Bijlage 2 - Handleiding Opstellen Soortenmanagementplan en Gebiedsgerichte ontheffingsaanvraag
Tekst van het document
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG
PROVINCIE-UTRECHT.NL
TITEL VAN PUBLICATIE HIER | 1
Kracht van een gebiedsgerichte benadering
Een Soortenmanagementplan is een win-win voor zowel beschermde dieren- en plantensoorten als voor ruimtelijke ontwikkeling.
Het doel van het Soortenmanagementplan is het actief verbeteren van de staat van instandhouding van beschermde dieren- en plantensoorten. En tegelijkertijd het meenemen van koppelkansen tussen biodiversiteitsherstel en andere opgaven in de bebouwde omgeving, zoals het faciliteren van ruimtelijke ingrepen.
De verzamelde gebiedskennis in combinatie met de gebiedsgerichte en integrale aanpak van het Soortenmanagementplan kunt u inzetten voor onder andere het:
Versterken van foerageer- of migreernetwerken van soorten Verbinden van geïsoleerde kolonies met nieuw leefgebied en/of andere kolonies Oplossen van knelpunten Grootschalig natuurinclusief bouwen en verbouwen
Een gebiedsgerichte ontheffing is geschikt voor bebouwd gebied (een dorpskern of stad), maar kan ook toegepast worden voor het landelijk gebied.
Een aanvraag voor een gebiedsgerichte ontheffing Wet natuurbescherming op basis van een Soortenmanagementplan bestaat uit twee componenten:
1. Ontheffingsaanvraag
2. Soortenmanagementplan
1. Juridische kaders en wettelijke eisen
1. Ambitie en langetermijnvisie
2. Nulmeting
2. Mitigatie- en compensatieplan
3. Effectbepaling en (lokale) staat van
3. Monitoringsplan
instandhouding
4. Management- en administratieplan
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 2
Wat vindt u in deze handleiding?
Kracht van een gebiedsgerichte benadering
2
Toepassing Soortenmanagementplan
4
1. Ontheffingsaanvraag
5
1.1 Juridische kaders en wettelijke eisen
5
1.2 Nulmeting
8
1.3 Effectbepaling en (lokale) staat van instandhouding
12
2. Soortenmanagementplan
14
2.1 Ambitie en langetermijnvisie
14
2.2 Mitigatie- en compensatieplan
15
2.3 Monitoringsplan
17
2.4 Management- en administratieplan
19
Disclaimer Deze handleiding vervangt in geen geval een bestuurlijk rechtsoordeel en er kunnen geen rechten aan ontleend worden. Het is een dynamisch document dat door de provincie Utrecht als bevoegd gezag aangepast kan worden wanneer nieuwe inzichten daartoe aanleiding geven. Tenzij anders vermeld, komen de afbeeldingen uit de Beeldbank van de provincie Utrecht.
Leeswijzer Op verschillende plekken in deze handleiding zijn items onderstreept. Dit zijn klikbare hyperlinks die verwijzen naar onderdelen in de handleiding met meer uitleg. In de handleiding vindt u ook een begrippenlijst en een checklist.
Versiebeheer Versie 1.0 - April 2022
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 3
Toepassing Soortenmanagementplan Soorten waarvoor het Soortenmanagementplan toepasbaar is • •
Alle beschermde soorten van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Soorten van Artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming die niet op de vrijstellingslijst staan van de provincie Utrecht.
Voorwaarde: U moet aantonen en waarborgen dat de ingrepen waar het Soortenmanagementplan betrekking op heeft, geen negatief effect hebben op de (lokale) staat van instandhouding van de desbetreffende soorten.
Soorten waarvoor binnen een Soortenmanagementplan maatwerk noodzakelijk is Een aantal soorten van de Europese Habitatrichtlijn en de vogels met jaarrond beschermde rust- en/of verblijfplaatsen is zodanig kwetsbaar dat binnen een Soortenmanagementplan maatwerk noodzakelijk is: 1. Soorten waar tot op heden geen standaard maatregelen voor genomen kunnen worden. 2. Soorten die vanwege de zeldzaamheid of de benodigde hoge onderzoeksinspanning die geleverd moet worden, een te hoog risico lopen gemist of onderschat te worden bij een gebiedsgericht onderzoek. 3. Soorten die een ongunstige staat van instandhouding of negatieve toekomstverwachting hebben die veroorzaakt wordt door bijvoorbeeld verduurzaming van de woningmarkt (zie hiervoor de Rapportage van 2019 aan de Europese Commissie. Maar ook de gewone en ruige dwergvleermuis hebben een ongunstig toekomstperspectief vanwege de verduurzaming). Deze bovenstaande drie categorieën gelden met name voor vleermuissoorten, zoals: •
Laatvlieger
•
Gewone grootoorvleermuis
•
Meervleermuis
•
Kleine dwergvleermuis
Functies waarvoor binnen een Soortenmanagementplan maatwerk noodzakelijk is Alle functies die van groot belang zijn voor de lokale staat van instandhouding van de betreffende soort. Zoals: •
Kraam- en massawinterverblijfplaatsen van alle vleermuissoorten.
•
Kolonies huismussen en gierzwaluwen vanaf tien paartjes.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 4
1. Ontheffingsaanvraag Voordat u aan de slag gaat met een Soortenmanagementplan voert u eerst een vooroverleg met de provincie Utrecht. Neem hiervoor contact met ons op via wnb@provincie-utrecht.nl.
In dat vooroverleg bespreekt u met de Biodiversiteit in Stad en Dorp (BiSD)-medewerkers van de afdeling Natuur en Landbouw (NEL) de omvang, de doorlooptijd, de natuurinclusiviteit, een plan van aanpak en de beschikbaarheid van subsidies.
Vervolgens heeft u met het team Vergunningverlening Natuur en Landschap (VVN) en met de BiSD-medewerkers een vooroverleg over de randvoorwaarden zoals de onderzoeksmethodiek, de mitigatie- en compensatie taakstelling en de monitoring.
Ten slotte vraagt u de gebiedsgerichte ontheffing aan door de ontheffingsaanvraag en het Soortenmanagementplan te sturen naar servicebureau@provincie-utrecht.nl.
Gedurende het proces van de ontheffingsaanvraag tot en met de eventuele verlening zult u tussentijds afstemmen met de medewerkers van het team Vergunningverlening Natuur en Landschap.
1.1 Juridische kaders en wettelijke eisen Voor het beoordelen van de aanvraag maken we gebruik van juridische kaders en wettelijke eisen. Voor een zorgvuldige beoordeling van de ontheffingsaanvraag is inzicht in het plangebied essentieel. Verschillende actoren kunnen gebruikmaken van het Soortenmanagementplan. Belangrijk is dat hun verantwoordelijkheden duidelijk vastgelegd zijn. Dit is ook relevant voor particuliere projecten. Daarnaast gelden er voorwaarden om voor een ontheffing in aanmerking te komen.
