Bijlage 2b Toelichting bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 34.pdf
Tekst van het document
Door de toenemende hoeveelheid verharding in steden wordt het steeds moeilijker om water makkelijk weg te krijgen. Door het grootschalig verharden van tuinen van particulieren neemt de kans op wateroverlast toe. Basisprincipes omgaan met water: • Vasthouden - bergen - afvoeren (waterkwantiteit) • Schoon houden - scheiden - zuiveren (waterkwaliteit) • Waarborg tegen overstroming - overstromingsrobuust bouwen (veiligheid) Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Water in relatie tot de ruimtelijke ontwikkeling De ruimtelijke ontwikkelingen hebben weinig tot geen gevolgen voor het watersysteem.
In het kort gaat het om: • Het verhard oppervlak neemt gering toe (Zie de Keur bepalingen voor de grenswaarden). Deze geringe toename van verhard oppervlak heeft weinig gevolgen voor het watersysteem. Het bestaande watersysteem kan tijdens een hevige regenbui al het hemelwater vanaf dit oppervlak verwerken en bergen
27
• • • • •
Het bestaande oppervlaktewater wordt niet aangepast. Water wordt niet buiten het plangebied geborgen. Er vindt geen lozing plaats van verontreinigingen en/of verontreinigd water naar oppervlaktewater. Het plangebied ligt niet op of nabij een waterkering of belangrijke watergang. Het plangebied ligt niet nabij een rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) of rioolpersleiding.
Afvoer hemelwater Hemelwater wordt rechtstreeks afgevoerd naar oppervlaktewater. Omdat de toename aan verharding kleiner is dan 500m2 in stedelijk gebied of 1000m2 in landelijk gebied, hoeft deze afvoer niet te worden gecompenseerd. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater Hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem. In het waterbeleid is afvoer van overtollig hemelwater door middel van infiltratie in de bodem het uitgangspunt. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Diffuse bronnen Het verdient de voorkeur om geen zware metalen, zoals lood, koper of zink toe te passen voor dak, dakgoot of regenpijp. Indien dit wel gebeurd, moet er een zuiveringsvoorziening worden aangelegd, zodat hemelwater geloosd kan worden op oppervlaktewater. Zware metalen vervuilen namelijk het oppervlaktewater. Afvalwater Afvalwater komt bijvoorbeeld vrij bij het schoonspuiten van de stallen en wordt afgevoerd naar de mestkelders onder de stallen. Dit wordt samen met de mest van het bedrijf afgevoerd.
Agrarische bedrijven Door de ontwikkelingen vinden er agrarische activiteiten plaats. Indien het gaat om een agrarisch bedrijf gelden de volgende uitgangspunten: Bijna alle agrarische bedrijven vallen onder het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Voor akkerbouwbedrijven gelden aanvullende voorschriften voor de toepassing van bestrijdingsmiddelen en kunstmest. Bij de inrichting van het plan moet rekening worden gehouden met de voorschriften uit het Lozingenbesluit. Toetsing Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een mestsilo mogelijk met een oppervlakte van 416 m2. Dit is minder dan 500 m2 en dus hoeft er geen compensatiewater gegraven te worden. Afstromend hemelwater wordt direct afgevoerd naar het omliggende oppervlaktewater. Er wordt geen gebruik gemaakt van de zware metalen zoals lood, koper of zink. Het gaat namelijk om een afgedekte betonnen mestsilo. Het afvalwater, dat bijvoorbeeld vrijkomt bij het schoonspuiten van stallen, wordt opgevangen in de onder de stal gelegen mestkelders. Door het opnieuw uitgraven van de ringsloot om het te verplaatsen bosje is er overigens wel compensatiewater.
28
4.8 Bedrijven en milieuzonering Algemeen Bij het realiseren van een bouwplan dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemming gerealiseerd wordt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking) 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking) Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Rustig buitengebied De omgeving van het plangebied kenmerkt zich door een beperkte menging van functies, ten noorden (aan de Cattenbroekerdijk gelegen) is een bedrijfsbestemming gelegen, ten zuiden en noorden enkele woonbestemmingen en verder agrarische bedrijven. Bij de toetsing wordt echter uitgegaan van een rustig buitengebied. Externe werking De externe werking betreft de vraag of de nieuwe functies in onderhavig plan niet leiden tot hinder voor de bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' kan het vermeerderingsbedrijf worden gecategoriseerd als 'fokken en houden van varkens’, SBI-code 0146. De grootste richtafstand, in dit geval voor geur, bedraagt 200 meter. De dichtstbijzijnde hindergevoelige functies zijn Cattenbroekerdijk 32 en 35. Deze woningen zijn gelegen op kortere afstand. Er is hier echter sprake van een reeds bestaande functie.
