CConstaterende datMontfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

900268 Bijlage 3 Toelichting.pdf

Commissie Ruimte 17 mei 2021, gemeente MontfoortBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Benedenkerkweg 1B, Montfoort16.080 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Deze voorkeursgrenswaarden worden mede bepaald door de locatie van de gevoelige bestemmingen en het type weg. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen.

Toelichting

33

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van gevoelige functies. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk. Wettelijk kader railverkeerslawaai Op 1 juli 2012 zijn de “spelregels” voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register. Wettelijk kader industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden.

Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Verkeerslawaai De relevante wegen in de directe omgeving van het plangebied zijn de N228 (Willeskop/ Provincialeweg) en De Bleek. Voor de N228 is sprake van een rijsnelheid van respectievelijk 50 en 60 km/uur en voor De Bleek van 50 km/uur. Deze wegen hebben een zonebreedte van 250/ 200 meter. In deze situatie is sprake van een bestaande wegen en een nieuwe woning. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen bedraagt (inclusief aftrek) 48 (dB) Lden met een maximale ontheffingswaarde van 63 (dB) Lden. Indien de gemeten belasting genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de voorkeursgrenswaarde of minder.

In verband hiermede is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Agel Adviseurs te Oosterhout (rapport van 5 november 2020, projectnummer 20170350, versie 3, Bijlage 2) Hierbij is in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook de geluidsbelasting beoordeeld als gevolg van cumulatie van alle geluidsbronnen. In dit verband is ook de niet gezoneerde 30 km weg Benedenkerkweg bij het onderzoek betrokken. Uit de rekenresultaten blijkt dat de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB als gevolg van zowel de N228 als De Bleek ter plaatse van de grens van het het bouwvlak van de nieuwe woning niet wordt overschreden. De hoogst optredende geluidsbelasting bedraagt respectievelijk 46 dB voor de N228 en 43 dB voor De Bleek. Op basis van de rekenresultaten kan gesteld worden dat de Wet geluidhinder geen beperkingen geeft aan de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Ook zijn er geen extra geluidwerende maatregelen noodzakelijk op grond van het Bouwbesluit 2012. Wel dient voldaan te worden aan de minimale geluidweringseis van 20 dB geldend voor verblijfsgebieden binnen de woning. Omdat sprake is van een nieuwe geluidsgevoelige ontwikkeling is op grond van de Wro, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het akoestische klimaat ter plaatse van de ontwikkeling inzichtelijk gemaakt en beoordeeld.

Uit deze beoordeling blijkt dat de kwaliteit van de akoestisch omgeving geclassificeerd kan worden als ‘goed’ tot ‘redelijk’. Deze classificatie past binnen de bandbreedte van de Wet geluidhinder en daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Railverkeerslawaai Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een spoorlijn. Een akoestisch onderzoek op basis van de Wet geluidhinder is niet nodig. Vanuit railverkeerslawaai bestaan er geen belemmeringen tegen deze

34

Toelichting

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort planontwikkeling. Industrielawaai Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan nieuwe gevoelige functies, waaronder wonen, in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 6.1.2). Voor gezoneerde bedrijventerreinen geldt dat er binnen de geluidszone in beginsel geen woningbouw is toegestaan op grond van het bepaalde in de Wet geluidhinder. In de nabijheid van het plangebied liggen geen gezoneerde bedrijventerreinen. Dit betekent dat er voor de woningbouw sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. 6.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen.

Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Onderzoek/ beoordeling Bij een bestemmingsplan dient in beginsel een bodemonderzoek te worden uitgevoerd als sprake is van een gevoeligere bestemming óf als de locatie verdacht is op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. In verband hiermede is ten behoeve van de nieuw te bouwen woning een verkennend bodemonderzoek overeenkomstig NEN 5740/ NEN5707 uitgevoerd door Lawijn te Polsbroek (rapport van 20 april 2018, projectcode 17.3278-A1, Bijlage 3). Doel van het onderzoek is het vaststellen van de algemene chemische kwaliteit van de bodem om te bepalen of de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: In de kleiige laag in de bovengrond ter plaatse van het noordelijk gedeelte van de locatie zijn lichte verontreinigingen met nikkel, lood, zink, PCB en PAK geconstateerd. Zintuiglijk is zwakke tot matige bijmenging van puinresten waargenomen, alsook plaatselijk sporen grind en slakken. In de zandige laag in de bovengrond ter plaatse van het zuidelijk gedeelte van de locatie is een lichte verontreiniging met lood geconstateerd.

