bijlage 2 Ontwerp ruimtelijke onderbouwing Bovenkerkweg 82 Montfoort versie 25-09-2024
Tekst van het document
Luchtkwaliteit en goede ruimtelijke ordening Naast de bovenstaande bepalingen wordt in de Wet Luchtkwaliteit een relatie gelegd met de Wet ruimtelijke ordening, in de zin van dat bij een nieuwe ontwikkeling er sprake moet zijn van een “goede ruimtelijke ordening”. Een dergelijke afweging wordt uiteindelijk gemaakt in samenspraak met de andere milieuaspecten. Gekeken naar het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat de huidige grenswaarden geen absolute bescherming bieden – ook onder de normen kunnen, vooral bij gevoelige groepen gezondheidseffecten optreden. In het algemeen geldt voor een goede luchtkwaliteit - hoe verder van een drukke weg (de belangrijkste bron van luchtvervuiling) hoe beter. Onderzoek/ beoordeling Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2021 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs het dichtstbijzijnde meetpunt aan de Wollesgras (x: 125447 en y: 450138). Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten onder de grenswaarden. Ook uit het Geoloket van de Odru blijkt dat de grenswaarden voor de huidige en toekomstige concentraties niet worden overschreden.
Hieruit blijkt dat de NO2 in 2018 tussen 16-18 µg per m³ bedraagt en 2030 tussen 10-12 µg per m³. Voor PM10 is dat 19-20 µg per m³ in 2018 en 17-18 µg per m³ in 2030. Voor PM2,5 is dit 12-12,5 µg per m³ (2018) en 10,5-11 µg per m³ (2030). De WHO en GGD hanteren advieswaarden voor fijn stof (PM10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. Deze waarden zijn iets lager dan de waarden uit het Geoloket. De te verwachten waarden voldoen nagenoeg aan de door de WHO en GGD gehanteerde grenswaarden. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat. Conclusie In het algemeen kan worden gesteld dat als in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, ook in toekomstige jaren wordt voldaan. Dit bouwplan maakt het oprichten van een kinderdagverblijf en buitenspeelse kinderopvang mogelijk. Ten opzichte van de bestaande situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet significant wijzigen. De NSL monitoringtool is geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten ruim onder de grenswaarden blijven. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg.
34
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Bovenkerkweg 82, Montfoort
5.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Onderzoek/ beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen.
Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van dit Besluit beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Transport over water Er ligt binnen een zone van 200 meter geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er ligt binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Er ligt binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen provinciale en/of rijksweg met een route gevaarlijke stoffen, zodat deze planontwikkeling geen belemmering vormt. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in dit Besluit.
Er ligt in de nabijheid van het plangebied geen hoge druk aardgasleiding van de Gasunie. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de ontwikkeling. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Signaleringskaart EV zijn er in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing
35
omgevingsvergunning Bovenkerkweg 82, Montfoort
Elektromagnetische straling Antennes, hoogspanningslijnen, mobiele telefoons en elektrische apparaten zorgen voor elektromagnetische velden. Sterke elektromagnetische velden kunnen lichamelijke klachten veroorzaken, maar er is weinig wetenschappelijk bewijs wat de risico's precies zijn. De Europese Unie beveelt aan (geen wet) dat het magneetveld bij een hoogspanningslijn niet sterker is dan 100 microtesla. Tesla is de eenheid voor de sterkte van een magnetisch veld. Bij velden onder deze grens treden deze lichamelijke reacties niet op. In Nederland blijven - op locaties bij hoogspanningslijnen waar burgers mogen komen elektromagnetische velden onder deze grens. Bij hoogspanningsleidingen en antennes met een groot bereik wordt uit voorzorg geadviseerd om een veiligheidsafstand aan te houden tot functies waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en kinderdagverblijven. Binnen een straal van 3 km zijn geen hoogspanningsleidingen of zendmasten aanwezig. Daarnaast zijn in de directe omgeving van het plangebied geen noemenswaardige stralingsbronnen geregistreerd (bron: www.antenneregister.nl). Er is geen risico op elektromagnetische straling. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen.
