CConstaterende datMontfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

1059325 Bijlage 1 Toelichting en regels met bijlagen.pdf

Raadsvergadering 13 december 2021, gemeente MontfoortBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan 'Reparatie 1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012' (nr 1059325)38.260 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Hij meent dat de afwijkingsregeling uitsluitend op al bestaande situaties en niet op nieuwe situaties ziet. Het ook op nieuwe situaties van toepassing zijn van de afwijkingsregeling acht hij ongewenst en niet in overeenstemming met de jurisprudentie van de Afdeling. 25.1. Artikel 4, lid 4.5.3, onder b, van de planregels luidt als volgt: "de afstand van de gronden, alsmede de gebouwen, die in gebruik zijn ten behoeve van de fruitteelt, bedraagt ten opzichte van een woning van derden ten minste 50 m." Lid 4.6.4 luidt: "Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het bepaalde in lid 4.5.3 onder b voor kleinere afstanden indien: a. een windhaag of een constructie met gelijkwaardige filterende werking wordt gerealiseerd met een minimale hoogte van 2,5 m dan wel; b. op een andere wijze wordt aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor derden bijvoorbeeld omdat sprake is van nieuwe technieken waardoor drift van gewasbeschermingsmiddelen effectief afgeschermd kan worden. Voor het toepassen van de afwijkingsmogelijkheid dient advies ingewonnen te worden bij een milieudeskundige." 25.2.

Artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro luidt als volgt: "Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels." Met deze bepaling wordt de bevoegdheid gecreëerd op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Een afwijkingsregeling kan slechts betrekking hebben op planregels. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden, dient in een afwijkingsregeling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6,

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...

24-5-2017

Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State

pagina 23 van 41

eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro berustende afwijkingsregeling dient dus door voldoende objectieve normen te worden begrensd. 25.3. De raad stelt dat er als gevolg van spuitzones bij fruitteelt geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van woningen van derden mag ontstaan. De als uitgangspunt gehanteerde minimale afstand van 50 m acht de raad in het algemeen toereikend om een aanvaardbaar leefmilieu te garanderen. De raad heeft in de in artikel 4, lid 4.6.4, van de planregels opgenomen mogelijkheid om van deze minimale afstand af te wijken voorzien, omdat het hanteren van een kortere afstand onder omstandigheden voor de bedrijfsvoering van fruitteeltbedrijven noodzakelijk kan zijn. Door de strikte voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning voor de afwijking van de minimale afstand van 50 m kan worden verleend, wordt volgens de raad gegarandeerd dat ter plaatse van woningen van derden sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De raad acht de afwijkingsregeling, die zowel op bestaande als op nieuwe situaties ziet, aanvaardbaar uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. 25.4. De Afdeling stelt voorop dat wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geen wettelijke bepalingen bestaan inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen.

In het kader van een bestemmingsplan dient een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen het telen van fruit en andere gewassen en nabijgelegen gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object kan worden gegarandeerd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1698, wordt een planologische keuze die ziet op een afstand van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk geacht. Dit brengt echter niet met zich dat de raad een kortere afstand in een bepaalde situatie niet toereikend kan achten om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Vermindering van de afstand van 50 m kan aanvaardbaar zijn vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval en na afweging van alle betrokken belangen. De raad heeft in artikel 4, lid 4.6.4, van de planregels in een afwijkingsregeling voorzien. Deze afwijkingsregel betekent dat met een locatiespecifiek onderzoek kan worden aangetoond dat onder de gegeven omstandigheden ook bij het hanteren van een kortere afstand een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een gevoelige functie zoals woningen van derden is gegarandeerd.

Hiertoe dient te worden onderzocht wat in dat specifieke geval de effecten zijn van het plaatsen van een windhaag of een constructie met gelijkwaardige filterende werking of van de benutting van nieuwe spuittechnieken waardoor drift van gewasbeschermingsmiddelen effectief afgeschermd kan worden, en waarbij alle specifieke omstandigheden van het geval zijn betrokken. Als voorwaarde is gesteld dat voor het toepassen van de afwijkingsmogelijkheid advies bij een milieudeskundige dient te worden ingewonnen. Bij het toepassing geven aan de afwijkingsbevoegdheid dient het bevoegd gezag alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen af te wegen. In het kader van een te verlenen omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden gesteld. De Afdeling ziet in de formulering van artikel 4, lid 4.5.3, onder b, van de planregels geen aanknopingspunt dat de afwijkingsregeling uitsluitend op reeds bestaande en niet op nieuwe situaties ziet. In de nota van zienswijzen is, in reactie op zienswijze 12, opgemerkt dat de afwijkingsbevoegdheid in artikellid 4.6.4 ook geldt voor gronden waar op dit moment nog geen fruitteelt plaatsvindt, maar waar dit op grond van de regels van het bestemmingsplan wel zou kunnen. De afwijkingsbevoegdheid dient niet alleen toepasselijk te zijn voor nieuwe spuitzones maar ook voor bestaande.

Uit de in paragraaf 3.3.2.1 van de plantoelichting opgenomen lijst van aanpassingen naar aanleiding van zienswijzen blijkt dat de raad in vereenstemming hiermee er voor heeft gekozen om in artikellid 4.6.4 de nog in het ontwerp opgenomen zinsnede "in het geval van spuitzones" te verwijderen. De Afdeling neemt in aanmerking dat de in de genoemde planregel gebruikte woorden "die in gebruik zijn ten behoeve van de fruitteelt" in het plan niet nader zijn gedefinieerd, zodat uit deze bewoordingen niet voortvloeit dat daarmee uitsluitend bestaande situaties zijn bedoeld. De conclusie is dat de afwijkingsbevoegdheid zowel op bestaande als op nieuwe situaties ziet. Ter zitting heeft de raad gesteld dat ten behoeve van het fruitteeltbedrijf van [bedrijf B] op het perceel [locatie 11] inmiddels een omgevingsvergunning is verleend, volgens welke op grond van verricht onderzoek en met het treffen van voorzieningen een kortere afstand dan 50 m tot een woning van derden mag worden

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...

24-5-2017

Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State

pagina 24 van 41

aangehouden. 25.5. Uit het vorenstaande volgt dat voldoende duidelijk is in welke gevallen en onder welke voorwaarden het college van burgemeester en wethouders tot het verlenen van een omgevingsvergunning mag overgaan en dat daarbij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor derden dient te worden gegarandeerd. Gelet hierop is artikel 4, lid 4.6.4, van de planregels in overeenstemming met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro. Het betoog faalt. Verwijzing naar zienswijzen 26. [appellant sub 4] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 4] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Conclusie 27. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 4] gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het de in artikel 4, lid 4.5.4, onder a, van de planregels opgenomen uitzondering van kuilopslag betreft voor het perceel [locatie 11]. Het beroep van [appellant sub 6A] en anderen 28.

