CConstaterende datMontfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b Toelichting bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 34.pdf

Raadsvergadering 7 maart 2022, gemeente MontfoortBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 34 Linschoten (nr. 1197522)10.446 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting Bestemmingsplan Cattenbroekerdijk 34 te Linschoten

INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding........................................................................................................................ 3 1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding ................................................................................................................................ 3 Begrenzing plangebied ............................................................................................................ 4 Bestemmingsplan .................................................................................................................... 5 Leeswijzer ................................................................................................................................ 5

2. Huidige en toekomstige situatie .................................................................................... 6 2.1 2.2

Huidige situatie........................................................................................................................ 6 Toekomstige situatie ............................................................................................................... 7

2.2.1 Bouwplan ............................................................................................................................................... 7 2.2.2. Landschappelijke inpassing ................................................................................................................... 7 2.2.3 Bedrijfsvoering ....................................................................................................................................... 8

3. Beleidskader ................................................................................................................. 9 3.1 3.1.1

3.2

Nationaal beleid ...................................................................................................................... 9 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ............................................................................ 9

Provinciaal beleid .................................................................................................................. 10

3.2.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) ........................................................................................ 10 3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht .............................................................................. 10

3.3

Gemeentelijk beleid ............................................................................................................... 13

3.3.1 Visie Montfoort 2030 ........................................................................................................................... 13 3.3.2 Bestemmingsplan ....................................................................................................................... 15 3.3.3 Archeologiebeleid ................................................................................................................................ 17 3.3.4 Welstandsnota ..................................................................................................................................... 18

4. Uitvoeringsaspecten ....................................................................................................20 4.1 Bodem ......................................................................................................................................... 20 4.2 Geluid .......................................................................................................................................... 20 4.3 Luchtkwaliteit .............................................................................................................................. 20 4.4 Wet natuurbescherming flora en fauna ..................................................................................... 22 4.5 Wet natuurbescherming gebiedsbescherming ........................................................................... 23 4.6 Cultuurhistorie ............................................................................................................................ 23 4.7 Water .......................................................................................................................................... 25 4.8 Bedrijven en milieuzonering .......................................................................................................

29 4.9 Kabels en leidingen ..................................................................................................................... 30 4.10 Risicokaart Nederland ............................................................................................................... 30 4.11 Bluswatervoorzieningen ........................................................................................................... 30 4.12 Verkeer en parkeren ................................................................................................................. 31 4.13 Duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen ............................................... 31 4.14 Besluit milieueffectrapportage (mer) ....................................................................................... 31

5. Juridische planbeschrijving en uitleg planregels ............................................................32 6. Uitvoerbaarheid ...........................................................................................................33 6.1 Economische uitvoerbaarheid .................................................................................................... 33 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................. 33

Bijlagen ...........................................................................................................................35

2

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Cattenbroekerdijk 34 te Linschoten is een varkenshouderij gelegen. Voor de opslag van mest werd tot voor kort deels gebruik gemaakt van mestkelders onder de stallen en een mestsilo. De betreffende mestsilo was inmiddels ouder dan 30 jaar en verkeerde in mindere staat. Om te kunnen voldoen aan de milieu-eisen en de daarbij behorende keuringen moet de silo vervangen worden. De mestsilo was echter ingebouwd tussen de stallen, deze positie bemoeilijkte het legen van de silo. Initiatiefnemer wil deze situatie oplossen door een nieuwe mestsilo aan de achterzijde van zijn bedrijf te bouwen, ter vervanging van de oude. De nieuw te bouwen mestsilo valt daar echter buiten dit bouwvlak. Er is derhalve strijd met artikel 3.2.1 sub a van de planregels opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast komt de silo voor een deel in een bestemd landschapselement, waardoor er strijd is met planregel artikel 17.1 en 17.2. Het bouwvlak is thans 1,5 hectare, dat bouwvlak ligt echter voor een deel op een plek waar nooit gebruik gemaakt kan worden van de rechten die een bouwvlak geeft. Het ligt bijvoorbeeld aan de noordzijde en de zuidoostzijde, over de sloot heen. Door bouwvlakoptimalisatie toe te passen kan het bouwvlak dusdanig gevormd worden dat de mestsilo binnen het bouwvlak kan vallen.

Dit zou met de wijzigingsbevoegdheid kunnen die onder artikel 3.7.1 in het vigerende plan is opgenomen. De mestsilo zou dan ook echter voor een deel binnen bestemming ‘Natuur’ komen te vallen. Dit landschapselement is circa 6 jaar geleden aangelegd en is niet tot volle wasdom gekomen. Initiatiefnemer wil dit landschapselement (ringslootbosje) herstellen, maar gelet op de plaatsing van de mestsilo wordt het landschapselement in noordoostelijke richting verplaatst. Voor het verplaatsen van de bestemming natuur is geen binnenplanse wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Derhalve wordt het bestemmingsplan partieel herzien om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Hiervan heeft het voorontwerpbestemmingsplan van 15 mei 2019 tot en met 25 juni 2019 ter inzage gelegen. Enkele dagen na afloop van die inzagetermijn werd de varkenshouderij getroffen door brand, welke de voorste helft van de gebouwen op het perceel verwoestte. Initiatiefnemer heeft zich vervolgens gericht op de herbouw van de gebouwen, waardoor de bouwvlakvergroting voor dat moment even “on hold” gezet werd. Op dit moment worden de nieuwe gebouwen opgetrokken en herleeft de behoefte om de mestsilo achterop het perceel te realiseren en het bouwvlak hierop aan te passen.

3

1.2 Begrenzing plangebied Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Montfoort, hemelsbreed circa 670 meter ten noordoosten van de plaats Linschoten en 1,5 kilometer ten zuidoosten van de plaats Woerden. Ten noorden van het plangebied is de A12 gelegen, op een afstand van circa 1,1 kilometer. De locatie is kadastraal bekend gemeente Linschoten, sectie C, nr. 1097 (en 1098, 816 en 929).