Zintuiglijk is plaatselijk geringe bijmenging van sporen hout en grind waargenomen. Bij het onderzoek op asbest is in de puinhoudende laag in de bovengrond op het noordelijk gedeelte van de locatie, zowel visueel als analytisch, geen verontreiniging met asbest geconstateerd. In de laag zwak zandige tot sterk siltige klei in de ondergrond van de locatie zijn analytisch geen verontreinigingen geconstateerd. Zintuiglijk is geringe bijmenging van sporen puin, grind en hout waargenomen. In het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is een licht verhoogde concentratie barium gemeten, welke vermoedelijk kan worden beschouwd als een verhoogde achtergrondwaarde. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten bestaat, conform de richtlijnen van de Wet Bodembescherming, geen aanleiding tot nader onderzoek. De verkregen resultaten geven geen milieuhygiënische bezwaren ten aanzien van de voorgenomen bestemmingswijziging. Indien bij de herinrichting van de locatie grond zal vrijkomen, dient er rekening mee te worden gehouden dat hiervoor beperkte hergebruikmogelijkheden bestaan. De toepassingsmogelijkheden voor dit materiaal op een andere locatie dienen te worden bepaald aan de hand van de voorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit en/of de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente Montfoort (regio Noordwest Utrecht).

Conclusie Er zijn geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de

Toelichting

35

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort voorgenomen activiteit op het onderhavige plangebied. 6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tabel 6.2: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit stof jaargemiddelde uurgemiddelde 24-uursgemiddelde Opmerkingen NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden 3 PM2,5 25 µg/m n.v.t. n.v.t. n.v.t. PM10 40 µg/m3 n.v.t.

50 µg/m3 24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; en b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; en c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10, PM2,5) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.) d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen. Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Luchtkwaliteit en goede ruimtelijke ordening Naast de bovenstaande bepalingen wordt in de Wet Luchtkwaliteit een relatie gelegd met de Wet ruimtelijke ordening, in de zin van dat bij een nieuwe ontwikkeling er sprake moet zijn van een “goede ruimtelijke ordening”. Een dergelijke afweging wordt uiteindelijk gemaakt in samenspraak met de andere milieuaspecten. Gekeken naar het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat de huidige grenswaarden geen absolute bescherming bieden – ook onder de normen kunnen, vooral bij gevoelige groepen gezondheidseffecten optreden. In het algemeen geldt voor een goede luchtkwaliteit - hoe verder van een drukke weg (de belangrijkste bron van luchtvervuiling) hoe beter. Onderzoek/ beoordeling De uitbreiding van het bedrijventerrein gaat niet gepaard met extra verkeersbewegingen, omdat het achterterrein al als zodanig in gebruik is voor opslag van bestaand materieel. Om toch een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor diverse prognosejaren (2020 en 2030) in

36

Toelichting

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Willeskop. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten ruim onder de grenswaarden. De afstand tot deze weg bedraagt circa 15 m. Langs de overige wegen liggen geen rekenpunten in de NSL Monitoringtool. De concentraties langs deze wegen zullen naar verwachting evenwel lager zijn dan de concentraties langs de N228. Ook uit het Geoloket van de Odru blijkt dat de grenswaarden voor de huidige en toekomstige concentraties niet worden overschreden. Hieruit blijkt dat de NO2 in 2020 en 2025 tussen 16-18 µg per m³ bedraagt. Voor PM10 is dat 20-22 µg per m³ in 2020 en 2025 en voor PM2,5 13-14 µg per m³ (2020) en 12-13 µg per m³ (2025). De WHO en GGD hanteren advieswaarden voor fijn stof (PM10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. Deze waarden zijn iets lager dan de waarden uit het Geoloket. Gelet op de geringe overschrijdingen kunnen deze waarden als voldoende worden beschouwd voor de milieugezondheidskwaliteit. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat.

Conclusie In het algemeen kan worden gesteld dat als in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, ook in toekomstige jaren wordt voldaan. Dit bestemmingsplan maakt alleen een geringe uitbreiding mogelijk van een bestaand bedrijf en het oprichten van een woning. Ten opzichte van de bestaande situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet significant wijzigen. De NSL monitoringtool is geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten ruim onder de grenswaarden blijven. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg. 6.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Onderzoek/ beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van dit Besluit beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid.