Het beroep van [appellant sub 6A] en anderen is ingesteld door [appellant sub 6A], eigenaar van het perceel [locatie 12], [appellant sub 6B], eigenaar van het perceel [locatie 13] en [appellant sub 6C], eigenaar van het perceel [locatie 14]. Aan het perceel [locatie 12] is in het plan de bestemming "Sport", met de aanduidingen "manege" en "bouwvlak" toegekend. Aan het perceel is tevens de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" toegekend. Aan een deel van het perceel, ten noorden van het bestemmingsvlak met de bestemming "Sport", is de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" toegekend. Aan de gronden ten zuiden van het plandeel met de bestemming "Sport" is in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" de bestemming "Bedrijf" toegekend. Voor het perceel [locatie 13] voorziet het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" in de bestemming "Agrarisch - Rivierzone", de bestemming "Waarde - Archeologie 3" en een bouwvlak. In het thans voorliggende plan is aan een deel van de gronden de bestemming "Waterstaat - Waterkering" toegekend. Voor het perceel [locatie 14] voorziet het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" in de bestemming "Agrarisch", de bestemming "Waarde - Archeologie 3" en een bouwvlak. Ingetrokken beroepsgronden 29. Ter zitting hebben [appellant sub 6A] en anderen een aantal beroepsgronden ingetrokken.

Dit betreft de beroepsgronden die gericht waren tegen de planregeling voor het volkstuinencomplex gelegen aan de Tiendweg, de beroepsgrond dat in de planregels ten onrechte een verplichting is opgenomen om advies in te winnen bij een agrarisch deskundige en een landschapsdeskundige bij het toepassen van afwijkingsbevoegdheden en de beroepsgrond dat onduidelijk is wat in de planregels onder "opslag" wordt verstaan. Procedureel

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...

24-5-2017

Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State

pagina 25 van 41

30. [appellant sub 6A] en anderen betogen dat bij de totstandkoming van het plan niet de juiste procedure is gevolgd. In het plan is niet volstaan met alleen het herstellen van de door de Afdeling in haar uitspraak van 17 september 2014 ten aanzien van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" geconstateerde gebreken, zodat sprake is van een geheel nieuw bestemmingsplan. Gelet hierop is ten onrechte geen voorontwerp ter inzage gelegd, is geen mogelijkheid tot inspraak geboden en is geen overleg gevoerd met maatschappelijke organisaties. 30.1. De Afdeling overweegt dat het tot de beleidsruimte van de raad behoort om bij de vaststelling van een bestemmingsplan bestemmingen voor gronden aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. In hetgeen [appellant sub 6A] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich had dienen te beperken tot een herstel van de in de genoemde uitspraak geconstateerde gebreken. De Wro kent geen verplichting om een voorontwerp van een plan vast te stellen en ter inzage te leggen. Wat betreft het betoog van [appellant sub 6A] en anderen dat ten onrechte eerst na het ontwerpplan wijzigingen in het plan zijn opgenomen, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen ten opzichte van het ontwerp kan aanbrengen.

Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden gevolgd. Niet is gebleken dat de afwijkingen van het ontwerp van het plan naar aard en omvang zo groot zijn dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Gelet hierop heeft de raad hiervoor de wettelijke procedure niet opnieuw hoeven te doorlopen. Er bestond evenmin een verplichting om voorafgaand aan het vaststellen van het plan overleg te voeren met maatschappelijke organisaties. Het betoog faalt. 30.2. Wat betreft het betoog van [appellant sub 6A] en anderen dat voorafgaand aan het vaststellen van het plan niet is voorzien in een mogelijkheid tot inspraak overweegt de Afdeling dat dit betoog feitelijke grondslag mist. Gebleken is dat er tijdens de terinzagelegging van het ontwerpplan een inloopavond is geweest en dat het voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het plan met de Nota van zienswijzen is besproken in de vergadering van het forum Ruimte op 12 oktober 2015, waar [persoon] namens [appellant sub 6A] aanwezig was en ook heeft ingesproken. Het betoog faalt. Inhoudelijke bezwaren De bestemming "Waterstaat - Waterkering" 31.

[appellant sub 6B] betoogt dat aan een deel van zijn perceel [locatie 13] en aangrenzende gronden ten onrechte de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" is toegekend. Dit is volgens hem niet in overeenstemming met de maten die voortvloeien uit de Keur en de Legger van het waterschap. 31.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de bestemming "Waterstaat - Waterkering" is toegekend naar aanleiding van de proactieve aanwijzing van het college van gedeputeerde staten van 10 december 2013 en hetgeen in de uitspraak van de Afdeling ten aanzien van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" dienaangaande is geoordeeld en dat de op de verbeelding vastgelegde bestemming voor de waterkeringen overeenkomt met de grenzen die hiervoor in de Legger en de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden zijn gesteld. In hetgeen [appellant sub 6B] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad uit is gegaan van een onjuiste begrenzing van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" ter plaatse van het perceel [locatie 13] en de aangrenzende gronden.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...

24-5-2017

Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State

pagina 26 van 41

Het betoog faalt. Archeologische waarden 32. [appellant sub 6B] en [appellant sub 6C] kunnen zich niet verenigen met de in het plan vastgelegde beperkingen die strekken tot bescherming van de archeologische waarden van (bebouwde) gronden in het plangebied. 32.1. De raad heeft toegelicht dat de in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" over de archeologische waarden opgenomen planregeling in overeenstemming was met het door de raad in 2011 opgestelde archeologiebeleid, maar in strijd was met het bepaalde in de Monumentenwet 1988. Aangezien bij de vaststelling van het archeologiebeleid niet was onderzocht of bouwvlakken met bebouwing inderdaad geen archeologische waarden konden bevatten, was in de vorige planregeling ten onrechte bepaald dat indien binnen bouwvlakken al bebouwing aanwezig was, deze bouwvlakken bij bouwwerkzaamheden en andere werkzaamheden in de grond vrijgesteld waren van archeologisch onderzoek. Deze "vrijstelling" van archeologisch onderzoek bij bouwvlakken met bebouwing is thans geschrapt. [appellant sub 6B] en [appellant sub 6C] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het schrappen van deze vrijstelling leidt tot een onaanvaardbare beperking van de gebruiksmogelijkheden van hun gronden. Het betoog faalt. Sloopverplichting bij vervolgfuncties 33.