Figuur 1: topografische kaart van het plangebied en omgeving

De gronden in de omgeving van het plangebied worden gebruikt voor agrarisch activiteiten (voornamelijk grasland). De dichtstbijzijnde woningen van derden zijn Cattenbroekerdijk 32 en 35 dit betreffen beide woningen niet behorend bij een veehouderij en liggen respectievelijk op circa 30 en 60 meter van het plangebied (en 280 / 250 meter van de plek waar de beoogde mestsilo zal worden gebouwd). Op wat grotere afstand (150 / 250 meter) liggen veehouderijen, te weten Cattenbroekerdijk 28 en 36.

4

1.3 Bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan “Buitengebied 2012”. Dit plan is op 11 maart 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van Montfoort. Ingevolge bestemmingsplan Buitengebied 2012 heeft het plangebied: •

de enkelbestemming ‘Agrarisch’;

• •

de aanduiding ‘bouwvlak’; de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’;

•

de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’

•

gebiedsaanduiding ‘archeologisch waardevol gebied 4 (voorzijde perceel) en 6 (achterzijde perceel)’

Figuur 2: uitsnede plankaart bestemmingsplan “Buitengebied 2012“

Ter hoogte van de beoogde locatie van de mestsilo gelden thans deels de enkelbestemmingen “agrarisch met waarden” en “Natuur”, die laatste bestemming met functieaanduiding “specifieke vorm van natuur landschapselement”. Tevens geldt de gebiedsbestemming “archeologisch waardevol gebied 6”. Nadien heeft er een herziening van het bestemmingsplan plaatsgevonden (op enkele onderdelen). Deze ‘1e herziening bestemmingplan Buitengebied 2012’ is op 26 oktober 2015 vastgesteld. In dit bestemmingsplan zijn op de plankaart respectievelijk de ‘dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3’ en ‘dubbelbestemming Waarde – Archeologie 5’ opgelegd (de overige bestemmingen op de plankaart zijn niet gewijzigd). 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 1 vormde de inleiding op het plan. In hoofdstuk 2 worden de huidige en toekomstige situatie beschreven. De beleidsmatige onderbouwing van het plan wordt in hoofdstuk 3 gegeven. In hoofdstuk 4 wordt het plan getoetst aan wetgeving aangaande aspecten zoals bodem, archeologie en dergelijke. In hoofdstuk 5 wordt de juridische beschrijving gegeven en in het zesde en laatste hoofdstuk volgt de economische en maatschappelijke haalbaarheid van het plan.

5

2. Huidige en toekomstige situatie 2.1 Huidige situatie In de huidige situatie bestaat het gebouwenensemble uit een bedrijfswoning en varkensstallen, tot de brand in juni 2019 stond er tussen de stallen ook een mestsilo. Op 13 mei 2020 is in verband met de wederopbouw van de verbrande stallen een nieuwe vergunning afgegeven voor het houden van 2.710 guste-, dragende- en kraamzeugen, 865 opfokzeugen, 9.480 gespeende biggen en 4 dekberen. Het erf heeft erftoegang aan de zuidwestzijde van het perceel op de Cattenbroekerdijk. Aan- en afvoerbewegingen zijn in de huidige en toekomstige situatie voornamelijk noord georiënteerd in de richting van de rijks(snel)weg A12. Het perceel is aan drie kanten omsloten door watergangen, wat typerend voor het gebied is.

Figuur 3: luchtfoto bebouwing (voor de brand)

6

2.2

Toekomstige situatie

2.2.1 Bouwplan In de toekomstige situatie zal de nieuwe silo aan de achterzijde van de bebouwing teruggebouwd worden. Hiervoor dient het kunstmatig aangelegde ringslootbosje opgeschoven te worden. Het bouwvlak is thans 1,5 hectare, dat bouwvlak ligt echter voor een deel op een plek waar nooit gebruik gemaakt kan worden van de rechten die een bouwvlak geeft. Het ligt bijvoorbeeld aan de noordzijde en de zuidoostzijde, over de sloot heen. Door bouwvlakoptimalisatie toe te passen kan het bouwvlak dusdanig gevormd worden dat de mestsilo binnen het bouwvlak kan vallen.

Figuur 5: beoogde situatie (situatieschets bij landschappelijke inpassing). Rode cirkel duidt de plek van de wijziging.

2.2.2. Landschappelijke inpassing De nieuwe bebouwing (mestsilo) sluit aan op de bestaande agrarische bedrijfsgebouwen. Het betreft stedenbouwkundig gezien een logische voortzetting van het bebouwingsbeeld. Het perceel is thans al voorzien van een landschappelijke inpassing. Deze landschappelijke inpassing maakte onderdeel uit van de in 2012 vergunde gebouwen aan de achterzijde van het perceel. Onderdeel van die inpassing was de aanleg van een zogeheten ringslootbosje. Ook wel pestbosje genoemd. Deze worden her en der in het omringende landschap aangetroffen. Deze bosjes ontstonden doordat boeren lang geleden hun, aan pest gestorven, dieren begroeven op een stukje land dat ver van de boerderij was gelegen. Dat stukje land werd omringd met een sloot zodat de grazende dieren er niet bij konden komen en verdere besmetting werd voorkomen. Doordat het stukje land niet bewerkt werd ontstond er een

