1053141 Bijlage 3 Toelichting bestemmingsplan Scholencomplex Montfoort.pdf
Tekst van het document
Er zit een spreiding in en door de vorm van het perceel is het aannemelijk dat zeker voor een deel van de schoolpleinen het schoolgebouw als geluidsbuffer tussen de schoolpleinen en de omliggende woningen. Het bestemmingsplan voorziet in een regeling van nadere eisen hiervoor. Het college kan nadere voorwaarden opleggen voor wat betreft de situering van gebouwen en buitenruimten om overlast te beperken.
24
Geluid tennisbanen en hockeyvelden Door de ligging van het nieuwe Kindcentrum nabij sportvelden is een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege de sportvelden uitgevoerd (22 juni 2021, Royal Haskoning DHV, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Voor een “Goede Ruimtelijke Ordening” worden de volgende maximaal toelaatbare geluidsniveaus op de gevels van het scholencomplex gedefinieerd:
• •
Geluidsbelasting maximaal 55 dB(A). Piekgeluidsniveau maximaal 75 dB(A).
De normen worden vanwege de hockeyclub met maximaal 5 dB, respectievelijk 7 dB overschreden. Maatgevend zijn dus de piekgeluidsniveaus. De overschrijdingen worden veroorzaakt door publiekgeluid en de scheidsrechtersfluit. De normen worden vanwege de tennisbanen overschreden met maximaal respectievelijk 10 dB en 7 dB. Indien het scholencomplex is voorzien in de gebieden waar een overschrijding wordt berekend, moeten maatregelen worden getroffen in de vorm van een dove gevel/vliesgevel, en/of het plaatsen van aanvullende schermen. De volgende maatregelen overwogen moeten worden:
•
de noord-, oost (deels) - en westgevel als doof (zonder te openen delen) uitvoeren, danwel voorzien van een vliesgevel of geluidscherm;
•
het vergroten van de afstand tot de hockey- en tennisvelden.
De indirecte hinder als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van de sportverenigingen voldoet aan de voorkeurswaarden uit de Schrikkelcirculaire. In de regels van het voorliggende bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het uitvoeren van de noord-, oost- (deels) en westgevel als dove gevel uitgevoerd dient te worden. Lichthinder tennisbanen en hockeyvelden De naastgelegen sportvelden kunnen mogelijk lichthinder veroorzaken. Derhalve is in het kader van de Wet milieubeheer een onderzoek naar lichthinder van deze sportvelden uitgevoerd (3 mei 2021, Royal Haskoning DHV, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Er zijn twee parameters die bij de beoordeling van de lichthinder in dit geval van toepassing zijn:
• •
de verlichtingssterkte op het gevelvlak; de lichtsterkte in de relevante kijkrichting van de waarnemer.
De verticale verlichtingssterkte mag tussen 19.00 en 23.00 uur maximaal 10 lux bedragen. De lichtsterkte per armatuur mag tussen 7.00 en 23.00 uur niet meer bedragen dan 2.500 cd. Op de grenzen van het plangebied wordt met een potentiële gebouwhoogte van 12 meter de verticale verlichtingssterkte en lichtsterkte op de waarnemers overschreden. Alleen het linkerdeel van de oostgevel voldoet aan de gestelde eisen. De overschrijdingen (en daarmee de kans op lichthinder) is voornamelijk aanwezig aan de west- en noordzijde van het gebouw en voor een deel aan de oostzijde. De afstand van de zuidgrens van het perceel en de voetbalvelden aan de overzijde van de straat is 40 meter. Deze afstand is aanzienlijk groter, waardoor overschrijdingen niet waarschijnlijk zullen zijn. Voor de hockeyvelden en tennisbanen kunnen de volgende maatregelen worden getroffen om de kans op lichthinder te beperken:
• •
Het positioneren van het gebouw in de zuidoosthoek van het plangebied. De noordgevel kan worden teruggelegd tot 50 meter uit de erfgrens of kan worden uitgevoerd als blinde gevel.
25
•
De westgevel kan worden teruggelegd tot 15 meter uit de erfgrens. Om overschrijdingen aan de linkerzijde van de westgevel te voorkomen kan een afstand van 15 meter tot de noordelijke erfgrens aangehouden worden.