Transport over water Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er ligt binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied.

Toelichting

37

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort Wegtransport Het plangebied ligt ten zuiden van de N228. Over deze Provincialeweg worden (beperkte) hoeveelheden brandbare vloeistoffen (LF1, LF2) en brandbare gassen (GF3) vervoerd. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 is op de weg zelf gelegen en vormt dus geen belemmering voor het plangebied. Het groepsrisico ter hoogte van het plangebied is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het bedrijf is al gevestigd aan de Benedenkerkweg 1b. Ten opzichte van de bestaande situatie zullen nagenoeg niet meer personen nabij de N228 verblijven. Het gaat bovendien om personen die voldoende zelfredzaam zijn. De nieuwbouw van de woning ligt op circa 100 meter afstand van de N228. In planologisch opzicht kan worden gesteld dat er geen sprake is van een toename van het groepsrisico, zodat deze planontwikkeling geen belemmering vormt. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt vhet Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in dit Besluit. Er ligt in de nabijheid van het plangebied geen hoge druk aardgasleiding van de Gasunie. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de ontwikkeling.

Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Risicokaart Utrecht De risicokaart Utrecht geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Risicokaart (figuur 9) zijn er in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkeling. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied.

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

38

Toelichting

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort

Figuur 9: Uitsnede risicokaart Utrecht (plangebied zwart aangeduid).

6.2

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in thans de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden.

Onderzoek/ beoordeling Archeologiebeleid gemeente Montfoort (2010) De gemeente Montfoort heeft in samenwerking met de gemeenten Lopik, Oudewater en Woerden een gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. In de beleidsnota geeft de gemeente aan hoe zij invulling geeft aan haar rol van bevoegd gezag, de reikwijdte en ambities van het beleid en de uitvoering daarvan. Naast een beleidsnota is een beleidskaart opgesteld. Deze kaart bestaat uit een samenhangend pakket van kaarten en een toelichting, die tezamen de noodzakelijke informatie bevatten over hoe de gemeente bij besluitvorming over gebruik en inrichting van de ruimte omgaat met "bekende en te verwachten archeologische monumenten". Het plangebied heeft een hoge archeologische verwachting. Hier is sprake van bijzondere archeologische verwachtingen voor bewoningssporen die samenhangen met de ontstaansgeschiedenis van Montfoort uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Een archeologisch onderzoek moet conform het gemeentelijke archeologiebeleid beleid worden uitgevoerd wanneer het plangebied groter is dan 100 m² en de verstoring dieper gaat dan 0,30 cm (zie figuur 10). In verband met het oprichten van een woning

Toelichting

39

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort is een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek naar archeologie uitgevoerd.

Figuur 10: Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart. 6.2.1 Archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd door ADC ArcheoProjecten B.V. te Amersrfoort (rapport van 10 oktober 2019, rapport 4522, Bijlage 4). Uit de onderzoeksresultaten voor het ontwikkelgebied is het navolgende gebleken (overgenomen uit rapport). Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat het plangebied is gelegen op de Stuivenberg stroomgordel. Van deze stroomgordel worden beddingafzettingen in de ondergrond verwacht, afgedekt met oeverafzettingen. In de top van deze oeverafzettingen, binnen 1 m –mv, worden archeologische resten verwacht uit de periode vanaf het Neolithicum tot in de Romeinse tijd. Archeologische resten manifesteren zich naar verwachting als archeologische laag. Vanaf de Romeinse tijd werd vanuit de Hollandse IJssel een enkele decimeters dikke laag komklei afgezet. In de top van deze komklei kunnen mogelijk resten voorkomen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Resten van bewoning worden echter niet verwacht. Het plangebied ligt langs een polderweg waarlangs vrijwel geen bewoning plaatsvond. Op basis van historische kaarten lijkt het plangebied altijd een agrarisch gebruik gehad te hebben.

