1059325 Bijlage 1 Toelichting en regels met bijlagen.pdf
Tekst van het document
https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...
24-5-2017
Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State
pagina 37 van 41
fruitteeltbedrijven, sierteeltbedrijven en productgerichte paardenhouderijen." Blijkens artikel lid 1.55 wordt onder "productiegerichte paardenhouderij" verstaan: een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen van paarden en het trainen en africhten van ter plaatse gefokte paarden en het verhandelen daarvan." Blijkens lid 1.59, wordt onder "volwaardig agrarisch bedrijf" verstaan: "een agrarisch bedrijf in de omvang van ten minste één arbeidskracht met een daarbij passende bedrijfsomvang en waarbij zicht is op continuïteit, bijvoorbeeld door bedrijfsopvolging, gedurende minimaal de komende tien jaar." Blijkens lid 1.60 wordt onder "volwaardige productiegerichte paardenhouderij" verstaan: een paardenhouderij in de omvang van ten minste één arbeidskracht met een daarbij passende bedrijfsomvang en waarbij zicht is op continuïteit, bijvoorbeeld door bedrijfsopvolging, gedurende minimaal de komende tien jaar." Artikel 4, lid 4.1, van de planregels luidt als volgt: "De voor "Agrarisch - Rivierzone" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. volwaardige veehouderijbedrijven, fruitteelt-, sierteelt- en tuinbouwbedrijven; […]; c. volwaardige productiegerichte paardenhouderijen met de bijbehorende voorzieningen; […]; t.
de in tabel 4.1 genoemde toegestane nevenfuncties met bijbehorend maximaal aantal m² aan bebouwing, die in gebruik mag worden genomen ten dienste van de nevenfunctie en - in voorkomende gevallen - het maximaal aantal m² dat in gebruik mag worden genomen voor de nevenfunctie: [tabel 4.1 waarin onder meer wordt genoemd de nevenfunctie "paardenstalling/-houderij"] […]; v. de hier bedoelde nevenfuncties zijn alleen toegestaan bij wijze van neventak bij een hoofdtak anderszins." Ingevolge artikel 4, lid 4.5.1, aanhef en onder e, geldt met betrekking tot het gebruik dat ten hoogste 50 m² van alle aan-, uit- en bijgebouwen mag worden gebruikt ten dienste van het hobbymatig houden van paarden. Artikel 4, lid 4.1, onder c, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" luidde als volgt: "De voor "Agrarisch - Rivierzone" aangewezen gronden zijn, met inachtneming van het bepaalde in artikel 41, lid 41.4, bestemd voor hobbymatige en productiegerichte paardenhouderijen met de bijbehorende voorzieningen." Artikel 4, lid 4.4.2, luidde als volgt: "Gebouwen en bedrijfswoningen mogen uitsluitend gebouwd worden ten dienste van een volwaardig agrarisch bedrijf. Voordat vergunning verleend kan worden dient advies ingewonnen te worden bij een agrarisch deskundige met de vraag of er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf." 54.2.
Uit de hiervoor weergegeven bepalingen blijkt dat het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" op de gronden van [appellant sub 7] zowel het hobbymatig als het bedrijfsmatig houden van paarden toeliet als hoofdactiviteit. Het hobbymatig houden van paarden is thans niet langer toegelaten als hoofdactiviteit. Het plan laat het hobbymatig houden van paarden uitsluitend toe als nevenactiviteit bij de agrarische hoofdactiviteit. Ook wordt in het plan, anders dan in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", de eis gesteld dat een productiegerichte paardenhouderij volwaardig dient te zijn. Het is derhalve juist dat het plan in zoverre
https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...
24-5-2017
Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State
pagina 38 van 41
leidt tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van de gronden van [appellant sub 7]. In dit verband dient evenwel gewezen te worden op de omstandigheid dat, hoewel het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" in zoverre voorzag in ruimere gebruiksmogelijkheden, blijkens artikel 4, lid 4.4.2, van dat bestemmingsplan ter plaatse alleen mocht worden gebouwd ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf. De raad heeft toegelicht dat bij het vaststellen van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" het uitgangspunt is gehanteerd dat agrarische bedrijven volwaardig dienen te zijn. Ook in het voorliggende plan is de eis opgenomen dat de voor "Agrarisch - Rivierzone" aangewezen gronden bestemd zijn voor volwaardige veehouderijbedrijven, fruitteelt-, sierteelt en tuinbouwbedrijven. Deze eis is evenwel per abuis niet gesteld voor (productiegerichte) paardenhouderijen, hoewel deze blijkens de begripsomschrijving in het plan wel tot de agrarische bedrijven behoren. Thans is dit volgens de raad in zoverre hersteld.
De Afdeling is van oordeel dat het beleid van de raad om de eis van volwaardigheid te stellen als voorwaarde voor de uitoefening van agrarische activiteiten niet onredelijk i[appellant sub 7], die op zijn gronden een productiegerichte paardenhouderij exploiteert, heeft niet nader onderbouwd dat zijn bedrijf niet voldoet aan de thans gestelde eis van volwaardigheid, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het plan zal leiden tot beperkingen van het bestaande feitelijke gebruik. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid de gebruiksmogelijkheden voor de gronden van [appellant sub 7] heeft kunnen beperken door ter plaatse alleen volwaardige productiegerichte paardenhouderijen toe te laten. Het betoog faalt. 55. [appellant sub 7] betoogt dat in het plan ten onrechte niet is voorzien in de mogelijkheid op zijn gronden eigen paarden, die elders zijn gefokt, te verhandelen en te trainen. Dit is volgens hem een gevolg van een te strikte definitie van het begrip "productiegerichte paardenhouderij". [appellant sub 7] wenst een ruimere definitie van dit begrip, zodat ook paarden die elders zijn geboren op zijn gronden verhandeld en getraind mogen worden. In dit verband wijst [appellant sub 7] erop dat hij ook op andere locaties paarden fokt en dat de herkomst van deze paarden in zoverre verifieerbaar is.