[appellant sub 6B] en [appellant sub 6C] betogen dat de in de planregels opgenomen sloopverplichting van 50 procent voor vervolgfuncties bij voormalige agrarische percelen leidt tot een ernstige waardedaling van hun gronden en afbreuk doet aan het streekkarakter. 33.1. Volgens de raad was de in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor vervolgfuncties bij voormalige agrarische percelen in strijd met de provinciale verordening, omdat daarin geen sloopregeling was opgenomen in geval nieuwe functies in bestaande bebouwing plaatsvinden. Mede naar aanleiding van de proactieve aanwijzing van het college van gedeputeerde staten van 10 december 2013, waarin de raad is opgedragen voor het buitengebied een nieuw bestemmingsplan vast te stellen dat in overeenstemming is met de provinciale verordening, is in het plan voorzien in de regeling als vastgelegd in de artikelen 3, lid 3.7.5, en 4, lid 4.7.5, van de planregels. 33.2. In artikel 3, lid 3.7.5 (bestemming "Agrarisch"), en artikel 4, lid 4.7.5 (bestemming "Agrarisch Rivierzone"), van de planregels is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van een aantal nader genoemde vervolgactiviteiten.

Deze planregeling luidt als volgt: "Voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voor de genoemde vervolgfuncties worden de volgende zaken in de belangenafweging betrokken danwel zijn de volgende voorwaarden van toepassing: "[…]; c. Sloopregeling voor nieuwe functies: 1. met uitzondering van de historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of agrarische bedrijfswoning wordt de oppervlakte van de overige bedrijfsgebouwen gereduceerd met ten minste 50 procent, tenzij: - het gaat om een nieuwe functie die voorziet in een kleinschalige woonzorgvoorziening en er geen nieuwe bebouwing wordt opgericht anders dan ter vervanging van bestaande bebouwing. Nieuwe bebouwing is alleen mogelijk wanneer de nieuwe bebouwing ruimtelijk aanvaardbaar is en deze noodzakelijk is voor een goede zorgverlening; - het gaat om een nieuwe functie die bijdraagt aan recreatieve belevingsmogelijkheden waaraan in het gebied nadrukkelijk behoefte bestaat; - het gaat om de hervestiging van één of enkele bedrijven die op hun oorspronkelijke locatie een ruimtelijk obstakel vormden of de kwaliteit van de leefomgeving ernstig aantasten en die op de nieuwe locatie, nabij de

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...

24-5-2017

Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State

pagina 27 van 41

kern, goed inpasbaar zijn; - het omringende landschap wordt hersteld, de recreatiemogelijkheden worden verbeterd of de waterhuishouding wordt verbeterd; […]". 33.3.

Artikel 4.7 van de provinciale verordening luidt als volgt:

"[…]; 2. Een ruimtelijk plan kan bestemmingen en regels bevatten die bij algehele agrarische bedrijfsbeëindiging of bedrijfsverplaatsing toestaan dat de bedrijfswoning en overige bedrijfsgebouwen een andere bedrijfsmatige functie krijgen, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: […]; b. met uitzondering van de historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of bedrijfswoning wordt de oppervlakte van de overige bedrijfsgebouwen gereduceerd met ten minste 50 procent, tenzij: 1° het gaat om een nieuwe functie die voorziet in een kleinschalige woonzorgvoorziening en er geen nieuwe bebouwing wordt opgericht anders dan ter vervanging van bestaande bebouwing.

Nieuwe bebouwing is alleen mogelijk wanneer de nieuwe bebouwing ruimtelijk aanvaardbaar is en deze noodzakelijk is voor een goede zorgverlening; 2° het gaat om een nieuwe functie die bijdraagt aan recreatieve belevingsmogelijkheden waaraan in het gebied nadrukkelijk behoefte bestaat; 3° het gaat om de hervestiging van één of enkele bedrijven die op hun oorspronkelijke locatie een ruimtelijk obstakel vormden of de kwaliteit van de leefomgeving ernstig aantasten en die op de nieuwe locatie, nabij de kern, goed inpasbaar zijn; 4° het gaat om vestiging van bedrijven die vanwege hun werkzaamheden met zwaar rijdend materieel zich voornamelijk richten op het landelijk gebied; 5° extra natuur wordt gerealiseerd binnen de Groene contour." 33.4. Gelet op het bepaalde in artikel 4.7 van de provinciale verordening heeft de raad in de artikelen 3, lid 3.7.5, en 4, lid 4.7.5, van de planregels voor nieuwe functies voor gronden met de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch - Rivierzone" terecht in een sloopregeling van ten minste 50 procent voorzien.

Wat betreft het betoog van [appellant sub 6B] en [appellant sub 6C] dat dit leidt tot een ernstige waardedaling van hun gronden en afbreuk doet aan het streekkarakter, overweegt de Afdeling dat, wat hier ook van zij, dit de raad niet ontslaat van zijn verplichting om het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen met de provinciale verordening. Het betoog faalt. Vergroten bouwvlak 34. [appellant sub 6C] betoogt dat de raad zijn verzoek ten onrechte niet heeft gehonoreerd om het bouwvlak op zijn perceel [locatie 14] te vergroten, waardoor het mogelijk wordt om een schuur te bouwen en gebruik te maken van zonnepanelen. 34.1. De raad stelt dat het plan voorziet in afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden op grond waarvan het mogelijk is om een agrarisch bouwvlak te vergroten. Om van deze mogelijkheid gebruik te kunnen maken, dient aan een aantal voorwaarden voldaan te worden. Zo dient de vergroting van het bouwvlak noodzakelijk te zijn voor de bedrijfsvoering en mag de vergroting geen onevenredige afbreuk doen aan de landschappelijke waarden. Voor een vergroting van het bouwvlak op het perceel van [appellant sub

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...

24-5-2017

Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State

pagina 28 van 41

6C] bestond geen aanleiding, nu geen sprake was van een concreet bouwplan. 34.1.1. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 6C] betoogt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij het vaststellen van het plan voor het perceel [locatie 14] bij recht in een groter bouwvlak had moeten voorzien. De raad heeft wat betreft de omvang van het bouwvlak aangesloten bij de planregeling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Door [appellant sub 6C] zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan een concreet bouwplan bestond voor de realisatie van een schuur en/of de plaatsing van zonnepanelen. Hij heeft ook niet anderszins aannemelijk gemaakt dat een voornemen daartoe zodanig concreet was dat dit in het plan diende te worden opgenomen. Het betoog faalt.

