willeskop. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het gaat om op een opzichzelfstaande ontwikkeling. De ligging aan de rand van de kern maakt het niet aannemelijk dat er in de omgeving op korte termijn andere ontwikkelingen uitgevoerd zullen worden. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 4. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent voorliggende ruimtelijke onderbouwing en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.

Er is een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden voorafgaand aan de terinzagelegging van het voorontwerp bestemmingsplan (art. 7.19 lid 1 Wm). Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is genomen, ingevolge art. 7.17, derde lid, jo. art. 7.16 Wm, op basis van de verzamelde informatie, zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de toelichting bij dit bestemmingsplan. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.

4.2 Bodem In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het deelgebied bij elkaar passen. Planspecifiek De gronden waarop de nieuwe bebouwing gesitueerd zal zijn, zijn momenteel in gebruik als agrarisch weiland. Dit gebruik zal in de toekomstige situatie wijzigen naar een strenger bodemgebruik. Bodemonderzoek is derhalve noodzakelijk om te verantwoorden dat de bodem geschikt is voor de bestemming Wonen. Een verkennend (water)bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740 (Inventerra, Verkennend bodemonderzoek Willeskop/Julianalaan ong. Montfoort, d.d. 21 juni 2018, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2).

18

Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk 'onverdacht' voor bodemverontreiniging. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

•

In mengmonster MM3 van de bovengrond op de locatie (0 – 0,5 m-mv) zijn een sterke verontreiniging met lood gemeten en lichte verontreinigingen met enkele overige zware metalen, PCB en PAK.

•

Na de uitgevoerde aanvullende analyses zijn in de individuele grondmonsters uit het betreffende mengmonsters ten hoogste lichte verontreinigingen met lood aangetoond.

•

In de mengmonsters MM1 en MM2 van de bovengrond zijn geen verontreinigingen, respectievelijk een lichte verontreiniging met lood vastgesteld. In de mengmonsters van de ondergrond op de locatie (1,0 – 2,0 m-mv, MM4 en MM5) zijn een lichte verontreiniging met nikkel, respectievelijk geen verontreinigingen vastgesteld.

• •

In het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuizen 111 en 119) zijn licht verhoogde concentraties met barium geconstateerd.

Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek dient de hypothese ‘onverdachte locatie’ voor de locatie (strikt genomen) verworpen te worden, vanwege de aangetoonde lichte verontreinigingen in de grond en in het grondwater. De licht verhoogde bariumconcentraties in het grondwater betreffen echter natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden. De in eerste instantie in mengmonster MM3 aangetoonde sterke verontreiniging met lood is na de uitgevoerde aanvullende analyses niet meer teruggevonden. Er is nog slechts sprake van lichte verontreinigingen. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn zodanig licht verhoogd dat nader onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Bij het vooronderzoek (historisch onderzoek) zijn voor het kadastrale perceel C 316 geen verdachte deellocaties of activiteiten geconstateerd. De verwachte bodemkwaliteit van perceel C 316 wijkt op basis van de beschikbare informatie niet af van de bodemkwaliteit die is aangetoond op perceel C 276. Het kadastrale perceel C 316 bevat hoogstwaarschijnlijk geen geval van ernstige bodemverontreiniging. Gezien het voorgaande is het terrein vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming.

Omdat de locatie na het in 2018 uitgevoerde verkennend bodemonderzoek alleen gebruikt is als dierenweide en er daarmee geen potentieel bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, kan geconcludeerd worden dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit op de locatie niet verslechterd kan zijn. Het terrein is daarmee nog steeds geschikt voor het beoogde gebruik. Als op de locatie graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden dient de vrijkomende grond mogelijk nog conform het Besluit bodemkwaliteit te worden gekeurd.