• •
Om overschrijdingen op de onderste verdieping te voorkomen kan een scherm geplaatst worden. Plaatsen van afscherming nabij de armaturen of vervangen van lampen met een lagere verlichtingssterkte.
Ook voor lichthinder is een regeling van nadere eisen opgenomen. Het college kan nadere voorwaarden stellen om onevenredige lichthinder tegen te gaan. Conclusie Vanwege de sportvelden rond het plangebied ontstaat er zowel geluidhinder als lichthinder. Er wordt dan ook aanbevolen om geschikte maatregelen te nemen. Met de bovengenoemde maatregelen kan er voldaan worden aan de normen en veroorzaakt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen.
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, het transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor
26
dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van bevolking in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de bevolking die a) in dat gebied reeds aanwezig is, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten is en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van bevolking in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Op de risicokaart kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving risicovolle inrichtingen, transportroutes en/of belangrijke buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een de risicokaart met het plangebied zwart omcirkeld.
Risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (Risicokaart Nederland)
Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er binnen het plangebied of in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen of buisleidingen aanwezig zijn. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.7 Water 4.7.1 Generiek beleid Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Europees en nationaal niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
27
Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het WB21 worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlakte- en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. 4.7.2 Regionaal en lokaal waterbeleid Waterbeheerplan Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. In dit plan geeft De Stichtse Rijnlanden aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vijf hoofdthema's zijn:
• • • • •
waterveiligheid; voldoende water; gezond water; gezuiverd afvalwater; genieten van water.
Wat betreft 'waterveiligheid' is het cruciaal dat de waterkeringen voldoen aan de veiligheidseisen en dat bij dijkverbeteringswerken wordt uitgegaan van een duurzaam en robuust ontwerp. Bij het veiligstellen van 'voldoende water' gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden, zodat het gebied geschikt is om te wonen, werken en recreëren. Daarbij wil De Stichtse Rijnlanden dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en hevigere buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. 'Gezond water' is voor De Stichtse Rijnlanden gezond als er een grote diversiteit aan planten en dieren in kan leven, als het veilig gebruikt kan worden voor recreatie of als grondstof voor drinkwater. Het water kan alleen zo schoon mogelijk gehouden worden als de (natuurvriendelijke) inrichtingen, het beheer en onderhoud van watersystemen worden aangepast. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het tegengaan van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het 'gezuiverd afvalwater' beheert De Stichtse Rijnlanden rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties.
28
Het laatste thema betreft genieten van water. Hoewel dit geen kerntaak voor het waterschap is, is het onderwerp zeer belangrijk omdat dit in relatie staat tot het watersysteem en het waterbeheer. Recreatie en in het bijzonder 'genieten van water' neemt in de Nederlandse samenleving een steeds belangrijkere plaats in. Het waterschap wil de bewoners en bezoekers van het gebied laten genieten van water in een gezonde en veilige omgeving. Zo kan het waterschap ook zijn werk zichtbaar maken voor de bewoners. Het vaarwegbeheer is een wettelijke taak van het waterschap, voor de overige recreatieve thema's neemt het waterschap een adviserende en faciliterende rol aan. Keur en uitvoeringsregels Per 1 mei 2019 is de nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe beleidsregels. In de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018 staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater. De verboden betreffen die handelingen en gedragingen die in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen of grondwaterlichamen. De geboden geven de verplichtingen aan om deze waterstaatswerken in stand te houden. Een gebod kan bijvoorbeeld betrekking hebben op een onderhoudsverplichting.
Hiermee vermeldt de Keur expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2019-2023 Montfoort Dit plan vermeld op welke manier afvalwater en regenwater wordt verwerkt en gezuiverd. In het GRP geeft de gemeente aan hoe ze omgaan met de drie zorgplichten die we hebben voor water: stedelijk afvalwater, afstromend hemelwater en overtollig grondwater.
De algemene doelstelling van riolering is bescherming van de volksgezondheid en het waarborgen van de leefomgeving van de inwoners. Uit deze algemene doelen zijn de volgende doelen ontleend, waaraan het systeem moet voldoen: 1. 2. 3. 4. 5.