Beperking gebruik agrarische gronden voor nevenactiviteiten 35. [appellant sub 6A] en anderen hebben in het algemeen gesteld dat het plan voorziet in minder ruime mogelijkheden voor het uitoefenen van nevenfuncties op gronden met een agrarische bestemming ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Zij hebben in dit verband ter zitting alleen gewezen op de mogelijkheid om gronden met een agrarische bestemming te gebruiken voor de nevenfunctie "opslag/stalling van niet agrarische goederen in bestaande bebouwing niet zijnde kassen". De Afdeling overweegt dat blijkens artikel 3, lid 3.1, onder s (bestemming "Agrarisch") en artikel 4, lid 4.1, onder t (bestemming "Agrarisch - Rivierzone") van de planregels het door [appellant sub 6A] en anderen genoemd gebruik is toegelaten als nevenfunctie tot een maximale omvang van 300 m². Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" was de opslag/stalling van niet-agrarische goederen in bestaande bebouwing niet zijnde kassen toegelaten tot een maximale omvang van 500 m². Dit blijkt uit de tabel bij artikel 38, lid 38.4.1, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Gelet op het voorgaande is het juist dat het plan in zoverre leidt tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012".

[appellant sub 6A] en anderen hebben niet toegelicht in hoeverre zij feitelijk worden geraakt door deze beperking van het nevengebruik van agrarische gronden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van de gronden van [appellant sub 6A] en anderen. Bij dit oordeel is van belang dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Uit de reactienota zienswijzen, bij zienswijze 13 van de provincie Utrecht, blijkt dat de raad om te kunnen voldoen aan de in de provinciale verordening 2013 gestelde eisen de keuze heeft gemaakt om de toegestane oppervlakten van de nevenfuncties terug te brengen naar 300 m². De ruimere matvoering in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2012" was gebaseerd op de provinciale ruimtelijke verordening 2009. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee de gewijzigde keuze voldoende gemotiveerd. Het betoog faalt. Planregeling perceel [locatie 12] 36. [appellant sub 6A] betoogt dat het bestemmingsvlak met de bestemming "Sport" voor het perceel [locatie 12] onjuist is vastgelegd.

De op dit perceel gesitueerde rijbakken en mestopslag zijn buiten het bestemmingsvlak gesitueerd. De situering van het bestemmingsvlak dient te worden gewijzigd, aldus [appellant sub 6A].

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...

24-5-2017

Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State

pagina 29 van 41

36.1. Volgens de raad is het bestemmingsvlak op het perceel [locatie 12] niet juist ingetekend. De rijbakken en mestopslag zijn thans gedeeltelijk buiten het bestemmingsvlak gesitueerd, hetgeen de raad niet heeft beoogd. 36.2. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Sport" voor het perceel [locatie 12] niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt. 37. [appellant sub 6A] betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft voorzien in uitbreidingsmogelijkheden voor zijn bedrijfsloods op het perceel [locatie 12]. Hij wenst zijn bedrijfsloods ter plaatse uit te breiden tot een oppervlakte van 460 m². 37.1. De raad wijst erop dat het gemeentelijk en provinciaal beleid erop is gericht geen nieuwe agrarische bedrijven, of de uitbreiding daarvan, toe te laten in het buitengebied, omdat dit leidt tot een toename van ongewenste verstening. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit beleid onredelijk is, zodat de raad in redelijkheid het verzoek van [appellant sub 6A] om uitbreiding van de niet-agrarische loods op het perceel [locatie 12] op grond hiervan heeft kunnen afwijzen. Het betoog faalt. Conclusie 38.

Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 6A] en anderen gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover niet is voorzien in de bestemming "Sport" voor de gronden van het perceel [locatie 12] waarop de bestaande rijbakken en mestopslag feitelijk zijn gesitueerd. Het beroep van Zeil-Doek B.V. 39. Zeil-Doek B.V. exploiteert een zeilmakerij op het perceel Willeskop 85b. Zij kan zich niet met het plan verenigen voor zover het betreft de planregeling voor de gronden van haar buitenterrein. 40. Zeil-Doek B.V. betoogt dat het buitenterrein van haar perceel Willeskop 85b ten onrechte niet mede is bestemd voor haar zeilmakerij-activiteiten. Zij voert hiertoe aan dat zij vanaf 2001 op haar gronden een zeilmakerij exploiteert. Dit gebruik viel volgens haar onder de werking van het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied Montfoort, 1e herziening", vastgesteld in 2009. Volgens Zeil-Doek B.V. heeft de raad, naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3390, beoogd het bestaande gebruik van haar perceel als zodanig te bestemmen, met dien verstande dat dit gepaard zou gaan met een zogeheten uitsterfregeling.

In het plan is echter alleen de zeilmakerij, voor zover die wordt uitgeoefend in de bestaande bebouwing op het zuidelijke deel van het perceel, als zodanig bestemd. De gronden van het buitenterrein mogen niet worden gebruikt voor de zeilmakerij. Het bestaande gebruik van het buitenterrein voor onder meer laden en lossen en parkeren ten behoeve van de zeilmakerij alsook voor het doormeten en controleren van de zeilen, is ten onrechte niet als zodanig bestemd. Volgens Zeil-Doek B.V. viel ook het gebruik van het buitenterrein voor de zeilmakerij onder de werking van het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied Montfoort 1e herziening". Zeil-Doek B.V. wijst er op dat in het ontwerpplan ook het buitenterrein bestemd was voor de zeilmakerij-activiteiten. De planregeling van het ontwerpplan had daarom niet gewijzigd mogen worden. De omstandigheid dat de gronden van het buitenterrein thans niet gebruikt mogen worden voor activiteiten die gerelateerd zijn aan de zeilmakerij heeft tot gevolg dat het toegelaten - gebruik van de bebouwing voor de zeilmakerij dermate ernstig wordt beperkt dat een reële bedrijfsuitoefening niet langer mogelijk is, aldus Zeil-Doek B.V.. 40.1. Volgens de raad is met de planregeling voor het perceel van Zeil-Doek B.V. op een deugdelijke wijze uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2014. De zeilmakerij in de bestaande

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...

24-5-2017

Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State

pagina 30 van 41

bebouwing op het perceel, met een oppervlakte van 336 m², is als zodanig bestemd, met dien verstande dat voorzien is in een zogeheten uitsterfregeling. Op het buitenterrein zijn geen activiteiten toegelaten die gerelateerd zijn aan de zeilmakerij. Anders dan Zeil-Doek B.V. stelt, had het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied Montfoort 1e herziening" geen betrekking op het buitenterrein. De door ZeilDoek B.V. gewenste planregeling zou volgens de raad inhouden dat de bestaande zeilmakerij - al dan niet vergunningvrij - kan uitbreiden, hetgeen in strijd is met het gemeentelijk beleid. Het beleid is er op gericht geen nieuwe niet-agrarische bedrijven, of de uitbreiding van bestaande bedrijven, toe te laten in het buitengebied. Daartoe zijn voldoende mogelijkheden op bedrijventerreinen, aldus de raad. 40.2. Aan het perceel Willeskop 85b is blijkens het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", bezien in samenhang met het plan, de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" toegekend, met de aanduiding bouwvlak. Op het oostelijke deel van het perceel, ter plaatse van het bestaande gebouw dat feitelijk in gebruik is voor de zeilmakerij, is in het plan de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - uitsterfregeling" toegekend. Artikel 4, lid 4.1, van de planregels luidt als volgt: "De voor "Agrarisch - Rivierzone" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