Plangebied Beschrijf duidelijk het plangebied waarvoor u de ontheffing aanvraagt. Zorg dat deze informatie vindbaar en navolgbaar is voor de provincie Utrecht en voor de andere externe partijen die betrokken zijn bij (de uitvoering van) het Soortenmanagementplan. Dit kan in de vorm van kaartmateriaal, overzichtstabellen en een beschrijving van de landschapstypen.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 5
Actoren die gebruik kunnen maken van het Soortenmanagementplan Gemeenten Particulieren Woningcorporaties Waterschappen Projectontwikkelaars Bedrijven
Ontheffinghouder Vanwege de grootschaligheid, de gebiedsgerichte aanpak en het moeten kunnen realiseren van een ecologische ‘plus’ in een gebied, wordt aanbevolen dat bij een Soortenmanagementplan de gemeente de ontheffinghouder is. Andere actoren kunnen gebruikmaken van het gemeentelijk Soortenmanagementplan, dit is geen verplichting. Belangrijk is dat er een duidelijke hoofdverantwoordelijke is. De
gebruiksrechten
en
specifieke
verantwoordelijkheden
regelt
u
integraal
via
een
doormachtiging en legt u vast in een samenwerkingsovereenkomst. Daarmee zijn alle betrokken partijen zelf en gezamenlijk verantwoordelijk voor de zorgvuldige uitvoering van de ontheffingsvoorwaarden. De gemeente kan de ontheffing ook privaatrechtelijk op grond van een overeenkomst tussen gemeente en partijen doormachtigen aan particulieren, verenigingen van eigenaren, projectontwikkelaars, et cetera. Beschrijf in het Soortenmanagementplan duidelijk welke partijen bij welke activiteiten eindverantwoordelijk zijn. Maar ook wie verantwoordelijk en gemachtigd is om besluiten te nemen op de verschillende momenten in het proces en/of tijdens evaluatiemomenten. Meer informatie hierover vindt u in het hoofdstuk Management- en administratieplan.
Particuliere projecten Aanhaken
Particulieren kunnen aanhaken bij een Soortenmanagementplan dat in beheer is van hun gemeente.
Rol gemeente
Begeleidend en informerend naar de particulier.
Meldplicht
Voor de start van de werkzaamheden hebben particulieren een meldplicht bij de betreffende gemeente.
Werkprotocol
Werkzaamheden moeten uitgevoerd worden conform een Ecologisch werkprotocol.
Natuurinclusief
Particulieren houden de plicht om de geplande ingreep natuurinclusief uit te voeren. In de nieuwe situatie moeten zij dus voorzieningen treffen voor soorten (afhankelijk van het vóórkomen en de verspreiding op en nabij de locatie).
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 6
Het project of de ingreep van een particulier kan effect hebben op een functie die van groot belang is voor de lokale instandhouding van een kolonie of soort. Bijvoorbeeld bij de aanwezigheid van: •
Kraam- of massawinterverblijfplaatsen van vleermuizen
•
Soorten met een ongunstige staat van instandhouding
•
Soorten en functies waarvoor geen standaard maatregelen genomen kunnen worden
•
Groter/substantieel deel van bijvoorbeeld kolonies huismussen of gierzwaluwen
Dan is begeleiding, mitigatie en compensatie op grotere schaal noodzakelijk. Beschrijf in de ontheffingsaanvraag hoe u hiermee omgaat en op welke wijze en wie de particulier hierbij begeleidt.
Voorwaarden voor een gebiedsgerichte ontheffing Conform artikel 3.8, lid 5 van de Wet natuurbescherming kan een gebiedsgerichte ontheffing uitsluitend verleend worden als voldaan is aan elk van de onderstaande voorwaarden:
1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; 2. Zij is nodig: a. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; b. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; c. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daaropvolgende gebruik van het gebied of het gebouwde; d. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Onderbouw het bovenstaande in de ontheffingsaanvraag in het hoofdstuk ‘Juridische kaders en wettelijke eisen’. In Bijlage I vindt u meer informatie over het beschrijven in de ontheffingsaanvraag van deze drie voorwaarden.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 7
1.2 Nulmeting Een Soortenmanagementplan start altijd met een gedegen nulmeting van natuurwaarden voor het gebied waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd. De nulmeting van de natuurwaarden binnen het gehele grondgebied van een woonkern vormt daarmee de basis van het Soortenmanagementplan. Dit onderzoek moet voor alle betrokken beschermde dier- en plantensoorten een volledig en betrouwbaar beeld geven van: •
de populatieomvang;
•
daarbij behorende essentiële foerageer- of migreernetwerk;
•
essentiële grote verblijfplaatsen van deze populaties. De essentiële locaties mogen niet modelmatig onderzocht worden. Voor vleermuissoorten zijn de massawinterverblijfplaatsen en kraamverblijfplaatsen de essentiële verblijfsplaatsen.
Doel
In kaart brengen van de voorkomende soorten, de verspreiding en het netwerk van de soorten en functies binnen het Soortenmanagementplangebied.
Bestaat uit
Potentie-inschatting en verkenning Soortgericht veldonderzoek
Handvat voor
Onderzoeken welke soorten in het soortenmanagementplangebied voorkomen. In beeld brengen van de soort-functie combinaties en het netwerk van de voorkomende soorten. Aantonen van de aanwezigheid van kolonies, (essentiële) nestplaatsen en andere functies. Kunnen bepalen van de rol of het belang van het Soortenmanagementplangebied binnen een netwerk van de betreffende soorten. Volledig in kaart brengen van kwetsbare soort-functie combinaties.
Niet gericht op
Het uitsluiten van nest- en verblijfplaatsen of andere functies. Het voorkómen van het doden en verwonden van dieren en het waarborgen dat op termijn voldoende (kleine) verblijfplaatsen en leefgebieden aanwezig zijn. Deze twee onderdelen werkt u uit in het mitigatie- en compensatie-plan.
Vervolgstappen
Inschatting van de maatregelen die nodig zijn om de staat van instandhouding van de betreffende soorten te kunnen waarborgen. Bij een aanvraag voor een ontheffing in het kader van het wettelijk belang ‘Bescherming wilde flora en fauna’ een plan om de ecologische ‘plus’ te waarborgen.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 8
1.2.1 Potentie-inschatting en verkenning De manier waarop u de potentie-inschatting en verkenning uitvoert, is afhankelijk van de: •
situatie (de lokale feiten en omstandigheden) en de
•
kenmerken van het gebied en de
•
beschikbare informatie.
Dit vereist maatwerk. U stelt de potentie-inschatting en verkenning op aan de hand van twee instrumenten: •
Literatuuronderzoek
•
Verkennend gebiedsdekkend onderzoek.
Literatuuronderzoek Doel
Inzicht in het voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied en in soortspecifieke voorkeuren en trends.
Criteria databankbronnen
Ecologische onderbouwing van de actualiteit, de relevantie, de betrouwbaarheid en de accuraatheid van de bronnen.
Periode
Onderzoeksgegevens over een langere periode zijn interessant voor inzicht in de manier waarop beschermde soorten het plangebied gebruiken.
Verouderde data
Aanvullen met recent onderzoek voor een helder inzicht in de functionaliteit van hele plangebied.
Expert judgement
Mogelijk, maar de inzichten helder onderbouwen.
Verkennend gebiedsdekkend onderzoek Doel
Inschatting van de geschiktheid en de potentie van de structuren en de leefgebieden voor de beschermde soorten in het plangebied.
Input
Literatuuronderzoek in combinatie met een gebiedsdekkend veldbezoek en aanwezige landschapstypen.
Output
Bepaling welke soortgerichte veldonderzoeken noodzakelijk zijn en vaststelling van de methodiek, de onderzoeksinspanning en de verdeling van de onderzoeksintensiteit van deze soortgerichte veldonderzoeken.
De aandachtspunten voor het beschrijven van het onderdeel ‘Potentie-inschatting en verkenning’ in de ontheffingsaanvraag vindt u in Bijlage II.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 9
1.2.2 Soortgericht veldonderzoek Doel
In kaart brengen van de aanwezigheid in het plangebied van netwerken, kolonies en de belangrijke soort-functie-combinaties van beschermde soorten.
Wat
Alle soorten en functies in de geschikte perioden en tijdstippen.
Onderzoeksgebied
Volledig soortenmanagementplangebied.
Onderzoekprotocollen voor periodisering en minimaal aantal veldonderzoeken
Meest recente onderzoeksprotocollen zoals het Soorteninventarisatieprotocol, het Vleermuisprotocol van het Netwerk Groene Bureaus en de Kennisdocumenten (BIJ12) zijn indicatief van aard. Wanneer nieuwe toepasbare protocollen voor gebiedsgericht onderzoek vastgesteld worden, moet u hiervan gebruik maken. Deze zijn voor een aantal soorten in ontwikkeling.