Volgens [appellant sub 7] wordt hij onnodig in zijn bedrijfsuitoefening beperkt, indien hij de eigen, elders gefokte paarden, niet mag trainen en verkopen op het perceel [locatie 16]. 55.1. Volgens de raad zijn de gronden van [appellant sub 7] bestemd voor een productiegerichte paardenhouderij. Hoewel het verhandelen van paarden als zodanig niet kan worden aangemerkt als een agrarische activiteit, wordt dit wel als een met de paardenhouderij onlosmakelijk verbonden activiteit gezien, in geval het de eigen ter plaatse gefokte paarden betreft. Het plan laat daarom ook toe dat de op het perceel gefokte paarden ter plaatse worden verhandeld en getraind. De door [appellant sub 7] gewenste ruimere planregeling is volgens de raad vanuit ruimtelijk oogpunt ongewenst, omdat in dat geval (tevens) sprake zou zijn van een veehandelsbedrijf. Dit standpunt van de raad is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling de omstandigheid dat [appellant sub 7] niet nader heeft toegelicht waarom het noodzakelijk zou zijn voor zijn bedrijfsvoering om de (eigen) elders gefokte paarden te verkopen en te trainen op het perceel [locatie 16]. Het betoog faalt. 56. [appellant sub 7] betoogt dat de wijzigingsbevoegdheid van artikel 4, lid 4.7.4, van de planregels aan onvoldoende voorwaarden is gebonden.
Het betreft hier de bevoegdheid tot het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning. Volgens [appellant sub 7] is als voorwaarde voor de toepassing van deze bevoegdheid ten onrechte alleen gesteld dat ter plaatse van de plattelandswoning sprake dient te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat uit het oogpunt van de luchtkwaliteit. Volgens [appellant sub 7] worden ten onrechte geen voorwaarden gesteld aan de gevolgen van andere vormen van hinder zoals geur en geluid. 56.1. Artikel 4, lid 4.7.4, van de planregels luidt als volgt: "Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de functie van een agrarische bedrijfswoning te wijzigen door toevoeging van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" op de plankaart ten behoeve van een zogenaamde plattelandswoning voor bewoning van een agrarische bedrijfswoning door (het huishouden van) een persoon die geen functionele
https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...
24-5-2017
Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State
pagina 39 van 41
binding heeft met het binnen het (gekoppelde) bouwvlak gevestigde bedrijf, onder de voorwaarde dat: a. de betreffende agrarische bedrijfswoning afgesplitst is van het agrarisch bedrijf en niet meer als zodanig in gebruik is; b. sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat uit oogpunt van luchtkwaliteit." 56.2. De Afdeling overweegt dat een agrarische bedrijfswoning die wordt bestemd tot plattelandswoning, deel uit blijft maken van de inrichting, zodat de plattelandswoning niet wordt beschermd tegen de milieuhinder van het agrarische bedrijf waar de woning in feitelijk opzicht van is afgesplitst. In zoverre behoeft het college van burgemeester en wethouders bij een eventuele wijziging van het plan, waarbij een bedrijfswoning wordt bestemd tot plattelandswoning, geen rekening te houden met de milieugevolgen van het eigen voormalige agrarisch bedrijf voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de plattelandswoning. De Afdeling heeft echter in haar uitspraak van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:236, geoordeeld dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de inrichting waar de plattelandswoning feitelijk deel van uitmaakte, rekening gehouden dient te worden met de gevolgen van het agrarische bedrijf voor de luchtkwaliteit ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning.
Om deze reden heeft de raad voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid mogen volstaan met alleen een voorwaarde te stellen ten aanzien van de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Het betoog faalt. 57. Hetgeen [appellant sub 7] voor het overige heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de wet of een goede ruimtelijke ordening. 58.
Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 7] ongegrond.
Opdracht 59. De Afdeling ziet aanleiding om de raad op te dragen een nieuw besluit te nemen voor de vernietigde plandelen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. Proceskosten 60. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 1], [appellant sub 3], ZeilDoek B.V. en [appellant sub 5] te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 4] en [appellant sub 6A] en anderen is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken. Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat [gemachtigde] als beroepsmatig rechtsbijstandverlener namens hem beroep heeft ingesteld, overweegt de Afdeling als volgt. De in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht bedoelde kostenveroordeling kan uitsluitend betrekking hebben op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor [gemachtigde] is uitsluitend [appellant sub 4] zelf werkzaam, zodat in dit geval geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ten aanzien van [appellant sub 2] en [appellant sub 7] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.
verklaart niet-ontvankelijk de beroepen van:
a. [appellant sub 1], voor zover gericht tegen artikel 4, lid 4.4.11, 4.5.4, onder a, en lid 4.6.7, aanhef en onder a tot en met c, van de planregels;
https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...
24-5-2017
Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State
pagina 40 van 41
b. [appellant sub 4], voor zover gericht tegen artikel 3, lid 3.2.1, onder a, en lid 3.5.1, onder a, van de planregels; II.
verklaart de beroepen van de hierna vermelde appellanten, voor zover ontvankelijk, gegrond:
a. [appellant sub 1]; b. de erven van [appellant sub 3]; c. [appellant sub 4]; d. [appellant sub 6A] en anderen; e. Zeil-Doek B.V., [appellante sub 8A] en [appellante sub 8B]; f. [appellant sub 5]; III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Montfoort van 26 oktober 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "1e Herziening Buitengebied 2012" wat betreft: a1. artikel 3, lid 3.4.11, van de planregels voor zover dat betrekking heeft op de percelen [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3], [locatie 5] en [locatie 6]; a2. artikel 3, lid 3.5.1, onder a, van de planregels voor de percelen [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3], [locatie 5], [locatie 6] en [locatie 7]; b. artikel 21, lid 21.1, aanhef en onder d, van de planregels, voor het zuidelijke deel van de gronden van het perceel gelegen tussen de percelen [locatie 8] en [locatie 9]; c. artikel 4, lid 4.5.4, onder a, van de planregels voor het perceel [locatie 11]; d. het niet voorzien in de bestemming "Sport" voor de gronden van het perceel [locatie 12] waarop de bestaande rijbakken en mestopslag zijn gesitueerd; e. het niet voorzien in een uitsterfregeling voor (een deel van) het buitenterrein van het perceel Willeskop 85a ten behoeve van de zeilmakerij; f1. de aanduiding ""specifieke vorm van recreatie - paardenbak" ter plaatse van de bestaande paardenbak, voor zover deze de oppervlakte van 800 m² overschrijdt; f2.
de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - paardenbak" ter plaatse van de bestaande longeercirkel en twee paddocks; IV. draagt de raad van de gemeente Montfoort op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen; V.
verklaart de beroepen van [appellant sub 2A] en [appellant sub 7] ongegrond;
VI. veroordeelt de raad van de gemeente Montfoort tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van: a. [appellant sub 1] tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; b. de erven [appellant sub 3] tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van
https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...