volwaardige veehouderijbedrijven, fruitteelt-, sierteelt- en tuinbouwbedrijven; b. akkerbouwbedrijven en intensieve veehouderij, uitsluitend als nevenactiviteit; c. volwaardige productiegerichte paardenhouderijen met de bijbehorende voorzieningen; […] r. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - uitsterfregeling" geldt dat tevens het gebruik voor een zeilmakerij is toegestaan met in acht name van het bepaalde in artikel 4, lid 4.5.6 van de planregels; s. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals verhardingen, laad- en losvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groen, water en nutsvoorzieningen; […]." Lid 4.5.6 luidt als volgt: "In aanvulling op het bepaalde in artikel 4, lid 4.1, geldt ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - uitsterfregeling" het volgende: a. deze gebouwen met een oppervlakte van 336 m² zijn in strijd met het bestemmingsplan in gebruik genomen als zeilmakerij; uitsluitend dit gebruik mag worden voortgezet; b. uitbreiding van de bestaande gebouwen ten behoeve van het gebruik als zeilmakerij is niet toegestaan; c. indien het gebruik als zeilmakerij gedurende één jaar of langer is gestaakt, is dit gebruik voor zeilmakerij niet meer toegestaan." 40.3.

De Afdeling heeft in 9.7 van haar uitspraak van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3390, als volgt overwogen: "Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de gebouwen op het perceel Willeskop 85b in 2001 in gebruik zijn genomen als zeilmakerij. Nu de gebouwen ten tijde van het rechtskracht verkrijgen van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Montfoort, 1e herziening" uit 2009 als zeilmakerij in gebruik waren, is dit gebruik gelet op hetgeen is bepaald in artikel 34 van de voorschriften van het voorgaande bestemmingsplan onder het algemene gebruiksovergangsrecht van dat bestemmingsplan gevallen. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit gebruik, zonder nadere regeling, gelet op het bepaalde in artikel 43, lid 43.2, aanhef en onder a, van de planregels, wederom onder het algemene gebruiksovergangsrecht zou komen te

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...

24-5-2017

Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State

pagina 31 van 41

vallen in dit plan, en dat dit slechts onder bijzondere omstandigheden is toegestaan. Voorts acht de Afdeling het standpunt van de raad dat het vanuit ruimtelijk oogpunt onwenselijk is het gebruik als zodanig te bestemmen, niet onredelijk. Daarbij heeft de raad zijn beleid, dat erop is gericht de vestiging van nietagrarische bedrijven in het buitengebied tegen te gaan, in aanmerking kunnen nemen. De Afdeling begrijpt het betoog verder aldus dat de raad in overweging had moeten nemen of een zogenoemde uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 22 augustus 2012 in zaak nr. 201101467/1/R2 (www.raadvanstate.nl) had het op de weg van de raad gelegen om te overwegen of in het voorliggende plan voor het onderhavige geval een uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen in plaats van persoonsgebonden gebruiksovergangsrecht. Een dergelijke uitsterfregeling kan bijvoorbeeld inhouden dat de zeilmakerij als zodanig wordt bestemd, maar dat op het moment dat het gebruik als zeilmakerij wordt beëindigd, dit hierna niet meer is toegelaten. Een dergelijk uitsterfregeling is niet persoonsgebonden en biedt meer rechtszekerheid. Nu de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of in het onderhavige geval in het plan een uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen, berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

Het betoog slaagt." 40.4. Uit artikel 4, lid 4.5.6, van de planregels blijkt dat de uitsterfregeling voor de zeilmakerij alleen ziet op het gebruik van de bebouwing ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - uitsterfregeling". Het gebruik van de gronden van het buitenterrein voor activiteiten die gerelateerd zijn aan de zeilmakerij is niet toegelaten. In artikel 4, lid 4.1, onder s, van de planregels staat weliswaar dat de gronden met de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" mede zijn bestemd voor de "bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals verhardingen, laad- en losvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groen, water en nutsvoorzieningen", maar dit heeft betrekking op een medegebruik dat gerelateerd is aan de agrarische bestemming. 40.5. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de hiervoor weergegeven overweging van de Afdeling uit de uitspraak van 17 september 2014 niet volgt dat (ook) het gebruik van het buitenterrein van het perceel Willeskop 85b onder de werking van het overgangsrecht van het bestemmingsplan ""Buitengebied Montfoort, 1e herziening" uit 2009 viel. Deze overweging heeft immers alleen betrekking op het gebruik van de gebouwen op het perceel. De Afdeling heeft zich in zoverre niet uitgelaten over het gebruik van het buitenterrein. 40.6. Bij brief van 6 januari 2017 heeft Zeil-Doek B.V.

zijn beroep aangevuld, waarbij hij foto’s heeft overgelegd van het buitenterrein van zijn perceel Willeskop 85a. Uit deze foto’s blijkt dat op het buitenterrein tenten en/of onderdelen daarvan worden gestald/opgeslagen. Volgens Zeil-Doek B.V. blijkt hieruit dat ook het buitenterrein in het verleden is gebruikt in het kader van de exploitatie van de zeilmakerij. Voor zover ZeilDoek B.V. met deze foto’s heeft beoogd aannemelijk te maken dat ook het gebruik van het buitenterrein onder de werking van het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied Montfoort, 1e herziening uit 2009" viel, overweegt de Afdeling dat hiertoe is vereist dat sprake is van (een onafgebroken) gebruik dat is aangevangen voor de inwerkingtreding van genoemd bestemmingsplan (in 2010). Aan de hand van de overgelegde - ongedateerde - foto’s kan niet worden vastgesteld wanneer deze zijn gemaakt. Ook heeft ZeilDoek B.V. anderszins niet aannemelijk gemaakt dat de foto’s zijn gemaakt voor de genoemde peildatum. 40.7. Gelet op het voorgaande is de Afdeling is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van het buitenterrein ten behoeve van de zeilmakerij niet werd beschermd door het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied Montfoort, 1e herziening" uit 2009. Het betoog faalt. 40.8. Wat betreft het standpunt van Zeil-Doek B.V.

dat in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" voorzien was in persoonsgebonden overgangsrecht voor het gebruik van het gehele perceel - dus met inbegrip van het buitentterrein - voor de zeilmakerij, overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied" 2012" was aan het perceel Willeskop 85b de bestemming "Agrarisch - Rivierzone", met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend. Hoewel de verbeelding de indruk wekt dat het persoonsgebonden overgangsrecht ook zag op het buitenterrein, was dit naar het oordeel van de Afdeling niet het geval. In artikel 46, derde lid, onder 1, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" was namelijk bepaald dat: "[v]oor de gebouwen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - persoonsgebonden overgangsrecht" geldt dat

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...