Onderzoeksmethodiek Moet toetsbaar zijn voor het bevoegd gezag. Onderzoeksinspanning De locatiebezoeken voor alle soorten en functies zijn meermaals uitgevoerd (meer dan één bezoek per locatie, soort en functie) (zie onderzoeksinspanning en -methodiek). Onderzoekservaring
Voldoende en aantoonbare ervaren veldecologen of specifieke soortendeskundigen (zie onderzoekservaring). Alleen als zij kundig zijn, kunt u een deel van (ondersteunend) onderzoek ook door vrijwilligers laten uitvoeren.
Onderzoeksinspanning en -methodiek Systematisch vaststellen en onderbouwen op basis van verschillende factoren zoals: • • • • •
Onderzoeksgebied en (eventueel) deelgebieden Potentie-analyses Omgevingskenmerken (aanwezige landschapstypen) Toegankelijkheid en overzichtelijkheid van het onderzoeksgebied Relevante (en actuele) eerder uitgevoerde onderzoeken binnen het soortenmanagementplangebied waarin de aanwezigheid van belangrijke functies al aangetoond is of verwacht wordt.
Onderzoeken in zowel stedelijk als landelijk gebied moeten aan specifieke voorwaarden voldoen. Deze voorwaarden vindt u in Bijlage III. Kunt u niet aan de voorwaarden voldoen vanwege specifieke omstandigheden of eisen? Dan moet u dit onderbouwen. Onderzoekservaring Voor onderzoek in grote gebieden is een andere aanpak en een hoger deskundigheidsniveau van de veldonderzoekers nodig. Bijvoorbeeld aan de hand van (soms subtiele) signalen moet de onderzoeker in staat zijn om gedrag, dat kan leiden tot het vinden van belangrijke verblijfplaatsen of functies, op de juiste wijze te interpreteren. De specifieke eisen aan de deskundigheid van onderzoekers vindt u in Bijlage IV.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 10
Rapportage van de onderzoeksresultaten In de rapportage van het soortgericht onderzoek neemt u beschrijvingen op van de: •
potenties van het gebied voor de te verwachten soorten en
•
kenmerken van het gebied en een
•
logische vertaling hiervan naar de onderzoeksinspanning en -intensiteit.
Hierin kunt u bijvoorbeeld opnemen of op bepaalde plekken meer inzet geweest is omdat daar naar verwachting belangrijke functies aanwezig kunnen zijn. Het soortgerichte onderzoek is gebiedsdekkend, tenzij: •
U op voorhand onderbouwd heeft waarom bepaalde deelgebieden geen potenties hebben voor aanwezigheid van beschermde soorten.
•
Er voldoende recente onderzoeksgegevens bekend zijn die voldoen aan de gestelde eisen voor gebiedsonderzoek.
•
Effecten om andere redenen uitgesloten zijn.
De onderzoeksresultaten bestaan uit waarnemingen, kaartmateriaal en een uitgebreide beschrijving van de aangetroffen soorten en functies (soort-functie combinaties). Maak hierbij onderscheid in onder andere: •
Hotspots
•
Functioneel leefgebied
•
Belangrijk foerageergebied
•
Belangrijke vliegroutes
•
Bijzondere locaties waar meerdere belangrijke en/of kwetsbare functies samenkomen
•
Kraam- en massawinterverblijfplaatsen
•
Grote of geïsoleerde kolonies
•
Bolwerken van huismussen en gierzwaluwen
Bij voorkeur levert u een potentiekaart aan op basis van de potentie-inschatting en verkenning die in lijn is met het uitgevoerde onderzoek. Lever voor iedere soort(groep) als bijlage bij de ontheffingsaanvraag een overzichtelijke en navolgbare verslaglegging van de onderzoeksopzet en de onderzoeksresultaten. De specifieke aandachtspunten voor het beschrijven van het soortgericht onderzoek en de rapportage vindt u in Bijlage V.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 11
1.3 Effectbepaling en (lokale) staat van instandhouding Een soortenmanagementplangebied kan van belang zijn voor de lokale, regionale en landelijke populatie. Zo kan bijvoorbeeld een soortenmanagementplangebied met daarin kraamverblijfplaatsen of overwinteringslocaties van meervleermuizen van cruciaal belang zijn voor een populatie in een regio. Om iets te kunnen zeggen over het belang van een gebied voor een bepaalde soort en vervolgens te bepalen wat het effect is van de voorgenomen activiteiten en ingrepen, moet u de soort-functie combinaties en vervolgens het netwerk in kaart brengen. De voorgenomen ingrepen kunnen bijvoorbeeld belangrijke corridors of essentiële vliegroutes doorsnijden of verstoren. Het in kaart brengen van potentiële functies en de robuustheid of kwetsbaarheid hiervan (zie ook de knelpuntenanalyse) biedt daarbij uitkomst. Door het in kaart brengen van het netwerk wordt inzichtelijk hoe kwetsbaar soort-functie combinaties zijn voor ruimtelijke ingrepen en activiteiten. En in hoeverre het netwerk alternatieven biedt en robuust is. In de effectbepaling bepaalt u daarvoor aan de hand van de resultaten van de nulmeting (de potentie-inschatting en verkenning en het soortgericht veldonderzoek) de effecten van de geplande activiteiten en ingrepen op de aanwezige populaties en soort-functie combinaties.
Te beantwoorden vragen Waar zijn welke soort-functie combinaties aanwezig? Welke soort-functie combinaties zijn cruciaal voor de lokale populaties? Hoe verhouden deze zich tot de voorgenomen activiteiten en ingrepen? Input
Nulmeting Soort-functie combinaties Netwerk
Output
Knelpuntenanalyse Inzicht in cumulatieve effecten Overzicht van de meest kwetsbare gebieden en soort-functie combinaties die liggen in en grenzen aan het soortenmanagementplangebied. Overzicht van de activiteiten, de effecten van de voorgenomen activiteiten en ingrepen en de intensiteit van deze effecten op de beschermde soorten, functies en soort-functie combinaties
De aandachtspunten voor het beschrijven van de effectbepaling vindt u in Bijlage VI.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 12
Knelpuntenanalyse Een methode om het leefgebied/habitat van beschermde soorten te verbeteren, is het opheffen of verminderen van de knelpunten en de kwetsbare punten voor de betreffende soort. U kunt in de ontheffingsaanvraag in het hoofdstuk ‘Effectenbepaling’ een knelpuntenanalyse opnemen met daarin een concreet plan hoe het Soortenmanagementplan bijdraagt aan het oplossen van de knelpunten en daarmee het verbeteren van het leefgebied van de betreffende soort. Daarnaast kunt u met een knelpuntenanalyse bepalen hoe voorkomen kan worden dat door de voorgenomen activiteiten de in de effectbepaling genoemde kwetsbare soort-functie combinaties verloren gaan of verstoord worden.
Cumulatieve effecten in het soortenmanagementplangebied Breng in de effectbepaling ook in beeld of er cumulatieve effecten zijn die een rol spelen. Zijn er in de omgeving bijvoorbeeld al vergelijkbare werkzaamheden uitgevoerd die een negatief effect kunnen hebben op de soorten en/of functies die ook door de activiteiten in het plangebied beïnvloed worden? In afwijking van de cumulatietoets in het kader van de gebiedsbescherming Natura 2000 (waarbij in principe alleen vergunde, maar nog niet gerealiseerde projecten meegenomen moeten worden), is dit niet het geval bij de individuele soortenbescherming. Aangezien dit ontbreekt, wordt de reikwijdte van het begrip cumulatie in relatie tot beschermde soorten bepaald door de Habitatrichtlijn zoals dit verwoord is in artikel 1.1 van de Wet natuurbescherming: Staat van instandhouding van een soort: effect van de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort op het grondgebied, bedoeld in artikel 2 van de Habitatrichtlijn. Dit zorgt ervoor dat u juist de lokale of regionale trendontwikkelingen naast de bekende ontwikkelingen op wijk- of gebiedsniveau (bijvoorbeeld eerder uitgevoerde renovaties) moet meenemen in de analyse van de staat van instandhouding.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 13
2. Soortenmanagementplan In het Soortenmanagementplan zelf beschrijft u de ambitie en langetermijnvisie en neemt u een mitigatie- en compensatieplan een monitoringsplan en een management- en administratieplan op.