Door de bouwvlakoptimalisatie wordt het mogelijk om de mestsilo op een grotere afstand dan 200 meter te realiseren en komt deze op grotere afstand dan dat in het verleden (voor de brand) het geval is. Interne werking Naast de externe werking moet de interne werking worden beoordeeld. Met andere woorden: past de nieuwe functie in de omgeving? In het plangebied wordt geen nieuwe hindergevoelige functie mogelijk gemaakt. Dit aspect vormt dus eveneens geen belemmering.
29
4.9 Kabels en leidingen Aan de zijde waar het bouwvlak groeit zijn geen (hoogspannings)kabels of leidingen aanwezig. De nutsvoorzieningen bevinden zicht langs de Cattenbroekerdijk. Toetsing Het aspect 'kabels en leidingen' leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig plan. 4.10 Risicokaart Nederland Er bevinden zicht in de directe omgeving van het plangebied geen risico’s. Bij risico’s moet gedacht worden aan hoofdtransportleidingen, gasstations, opslagen voor brandbare vloeistoffen, etc. Hieronder is een uitsnede uit de Risicokaart Nederland weergegeven ter hoogte van het plangebied.
Figuur 10: uitsnede Risicokaart Nederland
Toetsing: Dit aspect leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig plan. 4.11 Bluswatervoorzieningen Op basis van J.6.3 van bijlage J van de NEN 6060 is een toereikende bluswatervoorziening met een capaciteit van ten minste 90 m³/uur (gedurende ten minste 4 uur) in nabijheid van de NEN 6060-veestal vereist. Toetsing: In de huidige situatie vormt het openbare water (Montvoortse Vaart) de bluswatervoorziening. Op het eigen terrein zijn, in overleg met de Veiligheidsregio Utrecht, droge blusleidingen gerealiseerd vanaf de opstelplaats naast het openbare water naar de toegangen aan de Zuidzijde van de stal. De
30
brandslangaansluitingen bevinden zich in nabij de toegangen van de voerkeuken en werktuigenberging. Voorgaande is overeenkomstig met de op 13 mei 2020 afgegeven omgevingsvergunning voor herbouw van de stallen. 4.12 Verkeer en parkeren Verkeer Het plangebied zal worden ontsloten via de bestaande in- en uitrit welke aansluit op de Cattenbroekerdijk. De wijziging heeft geen significante toename in het aantal verkeersbewegingen tot gevolg, het plan maakt de vervangende nieuwbouw van een mestsilo mogelijk, geen toename in productiecapaciteit. Parkeren Onderhavig plan leidt niet tot een extra parkeerdruk. Overigens is op het eigen terrein ruim voldoende ruimte voor parkeren en zal er geen parkeren worden afgewenteld op de omgeving. 4.13 Duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen Energie Een mestsilo heeft feitelijk geen effect op het energieverbruik van het bedrijf, het betreft immers een stabiele opslag van mest zonder stroom- of gasverbruikende apparatuur daarin. De stallen van het bedrijf zijn echter recentelijk geheel bedekt met zonnepanelen. De energieopbrengst daarvan is 1,5 Megawatt, het bedrijf is daarmee volledig zelfvoorzienend qua energie. Het produceert zelfs meer stroom dan het zelf nodig heeft en voorziet daardoor vele andere huishoudens van stroom, door teruglevering aan het net.
Door plaatsing van die zonnepanelen heeft het bedrijf ook geen aardgasverbruik meer. De kraam- en biggenstallen worden verwarmd middels elektriciteit in combinatie met warmtewisselaars. Het bedrijf doet mee aan de zogeheten Maatlat Duurzame Veehouderij, dit stimuleringsprogramma zorgt er voor dat initiatiefnemer de meest energiezuinige apparatuur gebruikt wordt en de beste isolatie toe te passen. Maatschappelijk verantwoord ondernemen Een mestsilo heeft als doel om mest op te slaan in afwachting van afvoer op het meest geschikte moment, qua duurzaamheid kan daarvan gesteld worden dat de mest aangewend kan worden op het moment dat de plant dat nodig heeft. Qua bedrijf geldt dat de recente nieuwbouw meedoet met De Maatlat Duurzame Veehouderij deze stelt naast de energie-eisen ook dierwelzijnseisen, zoals bovenwettelijk veel lichtinlaat, ruimte per dier, brandveiligheid en speelmogelijkheden voor dieren. Als de silo gebouwd wordt zal eveneens een ringslootbosje aangelegd worden, als opwaardering van het landschap. 4.14 Besluit milieueffectrapportage (mer) Dit bestemmingsplan betreft de optimalisatie van een bestaand bouwvlak. Het bouwvlak is 1,5 hectare en blijft 1,5 hectare. Het doel van de wijziging van het bouwvlak is de realisatie van een vervangende mestsilo. Opslag van mest is niet opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage.