24-5-2017

Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State

pagina 32 van 41

deze in strijd met het bestemmingsplan in gebruik zijn genomen als zeilmakerij. Dit gebruik mag worden voortgezet door diegene die de gebouwen gebruikt als zeilmakerij ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan. Uitbreiding van de bestaande gebouwen is niet toegestaan. Zodra het gebruik van de gebouwen als zeilmakerij door de bestaande gebruiker wordt beëindigd, vervalt het recht op het gebruik van deze gebouwen als zeilmakerij. Als bestaande gebruiker wordt aangemerkt de rechtspersoon die op het moment van het van kracht worden van deze regels in het kadaster als eigenaar en/of gebruiker van de gronden, waarop de gebouwen zich bevinden, staat ingeschreven." Het betoog faalt. 40.9. De raad heeft het verzoek van Zeil-Doek B.V. om (ook) voor het buitenterrein te voorzien in een uitsterfregeling voor de zeilmakerij-activiteiten afgewezen met een beroep op het gemeentelijk beleid dat erop is gericht de vestiging of uitbreiding van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied tegen te gaan. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 14 september 2014 geoordeeld dat dit beleid - in het algemeen - niet onredelijk is.

De Afdeling is evenwel van oordeel dat de raad, nu hij vanwege de werking van het overgangsrecht was genoodzaakt het bestaande gebruik van de bebouwing voor de zeilmakerij te respecteren, niet inzichtelijk heeft gemaakt welke gevolgen het onverkort toepassen van dit beleid heeft voor de bedrijfsvoering van Zeil-Doek B.V.. De Afdeling wijst in dit verband in het bijzonder op hetgeen Zeil-Doek B.V. heeft gesteld over het volgens haar noodzakelijke gebruik van het buitenterrein voor het laden en lossen van goederen en het doormeten en controleren van de zeilen. Het staat niet bij voorbaat vast dat een reële exploitatie van de zeilmakerij mogelijk is, indien het gebruik van (een deel van) het buitenterrein voor deze activiteiten is uitgesloten. De raad dient nader te onderzoeken of deze activiteiten ook elders kunnen worden uitgevoerd, bijvoorbeeld binnen de daartoe bestemde bebouwing, zodat het gebruik van het buitenterrein in zoverre niet noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Indien de raad tot de conclusie komt dat het gebruik van het buitenterrein noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering, dan dient hij de planregeling voor het perceel Willekop 85b in zoverre te wijzigen. De raad kan in dat geval volstaan met een zo gering mogelijke verruiming van de gebruiksmogelijkheden voor het buitenterrein.

Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat slechts op een deel van het buitenterrein alleen die activiteiten zijn toegelaten die strikt noodzakelijk zijn voor een reële bedrijfsvoering. Het betoog slaagt. 40.10. Gelet op het voorgaande is het beroep van Zeil-Doek B.V. gegrond. Het bestreden besluit dient, nu niet is onderzocht - en zo ja, in hoeverre - gebruik van het buitenterrein noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover niet is voorzien in een uitsterfregeling voor (een deel van) het buitenterrein van het perceel Willeskop 85a ten behoeve van de zeilmakerij. Ter voorlichting van de raad wordt opgemerkt dat uit deze omschrijving van het vernietigde besluitonderdeel niet noodzakelijkerwijs volgt dat de raad ook voor het buitenterrein moet voorzien in een uitsterfregeling voor de zeilmakerij-activiteiten. Zoals hiervoor in 40.9 is overwogen is een verruiming van de uitsterfregeling uitsluitend aan de orde indien de raad na nader onderzoek tot de conclusie komt dat een reële exploitatie van de zeilmakerij van Zeil-Doek B.V. vergt dat ook (een deel van) het buitenterrein daartoe kan worden gebruikt. Het beroep van [appellant sub 5] 41. [appellant sub 5] is eigenaar van het perceel [locatie 15].

Zijn beroep is gericht tegen de planregeling voor het perceel direct ten westen van zijn perceel, lokaal (eveneens) bekend als [locatie 15]. Deze gronden zijn eigendom van [appellant sub 7]. Ook [appellant sub 7] komt in beroep op tegen de planregeling voor zijn (eigen) perceel. Het beroep van [appellant sub 7] zal hierna worden besproken. [appellant sub 5] kan zich niet verenigen met het als zodanig bestemmen van de bestaande paardenbak, longeercirkel en twee paddocks op het perceel [locatie 15]. De gronden van [appellant sub 7] waren tot 2006 eigendom van [appellant sub 5]. [appellant sub 5] heeft een deel van zijn gronden verkocht aan [appellant sub 7]. Zowel [appellant sub 5] als [appellant sub 7] exploiteren op hun onderscheidenlijke percelen een (productgerichte) paardenhouderij. 42. [appellant sub 5] betoogt dat de raad ten onrechte de bestaande illegale bouwwerken op het perceel van [appellant sub 7] als zodanig heeft bestemd. Het betreft een paardenbak, longeercirkel en twee paddock [appellant sub 7] heeft deze voorzieningen gerealiseerd buiten het bouwvlak op zijn gronden. Volgens [appellant sub 5] leidt het als zodanig bestemmen van de genoemde bouwwerken tot een aantasting van zijn

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...

24-5-2017

Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State

pagina 33 van 41

woon- en leefgenot. [appellant sub 5] voert verder aan dat het als zodanig bestemmen van de paardenbak leidt tot een aantasting van de landschappelijke waarden van de omgeving. In dit verband is volgens [appellant sub 5] van belang dat op de gronden van [appellant sub 7] en zijn eigen gronden oorspronkelijk één agrarisch bedrijf was gevestigd. De paardenbak bij dat bedrijf is thans gesitueerd op de gronden van [appellant sub 5]. Het plan is volgens [appellant sub 5], wat betreft de paardenbak, in strijd met het door de raad gehanteerde uitgangspunt dat paardenbakken een maximale oppervlakte van 800 m² mogen hebben. De paardenbak op het perceel van [appellant sub 7] heeft een oppervlakte van ongeveer 900 m², aldus [appellant sub 5]. 42.1. Volgens de raad zijn bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" de bestaande paardenbak, longeercirkel en twee paddocks op de gronden van [appellant sub 7] per abuis niet als zodanig bestemd. Thans is deze omissie hersteld, gelet ook op hetgeen de Afdeling heeft geoordeeld in haar uitspraak van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3390. Daartoe is aan de gronden van [appellant sub 7], waarop feitelijk de genoemde bouwwerken zijn gesitueerd, de aanduiding "specifieke vorm van recreatie paardenbak" toegekend. De raad stelt dat hij als beleid hanteert dat nieuwe paardenbakken een maximale oppervlakte van 800 m² mogen hebben.