2.1 Ambitie en langetermijnvisie Bij de aanvraag van een gebiedsgerichte ontheffing soortenbescherming op basis van een Soortenmanagementplan zijn de wettelijke belangen ‘Bescherming van de wilde flora of fauna en ‘Instandhouding van de natuurlijke habitat’ een belangrijke factor. Om dit belang te onderbouwen en de lokale staat van instandhouding van soorten op lange termijn te waarborgen, zijn een ambitie en een langetermijnvisie onmisbaar. In het hoofdstuk ‘Ambitie en langetermijnvisie’ van het Soortenmanagementplan beschrijft u daarvoor hoe op de lange termijn omgegaan wordt met de aanwezige soorten en functies in relatie tot de activiteiten en ontwikkelingen in een bepaald gebied. En de manier waarop leefgebieden en populaties van de aanwezige soorten versterkt en verbeterd worden, ondanks of dankzij verschillende ontwikkelingen en activiteiten. Oftewel: wat willen de initiatiefnemers op de lange termijn bereiken met het Soortenmanagementplan?
Het ambitieniveau kunt u op meerdere wijzen beschrijven en deze ambitieniveaus sluiten elkaar niet uit. In de praktijk zal er vaak een overlap zijn tussen de ambities en zij zullen elkaar versterken. Dit is onder andere afhankelijk van de omgeving, de soorten en de geplande activiteiten.
Ambitieniveaus Doelen per soort(groep)
Beschrijf wat het doel is voor een bepaalde soort of soortgroep. Bijvoorbeeld het versterken van de populaties door het vergroten van het aantal (individuen in) kolonies, het aantal broedparen of het aantal individuen in een gebied.
Verbeteren van natuurwaarden en biodiversiteit
Beschrijf hoe de Soortenmanagementplan-aspecten verbonden zijn met het verhogen van de biodiversiteit, het versterken van netwerken en het aantoonbaar verbeteren (kwalitatief en kwantitatief) van het leefgebied.
Natuurinclusief bouwen en inrichten
Beschrijf (kwantitatief) de ambities op het gebied van natuurinclusief bouwen en inrichten. Denk bijvoorbeeld ook aan natuurinclusief bouwen en verbouwen bij panden die in de huidige situatie minder potentieel geschikt zijn voor soorten. Van belang zijn de inrichting van de omgeving en het aantal en de variatie en spreiding van de natuurinclusieve maatregelen gerelateerd aan de huidige situatie.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 14
2.2 Mitigatie- en compensatieplan Bij een Soortenmanagementplan gaat het om behoud en de versterking van netwerken, soortfunctie combinaties en populatie-effecten. Om aansluiting te zoeken bij het wettelijk kader van verbodsbepalingen waarbij alle individuele verblijfplaatsen van beschermde soorten beschermd zijn, is het noodzakelijk om de maatregelen te compenseren en het leefgebied aantoonbaar te verbeteren (de ecologische ‘plus’). Dit houdt in dat u werkt aan het aantoonbaar versterken (kwalitatief en kwantitatief) van een netwerk van verblijfplaatsen, leefgebied, voedsel en verbindend habitat binnen het soortenmanagementplangebied. Input
De gebiedsspecifieke kenmerken, soortspecifieke eisen en de resultaten van het soortgerichte veldonderzoek.
Output
Manier waarop u naar de doelen toewerkt die volgen uit de ambitie en langetermijnvisie. Welke maatregelen en stappen u onderneemt om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Wanneer u het Soortenmanagementplan indient, is het niet altijd mogelijk om hierin op voorhand al een gedetailleerd mitigatie- en compensatie-plan op te nemen. In dat geval is het van belang dat u in het Soortenmanagementplan beschrijft waarop de uiteindelijke werkwijze en methodiek gebaseerd zijn. De randvoorwaarden en uitgangspunten voor de toepassing van natuurinclusieve voorzieningen en de inrichting van groengebieden.
Mitigatie en compensatie van soort-functie combinaties Bij de mitigatie en compensatie van verblijfplaatsen en leefgebied moet u voldoende variatie aanbieden. Bijvoorbeeld in type alternatieve verblijfplaats, oriëntatie, spreiding, clustering et cetera. Zorg er hierbij ook voor dat u de functionele leefomgeving die bepalend is voor de kwaliteit van de soort-functie combinaties (functioneel groen, afwezigheid van storingsfactoren, geleiding et cetera) er optimaal bij betrekt. Voor de mitigatie en compensatie van verblijfplaatsen en functies die beïnvloed worden door de geplande activiteiten beschrijft u welke maatregelen tijdelijk, permanent, experimenteel en bewezen effectief zijn. Geef een prioritering van de maatregelen en neem hierin op welke maatregelen de voorkeur genieten in bepaalde situaties en onder welke voorwaarden deze ingezet worden. Doorloop bij de mitigatie en compensatie van nest- en verblijfplaatsen van beschermde soorten altijd de onderstaande prioritering: 1. Tracht de oorspronkelijk verblijfplaats te behouden. 2. Is dit niet mogelijk? Reconstrueer dan zo veel mogelijk de huidige verblijfplaats in de nieuwe situatie. Dit houdt onder andere in dat (indien van toepassing) de soorten dezelfde bewegingsvrijheid houden (de afmetingen van de verblijfplaats zijn gelijk of groter), de
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 15
abiotische kenmerken zoveel mogelijk behouden blijven en dezelfde of vergelijkbare materialen gebruikt worden. 3. Als laatste mogelijkheid kunt u alternatieve voorzieningen ter compensatie toepassen. Bijvoorbeeld het inbouwen van kasten.
Bewezen effectieve maatregelen en experimentele maatregelen Bij voorkeur zet u bewezen effectieve maatregelen in. Maar wilt u daarnaast ook niet-bewezen effectieve maatregelen inzetten? Dan hanteert de provincie Utrecht de volgende uitgangspunten: Niet bewezen effectieve maatregelen tellen voor 50% mee als alternatieve maatregel, maar alleen wanneer de overige 50% aan maatregelen bestaan uit bewezen effectieve maatregelen waarbij ook voldoende aandacht is voor de variatie in de maatregelen. In algemene zin geldt namelijk dat hoe groter de variatie is, hoe groter de kans is op ingebruikname. Voeg ter onderbouwing een (bron)verwijzing bij naar de referentiesituaties waaruit de effectiviteit van de voorgenomen maatregelen blijkt. De geschiktheid ervan is meestal afhankelijk van lokale feiten en omstandigheden. Het uitgangspunt is dus om met maatregelen te werken waarvan de effectiviteit bewezen is. Is dit niet mogelijk? Neem dan, voordat u het Soortenmanagementplan indient, contact op met de provincie
voor
een
vooroverleg
via
wnb@provincie-utrecht.nl.
Staan
we
in
het
Soortenmanagementplan het opnemen toe van een experimentele maatregel of van een maatregel waarvan de geschiktheid nog onvoldoende bewezen is? Zorg er dan voor dat u de functionaliteit van de maatregel uitgebreid onderbouwt. En dat u een beschrijving geeft van hoe de monitoring van de effectiviteit van deze maatregel uitgevoerd kan worden. Het gaat hierbij om de frequentie, de methode van inventariseren, de tijdspanne en de manier van rapporteren. Het toestaan van het opnemen in het Soortenmanagementplan van een experimentele maatregel of maatregel waarvan de geschiktheid nog onvoldoende bewezen is, en een goede beschrijving van de functionaliteit en de monitoringsmogelijkheden, bieden geen garantie dat het Soortenmanagementplan en de aanvraag voor een gebiedsgerichte ontheffing op dit onderdeel goedgekeurd worden. Een vooroverleg met de provincie kan helpen om hierover voorafgaand meer duidelijkheid te krijgen.