De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bouwplan niet in de weg.
5.2
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in thans de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. Onderzoek/ beoordeling Archeologiebeleid gemeente Montfoort (2010) De gemeente Montfoort heeft gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld.
In de beleidsnota geeft de gemeente aan hoe zij invulling geeft aan haar rol van bevoegd gezag, de reikwijdte en ambities van het beleid en de uitvoering daarvan. Naast een beleidsnota is een beleidskaart opgesteld. Deze kaart bestaat uit een samenhangend pakket van kaarten en een toelichting, die tezamen de noodzakelijke informatie bevatten over hoe de gemeente bij besluitvorming over gebruik en inrichting van de ruimte omgaat met "bekende en te verwachten archeologische monumenten". Het plangebied heeft deels een middelhoge (geel aangeduid op figuur 10) en hoge archeologische verwachting (roze aangeduid op figuur 10). Een archeologisch onderzoek moet conform het gemeentelijke archeologiebeleid beleid worden uitgevoerd wanneer: het plangebied groter is dan 200 m² en de verstoring dieper gaat dan 0,50 cm (categorie 4); het plangebied groter is dan 2.500 m² en de verstoring dieper gaat dan 1,0 m (categorie 6).
36
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Bovenkerkweg 82, Montfoort
In verband hiermede is een onderzoek naar archeologie uitgevoerd.
Figuur 10: Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart. 5.2.1 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek archeologie ADC ArcheoProjecten heeft een Bureauonderzoek uitgevoerd (rapport van 22 december 2023, Bijlage 2). Op basis van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport). Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Het plangebied ligt in het dynamische landschap van het Utrechts Rivierengebied. De beddingordel van de Stuivenberg heeft door de westelijke helft van het plangebied gelopen waardoor er in het plangebied met name bedding- en oeverafzettingen van deze rivier worden verwacht. Zo zijn direct ten noorden van het plangebied mogelijke oeverafzettingen waargenomen op een diepte vanaf 55 cm onder maaiveld. Hieronder lagen beddingafzettingen van de Stuivenberg. Meer richting het oosten konden zich op een zeker moment veengronden ontwikkelen. De oeverwallen en crevasses van de Stuivenberg kunnen resten van bewoning bevatten daterend vanaf het Laat-Neolihticum tot en met de Romeinse Tijd. Vanaf de Romeinse Tijd krijgt de Hollandse IJssel meer invloed op de omgeving van Montfoort en worden op sommige locaties de oeverafzettingen van de Stuivenberg en veenpakketten afgedekt door komklei van de Hollandse IJssel.
Het veen en de komklei vormen een afdekkende laag op mogelijke archeologische resten waardoor deze resten mogelijk goed geconserveerd zijn. Voor de periode na de Romeinse Tijd wordt de verwachting op archeologische resten lager vanwege de ligging in een komgebied. Ook zijn er geen aanwijzingen op historisch kaartmateriaal voor eventuele bewoning in de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Met de indijking van het gebied zullen ook de komgronden weer bewoonbaar zijn geworden, maar de bebouwing zal zich meer langs de historische wegen hebben geconcentreerd dan midden in de weilandgebieden. ADC ArcheoProjecten adviseert om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek. Het doel van dit onderzoek is de bodemopbouw en de aard, omvang en diepte van eventuele verstoringen in kaart te brengen. Aan de hand van de gegevens van het veldonderzoek kan de gespecificeerde verwachting worden aangevuld. De werkzaamheden dienen
Ruimtelijke onderbouwing
37
omgevingsvergunning Bovenkerkweg 82, Montfoort
voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA). Er wordt uitgegaan van een totaal aantal van vijf boringen verspreid over het plangebied. Het verwachte niveau aan oeverafzettingen kan vanaf 55 cm onder maaiveld worden aangetroffen. De beddingafzettingen van de Stuivenberg worden vanaf een diepte van 95 cm onder maaiveld verwacht. Op basis van het bestemmingsplan is alleen het westen en het zuiden van het plangebied onderzoeksplichtig. Om een duidelijk beeld van de fysische en archeologische situatie in het plangebied te krijgen samen met de geringe omvang van het plangebied, is er de voorkeur om het verkennend booronderzoek vooralsnog in het gehele plangebied uit te voeren. Conclusie Vanuit oogpunt van archeologie is er een verkennend booronderzoek nodig. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd, nadat de bestaande bebouwing is gesloopt. Dit is geborgd door middel van het opnemen van een voorwaarde in de omgevingsvergunning. Binnen de grondexploitatie wordt hiermee rekening gehouden. Hiermee is dit bouwplan uitvoerbaar ten aanzien van archeologie. Het is nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen.
Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van toekomstig grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. 5.2.2 Cultuurhistorie en monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Hierbij dient niet alleen de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied onderzocht te worden, maar ook de waarden in de directe omgeving van het plangebied. Het initiatief kan namelijk ook van invloed zijn op de cultuurhistorische waarden in de directe omgeving van het plangebied. In het plangebied bevinden zich geen Rijks- of gemeentelijke monumenten. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast. De bestaande bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarde. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.
5.3
Flora en fauna
Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuur Netwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische hoofdstructuur (EHS) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'Uiterwaarden Lek' ligt ruim 7,6 km zuidelijk van het plangebied. Het Natura2000-gebied 'Broekveld, Vettenbroek & Polder Stein ligt 11,3 km ten westen van het
38
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Bovenkerkweg 82, Montfoort
plangebied. Het Natura2000-gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' ligt 14,0 km noordelijk van het plangebied. Deze Natura2000-gebieden worden door realisatie van het bouwplan niet beïnvloed, zoals aangetoond in het ecologisch onderzoek. In paragraaf 5.3.2 wordt hierop ingegaan. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht als gevolg van deze functiewijziging. In de directe omgeving van het plangebied ligt geen natuur van Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de ecologische hoofdstructuur van de provincie Utrecht (figuur 11). De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor NNN zoals toegelicht in het ecologisch onderzoek.
Figuur 11: NNN in de omgeving van het plangebied. Plangebied met rode stip aangegeven. 5.3.1 Stikstofdepositie Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het natura2000-gebied 'Uiterwaarden Lek' ligt ruim 7,6 km zuidelijk van het plangebied. Dit is een stikstofrelevant habitatrichtlijngebied. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet natuurbescherming (dat ook geldt onder de in te voeren Omgevingswet op 1 januari 2024). De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe zijn een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035. Het bouwplan maakt het oprichten van een kinderdagverblijf en buitenspeelse kinderopvang mogelijk. Het plangebied ligt op 4,6 km afstand van de 3 km buffer rondom stikstofgevoelige Naura2000-gebieden (figuur 12). Aangezien op voorhand niet is uit te sluiten of er sprake is van een toename van stikstofdepositie zijn er stikstofberekeningen uitgevoerd door HBA B.V. (rapport van 11 december 2023, Bijlage 3). Uit de berekeningen is gebleken dat er in de aanleg- en gebruiksfase geen sprake van toename van stikstofdepositie.
Hieruit volgt dat er geen natuurgebieden zijn met rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Er gelden geen aanvullende verplichtingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit bouwplan geen belemmering. Kort samengevat: Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing. Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten. Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland.