Indien resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd voorkomen, zal dit vooral nederzettingsafval of aardewerkscherven betreffen, die op het land zijn achtergelaten (losse vondsten). Ook kunnen mogelijk sporen van perceleringssloten aangetroffen worden. Teneinde deze verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Dit toont aan dat diepere ondergrond, overeenkomstig de verwachting op basis van het bureauonderzoek, uit zandige beddingafzettingen (Formatie van Echteld) bestaat. Op basis van de locatie van het plangebied en de diepteligging van de afzettingen zijn deze te relateren aan de Stuivenbergse meandergordel. De beddingafzettingen worden afgedekt door een 80 tot meer dan 255 cm dik pakket kleiige oeverafzettingen. Deze gaan over in een oude bouwvoor van 10 tot 55 cm dikte met daarop een modern puin- en/of ophogingspakket. Behoudens een bouwvoor van 10 tot 55 die bestaat uit de als gevolg van agrarisch gebruik omgewerkte top van de oeverafzettingen is de bodemopbouw intact. Het bovenste deel van de oeverafzettingen van de Stuivenbergse meandergordel wordt in beginsel als een potentieel archeologisch niveau beschouwd. Afgezien van rijping ontbreken sporen van bodemvorming. Hierdoor is het niet waarschijnlijk dat deze afzettingen in het verleden een ondergrond voor bewoning hebben gevormd.

De archeologische verwachting voor de periode Neolithicum – Romeinse tijd dient derhalve naar laag te worden bijgesteld. De verwachting voor resten uit de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd dient echter te worden gehandhaafd.

40

Toelichting

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Conclusie Op basis van het bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek bestaan er vanuit oogpunt van archeologie geen bezwaren tegen deze planontwikkeling. 6.2.2 Molenbiotoop Bestemmingsplannen voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop van traditionele windmolens, moeten de vrije windvang en het zicht op de molen voldoende garanderen. Daartoe worden in de bestemmingsplannen regels opgenomen die voldoen aan de hier relevant zijnde voorwaarden: a. binnen een straal van 100 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, mag geen nieuwe bebouwing worden opgericht of beplanting aanwezig zijn, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b.

binnen de straal van 100 tot 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting: voor zover dit gebied is gelegen binnen de rode contour bedraagt de maximale hoogte van de bebouwing en beplanting niet hoger zijn dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek (1 op 30-regel). Toetsing aan molenbiotoop De uit 1753 daterende molen De Valk (een stellingmolen) ligt aan de Molenstraat 27 in Montfoort. Het betreft een achtkante koren- en pelmolen. Het plangebied ligt ten zuidwesten van deze molen in de buitenste zone van de molenbiotoop (figuur 11). (biotooprapport 209). De afstand tussen de molen en de geplande woning bedraagt minimaal 200 meter. De molen heeft een stellinghoogte van circa 6 meter en een vlucht (lengte van de roeden) van 24,35 meter. Het snijpunt op 200 meter (1:30-lijn) is tenminste 12,6 meter. De woning wordt niet hoger dan 9 m. De molenbiotoop wordt niet aangetast. In de Algemene aanduidingsregels is de vrijwaringszone voor de molenbiotoop geborgd, zodat hogere bebouwing kan worden tegengehouden.

Toelichting

41

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort

Figuur 11: Molenbiotoop Molen De Valk 6.2.3 Cultuurhistorie en monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Hierbij dient niet alleen de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied onderzocht te worden, maar ook de waarden in de directe omgeving van het plangebied. Het initiatief kan namelijk ook van invloed zijn op de cultuurhistorische waarden in de directe omgeving van het plangebied. Op het bedrijfsterrein staat een alleen een bedrijfsloods. Voor het overige is het gebied niet bebouwd, zodat er op dit vlak geen belemmeringen zijn. In de directe omgeving van het plangebied is echter een aantal cultuurhistorische waarden aanwezig, zoals de cultuurlandschappelijke waarden (perceelsloten) en historisch geografische waarden. Met name de Benedenkerkweg heeft cultuurhistorische waarden. Deze weg is al terug te vinden op vroeg 19de eeuwse kaarten. De bestaande sloten worden in stand gehouden, terwijl de woning landschappelijk wordt ingepast. Voorts ligt de woning buiten de molenbiotoop.

Bestaande cultuurhistorische waarden en/of groen en waterstructuren worden bij uitvoering van het bestemmingsplan gerespecteerd. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.

42

Toelichting

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort

6.3

Flora en fauna

Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuur Netwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische hoofdstructuur (EHS) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, 'Uiterwaarden Lek' ligt ruim 8 km zuidelijk van het plangebied. Dit Natura2000-gebied wordt door het oprichten van een woning niet beïnvloed.

Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht als gevolg van deze functiewijziging. Ook heeft de planontwikkeling geen nadelige gevolgen voor Natuurnetwerk Nederland (NNN) voorheen de ecologische hoofdstructuur van de provincie Utrecht (figuur 12).

Figuur 12: NNN in de omgeving van het plangebied (plangebied met rode stip aangegeven.) Stikstofdepositie Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het op ruim 8 km zuidelijk gelegen Natura2000-gebied 'Uiterwaarden Lek' is een stikstofgevoelige habitat. Deze afstand is zodanig groot dat voor de effectbeschrijving geen berekening nodig wordt geacht. Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit bestemmingsplan geen belemmering. Kort samengevat: Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing.

Toelichting

43

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten. Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. 6.3.1 Verkennend ecologisch onderzoek Bij een bestemmingsplanherziening c.q. nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Watersnip Advies te Reeuwijk een ecologisch onderzoek uitgevoerd voor het onderhavige plangebied (rapport van december 2017, projectnummer 17A073, Bijlage 5). Op basis van een inventarisatie, literatuuronderzoek en een verkennend onderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport): Conclusies en aanbevelingen Het plangebied heeft geen directe relatie met beschermde gebieden (Natura2000, NNN-gebieden of ecologische verbindingszones). Voor een deel van de beschermde soorten (Bastaardkikker, Bruine kikker, Meerkikker, Gewone pad, Kleine watersalamander Bosmuis, Bunzing, Egel, Haas, Huisspitsmuis, Konijn, Ree, Veldmuis, Aardmuis, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Hermelijn en Vos) geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) door de provincie Utrecht. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden.

De veldinventarisatie heeft plaatsgevonden buiten het broedseizoen. Er zijn daarom geen broedende vogels aangetroffen. Het plangebied is ongeschikt voor jaarrond beschermde nesten van Gierzwaluw en Huismus door de afwezigheid van geschikte bebouwing. De coniferenhaag kan geschikt zijn als nest- en roestlocatie van verschillende uilensoorten. Er zijn echter geen aanwijzingen gevonden (uitwerpselen, braakballen) die wijzen op de aanwezigheid van uilen. Het plangebied is te beperkt van omvang om geschikt te zijn als leefgebied voor roofvogels. De aanwezige bedrijvigheid zorgt ook voor verstoring. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wnb wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaard periode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels.

Uit de bureaustudie blijkt dat de beschermde Heikikker (wnb-hrl/ Rode lijst status 'thans niet bedreigd') en de Rugstreeppad (wnb-hrl/ Rode lijst status 'gevoelig') voorkomen in de directe omgeving van het plangebied (0-1km). Het plangebied voldoet niet aan de eisen die de Heikikker stelt aan zijn leefgebied. De aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Het huidige plangebied is niet geschikt als voortplantings- en/of overwinteringsgebied voor de Rugstreeppad. Op het moment dat er werkzaamheden gaan plaatsvinden kan het plangebied mogelijk wel geschikt worden als voortplantings- en overwinteringsgebied. Geadviseerd wordt te voorkomen dat er gedurende de voortplantingsperiode (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad zijn eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen. Uit de geraadpleegde verspreidingskaarten blijkt dat er geen beschermde reptielen voorkomen in de directe omgeving van het plangebied. Op basis van het aanwezige biotoop worden er ook geen beschermde reptielen verwacht binnen het plangebied.

Uit de bureaustudie blijkt dat de beschermde Waterspitsmuis (wnb-andere soorten/ Rode lijst status 'kwetsbaar') voorkomt in de omgeving van het plangebied (1-5km). De aanwezige sloot binnen het plangebied voldoet niet aan de eisen die de Waterspitsmuis stelt aan zijn leefgebied door het ontbreken van watervegetatie. De aanwezigheid van de Waterspitsmuis kan door de afwezigheid van geschikt leefgebied worden uitgesloten. Uit de bureaustudie blijkt dat verschillende streng beschermde vleermuissoorten voorkomen in de omgeving van het plangebied, zoals Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Ruige dwergvleermuis en Watervleermuis (0-1km), Gewone grootoorvleermuis, Rosse vleermuis en Tweekleurige vleermuis (1-5km). Binnen het plangebied is geen geschikte bebouwing aanwezig voor gebouwbewonende vleermuissoorten. Ook voor boombewonende vleermuissoorten zijn er geen geschikte bomen aanwezig. De solitaire bomen en de coniferenhaag heeft geen holtes en invliegmogelijkheden die