Compensatie en verbetering van het leefgebied (de ecologische ‘plus’) Vanwege het wettelijk belang ‘Bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats’ moet u in het Soortenmanagementplan voldoende borgen dat het Soortenmanagementplan bijdraagt aan de verbetering van het leefgebied van de betreffende soorten. Op grond van het beleid van de provincie Utrecht kan een gebiedsgerichte ontheffing op basis van een Soortenmanagementplan alleen verleend worden op grond van dit belang. Naast het hoofdbelang ‘Bescherming wilde flora en fauna’ kunt u ook eventuele andere belangen beschrijven en onderbouwen.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 16
Het Soortenmanagementplan en de maatregelen die u erin opneemt, moeten op lange termijn een aantoonbare verbetering opleveren ten opzichte van de huidige situatie. Zoals het verhogen van de biodiversiteit, het versterken van de netwerken en het verbeteren van het leefgebied. Sluit hierbij aan bij de ambitie en langetermijnvisie die u beschrijft in het Soortenmanagementplan. In de ontheffingsaanvraag beschrijft u hiervoor duidelijk en concreet waarom soorten baat hebben bij het Soortenmanagementplan. En geeft u aan op welke wijze het huidige netwerk van de verschillende soorten binnen het soortenmanagementplangebied versterkt wordt door middel van het oplossen van de knelpunten, het creëren van nieuwe verblijfplaatsen of het verbeteren van bestaande verblijfplaatsen en functioneel leefgebied. Deze ecologische ‘plus’ moet u op projectniveau, maar ook in gemeentelijk beleid borgen. De aandachtspunten voor het beschrijven van de mitigerende en compenserende maatregelen vindt u in Bijlage VII.
Ecologisch werkprotocol en logboek Conform de Wet natuurbescherming is het noodzakelijk om het doden en verwonden van individuen te voorkómen. Dit kan door altijd voorzorgsmaatregelen te nemen voordat ingrepen plaatsvinden. Deze moet u in het Soortenmanagementplan voldoende borgen en beschrijven door middel van het Ecologisch werkprotocol. Hierin beschrijft u ook de praktische uitvoer van het mitigatie- en compensatieplan. Tijdens de uitvoer van de werkzaamheden wordt een logboek bijgehouden. De aandachtspunten voor het Ecologisch werkprotocol en het logboek vindt u in Bijlage VIII.
2.3 Monitoringsplan Over gebouwbewonende vogels zoals de huismus en gierzwaluw is actuele kennis beschikbaar. Een groot deel van de huidige kennis over vleermuizen is gebaseerd op ervaringen uit het veld,
expert judgement en empirisch bewijs dat niet altijd één-op-één van toepassing is. Ondanks het gebrek aan wetenschappelijke onderbouwing moet u in een Soortenmanagementplan op basis van de Wet natuurbescherming onderbouwen dat de staat van instandhouding van de betreffende soorten op voorhand voldoende verzekerd is. Door middel van monitoring geeft u inzicht in hoe de desbetreffende populaties zich ontwikkelen binnen het soortenmanagementplangebied en of de uitgevoerde (experimentele) maatregelen effectief zijn. Dit is van belang om te kunnen schakelen wanneer er onverwachte negatieve effecten op de beschermde soorten optreden. Eventueel wordt het Soortenmanagementplan naar aanleiding van de monitoringsresultaten waar nodig aangepast qua werkwijze en uit te voeren maatregelen.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 17
Bij het Soortenmanagementplan en de monitoring ervan moet u rekening houden met veranderingen zoals de verplaatsing en vestiging van nieuwe soorten en functies. Dienen zich tijdens de looptijd van een Soortenmanagementplan nieuwe soorten aan en zijn deze niet in het Soortenmanagementplan opgenomen? Dan moet u het reguliere aanvraagtraject ontheffing soortenbescherming doorlopen. Of moet u de soorten in het Soortenmanagementplan opnemen. Te monitoren aspecten binnen het Soortenmanagementplan: 1.
Populatie-ontwikkeling in het plangebied (staat van instandhouding
2.
Belangrijke en kwetsbare functies en meest kwetsbare verblijfplaatsen
3.
Effectiviteit van de uitgevoerde maatregelen en werkwijze
1. Populatie-ontwikkeling in het plangebied (staat van instandhouding) Voor de monitoring van de populatie-ontwikkeling raden we aan om gestandaardiseerde methodieken als VleerMUS (Meetnet Urbane Soorten) te gebruiken. Meer informatie over deze methodiek is bijvoorbeeld op de website van de Zoogdiervereniging en van Sovon te vinden. Deze methodieken worden landelijk gebruikt waardoor het mogelijk is de resultaten te vergelijken met andere gemeenten en provincies. Vanwege de leefwijze is monitoring en trendbepaling van de gierzwaluw binnen een soortenmanagementplangebied via gestandaardiseerde transecten en/of telpunten minder effectief. Bij deze soort levert het gericht monitoren van de nestplaatsen meer informatie op. Door het periodiek tellen van de nesten die in gebruik zijn, kan de lokale populatie gericht gemonitord worden (gebaseerd op de eerdere resultaten van Bureau Stadsnatuur Rotterdam bij het NatuurMeetnet Leiden). De
sleutelfactoren
bij
de
monitoring
van
de
populatie-ontwikkeling
binnen
een
Soortenmanagementplan vindt u in Bijlage X.
2. Monitoring van belangrijke en kwetsbare functies en verblijfplaatsen Deze functies zijn van doorslaggevend belang voor de lokale populaties van de soorten. De aantasting van een kraam- of massawinterverblijfplaats van vleermuizen, het verlies van nestplaatsen van een kolonie huismussen of gierzwaluwen of het afsnijden van een kraamkolonie van het nabijgelegen foerageergebied kan desastreuze gevolgen hebben voor lokale populaties. Vanwege het belang van deze belangrijke en kwetsbare functies (zie voor de afkadering van het begrip ‘Belangrijke en kwetsbare functies en verblijfplaatsen’ de Begrippenlijst in Bijlage XII) is periodieke monitoring van de belangrijke en kwetsbare functies noodzakelijk. Voor de monitoring van deze
functies
raden we aan
om
de reguliere onderzoeksmethodieken uit het
Vleermuisprotocol (NGB) en de Kennisdocumenten (BIJ12) als leidend toe te passen.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 18
3. Monitoring van de effectiviteit van de maatregelen De effectiviteit van de getroffen maatregelen is doorslaggevend voor het slagen van een Soortenmanagementplan. Bij de monitoring van de getroffen maatregelen moet u aan verschillende aspecten denken. Zo is een bewezen effectieve maatregel niet voor alle situaties (het meest) geschikt. Er kan daarom niet vanuit gegaan worden dat toegepaste effectief bewezen maatregelen per definitie voldoende functioneren. Daarnaast moet er ook voldoende variatie aanwezig zijn in onder andere windrichting, bouwmateriaal, dikte en binnenklimaat. Monitoring van deze maatregelen is daarom noodzakelijk.