Inzameling van stedelijk afvalwater (afvalwater). Transport van stedelijk afvalwater (afvalwater). Inzameling van hemelwater (hemelwater). Verwerking van ingezameld hemelwater (hemelwater). Zorgen dat (voor zover mogelijk) het grondwater de bestemming van een gebied niet structureel belemmeren.
4.7.3 Watertoets Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek In het kader van de watertoets worden de voor onderhavig plan relevante waterthema's beschouwd. In onderhavige situatie is sprake van herstructurering van bestaand stedelijk gebied. Waar mogelijk zal het hemelwater op een duurzame manier worden geborgd. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er wordt dan ook
29
vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. Watercompensatie Het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden stelt een ondergrens aan de compensatieplicht. Voor het stedelijk gebied is deze grens het toevoegen van meer dan 500 m² aan verharding en in het landelijk gebied 5.000 m². Daarbij dient in stedelijk gebied 15% van de toename gecompenseerd te worden met oppervlaktewater. Deze compensatie kan mogelijk gemaakt worden door ofwel 15% van de toename aan m² verharding aan oppervlaktewater aan te leggen, ofwel door 45 mm/m² waterbergend vermogen te kunnen realiseren door middel van technische maatregelen, zoals overstort, wadi's of groene daken. Bij de berekening van de compensatieplicht gaat het om de complete ontwikkeling binnen het plangebied. Van de verschillende ontwikkelingen worden de vierkante meters bij elkaar opgeteld of afgetrokken om de opgaven voor watercompensatie te bepalen. In dit stadium van het plan zijn er nog onduidelijkheden of en hoe er gecompenseerd moet worden. De exacte wateropgave is nog onduidelijk. Daarnaast is het onduidelijk wat het infiltratievermogen van de huidige ondergrond is en of de tennisbanen gedraineerd zijn. De tennisbanen kunnen tot gedeeltelijke verharding worden gerekend.
Met het nieuwe plan gaan er twee tennisbanen weg, maar komt er ook één terug. Doordat het gebied in het midden ban het bouwvlok lang braak heeft gelegen, is hier geen verharding meer aanwezig. Er zal meer uitgezocht moeten worden over de situatie nu, zodat dit met het nieuwe plan vergeleken kan worden en op basis daarvan bepaald kan worden wat passende maatregelen zijn. Ook wanneer de verharding niet direct toeneemt is het wenselijk om technische maatregelen te nemen die de waterberging bevorderen. Hiervoor kan de Leidraad Klimaatadaptief Bouwen gebruikt worden, welke voor deze regio nog in ontwerp is. Waterkeringen Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen primaire of regionale waterkering aanwezig. Waterafvoer Het nieuwe kindcentrum wordt aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioolsysteem. Het hemelwater wordt afgekoppeld en zoveel mogelijk geïnfiltreerd in de bodem. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt. Conclusie In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee het verplicht is om te compenseren bij een toename van meer dan 500 m² aan verharding. Daarmee vormt het aspect water geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
30
Planspecifiek In het kader van de Wet natuurbescherming dient aangetoond te worden dat het planvoornemen geen afbreuk doet aan beschermde soorten en gebieden. Het beoogde plan voorziet in de sloop van het bestaande gebouw op de planlocatie. Derhalve is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (5 augustus 2020, Bureau Waardenburg, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Soortenbescherming Het plangebied vormt leefgebied voor enkele algemeen voorkomende beschermde soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Werkzaamheden in het kader van de herinrichting van het plangebied kunnen deze soorten treffen. Het gaat om soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt voor overtreding van verbodsbepalingen bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Daarnaast dient bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van broedende vogels om negatieve effecten op deze soorten, en daarmee overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb, te voorkomen. Indien de randvoorwaarden worden opgevolgd, worden geen verbodsbepalingen overtreden. Indien vleermuizen in te slopen gebouwen verblijven, leidt de sloop tot het vernielen van verblijfplaatsen van vleermuizen en mogelijk het doden van dieren.