24-5-2017
Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State
pagina 41 van 41
genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; c. Zeil-Doek B.V., [appellante sub 8A] en [appellante sub 8B] tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; d. [appellant sub 5] tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VII. gelast dat de raad van de gemeente Montfoort aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt: a. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 1]; b. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor de erven van [appellant sub 3], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; c. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 4]; d. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 6A] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; e.
€ 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor Zeil-Doek B.V., [appellante sub 8A] en [appellante sub 8B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; f. € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 5]. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier. w.g. Scholten-Hinloopen voorzitter griffier
w.g. Milosavljević
Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2017 739.
https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...
24-5-2017
Bijlage 2 Fragment reparatie plandelen
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
Plangebied Plangrens
Enkelbestemmingen A
15
Bouwvlakken
Agrarisch
bouwvlak
Bouwaanduidingen
A-RZ
Agrarisch - Rivierzone
AW
Agrarisch met waarden
AW-O
Agrarisch met waarden - Openheid
BO
Bos
H
Horeca
N
Natuur
S
Sport
T
Tuin
V
Verkeer
WA
Water
W
Wonen
bijgebouwen
[bg]
13
rrio
vb
h
vb
vb
Maatvoeringen
vb
vb
WS-WK h
vb
vb
vb
hm
hm rior
hm
vb
r
vb
q 30
vb
vb hm
vb
et vb
bk
vb
vb
Achthoven-Oost
58
vb
hoogte (m)
vb vb plaats vb k
48
50
56
52
46
T WR-A-3 WS-WK
(sr-pu) [bg]
T
Dubbelbestemmingen
Achthoven-Oost 56 en 58
L-G
Leiding - Gas
L-HV
Leiding - Hoogspanningsverbinding
L-R
Leiding - Riool
L-W
Leiding - Water
WR-A-2
Waarde - Archeologie 2
WR-A-3
Waarde - Archeologie 3
WR-A-4
Waarde - Archeologie 4
WR-A-5
Waarde - Archeologie 5
WR-E
Waarde - Ecologie
WR-LG
Waarde - Landgoed
WS-WK
Waterstaat - Waterkering
Gebiedsaanduidingen milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied milieuzone - stiltegebied vrijwaringszone - aardkundige waarden vrijwaringszone - straalpad 1
wetgevingzone - wijzigingsgebied 1
5
wetgevingzone - wijzigingsgebied 5
Functieaanduidingen (ma)
manege
(nw)
natuurwaarden
(sr-pu)
specifieke vorm van recreatie - paardenbak uitgesloten
(-w)
wonen uitgesloten
S (ma) WR-A-3
GEMEENTE MONTFOORT Reparatie 1e herziening Buitengebied 2012
bestemmingsplan 10
PROJECT
20201883
FORMAAT
A3
SCHAAL
3
KAART
1:2500 1/2
1
GETEKEND k rdij
ijke
K. Heijmeriks
Vastgesteld
13-12-2021
NL.IMRO.0355.Rep1eherzBG-VG01
Concept
28-09-2021
stw
IDN 5A
Lindeboomsweg 10
Ma
RHO ADVISE RS
info@rho.nl www.rho.nl
N
REGELS
35
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
35
Artikel 1
Begrippen
37
Artikel 2
Wijze van meten
43
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
45
Artikel 3
Agrarisch
45
Artikel 4
Agrarisch ‐ Rivierzone
62
Artikel 5
Agrarisch met waarden ‐ Landschap en natuur
79
Artikel 6
Agrarisch met waarden ‐ Openheid
82
Artikel 7
Bedrijf
86
Artikel 8
Bedrijf ‐ Gasontvangststation
95
Artikel 9
Bedrijf ‐ Waterwinning
96
Artikel 10
Bedrijventerrein
97
Artikel 11
Bos
100
Artikel 12
Buitenplaats
101
Artikel 13
Detailhandel
105
Artikel 14
Groen
110
Artikel 15
Horeca
111
Artikel 16
Maatschappelijk
116
Artikel 17
Natuur
117
Artikel 18
Natuur ‐ Oeverstroken en water
119
Artikel 19
Recreatie ‐ Dagrecreatie
121
Artikel 20
Sport
122
Artikel 21
Tuin
124
Artikel 22
Verkeer
126
Artikel 23
Water
127
Artikel 24
Wonen
128
Artikel 25
Bedrijf ‐ Voorlopig
136
Artikel 26
Leiding ‐ Gas
137
Artikel 27
Leiding ‐ Hoogspanningsverbinding
139
Artikel 28
Leiding ‐ Riool
140
Artikel 29
Leiding ‐ Water
141
Artikel 30
Waarde ‐ Archeologie ‐ 1
142
Artikel 31
Waarde ‐ Archeologie ‐ 2
143
Artikel 32
Waarde ‐ Archeologie ‐ 3
145
Artikel 33
Waarde ‐ Archeologie ‐ 4
147
Artikel 34
Waarde ‐ Archeologie ‐ 5
149
Artikel 35
Waarde ‐ Cultuurhistorie
151
Artikel 36
Waarde ‐ Ecologie
153
Artikel 37
Waarde ‐ Landgoed
154
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
36
Artikel 38
Waterstaat ‐ Waterkering
155
Hoofdstuk 3
Algemene regels
157
Artikel 39
Anti‐dubbeltelregel
157
Artikel 40
Algemene bouwregels
158
Artikel 41
Algemene gebruiksregels
159
Artikel 42
Algemene aanduidingsregels
160
Artikel 43
Algemene afwijkingsregels
165
Artikel 44
Algemene wijzigingsregels
166
Artikel 45
Overige regels
168
Hoofdstuk 4
Overgangs‐ en slotregels
169
Artikel 46
Overgangsrecht
169
Artikel 47
Slotregel
170
Bijlagen regels
Bijlage 1
Staat van Bedrijfsactiviteiten
Bijlage 2
Staat van Horeca‐activiteiten
Bijlage 3
Kappenkaart
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
37
Hoofdstuk 1
Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan het bestemmingsplan Reparatie 1e herziening bestemmingsplan Buitengebied identificatienummer NL.IMRO.0335.Rep1eherzBG‐VG01 van de gemeente Montfoort.