Aandachtspunten monitoring Worden de maatregelen door de soort, functie en aantallen gebruikt? Worden de experimentele maatregelen gebruikt en zo ja: Onder welke omstandigheden worden ze gebruikt? Worden ze gebruikt voor de functie waarvoor ze bedoeld zijn? Worden ze gebruikt voor de soort waarvoor ze bedoeld zijn? Monitoring van de effectiviteit van de maatregelen houdt niet alleen in dat er (steekproefsgewijs) in het veld nagegaan wordt of de aangebrachte voorzieningen in gebruik genomen worden, maar ook of bij de uitvoering van het Soortenmanagementplan voldaan wordt aan de juiste randvoorwaarden en de aanwezige netwerken en leefgebieden aantoonbaar kwalitatief en kwantitatief versterkt worden. Bij een steekproefsgewijze monitoring van uitgevoerde maatregelen en werkwijze moet u een duidelijke beschrijving toevoegen van de methodiek: •
Op basis van welke aspecten worden de steekproeven uitgevoerd?
•
Wordt ieder type maatregel voldoende vertegenwoordigd in de monitoring?
•
Wat maakt de steekproef representatief?
De resultaten van de monitoring neemt u op in het Monitoringsverslag. De aandachtspunten voor het Monitoringsplan vindt u in Bijlage IX.
2.4 Management- en administratieplan Een Soortenmanagementplan is een managementplan. Met behulp van de nulmeting stelt u vast wat gemanaged moet worden. Met behulp van het mitigatie- en compensatieplan stelt u vast hoe de desbetreffende soorten en functies binnen het soortenmanagementplangebied beschermd worden. En met behulp van het monitoringsplan houdt u een vinger aan de pols of de plannen effectief werken. Hierbij zijn (veel) verschillende actoren en processen betrokken. Om dit in goede banen te leiden, is een gedegen management- en administratieplan noodzakelijk.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 19
In het hoofdstuk ‘Management- en administratieplan’ van het Soortenmanagementplan beschrijft u de processen, communicatielijnen en verantwoordelijkheden. Dit is van belang om de planning en fasering van de geplande ingrepen in relatie tot de aanwezige of potentiële functies van beschermde soorten in goede banen te kunnen leiden. Welke maatregelen zijn/worden waar genomen en wanneer zijn deze gereed? Hoe wordt voorkomen dat projecten cumulatief effect hebben op één kolonie of verblijfplaats? Bij de monitoring van de belangrijke en kwetsbare functies, van de uitgevoerde maatregelen en van de handhaving speelt administratie een rol. Wanneer andere partijen (zoals particulieren) gebruik kunnen maken van het Soortenmanagementplan, moet u waarborgen dat deze voldoende begeleiding krijgen. En dat de maatregelen die genomen zijn door particulieren in het administratieve systeem opgenomen worden.
Voorwaarden doorschrijven van de ontheffing aan de ontheffinggebruiker(s) •
De ontheffinghouder houdt bij hoe vaak en aan wie de ontheffing doorgeschreven wordt en neemt deze ontwikkelingen expliciet mee in de monitoring.
•
De ontheffinghouder voorkomt dat er ontwikkelingen met een potentieel negatieve impact tegelijk uitgevoerd worden wanneer compenserende maatregelen nog niet of onvoldoende gerealiseerd zijn.
•
Wordt uit de ontheffing of op een andere manier duidelijk dat zich op de bewuste locatie een verblijfplaats met een bijzondere ecologische waarde (zoals een massa winterverblijfplaats) zou kunnen bevinden? Dan kunt u de ontheffing pas doorschrijven na nader onderzoek. Zodat de juiste maatregelen voorgeschreven kunnen worden.
•
De ontheffinghouder blijft (mede) verantwoordelijk voor het opvolgen van de voorschriften van een doorgeschreven ontheffing.
•
De ontheffinghouder geeft een bewijs aan de ontheffinggebruikers dat aan hen de ontheffing doorgeschreven is. Dit bewijs bevat in ieder geval de volgende gegevens: ▪
Naam van de ontheffinggebruiker.
▪
Locatie, aard en omvang van de werkzaamheden waarvoor de ontheffing doorgeschreven is.
▪
Tijdsperiode waarin de werkzaamheden uitgevoerd worden.
▪
De manier waarop de ontheffinggebruiker de voorschriften uit het Soortenmanagementplan en de bijbehorende ontheffingsverplichtingen gaat toepassen.
•
De ontheffinghouder kan de doorschrijving ook intrekken als een ontheffinggebruiker zich niet aan de voorwaarden houdt. De ontheffinghouder meldt intrekkingen direct aan de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 20
Administratieve middelen Zorg voor een gecoördineerde administratie zodat u het overzicht en de balans bewaart binnen het project, voor de communicatie met het bevoegd gezag en met handhaving. De middelen voor administratie bestaan minimaal uit: •
Actuele digitale GIS-database of een (analoog) kaartenbestand met: •
Aanwezige alternatieven per soort, functie en project.
•
Reeds uitgevoerde tijdelijke en permanente maatregelen.
•
Uitgevoerde acties ten bate van het versterken van het netwerk van de aanwezige populaties (gecreëerde en geplande ecologische ‘plus’).
•
Locaties en globale planning van de projecten.
•
Logboeken en meldingen aan handhaving en bevoegd gezag.
•
Draaiboek met wie de administratie bijhoudt en hoe de communicatielijnen lopen.
Maken meerdere actoren gebruik van het Soortenmanagementplan? Dan is het moeilijker om overzicht te blijven houden over de acties en de maatregelen die genomen worden. Hiervoor kunt u een meldingssysteem voor gebruikers opstellen.
Acties bij tegenvallende resultaten of incidenten Binnen het Soortenmanagementplan moet u de te volgen stappen beschrijven bij tegenvallende resultaten op basis van de monitoring en incidenten. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van een draaiboek. Beschrijf hierin: •
Wie verantwoordelijk is voor het bepalen van het moment dat actie of ingrijpen noodzakelijk is. Bij tegenvallende resultaten of incidenten moet de ontheffinghouder een melding maken bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag bepaalt vervolgens samen met de ontheffinghouder welke vervolgacties er noodzakelijk zijn. Dit kan dan leiden tot aanpassing van de voorschriften.
•
Wie verantwoordelijk is of zijn voor het bepalen van de vervolgstappen.
•
Welke stappen gezet moeten worden na de constatering van afwijkingen bij de monitoring. Bijvoorbeeld: •
Stoppen van de activiteiten.
•
Inlichten van het bevoegd gezag.
•
Doen van aanvullend onderzoek.
•
Inwinnen van advies van een externe specialist.
•
Aanpassen van de keuzemodellen met betrekking tot de maatregelen.
•
Welke stappen ondernomen worden bij incidenten.
•
Wie ingelicht wordt en wat de communicatielijnen zijn bij tegenvallende en afwijkende resultaten en incidenten.
•
Maak voor bovenstaande aspecten eventueel meerdere draaiboeken. Bijvoorbeeld één voor incidenten en één voor tegenvallende resultaten die blijken uit monitoringsgegevens.
De aandachtspunten bij het opstellen van het management- en administratieplan vindt u in Bijlage XI.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 21
Bijlage I Beschrijven van de ontheffingsvoorwaarden 1. Geen andere bevredigende oplossing In de ontheffingsaanvraag moet u beschrijven dat er geen andere bevredigende oplossing voor de soorten aanwezig is. Dit heeft niet alleen betrekking op de activiteit, maar ook op de voorgenomen werkwijze. Onderbouw daarom op welke wijze het Soortenmanagementplan en de aanpak conform het Soortenmanagementplan de meest bevredigende oplossing is. Denk hierbij ook aan: • Voordeel en de kracht van het Soortenmanagementplan ten opzichte van andere werkwijzen en methodieken. • Wijze van tijdelijk mitigeren. • Planning en fasering. • Maatregelen tijdens de uitvoering van werkzaamheden (voorkomen van doden en tot een minimum beperken van verstoring). • Voorzieningen en maatregelen op lange termijn.