Om uitsluitsel te kunnen geven over de huidige betekenis (welke functie) de gebouwen hebben voor vleermuizen (welke soorten), is nader onderzoek nodig. Op basis van de resultaten van dit nader onderzoek kan worden vastgesteld of een ontheffing van de Wnb nodig is en of mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn. Indien vleermuizen in te slopen gebouwen verblijven, leidt de sloop tot het vernielen van verblijfplaatsen van vleermuizen en mogelijk het doden van dieren. Om uitsluitsel te kunnen geven over de huidige betekenis (welke functie) de gebouwen hebben voor vleermuizen (welke soorten), is nader onderzoek nodig. Op basis van de resultaten van dit nader onderzoek kan worden vastgesteld of een ontheffing van de Wnb nodig is en of mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn. In de periode mei-oktober 2021 wordt een aanvullend vleermuizenonderzoek uitgevoerd. Ten tijde van inzage hebben er veldbezoeken plaatsgevonden op 31 mei en 24 juni. Om in het kader van de bestemmingsplanprocedure de soortenbescherming te kunnen onderbouwen is een notitie opgesteld (zie bijlagen bij toelichting bijlage 6) waarin is onderbouwd of het uitblijven van belemmeringen of het verkrijgen van een ontheffing van de Wnb in de lijn der verwachting ligt.
Hierin worden de bevindingen van de eerste twee veldbezoeken beschreven en gemotiveerd dat redelijkerwijs aan de voorwaarden voor ontheffingverlening kan worden voldaan. Daarvoor wordt ingegaan op redelijke alternatieven voor de sloop (1), het dienen van een wettelijk belang uit de Wnb (2) en het effect op de staat van instandhouding van de soort (3). Er volgen nog twee veldbezoeken in de periode september-oktober die definitief uitsluitsel moeten geven. Daarna zal het definitieve onderzoeksrapport worden opgesteld, welke bij het vastgestelde bestemmingsplan wordt en de notitie zal vervangen. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op minimaal 8 km van omliggende Natura 2000-gebieden. De voorgenomen ingreep leidt niet tot directe of indirecte effecten op soorten of habitats van deze Natura 2000-gebieden. Significant negatieve effecten, met uitzondering van eventuele effecten ten gevolge van stikstof, op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden, zijn uitgesloten. Significante effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn als gevolg van de voorgenomen ingrepen uitgesloten. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten.
Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling
31
bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe AERIUS Calculator van oktober 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Het initiatief gaat in de gebruiks- en bouwfase gepaard met enige uitstoot van stikstof. Om die reden zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd, gebruik makend van de AERIUS Calculator 2020 (Buro SRO, 8 maart 2021, Buro SRO, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). Voor zowel de gebruiks- als de bouwfase geldt dat er uit de berekeningen geen resultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j naar voren komen. De stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling veroorzaakt geen significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden. Daarmee is geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie Op het gebied van gebiedsbescherming en stikstofdepositie kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen veroorzaakt worden voor de beoogde ontwikkeling. Het nog uit te voeren vleermuisonderzoek zal uitsluitsel moeten geven of de ontwikkeling invloed heeft op de vleermuis. De bijgevoegde notitie motiveert dat het in de lijn der verwachting ligt dat soortenbescherming niet in het geding komt.
Wanneer het vleermuisonderzoek is afgerond is er uitsluitsel over de invloed op eventuele vleermuissoorten en of er maatregelen nodig zijn om deze te beschermen. Voor de overige soorten zullen geen verbodsbepalingen overtreden worden.
4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Uit het raadplegen van de archeologische beleidskaart van de gemeente Montfoort blijkt dat de gronden van de planlocatie zijn voorzien van een lage archeologische verwachtingswaarde met categorie 6. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Montfoort.