2012
met
1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanbouw/uitbouw een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw of deel van een gebouw dat door zijn verschijningsvorm een ondergeschikte bouwmassa vormt en eenzelfde gebruik kent als het hoofdgebouw, zoals erkers, toegangsportalen, (bij)keukens en woon‐ of slaapgedeelten van een woning. 1.4 aan huis gebonden beroep a. de uitoefening aan huis van een beroep of de beroepsmatige verlening van diensten aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp‐technisch of hiermee gelijk te stellen terrein; b. bedrijfsactiviteiten, voor zover die behoren tot categorie 1 van de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten; c. bedrijfsactiviteiten, die niet voorkomen in categorie 1 van de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, maar naar aard en invloed op omgeving hiermee gelijk kunnen worden gesteld. 1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.6 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.7 agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van landbouwdieren; onder agrarische bedrijven worden tevens begrepen boomteeltbedrijven, fruitteeltbedrijven, sierteeltbedrijven en productiegerichte paardenhouderijen. 1.8 agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd een agrarisch bedrijf met een omvang van minder dan een halve arbeidskracht en dat valt onder de werkingssfeer van de Wet Milieubeheer.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
38
1.9 agrarisch hulpgebouw een agrarisch bedrijfsgebouw, zoals een melkstal, veldschuur of schuilgelegenheid voor dieren, gesitueerd op afstand van het agrarisch bouwvlak en noodzakelijk voor de doelmatige exploitatie van de agrarische gronden ter plaatse. 1.10 agrarische bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, welke woning kennelijk slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming en het feitelijk gebruik van het gebouw of het terrein. 1.11 archeologisch (rijks)monument van rijkswege, op basis van de Monumentenwet 1988 beschermde plaats in het landschap die waardevol is vanwege de aanwezige sporen uit het verleden. 1.12 ambachtelijk bedrijf a. een (producerend en/of verzorgend) bedrijf voor de uitoefening van ambachten, waarvoor een belangrijk deel in handwerkgoederen worden bewerkt, geïnstalleerd of hersteld, voornamelijk direct ten behoeve van de uiteindelijke gebruiker of verbruiker en welk wordt gekenmerkt door het geen hierna is vermeld onder b; b. een bedrijf waarvan de uitoefening plaatsheeft onder (één van) de volgende omstandigheden: 1.
het productieproces wordt grotendeels 'met de hand' of althans niet in hoofdzaak gemechaniseerd, geautomatiseerd of met behulp van werktuigen die door energiebronnen buiten de menselijke arbeidskracht worden aangedreven, uitgevoerd; 2. voor zover van laatstbedoelde werktuigen gebruik wordt gemaakt zijn deze als ondergeschikt te beschouwen aan de menselijke handvaardigheid. 1.13 bed & breakfast het bedrijfsmatig en op kleine schaal tegen betaling aanbieden van logies/overnachting in een daarvoor geschikte woning (hoofd‐ of bijgebouw) gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en kortdurend verblijf met ontbijtmogelijkheid. Deze voorziening is nadrukkelijk niet bedoeld voor het laten overnachten van tijdelijke arbeiders of seizoensarbeiders. 1.14 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.15 bebouwingspercentage het in het bestemmingsplan aangegeven percentage dat de grootte aangeeft van het deel van een bestemmingsvlak, bouwperceel of bouwvlak dat maximaal mag worden bebouwd. 1.16 bedrijfswoning een woning in of bij een bedrijf, die slechts bewoond mag worden door (het huishouden van) een persoon die werkzaam is bij het bedrijf.
1.17 beheerschuur een bouwwerk in de vorm van een op zichzelf staand, niet geschikt voor bewoning, bedoeld voor het opslaan van landbouwwerktuigen, landbewerkingsmiddelen en onderhoudsmateriaal noodzakelijk voor het beheer en onderhoud van een gebied met een recreatief gebruik. 1.18 bestaande bebouwing afstands‐, hoogte‐, inhouds‐ en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of de Wabo.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
39
1.19 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.20 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.21 bijgebouw een vrijstaand, afzonderlijk van het hoofdgebouw in functioneel en bouwkundig opzicht te onderscheiden gebouw. 1.22 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.23 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.24 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.25 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel. 1.26 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.27 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.28 cultuurhistorische waarde de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt.
1.29 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/ of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps‐ of bedrijfsactiviteit. 1.30 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. 1.31 erf‐ of terreinafscheiding een gebouwde voorziening van enig materiaal bedoeld om een perceel of erf, of een deel daarvan af te scheiden, zoals een (tuin)muur, een (tuin)hek of een rasterwerk waarlangs beplanting groeit; een erf‐ of terreinafscheiding hoeft dus in principe niet alleen geplaatst te zijn op een perceelsgrens om als zodanig te worden opgevat.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
40
1.32 erker een ondergeschikte uitbouw op de begane grond van de woning, die strekt ter vergroting van het woongenot. een erker is gelegen aan de verblijfsruimte (woonkamer of keuken). Een erker heeft een beperkte diepte en is aan drie zijden geheel of gedeeltelijk voorzien van glas. 1.33 fruitteeltbedrijf een bedrijf dat is gericht op het telen van fruit. Het rechtstreeks leveren van geteeld fruit van het eigen bedrijf valt onder de normale bedrijfsvoering. 1.34 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.35 grondgebonden agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Afhankelijkheid van de grond kent hierbij de volgende aspecten: voedervoorziening, mestafzet of het bieden van een natuurlijk substraat voor plantaardige teelten. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw‐, fruitteelt‐ en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant. Melkveebedrijven worden ook aangemerkt als een grondgebonden agrarisch bedrijf.
1.36 hobbymatige paardenhouderij het houden van paarden waarbij tot een maximum van 5 paarden (hieronder veulens en pony's inbegrepen) wordt aangehouden voor eigen gebruik en vrijetijdsbesteding. 1.37 intensieve veehouderij het bedrijfsmatig houden van dieren zonder dat het bedrijf hoeft te beschikken over grond bestemd voor de voerproductie van deze dieren. De dieren worden in stallen of hokken gehouden. Waar in dit bestemmingsplan wordt gesproken over intensieve veehouderij wordt in principe gedoeld op het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen of parelhoenders (waarvoor een milieuvergunning is verleend). De melkveehouderij en het houden van geiten worden niet als intensieve veehouderij beschouwd. 1.38 kinderdagverblijf De opvang van kinderen overdag, zonder de mogelijkheid tot overnachting en daaronder begrepen buitenschoolse opvang. 1.39 kuilopslag opslag van agrarische producten of veevoer afgedekt met zand of een ander materiaal. 1.40 kuilplaten verharding ten behoeve van kuilopslag. 1.41 (agrarisch) loonbedrijf een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht ter productie of levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven.