44

Toelichting

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort geschikt zijn voor deze vleermuissoorten. De loofhaag en coniferenhaag is wel geschikt als foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten. Foerageergebied is alleen beschermd indien het van groot belang is voor de functionaliteit van de verblijfplaatsen van de soorten, doordat er onvoldoende alternatieven aanwezig zijn. Dit is hier niet aan de orde, er is in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. De geplande werkzaamheden zullen daarom geen schade veroorzaken aan de gunstige staat van instandhouding van de aanwezige populaties vleermuizen. Uit de bureaustudie blijkt dat de beschermde libelsoort Groene glazenmaker (wnb-hrl/ Rode lijst status 'bedreigd') en de beschermde waterslak Platte schijfhoren (wnb-hrl/ Rode lijst status 'kwetsbaar') voorkomen in de omgeving van het plangebied (1-5km). Voor beide soorten geldt dat er geen geschikt leefgebied aanwezig is binnen het plangebied. De aanwezigheid van deze soorten binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Algemene zorgplicht Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Wet Natuurbescherming de algemene zorgplicht.

Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Geadviseerd wordt om, indien mogelijk, een deel van de aanwezige coniferen- en loofhaag te behouden. Dit zorgt meteen voor een groene afscheiding en biedt nest- en foerageergelegenheid voor vogels en vleermuizen. Conclusie Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de Wet natuurbescherming geen beperkingen worden opgelegd aan deze planontwikkeling. De in het rapport genoemde maatregelen en aanbevelingen zullen bij uitwerking van de plannen zoveel mogelijk worden overgenomen.

6.4

Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten

6.4.1 Kabels en leidingen In het plangebied liggen naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen ruimtelijk relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.

Toelichting

45

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort

46

Toelichting

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische opzet

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling en de regels.

7.2

Verbeelding

Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond schaal 1:1.000, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven.

7.3

Regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 7.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn de anti-dubbeltelbepaling, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald. 7.3.1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.

Artikel 1 Begrippen In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald. 7.3.2 Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Artikel 3 Bedrijf In het artikel 'Bedrijf' zijn bedrijven toegestaan in de milieucategorieën 1 en 2, alsmede een fabrikant in aanhangers tot en met milieucategorie 3.1. Een Staat van Bedrijfsactiviteiten van toegestane bedrijven is Toelichting

47

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort als bijlage opgenomen. Bedrijfsgebouwen zijn alleen toegestaan binnen het bouwvlak. In de regels zijn onder meer de toegestane hoogten hiervan vastgelegd. Artikel 4 Groen De bestemming 'Groen' is opgenomen voor de groene gebieden waarvan het groene karakter voor de ruimtelijke structuur van het plangebied van belang is. Binnen de bestemming is de aanleg van voetpaden, speelvoorzieningen en water mogelijk. Voor aanleg van beplanting is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat deze binnen één jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan is aangelegd en in stand wordt gehouden. Het is toegestaan om maximaal vijf aanhangwagens te stallen in deze bestemming met de aanduiding 'specifieke vorm van groen - stalling aanhangwagens'. Deze mogen niet op elkaar worden gestapeld. Artikel 5 Wonen De op de verbeelding voor 'Wonen' aangeduide gronden zijn, met inachtneming van de nadere aanduidingen, bestemd voor een vrijstaande woning en andere voorzieningen ten behoeve van de huisvesting van personen. De volgende bouwwerken zijn toegestaan: hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, zoals bijgebouwen en aan- of uitbouwen en andere bouwwerken. In de regels zijn onder meer de maximale inhoud en toegestane hoogten van het hoofdgebouw vastgelegd.