32
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Montfoort, plangebied zwart omcirkeld (bron: Archeologische beleidskaart gemeente Montfoort)
Voor de categorie 6 geldt een lage verwachting op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart. De gronden betreffen landschappelijke eenheden (komgronden) met een lage kans op het aantreffen van archeologische waarden. Archeologisch vooronderzoek is enkel nodig bij zeer grootschalige ontwikkelingen, die onder de m.e.r.-plicht vallen. Echter is het voorliggende plan niet m.e.r.-plichtig en is het uitvoeren van een archeologisch vooronderzoek niet noodzakelijk. De gebiedsaanduiding 'archeologisch waardevol gebied 6' wordt in het voorliggende bestemmingsplan niet opgenomen. Ook worden de gronden niet voorzien van een dubbelbestemming archeologie. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Op 6 december 2020 heeft de raad van de gemeente Montfoort voor haar grondgebied een digitale cultuurhistorische waardenkaart vastgesteld. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze cultuurhistorische waardenkaart.
33
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart gemeente Montfoort (bron: gemeente Montfoort)
Op de cultuurhistorische waardenkaart is het wandelpad langs de noordzijde van de tennisvelden, aan de kant van het water, aangeduid als waardevol element, het zogenaamde Bospad. Dit Bospad dat buitenom de stadsgracht loopt is op kaarten uit de 16e eeuw al aangeduid en heeft daarom cultuurhistorische waarden. Dit cultuurhistorisch waardevolle element komt niet in het geding voor de uitvoering van de plannen, aangezien het buiten de ontwikkellocatie van het kindcentrum valt. Verder is er geen monumentale bebouwing aanwezig binnen het plangebied en zijn er geen andere cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief
4.11 Parkeren en verkeer Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.11.1 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Nota parkeernormen Montfoort 2020 De gemeente Montfoort heeft haar eigen parkeerbeleid vastgelegd in de 'Nota parkeernormen Montfoort 2020'.
Bovengenoemde CROW kencijfers dienen als uitgangspunt voor de nota, waarmee de normen
34
hetzelfde zijn. In de nota wordt echter meer specifiek ingegaan op de toepassing van deze normen binnen de gemeente. Dit is als zodanig verankerd via het 'Paraplubestemmingsplan parkeernormen Montfoort'. Planspecifiek Om de parkeerbehoefte bij de ontwikkeling van het kindcentrum te bepalen is een verkeersstudie uitgevoerd (6 november 2020, HGCA BV, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van een school voor 534 leerlingen en 22 leslokalen. De navolgende tabel toont de parkeerbehoefte voor het halen en brengen van de leerlingen.
Tabel parkeerbehoefte (bron: HGCA BV)
De totale parkeerbehoefte voor de schoolfunctie bedraagt 51 parkeerplaatsen. Daarnaast is er een kinderopvang aanwezig. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van 64 kinderen en gelijkwaardige normen als de school. Dit resulteert in een parkeerbehoefte van 18 parkeerplaatsen voor het halen en brengen en het personeel van de kinderopvang. Voor het kindcentrum bedraagt de parkeerbehoefte in totaal 69 parkeerplaatsen. Voor het sportcomplex hanteert de gemeente een parkeernorm van 20 parkeerplaatsen per hectare sportterrein. De tennisvereniging heeft een netto oppervlakte van 0,6 hectare en de hockeyvereniging een netto oppervlakte van 1,0 hectare. Daarmee komt de parkeerbehoefte voor het sportcomplex uit op 32. In de navolgende tabel staat een overzicht van de parkeerbehoefte van de verschillende functies met een totale parkeerbehoefte van 101 parkeerplaatsen.