7

bosje op. Vandaar de naam ringslootbosje of pestbosje. Het betreft in dit geval dus een kunstmatig aangelegd bosje, als solitair element in het landschap. Het bosje is 5 jaar geleden aangelegd, maar heeft nooit tot volle wasdom kunnen komen. Enerzijds vanwege de beperkte tijd die er verstreken is en anderzijds doordat de aannemer tijdens de verbouw van het bedrijf noodzakelijkerwijs bouwmaterialen tijdelijk opsloeg op die plek. Met de bouw van de silo wordt de kans aangegrepen om het ringslootbosje in noordoostelijke richting op te schuiven, zodat het aldaar de beoogde uitstraling kan krijgen die beoogd werd. Daarnaast wordt de landschappelijke inpassing versterkt door vrijstaande bomen en boomgroepen. Op deze manier wordt het bebouwingsbeeld gebroken. 2.2.3 Bedrijfsvoering De installatie betreft een varkensvermeerderingsbedrijf. Dit houdt in dat de dieren gehouden worden voor de productie van biggen. De op het bedrijf aanwezige zeugen worden natuurlijk gedekt (door een dekbeer) of geïnsemineerd in de dekafdeling. Enkele dagen na dekking worden de dieren verplaatst naar de “dragende zeugenafdelingen”. Na een dracht van 107 dagen worden de zeugen overgehuisd naar de kraamafdeling, alwaar ze ongeveer een week later biggen krijgen. De biggen blijven tot een leeftijd van ongeveer 4 weken bij de zeug, waarna ze gespeend worden. De biggen zijn dan circa 7 kg.

Na het spenen worden de biggen overgehuisd naar de “gespeende biggenafdelingen” op het eigen bedrijf of worden ze meteen vervoerd naar een ander bedrijf waar ze afgemest zullen worden. De biggen die op het bedrijf zelf blijven worden na circa 6 weken naar andere bedrijven gebracht alwaar ze als vleesvarkens zullen worden afgemest. Alle dieren op het bedrijf krijgen voer verstrekt dat is afgestemd op hun behoefte, de samenstelling van het voer is afhankelijk van de leeftijd, het gewicht en of het dier gust, drachtig of melkgevend is. Er is sprake van brijvoedering, dit houdt in dat er op het bedrijf zelf een rantsoen wordt samengesteld dat bestaat uit verschillende componenten. Doormiddel van waternippels en -bakken is er altijd voldoende en vers water beschikbaar voor de dieren. Het klimaat in de stallen wordt automatisch aangestuurd via klimaatcomputers, welke gekoppeld zijn aan de ventilatoren, luchtinlaten en de CV-installatie. De mest van de dieren wordt opgevangen en opgeslagen in de onder de stallen aanwezige mestkelders en in de nieuw op te richten mestsilo. Deze bestemmingsplanwijziging zorgt niet voor een wijziging van de bedrijfsvoering. Dit bestemmingsplan beoogd enkel de het realiseren van mestopslagruimte aan de achterzijde van het bedrijf en daarmee samenhangend het opschuiven van het ringslootbosje.

Figuur 6: Gespeende biggen.

8

3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het actuele algemene ruimtelijke beleidskader voor het betreffende plangebied behandeld. Zowel het nationaal, provinciaal als het gemeentelijk beleid komt aan de orde. 3.1 Nationaal beleid Relevant zijn de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit ruimtelijke ordening. 3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur1 (de artikelen worden later aan het Barro toegevoegd) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' bij stedelijke ontwikkeling (wonen, werken, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen) geïntroduceerd. Daarbij worden de volgende stappen gevolgd: a.

er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. Het kabinet heeft de keuze voor deze onderwerpen gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke druk.

1

Tegenwoordig bekend als Natuurnetwerk Nederland (NNN).

9

Toetsing Dit bestemmingsplan staat de optimalisatie van een agrarische bedrijfsvoering toe. Dit betreft geen stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft daarom niet te worden doorlopen. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt wel beoordeeld of de locatie waar de ontwikkeling plaatsvindt hier optimaal en geschikt voor is. Het is niet mogelijk de ontwikkeling te laten plaatsvinden in bestaand stedelijk gebied. De belangrijkste reden hiervoor is dat een goed woon- en leefklimaat niet kan worden gegarandeerd in een dichtbevolkt gebied vanwege milieuaspecten als geur, geluid etc. Bovendien is de ligging nabij de veestallen noodzakelijk voor de bedrijfsvoering. Het voorgenomen plan raakt verder geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het rijksbeleid. 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) De PRS gaat over het ruimtelijk beleid van de provincie Utrecht. Met het ruimtelijk beleid zorgt de provincie ervoor dat het aantrekkelijk blijft om hier te wonen, te werken en te recreëren. Zo is in de PRS opgenomen waar de provincie nieuwe woningbouw en bedrijventerrein aanvaardbaar vindt, welke landschapskwaliteiten de provincie wil beschermen, waar de provincie de landbouw en waar de natuur voorrang wil geven, en waar meer recreatievoorzieningen gewenst zijn. De PRS gaat over de hele provincie.

De PRS is alleen bindend voor de provincie zelf. De PRS is opgenomen in de Omgevingsvisie Provincie Utrecht welke op 10 maart 2021 is vastgesteld. De juridische vertaling van het beleid is opgenomen in de Interim omgevingsverordening provincie Utrecht. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht De Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht van 10 maart 2021 bevat regels voor gemeenten. De gemeenten moeten deze regels in acht nemen bij het maken van ruimtelijke plannen. De regels zijn nodig om het provinciale ruimtelijke beleid te kunnen realiseren. De nieuwe regels gelden voor nieuwe ruimtelijke plannen van de gemeenten. Voor het onderhavig plangebied zijn de volgende aanduidingen uit de interim omgevingsverordening van belang: •

Instructieregel landschap / Landschap 'Groene Hart' (artikel 7.9 in combinatie met bijlage 15)

•

Agrarische bedrijven (artikel 8.1)

Landschap In de interim omgevingsverordening is bepaald dat een ruimtelijk plan bestemmingen en regels bevat ter bescherming van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, zoals genoemd in de Bijlage Kernkwaliteiten landschap. Tevens bevat de toelichting op een ruimtelijk plan een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan. Voor het landschap Groene Hart bestaat de ambitie de volgende kernkwaliteiten te behouden en versterken: openheid, (veen)weidekarakter, landschappelijke diversiteit en rust en stilte. Bij ontwikkelingen in het landschap van het Groene Hart staat het versterken van de diversiteit op het schaalniveau van de verschillende typen landschap centraal.