Bij bestaande paardenbakken wordt als uitgangspunt genomen de bestaande oppervlakte, hetgeen in een aantal gevallen ertoe heeft geleid dat paardenbakken met een oppervlakte van meer dan 800 m² als zodanig zijn bestemd, aldus de raad. 42.2. Aan de gronden van [appellant sub 7] is de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" toegekend. Aan ongeveer twee derde deel van het bestemmingsvlak is tevens de aanduiding "specifieke vorm van recreatie paardenbak" toegekend. Artikel 4, lid 4.1 van de planregels, luidt als volgt: "De voor "Agrarisch - Rivierzone" aangewezen gronden, zijn bestemd voor: a. volwaardige veehouderijbedrijven, fruitteelt-, sierteelt- en tuinbouwbedrijven; […]; o. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - paardenbak": tevens voor een paardenbak met de bijbehorende voorzieningen zoals longeercirkels en paardencarrousels, paddocks, stap- en trainingsmolens; […]." Artikel 4, lid 4.5 ,luidt als volgt: "Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: 4.5.1 Paardenbakken a. paardenbakken en andere aan paardensport gerelateerde voorzieningen, zoals longeercirkels, paardencarrousels, paddocks, stap- en trainingsmolens, zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan, met uitzondering van dergelijke paardenbakken ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie paardenbak"; […]; c.

een paardenbak dient landschappelijk te worden ingepast aan de hand van een door de landschapsdeskundige goedgekeurd beplantingsplan; […]; g. de oppervlakte van een paardenbak bedraagt ten hoogste 800 m², met dien verstande dat, indien ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan de oppervlakte van een paardenbak meer bedraagt dan 800 m², de afwijkende oppervlaktemaat wordt gezien als maximaal toelaatbaar."

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...

24-5-2017

Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State

pagina 34 van 41

42.3. De Afdeling heeft in 7.3 van haar uitspraak van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3390, als volgt overwogen: "Niet in geschil is dat voor de paardenbak geen bouw- of omgevingsvergunning is verleend. Dit neemt niet weg dat de raad bij de vaststelling van het plan diende te beoordelen of de aanwezigheid van de paardenbak vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niettemin aanvaardbaar is. In dit verband acht de Afdeling van belang dat de raad de exploitatie van een productiegerichte paardenhouderij door [appellant sub 7] op het perceel op zichzelf aanvaardbaar acht. De raad heeft bovendien ter zitting gesteld dat hij een paardenbak als een noodzakelijke voorziening voor een paardenhouderij beschouwt, nu een paardenbak nodig is voor het africhten en trainen van paarden. De raad heeft evenwel niet onderbouwd waarom een regeling in het plan voor de paardenbak vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is. Naar het oordeel van de Afdeling is het bestreden besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Het betoog slaagt." 42.4. De Afdeling overweegt dat het plan, wat betreft de planregeling voor het perceel van [appellant sub 7], gewijzigd is vastgesteld naar aanleiding van de door [appellant sub 7] naar voren gebrachte zienswijze tegen het ontwerpplan.

Het ontwerpplan strekte niet tot het als zodanig bestemmen van de paardenbak, longeercirkels en twee paddocks. In reactie op de zienswijze van [appellant sub 7] heeft de raad besloten de paardenbak, longeercirkel en twee paddocks alsnog als zodanig te bestemmen. In de plantoelichting staat met betrekking tot de planregeling voor de gronden van [appellant sub 7] dat het gemeentelijk ruimtelijk ordeningsbeleid gericht is op het behoud van de doorzichten en op het bouwen evenwijdig aan de kavelrichting. Met het toekennen van bouwvlakken is hiermee rekening gehouden en er is bepaald dat bebouwing en ook paardenbakken binnen het bouwvlak moeten worden gerealiseerd. Binnen het betreffende bouwvlak is reeds een paardenbak aanwezig. Er was geen aanleiding om in het ontwerpbestemmingsplan, de buiten het bouwvlak aangelegde paardenbak [lees: van [appellant sub 7]] positief te bestemmen. Naar aanleiding van ingediende zienswijzen is de paardenbak bij gewijzigde vaststelling alsnog positief bestemd. Aan het plandeel is de bestemming "Agrarisch-Rivierzone" toegekend en - bij gewijzigde vaststelling - de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - paardenbak", aldus staat verder in de plantoelichting. 42.5.

De keuze van de raad om op het perceel van [appellant sub 7] een paardenbak toe te laten, als voorziening bij zijn productiegerichte paardenhouderij, is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat een paardenbak op het perceel van [appellant sub 7], met een (standaard)oppervlakte van maximaal 800 m² leidt tot een ernstige aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Van belang is dat het perceel van [appellant sub 7] reeds was bestemd voor een (productiegerichte) paardenhouderij en dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat een paardenbak noodzakelijk is voor de exploitatie daarvan. De raad heeft echter in het bestreden besluit, noch ter zitting, een verantwoording gegeven van zijn keuze de bestaande paardenbak van [appellant sub 7] in zijn feitelijke omvang als zodanig te bestemmen. Hierbij is van belang dat de paardenbak op de gronden van [appellant sub 7] een in planologisch oogpunt nieuwe ontwikkeling betreft en dat de raad als beleidsuitgangspunt hanteert dat nieuwe paardenbakken worden toegelaten tot een maximale oppervlakte van 800 m². De raad heeft niet nader onderbouwd waarom in het geval van [appellant sub 7] een paardenbak met een grotere oppervlakte dan 800 m² noodzakelijk is, gelet ook op de ruimtelijke gevolgen van een dergelijke planologische keuze.

Ook de beslissing van de raad de bestaande longeercirkel en twee paddocks op het perceel van [appellant sub 7] als zodanig te bestemmen ontbeert een ruimtelijke onderbouwing, Het betoog slaagt. 43. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 5] gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - paardenbak" ter plaatse van de bestaande paardenbak, voor zover deze de oppervlakte van 800 m² overschrijdt. Het bestreden besluit dient voorts te worden vernietigd voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - paardenbak" ter plaatse van de bestaande longeercirkel en twee paddocks. Het beroep van [appellant sub 7]

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...