31
5. Juridische planbeschrijving en uitleg planregels Het bestemmingsplan omvat huidige en toekomstige bouwperceel van het agrarische bedrijf aan de Cattenbroekerdijk 34. De opzet, regels en bestemmingen van dit bestemmingsplan zijn afgestemd op en in overeenstemming met de regels en verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2012'. Er zijn in het plangebied drie enkelbestemmingen van toepassing, de bestemming 'Agrarisch’, de bestemming 'Agrarisch met waarden - Openheid' en de bestemming ‘Natuur’. Binnen het plangebied bevinden zich ook de functieaanduidingen ‘bedrijfswoning’ en ‘intensieve veehouderij’, overeenkomend met de functieaanduidingen die hete perceel kende in bestemmingsplan Buitengebied 2012. Voorts is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5’ opgenomen, overeenkomstig de bepaling zoals die is opgenomen in de 1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012.
32
6. Uitvoerbaarheid Dit hoofdstuk beschrijft de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van deze partiële herziening van het bestemmingsplan. 6.1 Economische uitvoerbaarheid Om de gemeentelijke kosten die gemaakt worden bij uitvoering van voorgestane ontwikkeling te verhalen, wordt leges geheven, hiervoor is initiatiefnemer een anterieure overeenkomst met de gemeente Montfoort aangegaan. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. In dit kader is er wettelijk vooroverleg gevoerd met verschillende overleginstanties. De resultaten van deze procedure zijn in deze paragraaf opgenomen. De volgende instanties hebben gereageerd op het voorontwerp van het bestemmingsplan: 1. Veiligheidsregio Utrecht: 2. Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden; 3. Provincie Utrecht; 4. Gasunie. De Veiligheidsregio Utrecht geeft aan dat alle relevante zaken ten aanzien van externe veiligheid zijn meegenomen in het voorontwerpbestemmingsplan. Binnen het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig waarvoor een verantwoordingsplicht geldt voor het groepsrisico. Daarnaast is de bereikbaarheid goed. Uit het planvoornemen kan echter onvoldoende worden opgemaakt hoe de bluswatervoorziening geregeld is bij de realisatie van het plan.
Geadviseerd wordt in de nadere uitwerking van het plan aandacht te besteden aan het realiseren van een adequate bluswatervoorziening nabij het plangebied. In de plantoelichting (paragraaf 4.11) van het ontwerpbestemmingsplan wordt ingegaan op de bluswatervoorziening. De overige instanties hebben geen opmerkingen over het voorontwerpbestemmingsplan. Verder heeft het voorontwerpbestemmingsplan van 15 mei 2019 tot en met 25 juni 2019 ter inzage gelegen voor inspraak. Er is één inspraakreactie ingediend. Volgens deze inspraakreactie kon de beschrijving van de eigendomssituatie in de plantoelichting op enkele punten misverstanden geven. Dit is verbeterd in het ontwerp bestemmingsplan. Hoewel Provincie Utrecht aanvankelijk niet heeft gereageerd op het voorontwerpbestemmingsplan, hebben zij in mei 2021 contact opgenomen met de gemeente naar aanleiding van de op 13 mei 2020 verleende omgevingsvergunning voor de nieuwe varkensstal. De Provincie is onaangenaam verrast dat er een stal met meer dan één verdieping is vergund. Dit past namelijk niet binnen het provinciaal beleid. In de destijds geldende Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) en de opvolgende Interim Omgevingsverordening is bepaald dat op agrarische bouwpercelen bedrijfsgebouwen met maximaal één
33
bouwlaag voor het stallen van dieren zijn toegestaan. Volgens de PRV en de opvolgende Interim Omgevingsverordening had de gemeente het genoemde voorschrift binnen twee jaar na 5 maart 2013 (inwerkingtreding van de PRV) verwerkt moet hebben in het bestemmingsplan. Dat is niet gebeurd. De omgevingsvergunning is onherroepelijk, maar om toekomstige gevallen te voorkomen wordt het voorschrift meegenomen in de eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012. Dit overleg met de provincie heeft ook gevolgen voor het ontwerpbestemmingsplan; dit is op enkele punten aangescherpt ten opzichte van het voorontwerp. Er is een planregel toegevoegd waardoor geen nieuwe stallen van meer dan één bouwlaag mogen worden gerealiseerd. Bovendien is extra aandacht besteed aan de landschappelijke inpassing van de vergunde stal. Volgens het nieuwe inpassingsplan worden er aan de noordwestkant van de stal een solitaire (kastanje)boom en drie nieuwe boomgroepjes geplant. Dit is via een voorwaardelijke verplichting gewaarborgd in de planregels In bijlage 5 is het Verslag inspraak en vooroverleg opgenomen. Ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan wordt de wettelijke procedure opgestart (artikel 3.8 Wro). De resultaten van deze procedure worden te zijner tijd in deze paragraaf verwerkt.
34
Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5.
Landschappelijke inpassing tevens visualisatie vervorming bouwvlak Digitale watertoets Quickscan flora en fauna Toelichting op AERIUS-calculator berekening en de berekening zelf Verslag inspraak en overleg
35