10

Toetsing De beoogde ontwikkeling gaat uit van bouwvlakoptimalisatie: het bouwvlak is 1,5 hectare en blijft 1,5 hectare. Om de landschappelijke kernkwaliteiten niet onaanvaardbaar aan te tasten is de bestaande landschappelijke inpassing uitgebreid met bomengroepen en losse bomen, daardoor worden de gevels van de bestaande stal denkbeeldig opgeknipt, waardoor de ruimtelijke uitstraling ervan wordt ingeperkt. Het is voor een efficiënte bedrijfsvoering noodzakelijk dat de silo achter op het erf geplaatst wordt. Het perceel zelf is relatief smal, het is niet mogelijk om de silo naast de stal te plaatsen. De mate van rust en stilte die in dit agrarische lint heerst, wordt niet aangetast door de zeer beperkte wijziging van het bouwvlak.

Figuur 7: De landschappen binnen de provincie, uitsnede ter hoogte van het plangebied.

Agrarische bedrijven (artikel 8.1) Het plangebied is aangewezen als Agrarisch gebied (geen landbouwstabiliseringsgebied of ontwikkelingsgebied). De Interim omgevingsverordening bepaalt dat een bestemmingsplan mag voorzien in toekenning van een bouwperceel tot maximaal 1,5 hectare voor bestaande agrarische bedrijven: “een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Agrarische bedrijven bevat bestemmingen en regels die voorzien in een agrarisch bouwperceel met een oppervlakte van maximaal 1,5 hectare ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven, waarbij per bouwperceel maximaal één bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen met maximaal één bouwlaag voor het stallen van dieren zijn toegestaan.” Toetsing Het bestaande bouwvlak heeft een oppervlakte van 1,5 hectare, het beoogde bouwvlak ook. De visualisatie hiervan is als bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Ten aanzien bedrijfsgebouwen met dieren in meer dan één bouwlaag is een planregel (bouwbepaling) opgenomen die 11

die dit verbiedt. In onderhavige situatie is sprake van reeds bestaande (vergunde) bedrijfsgebouwen met meer dan één bouwlaag, daarvoor gelden de overgangsrechtelijke bepalingen. Dit bestemmingsplan maakt de nieuwbouw van een mestsilo mogelijk door het aanpassen van het agrarisch bouwvlak. Hierbij wordt het bouwvlak niet vergroot. Bij het bouwen van de mestsilo zal voldaan moeten worden aan de regels die opgenomen zijn in dit bestemmingsplan “Cattenbroekerdijk 34”.

12

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Visie Montfoort 2030 Op 12 december 2011 heeft de gemeenteraad de 'Totaalvisie Montfoort 2030' vastgesteld. Deze Totaalvisie Montfoort 2030 geeft richting aan de (ruimtelijke) ontwikkelingen binnen de gemeente en is de basis voor bestemmingsplannen. Het geldende beleid vormt de basis voor de nieuwe totaalvisie. De aanwezigheid van een structuurvisie is in maatschappelijk en bestuurlijk opzicht van groot belang. De visie geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van een gebied waardoor voor eenieder in algemene zin duidelijk is of bepaalde initiatieven daarbinnen passen. Voor andere overheden maakt de visie duidelijk hoe de gemeente het beleid van Rijk en provincie uitwerkt op gemeentelijk schaalniveau. Het buitengebied kenmerkt zich door historische linten, openheid en markante boerderijen. De visie op het buitengebied refereert in grote lijnen naar het Landschapsontwikkelingsplan (LOP, vastgesteld in 2005) en de actualisatie hiervan op basis van 'Linten in de leegte' en het rapport 'Vitale bedrijven en landschapskwaliteit' in de Utrechtse Waarden.

Cattenbroekerdijk 34

Figuur 8: Visie Montfoort – thema Natuur en Landschap

Het plangebied ligt in de landschapstypering “handhaven openheid van het landschap”. Hier dienen de richtlijnen uit het LOP en Linten in de leegte gehandhaafd te worden.

13

Kernuitgangspunten zijn: • Bij ontwikkelingen in het buitengebied en aan de dorpsranden is landschappelijke inpassing van groot belang voor de leef- en woonkwaliteit. • De landbouw is een belangrijke drager van het landelijk gebied en een sterke sector die ruimte moet krijgen voor ontwikkeling. De visie is dat duurzame landbouw op het gebied van energie, klimaat, bodem en voedselproductie groeit. • Nieuwe ontwikkelingen vinden plaats binnen de bestaande (historische) structuren en leveren een bijdrage aan de vitaliteit van het buitengebied; • Voortzetting van uitvoering van het LOP en extra inzetten op het realiseren en duurzaam beheren van natuur en kleine landschapselementen zonder planologische schaduwwerking voor ondernemers • De natuur die bij dit gebied past, is die van het oude boerencultuurlandschap. Het in stand houden of verbeteren van de biodiversiteit op het boerenland, welke onder druk staat als gevolg van intensieve bedrijfsvoering; • Voor bebouwing en bedrijvigheid zijn de uitgangspunten uit het handboek “Linten in de leegte” leidend, waarbij het bij schaalvergroting om landschappelijke inpassing, landschapskwaliteit, bouwvorm en ligging op de kavel gaat. Centraal staat het op een goede wijze aansluiten bij de bestaande karakteristiek, die in dit handboek als inspiratiebron uitgebreid beschreven staat.