7.3.3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Artikel 7 Algemene bouwregels In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons en kelders. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. Artikel 9 Algemene Aanduidingsregels Het plangebied valt binnen de vrijwaringszone van de molen De Valk. Om die reden is een gebiedsaanduiding vrijwaringszone-molenbiotoop op de verbeelding opgenomen en is een algemene aanduidingsregel opgenomen. Hiermee wordt in de regels vastgelegd dat geen bebouwing mag worden opgericht of beplanting aanwezig mag zijn die door hun hoogte een inbreuk plegen op het vrije zicht en de windvang van de molen. Eveneens maakt het plangebied onderdeel uit van een milieuzone voor bescherming van het grondwater.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Met een door het bevoegd gezag te verlenen afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in de maatvoeringen voor bouwwerken, zoals genoemd in hoofdstuk 2 van de regels, worden aangebracht. Artikel 11 Algemene wijzigingsregels In het artikel 'Algemene wijzigingsregels' is de mogelijkheid opgenomen om een aantal standaard wijzigingen in het plan aan te brengen, indien blijkt dat daaraan in de toekomst behoefte bestaat. De bevoegdheid is gebaseerd op het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder a van de Wro. De wijzigingsregels bieden in aanvulling op de afwijkingsregels mogelijkheden voor bestemmingswijzigingen en

48

Toelichting

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort bebouwingsmogelijkheden voor nutsvoorzieningen. Artikel 12 Overige regels Werking wettelijke regelingen In de regels van een bestemmingsplan wordt in een (toenemend) aantal gevallen met verwijzing naar een (andere) wettelijke regeling een procedure, een begrip en/of een functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. De van toepassing verklaarde wettelijke regeling geldt zoals deze luidt op het moment van de vaststelling van het plan. Wijziging van de wettelijke regeling na de vaststelling van het bestemmingsplan zou anders zonder Wro-procedure een wijziging van het bestemmingsplan met zich mee kunnen brengen. Parkeren In dit artikel is de nieuwe parkeerbepaling overgenomen, zoals opgenomen in het door de gemeenteraad op 29 oktober 2018 vastgestelde paraplubestemmingsplan 'Parkeernormen Montfoort'. De bepaling verwijst voor de te hanteren parkeernormen naar de Nota Parkeernormen Montfoort 2015. Het parkeernormenbeleid is een dynamisch document en bijstelling van het beleid is met enige regelmaat noodzakelijk. Omdat het niet doelmatig is hiervoor telkens een nieuw bestemmingsplan op te stellen voorziet de regeling in een dynamische verwijzing naar de parkeernormen. Dit houdt in dat het van toepassing wordt verklaard en tevens de opvolger van dit beleid leidend maakt.

7.3.4 Overgangs- en slotregels Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen. Artikel 13 Overgangsrecht Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Voorts regelt dit artikel het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming. Artikel 14 Slotregel Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.

7.4

Handhaving bestemmingsplan

Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid: 1. Voldoende kenbaarheid van het plan Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd. 2. Voldoende maatschappelijk draagvlak voor beleid en regeling in het plan De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. De belangen van omwonenden worden hierbij vooraf gewogen in het kader van de inspraak. 3. Realistische en inzichtelijke regeling Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is. 4.

Actief handhavingsbeleid Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het

Toelichting

49

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.

50

Toelichting

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort

Hoofdstuk 8 8.1

Economische uitvoerbaarheid

Financiële haalbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de toelichting van het bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens geldt via de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, deze kosten te verhalen op de initiatiefnemer/ ontwikkelaar. Eén en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten. Als er geen overeenkomst wordt gesloten en het kostenverhaal is niet anderszins verzekerd, dient er een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Bro. Het is derhalve noodzakelijk om het kostenverhaal te verzekeren. Hiervoor wordt voorafgaande aan vaststelling van dit bestemmingsplan een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente en initiatiefnemer. Conclusie Gelet op het vorenstaande is de economische uitvoerbaarheid voldoende gewaarborgd.

Toelichting

51

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort

52

Toelichting

bestemmingsplan Benedenkerkweg 1b, Montfoort

Hoofdstuk 9 9.1

Maatschappelijke betrokkenheid

Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan een aantal personen en/of instanties.

9.2

Communicatie

Initiatiefnemer heeft het planvoornemen besproken met direct omwonenden. Zij hebben medegedeeld geen opmerkingen te hebben.

9.3

Zienswijzen

Overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerpbestemmingsplan van 20 januari 2021 tot en met 3 maart 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen schriftelijke en/ of mondelinge zienswijzen ontvangen.

Toelichting

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Montfoort&id=1f18203b-5940-4f7f-9e7e-1cc89f0a848c