1.42 mantelzorg Het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
41
1.43 mestbassin een mestbassin als bedoeld in het Besluit mestbassins milieubeheer. 1.44 mestvergistingsinstallatie kleinschalige mestvergister waarbij de mest afkomstig is van één bedrijf. 1.45 nevenfunctie functie welke ondergeschikt is aan een hoofdfunctie, uit de hoofdfunctie dient minimaal 50% van de bedrijfsinkomsten te worden gegenereerd met dien verstande dat deze bepaling over bedrijfsinkomsten niet geldt voor nevenfuncties bij de bestemming Wonen. 1.46 nutsvoorzieningen Voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en gebouwen voor telecommunicatie. 1.47 ontsluitingsweg een weg die uitsluitend dient om toegang te geven tot percelen en niet is ontworpen voor doorgaand verkeer. 1.48 opslag opslag van goederen en tastbare producten die naar hun aard geen regelmatige verplaatsing behoeven, zonder dat deze een bewerking ondergaan. 1.49 opstelplaatsen parkeervoorzieningen ten behoeve van de op naastgelegen gronden gelegen woning. 1.50 paardenbak een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining.
1.51 paddock relatief kleine omheinde uitloop, veelal voorzien van een zandbodem, in aansluiting op de stalling en ten behoeve van de vrije uitloop van paarden en pony's. 1.52 paden voet‐ en fietspaden. 1.53 peil Voor gebouwen, waarvan de toegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. 1.54 plattelandswoning Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een agrarisch bedrijf, die door een derde bewoond mag worden, en die niet worden beschermd tegen de milieugevolgen van het bijbehorende agrarische bedrijf. 1.55 productiegerichte paardenhouderij een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen van paarden en het trainen en africhten van ter plaatse gefokte paarden en het verhandelen daarvan.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
42
1.56 recreatief medegebruik gebruik van gronden voor niet‐gemotoriseerde recreatieve activiteiten, ondergeschikt aan de hoofdfunctie van de gronden, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, kanoën, zwemmen en natuurobservatie. 1.57 silo een voorziening voor de een opslagplaats voor stort‐ of bulkgoederen in de vorm van poeders of korrelvormige producten zoals graan, veevoer, kunstmest, zand of grind. 1.58 theetuin gelegenheid voor het schenken van dranken zonder dat daarvoor een vergunning op grond van de Drank‐ en Horecawet nodig is. 1.59 volwaardig agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf in de omvang van ten minste één arbeidskracht met een daarbij passende bedrijfsomvang en waarbij zicht is op continuïteit, bijvoorbeeld door bedrijfsopvolging, gedurende minimaal de komende tien jaar. 1.60 volwaardige productiegerichte paardenhouderij een paardenhouderij in de omvang van ten minste één arbeidskracht met een daarbij passende bedrijfsomvang en waarbij zicht is op continuïteit, bijvoorbeeld door bedrijfsopvolging, gedurende minimaal de komende tien jaar. 1.61 voorgevelrooilijn de denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van het hoofdgebouw op een perceel loopt tot aan de zijdelingse bouwperceelsgrenzen.
1.62 windmolen een bouwwerk ter opwekking van energie door benutting van windkracht, met uitzondering van bemalingsinstallaties ten behoeve van de waterhuishouding. 1.63 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.64 zoneiland een aaneengesloten oppervlakte zonnecollectoren.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
43
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2 de goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3 de inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.6 afstanden onderling Afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot erf scheidingen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.7 oppervlakte van een overkapping tussen de (neerwaarts geprojecteerde) buitenzijde van de afdekking van de overkapping.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
44
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
45
Hoofdstuk 2
Artikel 3
Bestemmingsregels
Agrarisch
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. volwaardige veehouderijbedrijven, met uitsluitend als nevenactiviteit een intensieve veehouderij; b. in afwijking van het bepaalde in dit lid onder a is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch ‐ kernrandzone' de nevenactiviteit intensieve veehouderij uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij'; c. de verkoop van de door het eigen bedrijf op het betreffende perceel geproduceerde producten; d. mestvergistingsinstallaties ten behoeve van de mest van het eigen bedrijf; e. windmolens; f. agrarische bedrijfswoningen; g. volwaardige productiegerichte paardenhouderijen met de bijbehorende voorzieningen; h. ter plaatse van de aanduiding 'fruitteelt': tevens een volwaardig fruitteeltbedrijf; i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch ‐ agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd': tevens voor een agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd; j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch ‐ intensieve veehouderij tevens veehandelsbedrijf': tevens een volwaardige intensieve veehouderij en een veehandelsbedrijf; k.
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf ‐ loon‐, aannemers‐ en verhuurbedrijf': tevens voor een loonbedrijf, tevens aannemersbedrijf en verhuurbedrijf behorend tot categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten; l. ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', niet zijnde gelegen binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch ‐ kernrandzone': tevens een volwaardige intensieve veehouderij; m. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch ‐ opslag loonbedrijf': tevens voor opslag ten dienste van een loonbedrijf; n. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie ‐ paardenbak': tevens voor een paardenbak met de bijbehorende voorzieningen zoals longeercirkels en paardencarrousels, paddocks, stap‐ en trainingsmolens; o. ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting': tevens voor een ontsluitingsweg; p. windmolens, behoudens ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Landgoed'; q. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' zijn de betreffende gronden tevens bestemd voor het behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden van gebouwen; r. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals verhardingen, laad‐ en losvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groen, water en nutsvoorzieningen; s.