In de Totaalvisie wordt benoemd dat voor bedrijvigheid en bebouwing geldt dat; • gewenste functieverandering en schaalvergroting op het platteland wordt getoetst aan het LOP en “Linten in de leegte”; • schuren, bedrijfsgebouwen en andere grote bouwwerken moeten goed ingepast worden in het landelijke gebied. De notitie 'Linten in de leegte' vormt de leidraad voor bestemmingsplannen en vergunningverlening. • tussenruimtes tussen bebouwing in de linten en tussen lintbebouwing en stad/dorp blijven gehandhaafd; • doorzichten tussen woningen en bedrijven in het lint naar het achterland zijn belangrijk.

Figuur 9: Openheid in linten bron: Totaalvisie Montfoort 2030

14

Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft een verlenging van de bedrijfsbebouwing aan de achterzijde. Er vindt geen aantasting plaats van de openheid van het landschap. Het gebruik als varkenshouderij wordt gehandhaafd evenals de doorzichten vanaf de dijk. Door de reeds deels aanwezige erfbeplanting en het opnieuw aan te leggen ringslootbosje wordt bovendien een bijdrage geleverd aan de landschappelijke kwaliteit. 3.3.2

Bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan “Buitengebied 2012” (plankaart) in combinatie met “1e herziening Bestemmingsplan Buitengebied 2012” (planregels). Er gelden meerdere bestemmingen, de voornaamste bestemming is Agrarisch. Agrarisch Artikel 3.1 van de planregels stelt het volgende: De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn […] bestemd voor: a. volwaardige veehouderijbedrijven, met uitsluitend als nevenactiviteit een intensieve veehouderij; b. t/m e niet van toepassing; f. agrarische bedrijfswoningen; g. t/m k niet van toepassing; l. ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', niet zijnde gelegen binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kernrandzone': tevens een volwaardige intensieve veehouderij; m. t/m q niet van toepassing; r. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals verhardingen, laad- en losvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groen, water en nutsvoorzieningen. s. [red.] dit gaat in op de nevenactiviteiten die bij recht zijn toegestaan. Er zijn binnen de huidige bedrijfsvoering geen nevenactiviteiten aanwezig derhalve niet weergegeven in deze toelichting.

In artikel 1 van de diezelfde planregels worden de begrippen volwaardig veehouderij (agrarisch) bedrijf en intensieve veehouderij nader geduid: Volwaardig agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf in de omvang van ten minste één arbeidskracht met een daarbij passende bedrijfsomvang en waarbij zicht is op continuïteit, bijvoorbeeld door bedrijfsopvolging, gedurende minimaal de komende tien jaar. Intensieve veehouderij: het bedrijfsmatig houden van dieren zonder dat het bedrijf hoeft te beschikken over grond bestemd voor de voerproductie van deze dieren. De dieren worden in stallen of hokken gehouden. Waar in dit bestemmingsplan wordt gesproken over intensieve veehouderij wordt in principe gedoeld op het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen of parelhoenders (waarvoor een milieuvergunning is verleend). De melkveehouderij en het houden van geiten worden niet als intensieve veehouderij beschouwd.

15

Toetsing: Gelet op de omvang van de veehouderij (genoemd in hoofdstuk 2.1 van deze toelichting) is er sprake van een bedrijf met een omvang van ten minste één arbeidskracht. De investeringen die de laatste jaren zijn gedaan zijn bedoeld om de continuïteit voor een langere tijd dan 10 jaar te borgen. Het type veehouderij binnen het plangebied valt onder het begrip intensieve veehouderij. In artikel 3.2.6 sub van de planregels zijn bouwbepalingen opgenomen ten aanzien van bouwwerken geen gebouw zijnde, waar een mestsilo onder valt. a. de bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn nader aangegeven in Artikel 37 Algemene bouwregels; b. in aanvulling op het bepaalde onder a. mag de bouwhoogte van een hekwerk ten dienste van een paardenbak mag niet meer bedragen dan 1,8 m; c. in aanvulling op het bepaalde onder a. mag de bouwhoogte van een mestbassin niet meer dan 7 m bedragen en mag de bouwhoogte van een mestvergistingsinstallatie niet meer dan 15 m bedragen; d. windmolens mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd met een maximum van 1 windmolen per bouwvlak en met dien verstande dat de bouwhoogte van een windmolen niet meer dan 20 m mag bedragen; e. in aanvulling op het bepaalde onder a. zijn lichtmasten uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan. Toetsing: De bouwhoogte van een mestsilo mag niet meer dan 7 meter bedragen.

Overigens geldt volgens artikel 3.2.3 dat de inhoud van een mestbassin niet meer mag bedragen dan 2.500 m3 en 750 m2 mag bedragen. Middels de afwijkingsbevoegdheid genoemd onder artikel 3.4.4 kan hier onder voorwaarden van afgeweken worden. Agrarisch met waarden - Openheid Een deel waar de silo gebouwd wordt heeft in bestemmingsplan Buitengebied 2012 heeft de bestemming “agrarisch met waarden – Openheid”, ook hiervoor geldt dat deze gronden bestemd zijn voor volwaardige veehouderijbedrijven. Deze bestemming kent echter geen bebouwingsmogelijkheden voor mestsilo’s. Natuur Artikel 17.1 van het bestemmingsplan luidt als volgt: De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud en/of herstel van actuele en potentiële ecologische, landschappelijke en natuurwaarden, alsmede voor: a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - landschapselement': tevens voor een (agrarisch) landschapselement; b. t/m d niet van toepassing; e. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals water, paden en nutsvoorzieningen. Deze bestemming kent geen bebouwingsbepalingen die het bouwen van een mestsilo mogelijk maken.