2. Wettelijk belang Vanwege de (proactieve) aard van een Soortenmanagementplan en de mogelijkheden die een Soortenmanagementplan biedt, is het wettelijk belang ‘Bescherming wilde flora en fauna’ onmisbaar. Op grond van het beleid van de provincie Utrecht, kan een gebiedsgerichte ontheffing op basis van een Soortenmanagementplan alleen verleend worden op grond van dit belang. Naast dit hoofdbelang kunt u ook eventuele andere belangen beschrijven en onderbouwen. Bij een Soortenmanagementplan gaat het om het behoud en de versterking van netwerken, soortfunctie combinaties en populatie-effecten. Om aansluiting te zoeken bij het wettelijk kader van verbodsbepalingen waarbij alle individuele verblijfplaatsen van beschermde soorten beschermd zijn, is het noodzakelijk om de maatregelen te compenseren (de ecologische ‘plus’). Dit houdt in dat u werkt aan het aantoonbaar versterken (kwalitatief en kwantitatief) van een netwerk van verblijfplaatsen, leefgebied, voedsel en verbindend habitat binnen het soortenmanagementplangebied. Sluit hierbij aan bij de ambitie en langetermijnvisie die u beschrijft in het Soortenmanagementplan. Denk bijvoorbeeld aan groenbeheer toegespitst op het verbeteren van de biodiversiteit en de functies voor beschermde soorten. En bij maatregelen bijvoorbeeld aan bewustwording door voorlichting of projecten als “tegellichten” en schoolpleinvergroening.
3. Waarborging van de staat van instandhouding Vanuit het wettelijk kader van de Wet natuurbescherming moet er op voorhand voldoende zekerheid zijn dat de (lokale) staat van instandhouding van de aanwezige beschermde soorten gegarandeerd kan worden. Onderbouw hiervoor in de ontheffingsaanvraag in ieder geval de volgende aspecten: • •
Huidige voorkomen en de verspreiding (waar komt de soort wel en niet voor). Waar zijn de (belangrijke) functies van de desbetreffende soorten (soort-functie combinaties).
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 22
• • •
Samenhang van het netwerk van de voorkomende soorten. Kwaliteit van de verschillende habitats, de functionele leefomgeving, de samenhang en de potentie van het soortenmanagementplangebied voor de aangetroffen soorten. Onderbouwing van de risico’s en de effecten van de geplande activiteiten op de staat van instandhouding van de betreffende soorten.
Bijlage II Beschrijven van de potentie-inschatting en verkenning • •
• •
•
•
•
•
Beschrijf de toegepaste methodiek inclusief een ecologische onderbouwing. Onderbouw ecologisch alle aannames, gemaakte keuzen en conclusies op basis van het verkennende gebiedsdekkende onderzoek. Zorg ervoor dat de verschillende stappen navolgbaar en onderbouwd zijn met kennis en documenten op basis van wetenschappelijke literatuur, best beschikbare kennis of aantoonbare ervaringen of fotomateriaal. Beschrijf en toon op een kaart de potenties voor beschermde soorten van het plangebied op basis van habitat- en fysieke kenmerken (soort-functie-combinaties). Beschrijf en onderbouw de conclusies die getrokken kunnen worden uit de potentieanalyse voor de bepaling van de benodigde soortgerichte onderzoeken, methodiek en onderzoeksinspanning. Het vaststellen van de onderzoeksinspanning is afhankelijk van de soort, de functie en de locatiespecifieke omstandigheden. Niet alle gebieden/wijken zijn even goed toegankelijk en/of overzichtelijk. Denk aan waterpartijen, doodlopende straten, afgesloten gebieden et cetera. Geef overzichtelijke bronvermeldingen van de gebruikte bronnen (inclusief specificaties). Voeg relevante literatuurstudies die voor het Soortenmanagementplan gebruikt zijn toe. Indien de studies integraal online beschikbaar zijn, is een hyperlink naar de betreffende studie voldoende.
Zorg ervoor dat bij het gebruik van meerdere onderzoeksrapporten of resultaten en waarnemingen van eerder uitgevoerde onderzoeken, de bron van de data en informatie duidelijk herleidbaar is. Geef hierbij een verwijzing naar het pagina- of paragraafnummer en geef een verhelderend overzicht van de verschillende gebruikte data en bronnen. Geef een overzicht van de relevante betrokken partijen die geraadpleegd zijn. Denk aan lokale werkgroepen zoals de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, natuurwerkgroepen, stadsecologen, Vogelbescherming Nederland en de Zoogdiervereniging, IVN of de gemeentelijke informatie, de lokale vleermuizen- en/of vogelwerkgroep of dierenopvang. Is er een expert geraadpleegd? Geef dan aan hoe de informatie verkregen is en laat dit per brief of per mail bevestigen.
Bijlage III Voorwaarden soortgericht onderzoek •
•
•
De gebruikte methodiek van het soortgericht onderzoek moet logisch volgen uit het potentie-inschatting en verkenning (literatuuronderzoek en verkennend gebiedsdekkend onderzoek). Voer minimaal twee bezoeken uit per soort en functie op alle (potentieel) geschikte locaties. Houd tussen de bezoeken een minimaal aantal dagen aan zoals beschreven in de voor die soort meest recente onderzoeksprotocollen en kennisdocumenten. Is er onvoldoende inzicht op de soorten en de belangrijke functies in het gebied? Dan moet u extra bezoeken uitvoeren tot deze wel duidelijk zijn.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 23
•
•
• • • • •
Voer de bezoeken uit in de meest optimale periode en op de meest optimale tijdstippen voor de betreffende soort en functie conform recente onderzoeksprotocollen en kennisdocumenten. Zorg ervoor dat per bezoek een onderzoeker de tijd en ruimte heeft om meerdere malen langs iedere locatie te gaan binnen het onderzoeksgebied, om ‘stil te staan’ om gedrag en waarnemingen te interpreteren en hierop in te spelen. Voer onderzoeken te voet of per fiets uit. Zet voor bepaalde soorten en functies (ter ondersteuning van) (wild)camera’s of standalone opname apparatuur in en gebruik waar nodig warmtebeeldcamera’s. Tel in- en/of uitvliegende dieren bij kraamverblijfplaatsen van vleermuizen. Tel zwermende dieren bij massawinterverblijven van vleermuizen. Tel alle nesten van koloniebroeders als huismus en gierzwaluw binnen een kolonie.
Bijlage IV Specificering van de onderzoekservaring • •
•
• •
Een onderzoeker moet niet alleen in staat zijn een soort te herkennen, maar ook gedegen kennis hebben van de ecologie van een soort. Elke onderzoeker is ter zake kundig: dit houdt in dat de onderzoeker aantoonbare ervaring heeft met het doen van onderzoek naar de betreffende soort en over de benodigde ecologische kennis van de betreffende soort beschikt. De onderzoeken worden in het veld begeleid door een ervaren onderzoeker met aantoonbare ervaring met het zoeken naar de aanwezigheid van de betreffende soort in grotere gebieden. (Ervaren: minimaal drie seizoenen ervaring met veldonderzoek naar de betreffende soort of vergelijkbaar en aantoonbaar beschikken over ecologische kennis van de betreffende soort.) Elke bijzondere locatie (verblijfplaats) wordt tenminste éénmaal door een ervaren onderzoeker bezocht. Deskundigheid en inzet van de onderzoekers wordt weergegeven in het onderzoeksrapport.