de in tabel 3.1 genoemde toegestane nevenfuncties met bijbehorend maximaal aantal m² aan bebouwing, die in gebruik mag worden genomen ten dienste van de nevenfunctie, en – in voorkomende gevallen – het maximaal aantal m² dat in gebruik mag worden genomen voor de nevenfunctie:
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
46
Tabel 3.1 Nevenfuncties die bij recht zijn toegestaan aard van de nevenfunctie maximaal oppervlak maximaal oppervlak bebouwing voor gebruik Verkoop agrarische producten 180 m² Africhtingsbedrijven voor paarden 300 m² Mestvergisting/co‐vergisting ten behoeve van de mest 300 m² van derden Hoveniersbedrijf 200 m² Opslag/stalling van niet agrarische goederen in 300 m² bestaande bebouwing niet zijnde kassen Kano‐ roeiboot‐ of fietsenverhuur 100 m² Kleinschalig kamperen 100 m² 3.000 m² Bed & breakfast 200 m² Kampeerboerderij 200 m² Kleinschalige horecagelegenheid 100 m² Aan‐huis‐gebonden beroep 50 m² Tentoonstellingsruimte: museum 300 m² Kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang 150 m² Paardenstalling/‐houderij 50 m2 waarbij geldt dat: t. de nevenfuncties zijn alleen toelaatbaar als deze functie(s) omliggende (agrarische) bedrijven niet belemmeren in hun bedrijfsvoering; u. de hier bedoelde nevenfuncties zijn alleen toegestaan bij wijze van neventak bij een hoofdtak anderszins. 3.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
47
3.2.1 Algemeen a. hoofdgebouwen, bijgebouwen en overkappingen alsmede mestbassins en mestvergistingsinstallaties mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; In aanvulling hierop mogen gebouwen ook worden gebouwd op de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding ‐ gebouw'; b. hoofdgebouwen en bijgebouwen dienen evenwijdig aan de kavelrichting te worden opgericht; c. nieuwbouw van hoofdgebouwen en bijgebouwen is niet toegestaan in geval de bestaande bebouwing gebruikt wordt ten behoeve van niet‐agrarische functies; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch ‐ agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd' mag de oppervlakte van alle bebouwing tezamen ten hoogste 100 m² bedragen; e. herbouw van gebouwen die zijn aangeduid met de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' is uitsluitend toegestaan, mits: 1. het aantal woningen, zoals aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan, niet toeneemt; 2. de uiterlijke verschijningsvorm van het gebouw bij herbouw gehandhaafd blijft; f. ter plaatse van de aanduiding 'nokrichting' is uitsluitend de aangegeven nokrichting zoals verbeeld in bijlage 3 Kappenkaart toegestaan; g.
ter plaatse van de aanduiding 'kap' is uitsluitend de ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan bestaande kapvorm, dakhelling, bouwhoogte en nokrichting zoals verbeeld in bijlage 3 Kappenkaart toegestaan; h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding ‐ gebouw' geldt dat: 1. de aanwezige oppervlakte, goot‐ en bouwhoogte ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan gelden als maximaal toelaatbaar; 2. woningen niet zijn toegestaan; i. er mogen geen gebouwen worden gerealiseerd voor het stallen van dieren in meer dan één bouwlaag. 3.2.2 Gebouwen a. indien bouwvlakken middels het figuur 'relatie' met elkaar zijn verbonden, worden deze bouwvlakken gerekend als 1 bouwvlak; b. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 6 m; c. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 12 m; d. de bouwhoogte van kassen bedraagt ten hoogste 5,5 m; e. de afstand van gebouwen ten opzichte van een watergang bedraagt ten minste 3 m; f. de afstand van gebouwen ten opzichte van een perceelsgrens bedraagt ten minste 3 m; g. ter plaatse van de aanduiding 'fruitteelt' bedraagt het gezamenlijk grondoppervlak van kassen, inclusief boogkassen, ten hoogste 300 m2; h. de afstand van de gronden, alsmede de gebouwen, die in gebruik zijn ten behoeve van de fruitteelt, bedraagt ten opzichte van een woning van derden ten minste 50 m; i.
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch ‐ opslag‐loonbedrijf' is een gebouw toegestaan ten behoeve van opslag met een maximale goot‐/ bouwhoogte van 4m/6,5m en een oppervlakte van ten hoogste 313 m²; j. ‐ vervallen ‐
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
48
3.2.3 Aan‐ en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij agrarische gebouwen a. bijgebouwen mogen uitsluitend achter de voorgevel van het bijbehorende hoofdgebouw worden gebouwd; b. de goot‐ respectievelijk bouwhoogte van een vrijstaand bijgebouw bedraagt ten hoogste 3 m/5 m, met dien verstande dat bestaande hogere hoogtes mogen worden gehandhaafd; c. de goothoogte van een aanbouw, uitbouw of aangebouwd bijgebouw mag ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van de woning bedragen; de bouwhoogte mag ten hoogste 5 m bedragen; d. de inhoud en oppervlakte van een mestbassin bedraagt respectievelijk ten hoogste 2.500 m3 en 750 m2; e. de bouwhoogte van silo's bedraagt ten hoogste 15 m; f. de bouwhoogte van hooibergen bedraagt ten hoogste 15 m; g. ‐ vervallen ‐
3.2.4 Bedrijfswoningen a. binnen een bouwvlak is ten hoogste 1 agrarische bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten' geen agrarische bedrijfswoningen mogen worden gebouwd; b. in afwijking van het bepaalde in dit lid onder a zijn: 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' tevens de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan aanwezige, overige agrarische bedrijfswoningen toegestaan; 2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch ‐ rustende boer' tevens een kleine agrarische bedrijfswoning toegestaan ten behoeve van de rustende, voorheen aan het bedrijf verbonden, ondernemer; c. de inhoud van een agrarische bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 650 m3, waarbij de inhoud van ondergrondse bouwwerken niet wordt meegeteld, met dien verstande dat: 1. indien ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan de inhoud van een woning meer bedraagt dan 650 m3, de afwijkende inhoudsmaat wordt gezien als maximaal toelaatbaar; 2. in afwijking van het hiervoor bepaalde de inhoud van een agrarische bedrijfswoning met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch ‐ rustende boer' ten hoogste 250 m³ mag bedragen; d. de afstand van agrarische bedrijfswoningen ten opzichte van een watergang bedraagt ten minste 3 m; e.