4.3 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven

19

komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" wordt onderscheid gemaakt in niet-bindende richtafstanden voor omgevingstypen 'gemengd gebied'" en een 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. In de onderstaande tabel staan de richtafstanden per milieucategorie voor de omgevingstypen rustige woon wijk en gemengd gebied. Gemotiveerd afwijken van de richtafstanden is mogelijk als kan worden aangetoond dat de hierboven genoemde doelen worden gewaarborgd. Milieucategorie Richtafstand rustige woonwijk 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m Tabel: richtafstanden per milieucategorie

Richtafstand gemengd gebied 0m 0 - 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m

Planspecifiek De omgeving van het plangebied wordt aangemerkt als gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. In de directe omgeving van de woning komen ook andere functies voor zoals bedrijven, winkels, horeca en (maatschappelijke) voorzieningen. Naar aanleiding van de beoordeling van de omgevingsdienst zijn de bedrijven in de directe omgeving nader bekeken. Direct ten oosten van het plangebied bevindt zich de slachterij Van Kooten. Ter plaatse van de slachterij is een bedrijf toegestaan met milieucategorie 3.2. De richtafstand van de slachterij (categorie 3.2 bedrijven) bedraagt op basis van het VNG Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering' 100 meter voor geur en geluid en 50 meter voor gevaar. De afstand tot dit bedrijf vanaf de planlocatie bedraagt 0 meter. De beoogde woningen zijn op minimaal 58 meter van het bedrijf voorzien. Aangezien de omgeving getypeerd kan worden als gemengd gebied mag de richtafstand voor wat betreft geur en geluid worden teruggebracht naar 50 meter. Navolgend wordt nader ingegaan op de maatgevende aspecten geur en geluid. Andere aspecten als stof en gevaar behoeven geen nadere beschouwing, gelet op de activiteiten van de slachterij en de afstand tot de beoogde woningen.

Slachterij - geur Vanwege de korte afstand tot deze slachterij is een nader onderzoek uitgevoerd naar de geurbelasting (Langelaar Milieuadvies, Rapportage geuronderzoek, Ontwikkelingslocatie Willeskop Montfoort, d.d. 29 april 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Om de woningen te kunnen realiseren dient te zijn aangetoond dat er sprake is van een acceptabel woon-en leefklimaat ter plaatse.

20

Er is onderzocht bij welke emissie een geurimmissie van 0,5 OUe/m³ als 98-percentielwaarde optreedt bij geurgevoelige objecten in de omgeving van slachterij Van Kooten. In navolgende afbeelding is de 0,5 OUe/m³ contour als 98-percentielwaarde weergegeven.

0,5 OUe/m³ contour als 98-percentielwaarde

Bij de inrichtingsschets van het plangebied is rekening gehouden met de maximale geurcontour ten gevolge van de slachterij. De toekomstige woningen zijn buiten de contour geprojecteerd, waarmee de ontwikkeling uitvoerbaar is voor wat betreft het aspect geur. Slachterij - geluid De slachterij heeft tevens een richtafstand als gevolg industrielawaai. De richtafstand van de slachterij voor het aspect geluid bedraagt 50 meter, gezien het een gemengd gebied betreft. De afstand tot de nieuwe woningen in het plangebied bedraagt minimaal 58 meter. Ten behoeve van de ontwikkeling van de woningen is desondanks een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (Kragten, Akoestisch onderzoek Industrielawaai, d.d. 4 augustus 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Uit de rekenresultaten komt het volgende beeld naar voren:

•

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) ter plaatse van de nieuwe woningen bedraagt ten hoogste 41 dB(A) in de dagperiode, 28 dB(A) in de avondperiode en 38 dB(A) in de nachtperiode. Dit komt neer op 48 dB(A) etmaalwaarde. De grenswaarde uit de vigerende vergunning wordt hiermee gerespecteerd. Tevens wordt de richtwaarde van 50 dB(A) uit stap 2 van de VNGpublicatie gerespecteerd.

•

Het maximaal geluidniveau (LAmax) ter plaatse van de nieuwe woningen bedraagt ten hoogste 47 dB(A) in de dagperiode en 50 B(A) in zowel de avondperiode als de nachtperiode. De grenswaarden uit de vigerende vergunning worden hiermee gerespecteerd. Tevens wordt de richtwaarde van 70 dB(A) uit stap 2 van de VNG-publicatie gerespecteerd.