16

Toetsing Een deel van de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden’ en ‘Natuur’ wordt middels dit bestemmingsplan omgezet naar ‘Agrarisch’. De bestemming ‘Natuur’ uit Buitengebied 2012 wordt in noordoostelijke richting opnieuw bestemd en aangelegd. Er wordt voldaan aan de planregels die ook in het moederplan gelden: de silo krijgt een oppervlakte die niet groter is dan 750 m2 en wordt niet hoger dan 7 meter. 3.3.3 Archeologiebeleid Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet verplicht gemeenten om bij het vaststellen van bestemmingsplannen (en de bestemming van gronden) rekening te houden met belangrijke archeologische waarden die zich in de bodem kunnen bevinden. Met de inwerkingtreding van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) in juli 2008 is bovendien de gemeente in de meeste gevallen het bevoegd gezag voor wat betreft besluitvorming omtrent het behoud van archeologische waarden. Ten behoeve van archeologische aspecten heeft de gemeente de archeologische waarden en verwachtingen die binnen de gemeentegrenzen voorkomen zoveel mogelijk geïnventariseerd en in 2010 uitgewerkt op een beleidskaart2. Deze beleidskaart is verwerkt in de plankaart behorend bij het bestemmingsplan ‘1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012’ met een doorvertaling in de planregels horende bij dat plan.

Aan de zuidwestzijde van het plangebied is sprake van ‘Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3’, dit is ter hoogte van de oorspronkelijke bebouwingslint gelegen aan de Cattenbroekerdijk. Het grootste deel van het plangebied, het noordoostelijke deel, is ‘Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5’. Artikel 34.2 geeft bouwregels ten aanzien van deze dubbelbestemming. Deze luiden: Op de gronden die bestemd zijn als Waarde - Archeologie - 5 mogen slechts worden gebouwd bouwwerken krachtens de in 34.1 genoemde bestemmingen, mits de archeologische belangen zich daartegen niet verzetten. Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in 34.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; 2.

de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in 2

Alkemade, M., B. Brugman, M. Gouw, K. Klerks & C. Visser, 2010: Archeologiebeleid gemeente Montfoort. Ontwikkeld in samenwerking met de gemeenten Lopik, Oudewater en Woerden. Deel A: Beleidsnota archeologische monumentenzorg. Deel B: Toelichting op de beleidskaart. Vestigia-rapport V673, Vestigia Archeologie en Cultuurhistorie, Amersfoort.

17

c.

de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige; het bepaalde in dit lid onder b1 en b2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. niet M.E.R.-plichtig is.

Toetsing De plaatsing van de mestsilo in de bestemming Archeologie waarde 5 is niet M.E.R.-plichtig. Aan de bouwregels is dus voldaan. 3.3.4 Welstandsnota In de Welstandsnota Gemeente Montfoort (vastgesteld in 2012) is de Cattenbroekerdijk ten oosten van Linschoten aangeduid als een landelijke polderlint. Landelijke polderlinten bestaan met name uit vrijstaande bebouwing. Deze kan van oorsprong een relatie hebben met het achterliggende agrarische gebied. Ze zijn op de verkavelingrichting en niet op de weg gesitueerd. De bebouwing staat doorgaans op een behoorlijke afstand van elkaar. Het beeld van een landelijk polderlint wordt gekenmerkt door een zekere openheid. Deze wordt versterkt door de situering van de bebouwing, op enige afstand van de wetering of weg. De kapvorm van de bebouwing aan de landelijke polderlinten bestaat uit een zadeldak in dwarsrichting. Het plangebied is gelegen in het welstandsgebied Lint Cattenbroekerdijk. Hiervoor geldt een 'PLUS niveau van welstand'. De welstandscriteria gaan met name in op de woonbebouwing voorop de kavel. Voor agrarische bedrijfsbebouwing zijn aparte objectcriteria van toepassing. De bedrijfsbebouwing moet aansluiten bij het landschap. Bij de benadering van een agrarisch bedrijfsgebouw zijn silhouet, volume en vorm van belang. Van enige afstand zijn de details van de gebouwen minder belangrijk.

Bepalend voor de totaalindruk zijn de proporties en de rangschikking van de gebouwen onderling en de geleding die daardoor ontstaat. Juist gesitueerde beplanting kan deze totaalindruk versterken. Bij de criteria wordt onderscheid gemaakt naar verschillende typen agrarische bedrijfsbebouwing. Relevante criteria voor de (agrarische) bedrijfsgebouwen (type 'hallen' / 'schuren') zijn: 1. ligging en situering: • Voor het eerste agrarische bedrijfsgebouw: situering volgt de landschappelijke structuur. • De lengte van de bedrijfsgebouwen staat haaks op de richting van de weg. • Voor de volgende bouwactiviteiten dient de situering afgestemd te worden op het eerste gerealiseerde gebouw op de kavel. • De bedrijfsbebouwing dient geclusterd te worden. • Handhaven van de doorzichten langs de hoofdsloten of hoofdvaarten. • Situering van de bedrijfsgebouwen achter het woongedeelte en de bijgebouwen, zodat er sprake is van een woon- en een bedrijfszone. • Het omgeven van het erf met inheemse en bij het landschap passende beplanting is zeer gewenst. 18

2. massa, vorm en gevelindeling van het gebouw • De hoogte/lengte/breedte verhouding, de hellingshoek en het type kap moet ertoe bijdragen dat het agrarische bedrijfsgebouw rust in en aansluit bij het landschap. • De gevelindeling is voor agrarische bedrijfsbebouwing alleen van belang voor die gebouwen aan de straat. De gevelindeling dient aan te sluiten op die van de omliggende gebouwen. • Massa qua maat en schaal aanpassen aan landschap en omliggende bebouwing. • Forse massa's opdelen tot een passende kavelgrootte. Toetsing Het doel van dit bestemmingsplan is om achter de bestaande bebouwing een mestsilo te realiseren. Hoofdstuk III van het Besluit Omgevingsrecht (het Bor) beschrijft categorieën gevallen waarin voor bouwactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist. Artikel 3, lid 6 van dit hoofdstuk beschrijft: “Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in het achtererfgebied ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, voor zover het betreft: a. Een silo, of b. Een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m” Dit houdt in dat de mestsilo vergunningsvrij is voor de activiteit bouwen3 en er geen welstandstoetsing hoeft plaats te vinden. Overigens kan gesteld worden dat het bouwwerk in verhouding staat tot de reeds aanwezige bebouwing en dat het nieuw aan te leggen ringslootbosje de totaalindruk versterkt.