de afstand van agrarische bedrijfswoningen ten opzichte van een perceelsgrens bedraagt ten minste 3 m; f. de goothoogte van een agrarische bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 4,5 m; g. de bouwhoogte van een agrarische bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 8 m; h. dakkapellen op het dakvlak zijn aan de voorzijde van een gebouw toegestaan, met dien verstande dat: 1. de dakkapel voorzien is van een plat dak; 2. de hoogte ten hoogste 1,75 m bedraagt, gemeten vanaf de voet van de dakkapel; 3. de onderzijde zich ten minste 0,5 m en ten hoogste 1 m boven de dakvoet bevindt; 4. de bovenzijde zich ten minste 0,5 m onder de daknok bevindt; 5. de zijkanten zich ten minste 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak bevinden; 6. de gezamenlijke breedte van de dakkapellen niet meer dan 50% van het dakvlak aan de voorzijde beslaat.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
49
3.2.5 Aan‐ en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen a. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m; b. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 4 m; c. het gezamenlijk oppervlak van bijgebouwen, behorende bij agrarische bedrijfswoningen, bedraagt ten hoogste 50 m2. 3.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. de bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn nader aangegeven in Artikel 40 Algemene bouwregels; b. in aanvulling op het bepaalde onder a. mag de bouwhoogte van een hekwerk ten dienste van een paardenbak mag niet meer bedragen dan 1,8 m; c. in aanvulling op het bepaalde onder a. mag de bouwhoogte van een mestbassin niet meer dan 7 m bedragen en mag de bouwhoogte van een mestvergistingsinstallatie niet meer dan 15 m bedragen; d. windmolens mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd met een maximum van 1 windmolen per bouwvlak en met dien verstande dat de bouwhoogte van een windmolen niet meer dan 20 m mag bedragen; e. in aanvulling op het bepaalde onder a. zijn lichtmasten uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan. 3.2.7 Zoneilanden Grondgebonden installaties voor de opwekking van zonne‐energie zijn slechts toegestaan binnen agrarische bouwvlakken. 3.2.8 Nevenfuncties a.
voor alle rechtstreeks op grond van het bepaalde in lid 3.1 of met afwijking op grond van het bepaalde in lid 3.6.4 en/of 3.6.5 toelaatbare nevenfuncties tezamen mag per perceel maximaal 300 m² aan nieuwbouw binnen het bouwvlak worden gebouwd, mits eenzelfde oppervlakte aan bestaande bebouwing wordt gesloopt; b. het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor reclameborden en/of neonreclame ten behoeve van een nevenfunctie is niet toegestaan; hetzelfde geldt voor lichtmasten en lichtbakken. 3.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden', nadat de monumentencommissie om schriftelijk advies is gevraagd, nadere eisen stellen met betrekking tot de uitwendige hoofdvorm zoals deze wordt bepaald door goothoogte, nokrichting, dakvorm, dakhelling en gevelindeling teneinde te waarborgen dat de aan het pand eigen cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast, met dien verstande dat deze nadere eisen een doelmatige bedrijfsvoering niet onevenredig mogen belemmeren.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
50
3.4 Afwijken van de bouwregels 3.4.1 Uitbreiding agrarisch bouwvlak Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.1 onder a voor het veranderen en vergroten van een agrarisch bouwvlak tot ten hoogste 1,5 ha, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling noodzakelijk is, met dien verstande dat: a. de bestaande bij het agrarisch bedrijf behorende bebouwing binnen de gewijzigde grenzen van het bouwvlak gelegen blijft; b. het bouwvlak met ten hoogste 10% mag worden vergroot; c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies in bij een agrarische deskundige of: 1. sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is; d. ‐ vervallen ‐ e. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, kan het bevoegd gezag schriftelijk advies vragen bij een landschapsdeskundige.
3.4.2 Verhogen goot‐ en bouwhoogte bedrijfsgebouw Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.2 onder b en c voor het verhogen van de goothoogte van het bedrijfsgebouw naar ten hoogste 8 m en de bouwhoogte naar ten hoogste 15 m, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling noodzakelijk is en met dien verstande dat: a. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; b. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder a alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies in bij een agrarische deskundige met de vraag: 1. of er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. of het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is. d.
‐ vervallen ‐ 3.4.3 Verkleinen bouwafstand Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.2 onder e en f voor de bouw van gebouwen op ten minste 1,5 m afstand naar andere gebouwen of perceelsgrenzen, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling noodzakelijk is en met dien verstande dat: a. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; b. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder a alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies vraagt bij een agrarische deskundige met de vraag: 1. of er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. of het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is. d. ‐ vervallen ‐
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
51
3.4.4 Verruimen inhoud en bouwhoogte mestbassins Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.3 onder d voor het vergroten een mestbassin tot een inhoud van ten hoogste 4.500 m3, indien dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling noodzakelijk is en met dien verstande dat: a. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; b. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder a alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast; c. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies in bij een agrarische deskundige met de vraag: 1. of er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, zoals bedoeld in Artikel 1; 2. of het verlenen van de afwijking voor een doelmatige bedrijfsvoering dan wel een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is. d.
‐ vervallen ‐ 3.4.5 Splitsing bedrijfswoning Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.4 onder a voor de splitsing in 2 woningen, indien sprake is van een agrarische bedrijfswoning met de aanduiding 'cultuurhistorische waarden', met dien verstande dat: a. sprake is van een agrarische bedrijfswoning met inpandig bedrijfsgedeelte; b. de bestaande bouwmassa niet wordt vergroot; c. de karakteristieke verschijningsvorm gehandhaafd blijft; d. de wijze waarop de woningen aaneen zijn gebouwd niet wordt gewijzigd; e. de nieuwe wooneenheid is gerelateerd aan het agrarisch bedrijf werkzame personen; f. omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd mogen worden; g. afwijking niet mogelijk is indien voor de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan woningsplitsing reeds heeft plaatsgevonden. In afwijking van het hiervoor bepaalde (splitsing bestaande agrarische bedrijfswoning met een aanduiding 'cultuurhistorische waarden' in 2 woningen) mag, indien op een bouwvlak zowel de agrarische bedrijfswoning als een bijgebouw zijn aangeduid met 'cultuurhistorische waarden', de tweede woning in het bijgebouw worden gerealiseerd in plaats van in het inpandige bedrijfsgedeelte van de agrarische bedrijfswoning waarbij het bepaalde onder b, c, e, f en g van toepassing is.