21

Geconcludeerd wordt dat op basis van de maximaal planologische bedrijfssituatie van de slachterij ter plaatse van de nieuwe woningen wordt voldaan aan de geluidvoorschriften uit de vigerende vergunning en de richtwaarden uit stap 2 van de VNG-publicatie. Tevens wordt de inrichting niet belemmerd in zijn bedrijfsvoering. Derhalve wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen vanwege de nabijgelegen slachterij. Van der Horst Aanhangwagens BV Ten zuiden van het plangebied is een bedrijf gevestigd in de constructie- en wagenbouw, handel en reparatie van aanhangwagens, Van der Horst Aanhangwagens BV. Ter plaatse is een bedrijf toegestaan met milieucategorie 3.2. De minimale richtafstand van dit bedrijf (categorie 3.2 bedrijven) bedraagt op basis van het VNG Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering' minimaal 100 meter voor geluid en 30 meter voor geur, stof en gevaar. Gezien de omgeving getypeerd kan worden als gemengd gebied mag de richtafstand wat betreft geluid worden teruggebracht naar 50 meter. De afstand tot de nieuwe woningen in het plangebied bedraagt bij benadering circa 60 meter, waarmee de richtafstand niet overschreden wordt. Bovendien vinden de geluid producerende activiteiten van het bedrijf hoofdzakelijk plaats aan de zuidzijde van het bedrijf.

De oprit naar het bedrijf is immers gelegen aan de Benedenkerkweg, waarmee kan worden aangenomen dat de geluidbelasting als gevolg van het bedrijf geen belemmering vormt voor de toekomstige woningen. Bovendien ligt de bestaande woning aan de Benedenkerkweg 1a ten oosten van het bedrijf op een kortere afstand tot dit bedrijf. Daarmee is het bedrijf al beperkt in zijn mogelijkheden en vormen de nieuwe woningen geen verdere beperking. Aangenomen wordt dat de ontwikkeling van de woningen uitvoerbaar is wat betreft het aspect industrielawaai als gevolg van Van der Horst Aanhangwagens BV en een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Overige bedrijven De overige bedrijven in de directe omgeving zijn niet van invloed op de ontwikkeling van het plangebied. Conclusie Gezien het voorgaande kan gesteld worden dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect milieuzonering vormt zodoende geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft); andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

22

Planspecifiek De nieuw te realiseren woningen zijn geluidsgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder. De Willeskop is een 50-60km/h weg. Wettelijk gezien is er een onderzoeksplicht. Om te bepalen wat de mogelijke effecten zijn (afstand en geluid) van verkeerlawaai is een akoestische verkenning uitgevoerd (Windmill, Akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai, d.d. 7 juni 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). De hoogste geluidbelastingen vanwege de provinciale weg N228 en De Bleek zijn per woning samengevat in navolgende tabel. Woning

Hoogste geluidbelastingen, Lden (dB) (inclusief aftrek ex art. 110g Wgh) N228

De Bleek

Woning 1

59

34

Woning 2

58

34

Woning 3

57

33

De berekende geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeer op De Bleek bedraagt minder dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder legt verder geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan vanwege De Bleek. Vanwege de provinciale weg N228 wordt de voorkeursgrenswaarde niet gerespecteerd. Aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB uit de Wet geluidhinder wordt echter voldaan. Maatregelen om de geluidbelastingen terugbrengen tot waarden die lager zijn dan de voorkeursgrenswaarde zijn onderzocht en stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke dan wel financiële aard. Bij de gemeente Montfoort kan een hogere waarde voor de woningen worden aangevraagd. Indien een hogere waarde wordt aangevraagd dient te worden voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. Vanuit het ontheffingenbeleid geldt dat elke woning ten minste één geluidluwe zijde en, indien aanwezig, een geluidluwe buitenruimte bevat. Uit de berekeningen blijkt dat ter plaatse van de achtergevel (noordgevel) van de woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Geconcludeerd wordt dat alle woningen hiermee een geluidluwe zijde en tevens een geluidluwe buitenruimte hebben. Daarnaast dienen de woningen akoestisch gunstig te worden ingedeeld.