Tabel parkeerbehoefte per functie (bron: HGCA BV)
Doordat er binnen het plangebied meerdere functies aanwezig zijn, dient rekening gehouden te worden met dubbelgebruik van de parkeerplaatsen. De pieken in parkeerbehoefte van die functies vallen namelijk niet altijd op hetzelfde moment. Op basis van de uitgangspunten in de gemeentelijke parkeernota zou de totale parkeerbehoefte, rekening houdend met mogelijkheden tot meervoudig gebruik, er hierdoor als volgt uitzien:
35
Tabel dubbelgebruik parkeren (bron: HGCA BV)
Rekening houdend met het meervoudig gebruik van de parkeerplaatsen bedraagt de totale maatgevende parkeerbehoefte 77 parkeerplaatsen. De basisscholen openen de deuren om 8.30 uur (Hobbitstee om 8.45 uur). De kinderopvang opent om 7.30 uur. Kinderen worden over het algemeen tussen 7.30 en 9.30 naar de kinderopvang gebracht. Het brengen van kinderen naar de basisschool speelt zich af tussen 8.00 en 8.45 uur. Het brengen van kinderen naar de basisschool loopt hierdoor voor een belangrijk deel niet synchroon met de brengtijden voor de kinderopvang. De basisscholen sluiten verder de deuren tussen 14 of 15 uur waar de kinderopvang (en BSO) tot 18.30 uur geopend is. De meeste ouders komen na hun werk hun kind halen, tussen vijf uur en half zeven”. Ook de parkeervraag voor het halen van leerlingen van basisscholen en kinderopvang (alsmede BSO) loopt dus voor een belangrijk deel niet synchroon. Ook tennisbanen / sportvelden zijn in de regel niet eerder open dan om 9.00 uur. In geval we de openingstijden van de basisscholen en sportvoorzieningen als vertrekpunt nemen dan ziet, tijdens de maatgevende ochtendperiode, de parkeerbehoefte er als volgt uit:
Tabel te verwachten dubbelgebruik parkeren (bron: HGCA BV)
Op basis van bovenstaande verdient het daarom de aanbeveling om bij eerste aanleg van de openbare ruimte, specifiek aangaande de parkeervakken, ervoor te kiezen om minder parkeervakken te realiseren. Daarbij moet, in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel worden geborgd dat het inrichtingsontwerp voor de openbare ruimte in de mogelijkheid (garantie) voorziet om het aantal van 77 parkeervakken, te realiseren.
36
De navolgende afbeelding toont een vlekkenplan van de toekomstige situatie met de zoekgebieden voor parkeren in het paars weergegeven.
Vlekkenkaart plangebied (bron: Gemeente Montfoort)
Met het huidige inrichtingsplan blijven de bestaande 22 parkeerplaatsen aan de Bovenkerkweg en de bestaande 17 voorste parkeerplaatsen in de zone aan de Parklaan behouden. Voor de overige 38 parkeerplaatsen geldt een ruimtebeslag van 475 m². Binnen de aangegeven zones is ruim voldoende ruimte om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren.
4.11.2 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Om de verkeersgeneratie te bepalen is een verkeersstudie uitgevoerd (6 november 2020, HGCA BV, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6. De verkeersgeneratie van het scholencomplex bestaat uit verkeersbewegingen door:
• •
onderwijzend- en overig personeel auto; halen en brengen van schoolkinderen met de auto.
37
Verkeersgeneratie onderwijzend- en overig personeel Eerder is bepaald dat de parkeerbehoefte voor onderwijzend en overig personeel 18 + 8 = 26 parkeerplaatsen bedraagt. Op basis van dit aantal parkeerplaatsen worden 52 verkeersbewegingen per dag met de auto gegenereerd. Hierbij is ervan uit gegaan dat iedere parkeerplaats maar 1 keer per dag gebruikt wordt. Vanwege deeltijdpersoneel zal het werkelijk aantal verkeersbewegingen mogelijk iets hoger uitvallen. Verkeersgeneratie halen en brengen Aan de hand van de berekende parkeerbehoefte voor het halen en brengen kan ook de hiermee gepaard gaande verkeersgeneratie worden berekend.