3.4.6 Verhogen goot‐ en bouwhoogte bedrijfswoning Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.4 onder f en g voor het verhogen van de goot‐ en bouwhoogte van de agrarische bedrijfswoning naar respectievelijk ten hoogste 5,5 m en 9 m, met dien verstande dat: a. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, waaronder ook die van de aangrenzende gronden; b. ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder a alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
52
3.4.7 Tijdelijke woonruimte Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het toegestane aantal en de inhoud van woningen, ten behoeve van het realiseren van een tijdelijke zelfstandige woonruimte in een agrarische bedrijfswoning of andere woning, niet zijnde een recreatiewoning, of in een bijgebouw, indien daarvoor dringende sociale, verzorgings‐ of sociaaleconomische redenen worden gegeven, met dien verstande dat: a. de inhoud van de bedoelde woonruimte niet meer dan 250 m³ mag bedragen; b. de goot‐ en bouwhoogte van de bedoelde woonruimte mogen niet meer bedragen dan die van de betreffende woning respectievelijk de maximale goot‐ en bouwhoogte van het betreffende bijgebouw; c. ingeval de bedoelde woonruimte in een van de woning vrijstaand gebouw wordt gebouwd, de afstand van dat bijgebouw tot de woning niet meer dan 20 m mag bedragen; d. het bouwen op een zodanige wijze dient te geschieden dat de extra zelfstandige woonruimte bij beëindiging van de tijdelijke huisvesting en bij intrekking van de afwijking ongedaan kan worden gemaakt; e. alvorens te beslissen op een verzoek om afwijking, wint het bevoegd gezag advies in bij een door hen aan te wijzen medisch adviseur; f. het bevoegd gezag trekt de verleende omgevingsvergunning in, indien de bij het verlenen van de vrijstelling bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer nodig is.
3.4.8 Nieuwbouw Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.1 onder b. voor het toestaan van het oprichten van gebouwen niet evenwijdig aan de kavelrichting, mits dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het landschap. Alvorens omgevingsvergunning wordt verleend kan het bevoegd gezag schriftelijk advies inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast. De omgevingsvergunningen als bedoeld in dit artikel worden uitsluitend verleend indien de bebouwingskarakteristiek van de omgeving niet wordt aangetast en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt. 3.4.9 Wijziging dak Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 3.2.1 ten behoeve van een kapvorm, dakhelling, bouwhoogte en/of nokrichting afwijkend van de voorgeschreven kapvorm, dakhelling, bouwhoogte en/of nokrichting zoals verbeeld in bijlage 3 Kappenkaart mits dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de monumentale waarde van het pand. Alvorens omgevingsvergunning wordt verleend wordt de monumentencommissie gehoord met betrekking tot de vraag of de monumentale waarde niet onevenredig wordt aangetast.
3.4.10 Vergroting van een inpandige woning Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van de maximale inhoudsmaat van woningen, indien: a. het een woning betreft met de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' en; b. het een woning betreft die onderdeel uitmaakt van een veel groter hoofdgebouw en de afmetingen van dit hoofdgebouw in geen enkel opzicht worden uitgebreid.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
53
3.4.11 Tijdelijke woonruimte ten behoeve van bedrijfsopvolger Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het toegestane aantal en de inhoud van woningen, ten behoeve van het realiseren van een tijdelijke zelfstandige woonruimte in een agrarische bedrijfswoning of andere woning, niet zijnde een recreatiewoning, of in een bijgebouw, met dien verstande dat: a. medewerking wordt uitsluitend verleend voor tijdelijke woonruimte ten behoeve van een bedrijfsopvolger; b. medewerking wordt uitsluitend verleend voor een periode van maximaal 5 jaar; c. medewerking wordt uitsluitend verleend indien de tijdelijke woonruimte noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering; d. de inhoud van de bedoelde woonruimte niet meer dan 250 m³ mag bedragen; e. de goot‐ en bouwhoogte van de bedoelde woonruimte mogen niet meer bedragen dan die van de betreffende woning respectievelijk de maximale goot‐ en bouwhoogte van het betreffende bijgebouw; f. ingeval de bedoelde woonruimte in een van de woning vrijstaand gebouw wordt gebouwd, de afstand van dat bijgebouw tot de woning niet meer dan 20 m mag bedragen; g. het bouwen op een zodanige wijze dient te geschieden dat de extra zelfstandige woonruimte bij beëindiging van de tijdelijke huisvesting en bij intrekking van de afwijking ongedaan kan worden gemaakt; h.
alvorens te beslissen op een verzoek om afwijking, wint het bevoegd gezag advies in bij de agrarische deskundige omtrent de vraag of de tijdelijke huisvesting noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. 3.5 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: 3.5.1 Opslag a. opslag van goederen is ‐ met uitzondering van kuilopslag en de tijdelijke opslag van fruitkisten tijdens de fruitoogst op de gronden met de aanduiding 'fruitteelt'‐ uitsluitend binnen bouwvlakken toegestaan; b. opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 m is niet toegestaan; c. opslag van goederen die niet ten dienste staan van de uitoefening van het agrarisch bedrijf slechts is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'opslag'.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
54
3.5.2 Paardenbakken a. paardenbakken en andere aan paardensport gerelateerde voorzieningen, zoals longeercirkels, paardencarrousels, paddocks, stap‐ en trainingsmolens, zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan; b. de afstand van een paardenbak tot een naburig bouwperceel bedraagt ten minste 30 m; c. een paardenbak dient landschappelijk te worden ingepast aan de hand van een door de landschapsdeskundige goedgekeurd beplantingsplan; d. buitenverlichting is toegestaan bij een paardenbak, met dien verstande dat: 1. de maximale hoogte van de lichtmasten is 4 meter; 2. maximaal 6 lichtmasten per paardenbak zijn toegestaan; 3. de masten worden direct aan of bij een paardenbak geplaatst; 4. maximaal 60 LUX/m2 gemeten 1 meter boven de bodem van de bak; 5. de lichtbundel wordt door middel van een afscherming gericht op de paardenbak; 6. de verlichting mag gebruikt worden van 7.00 uur 's ochtends tot 22.00 uur 's avonds; e. ten hoogste 50 m² van alle aan‐, uit‐ en bijgebouwen mag worden gebruikt ten dienste van het hobbymatig houden van paarden; f. de oppervlakte van een paardenbak bedraagt ten hoogste 800 m2, met dien verstande dat, indien ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan de oppervlakte van een paardenbak meer bedraagt dan 800 m2, de afwijkende oppervlaktemaat wordt gezien als maximaal toelaatbaar.