Dit houdt in dat ten minste één slaapkamer aan de geluidluwe zijde dient te worden gerealiseerd. Minimaal 30% van het vloeroppervlak van alle verblijfsgebieden tezamen dienen aan de geluidluwe gevel te worden gesitueerd. Bij de indeling van de woningen dient hiermee rekening te worden gehouden. Ten aanzien van het aspect verkeerslawaai is cumulatie in de zin van de Wet geluidhinder niet van toepassing. Middels een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevel dient in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen te worden aangetoond dat de gevelgeluidwering (GA,k) voldoet aan de voorwaarden vanuit het Bouwbesluit. Voor de betreffende woningen wordt een hogere waarde aangevraagd. Het betreffend besluit hogere waarden heeft samen met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegen. Na het definitieve besluit hogere waarden voor de van toepassing zijnde woningen vormt het aspect geluid vanwege omliggende wegen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

23

4.5 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 µg/ m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.

Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Onderhavig plan bestaat uit het realiseren van drie vrijstaande woningen. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als 'niet in betekende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat de huidige luchtkwaliteit voldoet aan jaarlijkse grenswaarde. Zowel voor stikstofdioxide (NO2) als voor fijnstof (PM10) dient de jaarlijkse grenswaarde van 40 μg/m³ niet overschreden te worden. Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging in het plangebied, kunnen de concentraties uit de NSL-monitoringstool worden gebruikt.

Uit de monitoringstool blijkt dat de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in 2020 ter plaatse van het plangebied (rekenpunt 170388) maximaal 19,4 μg/m³, 18,9 μg/m³ respectievelijk 11,6 μg/m³ bedragen. De concentraties liggen ruim onder de grenswaarden van 40 μg/m³ (N02 en fijnstof PM10) en 25 μg/m³ (fijnstof PM2,5). De WHO en de GGD hanteren advieswaarden van 20 µg/m³ voor fijnstof PM 10 en 10 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Aan de advieswaarden wordt net niet voldaan. In de toekomst zal de luchtkwaliteit, mede door schonere technieken, verbeteren, waardoor de verwachting is dat voldaan zal worden aan de advieswaarden voor fijnstof. Daarmee zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

24

4.6 Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid is gericht op beperking en beheersing van risico's door opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet bij ruimtelijke ontwikkelingen de kans op grote calamiteiten met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij een toename van het aantal personen binnen het invloedsgebied of een toetsingszone van een risicobron. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim, ook wel Activiteitenbesluit genoemd) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast zijn voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen respectievelijk de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Het Bevb sluit aan bij het toetsingskader dat in het Bevi is opgenomen.

Inmiddels zijn ook het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het basisnet ingevoerd. Planspecifiek Om eventuele risico’s te kunnen bepalen heeft de provincie Utrecht een risicokaart opgesteld. Deze kaart geeft een overzicht van aanwezige risicovolle inrichtingen (BEVI-inrichtingen), alsmede een overzicht van overige risico-gerelateerde onderwerpen. Op bijgevoegde afbeelding is een uitsnede van de risicokaart te zien.

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding deelgebied (zwarte omkadering)

Uit raadpleging van de risicokaart van de provincie Utrecht blijkt dat in de nabije omgeving van het plangebied geen BEVI-inrichtingen aanwezig zijn. Wel is het plangebied gelegen nabij een regionale transportroute voor gevaarlijke stoffen. Dit betreft de weg Willeskop (N228). Op basis van de Handleiding risicoanalyse transport (RIVM, 2017) uitgaande van een gemiddelde personendichtheid van 75 personen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Montfoort&id=7ddfafae-8d4f-4082-8dd4-7bf71694faf9