Tabel verkeersgeneratie (bron: HCGA BV)
De verkeersgeneratie door onderwijzend en overig personeel bedraagt 52 verkeersbewegingen. De verkeersgeneratie door halen en brengen bedraagt 697 verkeersbewegingen. In totaal genereert het kindcentrum 749 verkeersbewegingen per etmaal met de auto. Voor het personeel wordt het kindcentrum ontsloten aan de Bovenkerkweg. De ontsluiting voor de leerlingen en kinderen bevindt zich aan de Parklaan. Verkeersgeneratie fiets Uit het onderzoek uit 2014 bleek dat 69% van de schoolkinderen (al dan niet onder begeleiding van een ouder) met de fiets naar het kindcentrum toekomt. Van de in totaal 534 leerlingen komen dus 368 leerlingen met de fiets naar school. Deze fietsers genereren 736 fietsbewegingen per dag. Rekening houdend met meefietsende ouders betekent dit circa 1000 fietsbewegingen per dag. Herinrichting Parklaan In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij de realisatie van het schoolcomplex de directe schoolomgeving aangepakt, welke is opgenomen in het plangebied om ter plekke de veiligheid te garanderen. Ten behoeve van de veiligheid kunnen de volgende maatregelen worden verwacht:
• • • •
Het aanbrengen van veilige oversteekplaatsen bij de entrees van het scholencomplex aan de Parklaan; Verkeersremmende attentiemaatregelen aan de Parklaan; Veilige fietsverbindingen aan de Parklaan; Het verbieden van regulier verkeer bij de ontsluiting aan de Bovenkerkweg onder schooltijden, zodat al het verkeer voor halen-brengen langs de Parklaan wordt geleid;
38
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
• • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
39
•
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Maatschappelijk De bestemming 'Maatschappelijk' is opgenomen voor het scholencomplex. Binnen deze bestemming zijn educatieve, openbare en culturele voorzieningen en een kinderdagverblijf toegestaan. Deze gronden zijn tevens bestemd voor erven en terreinen, ontsluitingswegen, parkeer- en nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd. Het bouwvlak mag voor 50% bebouwd worden. De maximale goot- en bouwhoogte van het gebouw staat op de verbeelding aangeduid. Voor de realisatie en het gebruik van het kindcentrum zijn verschillende voorwaardelijke verplichtingen en/of nadere eisen opgenomen op het gebied van waterberging, stemgeluid, dove gevels en lichthinder. Sport De bestemming 'Sport' is opgenomen voor sportvoorzieningen en daaraan gerelateerde horecavoorzieningen. Tevens zijn binnen deze bestemming erven en terreinen, ontsluitingswegen, parkeeren nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Voor de gebouwen geldt de maximale oppervlakte zoals aangegeven op de verbeelding. Ook de maximale gooten bouwhoogte staan aangeduid op de verbeelding. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 18 m bedragen (bijv. ballenvangers).
Voor antennes geldt een maximale bouwhoogte van 30 m. Verkeer - Verblijfverkeer De gronden aan de Parklaan zijn voorzien van de bestemming 'Verkeer - verblijfsgebied'. Deze gronden zijn bestemd voor verblijfsgebieden, langzaamverkeersroutes, ontsluitingswegen, parkeer-, nuts- en groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen deze bestemming zijn abri's met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m en een oppervlakte van ten hoogste 10 m² toegestaan. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximale bouwhoogte van 8 m.
40
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het kostenverhaal is anderszins verzekerd. Het plangebied betreft gronden van de gemeente. Voor de exploitatie is door de gemeenteraad een taakstellend budget vastgesteld en wordt een aanbestedingsprocedure doorlopen.
41
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Participatie Voor de wenselijke situatie op het gebied van verkeer en parkeren wordt de omgeving geraadpleegd. In september 2021 wordt een interactief participatietraject doorlopen om een passende invulling te geven aan de inrichting van de openbare ruimte. Daarbij is er aandacht voor ontsluitingen, verkeersveiligheid, parkeergelegenheid, functionaliteit en leefbaarheid. Vanuit de drie scholen is een stuurgroep gevormd die tijdens het proces zijn meegenomen en tevens in de selectiefase over de ontwerpen mee beoordelen. Op de website van de gemeente Montfoort wordt een projectpagina ingericht voor het project. Hier kunnen belangstellenden terecht voor vragen aan de gemeente.
7.3 Vooroverleg en inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het wettelijke vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro., voorgelegd aan de gebruikelijke overlegpartners en voor eenieder ter inzage worden gelegd. Het plan is verder afgestemd met het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en de provincie Utrecht. Het voorontwerpbestemmingsplan heeft van 31 maart tot en met 12 mei ter inzage gelegen. In deze periode zijn er 13 inspraakreacties ingediend. In de inspraaknota (zie bijlagen bij toelichting bijlage 9) zijn de inspraakreacties samengevat en voorzien van een gemeentelijke beantwoording.
7.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende zes weken voor een ieder ter inzage worden gelegd. T.z.t. zal hiervan in deze paragraaf verslag worden gedaan of als separate bijlage worden toegevoegd.
42