Ruimtelijke onderbouwing
39
omgevingsvergunning Bovenkerkweg 82, Montfoort
5.3.2 Verkennend ecologisch onderzoek Bij een nieuwbouwplan moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Watersnip Advies te Reeuwijk een ecologisch onderzoek uitgevoerd (rapport van oktober 2023, Bijlage 4). Op basis van een inventarisatie, literatuuronderzoek en een verkennend onderzoek kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Natuurgebieden H.3 Natura2000 §3.2.1 Habitattypen
Soorten NNN-gebieden §3.2.2 Omgevingsvisie en interim Omgevingsverordening §3.2.3
Gevolgen Natura 2000-gebied Uiterwaarden lek ligt op 7,27 km afstand van het plangebied. Voor de nieuwe ontwikkeling dient door de geruime afstand geen stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de aanleg en gebruiksfase. Nee Nee Nee
Soortgroep H.4 Algemeen §4.3.3 en 4.3.5
Overtreding verbodsbepalingen Voor de beschermde soorten, Bastaardkikker, Bruine kikker, Meerkikker, Gewone pad en Kleine watersalamander geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) door de provincie Utrecht. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. Flora §4.2 Nee Jaarrond beschermde nesten §4.3.1 Nee Vissen §4.3.2 Nee Reptielen §4.3.4 Nee Zoogdieren §4.3.5 Nee Vleermuizen §4.3.6 Nee Overige soorten §4.3.7 Nee Soortgroep H.4 Vogels §4.3.1
Amfibieën §4.3.3
40
Overtreding verbodsbepalingen, aanvullende maatregelen vereist Nee. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wnb wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaardperiode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels. Nee, mits voorkomen wordt dat er gedurende de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen.
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Bovenkerkweg 82, Montfoort
Algemene zorgplicht Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Wet natuurbescherming de algemene zorgplicht. Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Natuur-inclusief bouwen De initiatiefnemer heeft de intentie een kinderdagverblijf te realiseren. Watersnip Advies stimuleert natuur-inclusief bouwen voor een beter samenleving tussen mens en natuur. Het is nodig natuur-inclusief te bouwen met het oog op de biodiversiteit en in dit kader een aantal gewenste voorzieningen te integreren voor Huismus, Gierzwaluw en vleermuizen: a. Voor de Huismus wordt ruimte beschikbaar gehouden onder onderste twee rijen dakpannen. Op een aantal plaatsen worden nestkasten ingebouwd. b. Voor de Gierzwaluw worden holle inbouwstenen ingemetseld in de randen van de zijgevels. c. Voor vleermuizen worden kasten ingemetseld in de spouw op diverse plaatsen en op een aantal zijgevels vleermuiskasten geplaatst.
Wat betreft straatverlichting wordt geadviseerd om amberkleurige Led-verlichting te plaatsen die voornamelijk naar beneden gericht is. Dit om verstoring door licht voor foeragerende vleermuizen te vermijden. Conclusie Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de Wet natuurbescherming geen beperkingen worden opgelegd aan deze planontwikkeling. De in het rapport genoemde aanbevelingen worden overgenomen bij uitwerking van het bouwplan.
5.4
Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten
5.4.1 Kabels en leidingen In het plangebied liggen naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen ruimtelijk relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.
Ruimtelijke onderbouwing
41
omgevingsvergunning Bovenkerkweg 82, Montfoort
42
Ruimtelijke onderbouwing
omgevingsvergunning Bovenkerkweg 82, Montfoort
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid en resultaten overleg
Economische uitvoerbaarheid
De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. Het betreft een particulier voornemen waarvan de lasten door initiatiefnemer zullen worden gedragen. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken worden vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant te sluiten anterieure exploitatieovereenkomst, waarin ook verhaal van planschade wordt meegenomen. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen om een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de overeenkomst. De economische uitvoerbaarheid door initiatiefnemer is voorts voldoende aangetoond.
6.2
Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro
In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het ontwerpbesluit aan Gedeputeerde Staten van Utrecht en het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden toegezonden. De provincie en het Hoogheemnraadchap hebben medegedeeld geen opmerkingen te hebben.
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voor onderhavig ontwerpbesluit zal de uniforme voorbereidingsprocedure worden gevolgd als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken zal daartoe zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende de termijn van terinzagelegging zijn wel/geen mondelinge en/of schriftelijke zienswijzen ingediend.
Ruimtelijke onderbouwing
43
IntROview B.V. Sterrenlaan 24 2743 LS Waddinxveen telefoon 0182 630480 info@introview.nl www.introview.nl