24-5-2017

Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State

pagina 35 van 41

44. [appellant sub 7] is eigenaar van het westelijke deel van het perceel [locatie 15]. Ter plaatse exploiteert hij een productiegerichte paardenhouderij. Hij kan zich niet met het plan verenigen, omdat volgens hem het plan leidt tot een ernstige beperking van de gebruiksmogelijkheden van zijn gronden. 45. Ter zitting heeft [appellant sub 7] zijn beroepsgrond dat een bijgebouw in het noorden van zijn perceel ten onrechte niet als zodanig is bestemd, ingetrokken. De Afdeling overweegt ten overvloeide dat het bedoelde bijgebouw in het noorden van het perceel als zodanig is bestemd door middel van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding: gebouw". [appellant sub 7] heeft verder ter zitting gesteld dat zijn betoog dat de paardenbak, longeercirkel en twee paddocks op zijn perceel ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd berust op een onjuiste lezing van de planregeling. De Afdeling stelt vast dat de genoemde bouwwerken als zodanig zijn bestemd. De planregeling voor het perceel van [appellant sub 7], wat betreft het als zodanig bestemmen van de paardenbak, voor zover deze de oppervlakte van 800 m² overschrijdt, longeercirkel en twee paddocks, wordt evenwel vernietigd als gevolg van het beroep van [appellant sub 5]. 46. De Afdeling stelt vast dat, anders dan [appellant sub 7] heeft betoogd, het ontwerpplan te raadplegen is op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.

Het betoog faalt. 47. Wat betreft het betoog van [appellant sub 7] dat de raad in het plan ten onrechte meer heeft geregeld dan uit de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2014 voortvloeit, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan bestemmingen moet aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. In hetgeen [appellant sub 7] betoogt ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij het vaststellen van het plan zich had dienen te beperken tot de door de Afdeling in genoemde uitspraak gegeven opdracht(en). Het betoog faalt. 48. [appellant sub 7] betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt. 49. Het betoog van [appellant sub 7] dat de plantoelichting onduidelijk is volgt de Afdeling niet.

De plantoelichting beperkt zich tot de wijzigingen die in het bestreden besluit zijn doorgevoerd ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" en dient in zoverre gezien te worden als een aanvulling op de plantoelichting van dat bestemmingsplan. Wat betreft het niet nader geconcretiseerde betoog van [appellant sub 7] dat de raad geen verantwoording heeft gegeven van de planregeling met betrekking tot de zogenoemde "kleinschalige initiatieven" overweegt de Afdeling dat deze in het plan voorziene kleinschalige ontwikkelingen worden toegelicht in paragraaf 2.3 van de plantoelichting. Het betoog faalt. 50. Wat betreft het betoog van [appellant sub 7] dat de plansystematiek onduidelijk is, overweegt de Afdeling als volgt. Het plan betreft een aanvulling en/of wijziging van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Voor de vaststelling van de geldende planregeling voor gronden in het plangebied dienen de verbeeldingen bij beide genoemde bestemmingsplannen in samenhang te worden bezien. De gekozen plansystematiek doet

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...

24-5-2017

Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State

pagina 36 van 41

weliswaar enigszins afbreuk aan het "gebruiksgemak", maar dit betekent niet dat sprake is van een rechtsonzekere situatie. Wat betreft de planregels geldt dat de raad de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" als uitgangspunt heeft genomen. Door middel van "doorhalingen" en gekleurde markeringen is weergegeven in hoeverre de planregels zijn gewijzigd ten opzichte van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Hoewel de lezing van de (gewijzigde) planregels in zoverre meer inspanning vergt, zijn deze niet onduidelijk. Het betoog faalt. 51. Wat betreft het betoog van [appellant sub 7] dat de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan ten onrechte alleen zijn opgenomen in de (gewijzigde) "Nota van wijzigingen", maar niet tevens in het vaststellingsbesluit, overweegt de Afdeling dat de "Nota van wijzigingen" deel uitmaakt van het vaststellingsbesluit. In het vaststellingsbesluit van 26 oktober 2015 staat dat "de raad besloten heeft in te stemmen met de gewijzigde Nota van zienswijzen bestemmingsplan 1e Herziening Buitengebied 2012".

Ook uit de in paragraaf 3.3.2.1 van de plantoelichting opgenomen lijst van aanpassingen naar aanleiding van zienswijzen blijkt dat de raad naar aanleiding van de zienswijze heeft besloten om ter plaatse van de paardenbak en andere voorzieningen op het perceel [locatie 15] de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - paardenbak" op te nemen. Het betoog faalt. 52. Het betoog van [appellant sub 7] dat onduidelijk is wat in het plan onder "paardenbak" wordt verstaan, slaagt niet. Een paardenbak is in artikel 1, lid 50, van de planregels gedefinieerd als: "een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining". [appellant sub 7] heeft niet nader toegelicht waarom deze definitie onduidelijk zou zijn. Het betoog faalt. 53. Voor zover [appellant sub 7] betoogt dat het plan, gelet op de definitie van het begrip "bedrijfswoning", ten onrechte toelaat dat bedrijfswoningen in gebruik worden genomen zonder dat tevens sprake is van de exploitatie van een agrarisch bedrijf, derhalve als burgerwoning, overweegt de Afdeling als volgt.

Blijkens artikel 1, lid 1.16, van de planregels wordt in het plan onder bedrijfswoning verstaan: "een woning in of bij een bedrijf, die slechts bewoond mag worden door (het huishouden van) een persoon die werkzaam is bij het bedrijf". Hieruit blijkt naar het oordeel van de Afdeling dat een bedrijfswoning uitsluitend bewoond mag worden door personen die betrokken zijn bij de exploitatie van een (agrarisch) bedrijf. Het plan laat niet toe dat bedrijfswoningen worden bewoond door derden, die niet betrokken zijn bij de exploitatie van het bijbehorende (agrarische) bedrijf. Het betoog faalt. 54. [appellant sub 7] betoogt dat het plan leidt tot een ernstige beperking van de gebruiksmogelijkheden van zijn gronden, nu op de gronden met een agrarische bestemming, anders dan in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" uitsluitend het bedrijfsmatig houden van paarden is toegelaten, waarbij tevens sprake dient te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf. Het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" stond ter plaatse zowel het bedrijfsmatig als het hobbymatig houden van paarden toe. Bovendien werd in het geval van het bedrijfsmatig houden van paarden niet de eis van volwaardigheid gesteld, aldus [appellant sub 7]. 54.1. Aan de gronden van [appellant sub 7] is in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" toegekend. In het plan is dit niet gewijzigd.

De met deze bestemming corresponderende bestemmingsomschrijving is wel gewijzigd ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Blijkens artikel 1, lid 7, van de planregels, wordt onder "agrarisch bedrijf" verstaan: "een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van landbouwhuisdieren; onder agrarische bedrijven worden tevens begrepen boomteeltbedrijven,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Montfoort&id=51a123ab-4cf5-4b3f-8889-90a598e00b08