Bijlage V Beschrijven van soortgericht onderzoek en rapportage • • • •
• •
Zorg voor een goed onderbouwde en volledige methodiekbeschrijving in de rapportage. Maak gebruik van bestaande onderzoeksprotocollen en kennisdocumenten ter indicatie van geschikte perioden en tijdstippen voor onderzoek. Soortgericht onderzoek moet in principe gebiedsdekkend uitgevoerd zijn. Meerdere onderzoeksronden zijn verplicht per soort en functie, waarbij minimaal één ronde uitgevoerd is door een ervaren veldecoloog (per soort en functie). De andere bezoeken moeten dan uitgevoerd worden onder begeleiding van een ervaren onderzoeker. Voeg een beschrijving toe van de deskundigheid en inzet van de ervaren onderzoekers. De onderzoeksmethodiek moet navolgbaar en herleidbaar zijn: o Indeling, begrenzing en omvang van de onderzoeksgebieden (inclusief topografische kaart met een doelmatige schaal) per veldbezoek. o Data waarop de veldbezoeken plaatsgevonden hebben. o Start- en eindtijd van de veldbezoeken. o Weersomstandigheden tijdens de veldbezoeken. o Aantal onderzoekers in relatie tot de grootte van het onderzoeksgebied.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 24
• •
•
•
Zorg eventueel voor inzicht in de gevolgde route, strategische posten, transecten of een andere wijze waaruit de onderzoeksinspanning in ruimtelijke zin blijkt. De rapportage van het soortgericht onderzoek heeft ten minste de volgende verplichte onderdelen: o Specificatie van en toelichting op de onderzoekinspanning en -intensiteit o Gebruikte methodieken, middelen en werkwijze o Heldere beschrijving van de onderzoeksresultaten o Conclusies en discussies o Overzicht van de gebruikte bronnen/onderzoeksrapporten Beschrijf de aanwezige soorten, functies en netwerken in en rondom het soortenmanagementplangebied. Benoem hierbij essentiële onderdelen en samenhang van het leefgebied (soort-functie combinaties). Geeft een overzicht (geografisch) van de kwetsbare functies/leefgebieden van beschermde soorten in het plangebied in relatie tot geplande activiteiten.
Bijlage VI Beschrijven van de effectbepaling • •
•
• •
•
•
• •
Beschrijf de rol en het belang van het soortenmanagementplangebied in het netwerk/leefgebied van de betreffende soorten. Maak een gedegen inschatting van het netwerk van de verschillende soorten. Hoe verhouden de verschillende functies en leefgebieden zich tot elkaar (vliegroutes, verblijfplaatsen, functioneel leefgebied, foerageergebieden)? Beschrijf de geplande activiteiten/werkzaamheden en hoe die zich verhouden in tijd en ruimte binnen het soortenmanagementplangebied en de aangetroffen netwerken/leefgebieden van de betreffende soorten. Stel eventueel een knelpuntenanalyse op voor de verschillende soorten en functies. Geef aan hoe het Soortenmanagementplan zich verhoudt tot deze knelpunten. Beschrijf de negatieve effecten van de geplande activiteiten en werkzaamheden op de aangetroffen functies, netwerken en het functionele leefgebied van alle aanwezige beschermde soorten in het plangebied. Houd daarbij rekening met de intensiteit van de activiteiten in verhouding tot de kwetsbaarheid en randvoorwaarden van de soort-functie combinaties. Geef aan hoe de mogelijke effecten zich verhouden tot het duurzaam behouden en versterken van de kwaliteit en kwantiteit van de aanwezige benodigde functies en netwerken voor de lokale populaties van de aangetroffen beschermde soorten.
Beschrijf hoe de mogelijke effecten zich verhouden tot de lokale staat van instandhouding van de betreffende soorten. Geef hierbij ook de indicatoren aan die gebruikt worden voor de lokale staat van instandhouding. Geef een concrete lijst en motivering van de verbodsbepalingen die (mogelijk) overtreden worden. Neem een overzichtelijke tabel op met daarin de soorten, de aanwezige functies, de effecten en de verbodsbepalingen die van toepassing zijn. Vul dit overzicht aan met een duidelijke analyse van wat dit concreet betekent voor het leefgebied, de staat van instandhouding en het lokaal voorkomen van de betreffende soorten in het soortenmanagementplangebied.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 25
Bijlage VII Beschrijven van de mitigerende en compenserende maatregelen • •
•
•
•
Leg alle mogelijke maatregelen vast in het (concept) mitigatie- en compensatieplan. Beschrijf de tijdelijke mitigatie van verblijfplaatsen, belangrijke functies en leefgebied met hierin de: o Verschillende tijdelijke maatregelen en voor welke soorten en functies deze ingezet worden. o Ecologische motivatie voor het aantal, de plaatsing en locaties (geografisch) van tijdelijke alternatieven. o Ecologische motivatie voor de fasering van tijdelijke alternatieven. Beschrijf de permanente compensatie van verblijfplaatsen, belangrijke functies en leefgebied met hierin: o Beschrijving of en in hoeverre de compenserende maatregelen conform de geldende richtlijnen en kennisdocumenten zijn, of experimenteel. o De in te zetten permanente compenserende maatregelen per soort en functie. Bij voorkeur met een overzicht en/of een keuzemodel. o Randvoorwaarden waar de permanente maatregelen aan voldoen per soort en functie en in relatie tot aanwezige (potentiële) natuurwaarden en netwerken van de betreffende populaties binnen het soortenmanagementplangebied . o Permanente maatregelen moeten ten minste aan de volgende eisen voldoen: ▪ Geschikt voor de betreffende soort en functie. ▪ Variatie in de aangebrachte voorzieningen is voldoende aanwezig. ▪ Zorgvuldige plaatsing van de maatregelen, ook ten opzichte van de aanwezige en potentiële functies en spreiding.
▪ Kwantitatief voldoende alternatieven. ▪ Voldoende ondersteunende functies aanwezig in de omgeving (kleine verblijfplaatsen, foerageer- en schuilgelegenheid, verbindende structuren, open water et cetera). Korte toelichting op hoe u het duurzaam behoud en onderhoud van de tijdelijke en alternatieve voorzieningen geregeld heeft. Daarnaast moet duidelijk zijn dat alternatieve verblijfplaatsen in de permanente situatie niet in functionaliteit beperkt worden vanwege een aangepaste inrichting van de buitenruimte. Het gaat hier met name om het functioneel groen en verstoringsbronnen zoals gevel- en straatverlichting. De manier waarop de ‘plus’ gecreëerd wordt. Op welke wijze het huidige netwerk van de verschillende soorten binnen het soortenmanagementplangebied versterkt wordt door middel van het oplossen van de knelpunten, het creëren van nieuwe of het verbeteren van bestaande verblijfplaatsen en functioneel leefgebied.
Bijlage VIII Aandachtspunten Ecologisch werkprotocol en Logboek Ecologisch werkprotocol: • Beschrijf per soort en functie: o Wijze waarop het doden en verwonden van individuen voorkomen wordt. o Toe te passen methoden van ongeschikt maken. o Uit te voeren controles voorafgaand aan de start van werkzaamheden en/of activiteiten.
HANDLEIDING OPSTELLEN SOORTENMANAGEMENTPLAN EN GEBIEDSGERICHTE ONTHEFFINGSAANVRAAG| 26
Hoe u omgaat met de kwetsbare perioden van aanwezige soorten en functies en welke perioden (data) u hanteert (conform de Kennisdocumenten van BIJ12 of, indien niet beschikbaar, andere documentatie). o Hoe u omgaat met de gewenningsperioden van de verschillende functies en soorten die aanwezig zijn (conform de Kennisdocumenten van BIJ12 of, indien niet beschikbaar, andere documentatie). o Hoe u omgaat met de fasering van de activiteiten ten opzichte van belangrijke en kwetsbare (potentiële) functies. o Borging van voldoende alternatieve verblijfplaatsen. o Beschrijving van nieuwe permanente voorzieningen. o Manier van borging van het functioneel leefgebied. o Manier waarop u voldoet en bijdraagt aan de ecologische ‘plus’. o Manier waarop voldaan wordt aan de zorgplicht. Beschrijf de ecologische begeleiding: wie draagt daar zorg voor en op en welk moment wordt het ingezet. Beschrijf de verantwoordelijkheden, stappen en acties voorafgaand en tijdens de werkzaamheden. Voeg een beschrijving/draaiboek met de communicatielijnen en verantwoordelijkheden in de verschillende fasen van de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden. o