3

Als het bouwvlak is vastgesteld en de mestsilo daar binnen valt.

19

4. Uitvoeringsaspecten 4.1 Bodem Algemeen In het kader van een ruimtelijke procedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Toetsing De uitbreiding van het bouwvlak gaat plaatsvinden op landbouwgrond en een stukje natuur dat slechts 6 jaar geleden is aangelegd (de uitbreiding aan de achterzijde resulteert in een verkleining van het bouwvlak op andere plekken langs de agrarische bebouwing). Deze gronden zijn voor alle functies te gebruiken. Reden voor deze partiële herziening van het bestemmingsplan is de realisatie van een nieuwe mestsilo en de aanleg van een ringslootbosje. Deze functies zien niet toe op menselijk verblijf langer dan 2 uur. 4.2 Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In een ruimtelijk plan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de geluidszone van (spoor)wegen en/of industrieterreinen worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting. Toetsing Dit bestemmingsplan voorziet in de optimalisatie van het agrarische bouwvlak om de bouw van een mestsilo mogelijk te maken.

Tevens ziet dit bestemmingsplan toe op de aanleg van een nieuw landschapselement, zijde een ringslootbosje. Dit zijn geen geluidshindergevoelige functies. Omgekeerd mag (fictieve) uitbreiding van een bestemming niet leiden tot geluidsoverlast op nabijgelegen voor hindergevoelige functies. Dit bestemmingsplan voorziet niet in een wijziging van de bedrijfsvoering ten opzichte van hetgeen bestemd en vergund is. Een mestsilo zelf is geen geluidproducerende functie, het opzuigen van de mest uit de silo is dat wel. Nu deze activiteit reeds bestemd is, en vergund is halverwege de bedrijfsbebouwing, kan gesteld worden dat er sprake zal zijn van een verbetering voor de geluidgevoelige objecten. De bestemming natuur is op zichzelf geen geluidproducerende functie. 4.3 Luchtkwaliteit Algemeen De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de

20

concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m3 verslechtering leidt.

Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5 . Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Aanvullend aan de Wet luchtkwaliteit wordt vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval is bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming.

Substantiële uitbreiding of nieuw vestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Toetsing Dit bestemmingsplan ziet toe op de optimalisatie van een bouwvlak van een bestaand agrarisch bedrijf dat reeds de bestemming ‘Agrarisch’ heeft. Dit bestemmingsplan beoogd niet een wijziging van de hoofdfunctie die reeds aanwezig is op Cattenbroekerweg 34. Een mestsilo maakt onderdeel uit van bebouwing die is toegestaan binnen de bestemming ‘Agrarisch’. De mestsilo zorgt niet voor een toename van de fijn stof emissie of belasting. Hetzelfde kan gesteld worden over het ringslootbosje dat de bestemming ‘Natuur’ krijgt.

21

4.4 Wet natuurbescherming flora en fauna Algemeen Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden nagegaan of er sprake kan zijn van invloeden op natuurwaarden en beschermde soorten. Aangetoond dient te worden dat in het Wet natuurbescherming en overig natuurbeleid van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Bij de toets van een ruimtelijke ontwikkeling wordt onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Paragraaf 4.5 gaat in op de gebiedsbescherming, hieronder wordt ingegaan op de soortenbescherming. Toetsing Voor de beoogde ontwikkeling is een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd door P. Leemreise van Natuurbank Overijssel. Het volledige rapport is als bijlage 3 bijgevoegd. De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Utrecht een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd.

Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van verschillende vogel-, amfibieën-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Deze soortgroepen benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige algemene en weinig kritische grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten er een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie en nestelen er vogels in de beplanting, ruigte, dichte vegetatie en opgeslagen goederen/rommel. Vleermuizen bezetten geen rust- en/of verblijfplaats in het plangebied. Van de vogelsoorten die in het plangebied nestelen, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden.

Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’ (of de soort is niet beschermd). De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het gebied voorkomende vogel-, amfibieën-, en grondgebonden zoogdiersoorten niet beschermd. De functie en betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen wordt door uitvoering van de voorgenomen plannen niet aangetast. In het kader van de zorgplicht, dienen de voorgenomen activiteiten uitgevoerd te worden op een voor de

22

aanwezige diersoorten meest gunstige wijze. Bij de uitvoering van de voorgenomen activiteiten dient rekening gehouden te worden met de functie van het water als voortplantingslocatie voor amfibieën en met jonge, hulpeloze grondgebonden zoogdieren in nesten. Het plangebied behoort niet tot het Nationaal Natuurnetwerk of Natura2000. Vanwege de ligging buiten beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. 4.5 Wet natuurbescherming gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming ziet eveneens toe op de bescherming van de instandhoudingsdoelstellingen van Vogel- en Habitatrichtlijngebieden, beter bekend als Natura2000-gebieden. De planlocatie ligt op grote afstand van dergelijke gebieden. Het meest nabijgelegen gebied betreft “Nieuwkoopse plassen & De Haeck”, welke op iets meer dan 10 kilometer ten noordwesten van het plangebied ligt. Bij het grondwerk dat moet gebeuren voor het bouwrijp maken en het omleggen van het ringbosje en bij het bouwwerk aan de silo kan stikstof vrijkomen door het gebruik van bouwmachines. Een bestemmingsplan (de uitvoering daarvan) mag geen significant negatief effect veroorzaken ten aanzien van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura2000 gebieden.

Dat zou het geval zijn als de bouwwerkzaamheden een stijging van 0,01 of meer mol stikstofdepositie zouden veroorzaken. Toetsing Met behulp van AERIUS-calculator is een berekening uitgevoerd waarin alle graaf- en bouwwerkzaamheden zijn meegenomen. Uit deze berekening blijkt dat er geen depositieresultaten zijn boven 0,00 mol/ha/jr. De uitvoering van dit bestemmingsplan leidt dus niet tot een significant negatief effect. De volledige AERIUS-calculator berekening is, evenals de toelichting daarop, als bijlage 4 opgenomen bij deze toelichting. 4.6 Cultuurhistorie Algemeen Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij ruimtelijke plannen. Toetsing De kenmerkende lintbebouwing van het landschap, met doorzichten vanaf de Cattenbroekerdijk naar de achtergelegen polder, is een belangrijkste cultuurhistorische waarde in de omgeving van het plangebied. Deze wordt met de optimalisatie van het bouwvlak en de bestemde en beoogde activiteiten in het plangebied niet aangetast, als initiatiefnemer de silo naast de stal had geplaatst had dat wel het geval kunnen zijn. Ook de diepte van het bebouwde perceel tot aan de wetering is een belangrijke waarde.

Dit staat in relatie tot de verhoudingen van de verschillende elementen in het open landschap. In vergelijking met andere agrarische bedrijven aan de Cattenbroekerdijk is de bebouwingslengte, die met dit plan wordt mogelijk gemaakt, groter. Dit wordt wederom voornamelijk ingegeven vanwege het feit dat het perceel van initiatiefnemer relatief smal is. De andere agrarische bedrijven hebben meer breedte en hebben

23

daarom minder diepte nodig. Nu in dit geval de mestsilo niet elders op het perceel geplaatst kan worden dan achter de bestaande stal, is middels de landschappelijke inpassing ervoor gezorgd dat het bebouwingsbeeld zoveel mogelijk opgeknipt / gebroken wordt zodat er sprake is van een aanvaardbare aantasting die noodzakelijk is voor een efficiënte bedrijfsvoering.

24

4.7 Water Algemeen Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan pleit daarom voor meer samenhang tussen het beleid voor water, ruimtelijke ordening en milieu, gericht op de verschillende belangen zoals veiligheid, landbouw, natuur, drinkwatervoorziening, transport, recreatie en visserij, daarbij ruimte scheppend voor gebiedsgericht maatwerk. Het waterplan werkt door in het provinciale waterbeleid en het beleid van het Waterschap Zuiderzeeland. Kabinetsstandpunt 'Anders omgaan met water' In december 2000 is het kabinetsstandpunt 'Anders omgaan met water' vastgesteld. Dit is met name nodig om het hoofd te kunnen bieden aan zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling.

Dit vergt een aanpak van het waterbeheer in samenhang met de ruimtelijke ordening. Het kabinetsstandpunt noemt de 'Watertoets' als instrument voor het vooraf beoordelen van ruimtelijke plannen op de gevolgen voor de waterhuishouding. Watertoets Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijn de waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure “geen waterbelang” en de “korte procedure” zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden.

De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden nodig.

25

Doorlopen digitale watertoets Er is via de site dewatertoets.nl een digitale watertoets uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de normale procedure dient te worden doorlopen. Hierna worden kort de aspecten besproken die voortkomen uit de uitgangspuntennotitie. De volledige watertoets is als bijlage 2 bij deze onderbouwing gevoegd. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Het watertoetsproces voor het project Verweij – Cattenbroekerdijk (dossiercode 20181026-14-19085) is op 26 oktober 2018 digitaal doorlopen via www.dewatertoets.nl. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is via deze weg door de initiatiefnemer van de ruimtelijke ontwikkeling op de hoogte gebracht van de plannen. Uit de digitale analyse blijkt dat er geen grote waterbelangen zijn.

De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden adviseert positief over het ruimtelijk plan. Relevant beleid Waterkoers 2016-2021 Hoogheemraadschap heeft haar ambities en langetermijn visie vastgelegd in het waterbeheerplan Waterkoers 2016–2021 (http://www.waterschaponline.nl/hdsr/). De Waterkoers is een koersdocument om te sturen op hoofdlijnen met als overkoepelende doel Samen werken aan een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. In de Waterkoers wordt op een niet-planmatige manier over het waterschapswerk gesproken. Waterschapswerk is hierbij breder dan enkel beheer van water. Water is een belangrijke pijler van een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Vanuit die achtergrond werkt Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden samen met de ruimtelijke ordening aan bescherming tegen overstromingen, een gezond grond- en oppervlaktewatersysteem en het zuiveren van afvalwater. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt het principe van ruimtelijke adaptatie (Deltabeslissing, www.ruimtelijkeadaptatie.nl): ▪ De bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven; ▪ Uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst.

Het minimale uitgangspunt voor planontwikkelingen is dat het plan hydrologisch neutraal moet worden ontwikkeld met als doel geen gevolgen voor de waterveiligheid, het grond- en oppervlaktewater en de waterkwaliteit en ecologie. Daarmee wordt geborgd dat de ontwikkeling van het gebied met betrekking tot wateraspecten duurzaam is.

26

Ruimtelijke adaptatie Het klimaat verandert: Hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, heftigere buien en kans op drogere zomers. Daar moeten we, ook volgens het KNMI, in de toekomst in Nederland rekening mee houden. De verwachting van het KNMI is dat het klimaat in Nederland in 2050 ongeveer overeen zal komen met het huidige klimaat in Zuid-Frankrijk. Maar ook nu al is de klimaatverandering merkbaar. Extreme neerslag, droogte en hitte kunnen leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Dit geeft aanleiding om aanpassing van de inrichting van de bebouwde omgeving aan het veranderende klimaat te agenderen en aan te werken. Dit beleid is vorig jaar vastgelegd in de Deltabeslissing voor Nederland. In de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel: ▪ De bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven; ▪ Uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst. Klimaatverandering heeft effecten op grote schaal maar ook op de kleine schaal van een stad.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Montfoort&id=c1a64235-bf89-4fbf-b53f-2abcd7fcc8e2