CConstaterende datMontfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

10 BPDeBleekfase1_Bijlage 6. Archeologisch bureauonderzoek

Raadsvergadering 11 december 2023, gemeente MontfoortBij agendapunt: Raadsvoorstel De Bleek, vaststelling bestemmingsplan15.143 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Transect-rapport 3890 Montfoort, Willeskop en De Bleek Gemeente Montfoort Een Archeologisch bureauonderzoek (BO)

1

2

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Auteur

A.T.L.E. van Bussel

Versie

Versie 1.2

Projectcode

21110119

Datum

19-10-2022

Opdrachtgever

Buro SRO

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht Uitvoerder

Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Onderzoeksmelding

5162692100

Bevoegde overheid

Gemeente Montfoort

Adviseur bevoegde overheid

Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU)

Beheer documentatie

Transect, Nieuwegein

Voorblad

Historische luchtfoto van het plangebied en de omgeving van de Royal Air Force van 10 september 1944 (bron: WUR library).

Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior KNA Prospector

Datum

Paraaf

22-02-2022

ISSN: 2211-7067

© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

3

Samenvatting In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v. in februari 2022 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in het plangebied ‘Willeskop en De Bleek’ in Montfoort (gemeente Montfoort). Het plangebied beslaat circa 19 ha en ligt ingeklemd tussen de Willeskop/N228 in het noorden en de weg De Bleek en de Beneden Kerkweg in het oosten en zuiden. Het plangebied heeft een agrarische bestemming. De aanleiding voor het onderzoek vormt een bestemmingsplanwijziging, die de realisatie van woningbouw mogelijk moet maken. In het kader van de bestemmingsplanwijziging is een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk. Het doel van het bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen dat aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, de kans wordt bepaald dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Op grond van het bureauonderzoek is binnen het plangebied een lage tot hoge archeologische verwachting vastgesteld. De verwachting is weergegeven op de kaart in bijlage 15. •

•

•

•

•

De archeologische verwachting van het plangebied hangt voor een groot deel samen met te verwachten rivierafzettingen in de ondergrond. In het noorden en oosten van het plangebied is vanaf het Laat-Neolithicum-B de Stuivenberg stroomgordel actief geweest. De oeverafzettingen van deze stroomgordel zijn theoretisch gezien vanaf de vorming ervan bewoonbaar geweest. Vanaf het Laat-Neolithicum-B geldt dan ook een middelhoge archeologische verwachting. Specifiek voor de Romeinse tijd geldt een hoge verwachting, doordat uit deze periode – in tegenstelling tot alle andere perioden – reeds resten in de omgeving bekend zijn. In het zuidwesten van het plangebied heeft de Stuivenberg stroomgordel op de overgang van het Neolithicum naar de Bronstijd een crevasse gevormd. De crevasse zal pas bewoonbaar zijn geworden nadat deze is verland. Ter plaatse van de crevasse geldt een lage verwachting voor het Neolithicum en de Vroege-Bronstijd, een middelhoge verwachting voor de Midden-Bronstijd tot IJzertijd en de Vroege-Middeleeuwen en een hoge verwachting voor de Romeinse tijd. Het centraal westelijke deel van het plangebied maakte vermoedelijk deel uit van een komgebied. Hier heeft veenvorming opgetreden en dit gebied zal vanwege de relatief lage ligging en drassige condities, waarschijnlijk minder goed bewoonbaar zijn geweest.

In dit deel van het plangebied geldt een algeheel lage archeologische verwachting. Voor de periode Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd geldt een lage archeologische verwachting door het ontbreken van bebouwing op historische kaarten uit de periode 18 e-20e eeuw. Deze kaarten vormen mogelijk ook een indicatie voor vroegere perioden. De aanwezigheid van bebouwing aan de zuidkant van het plangebied – uit de periode 11e-begin 18e eeuw kan niet geheel worden uitgesloten (‘middelhoge verwachting’). Op de zuidrand van het plangebied bevindt zich namelijk een kade, waarlangs elders in de Polder Hofland bebouwing aanwezig is. Voor alle perioden voorafgaand aan het Laat-Neolithicum-B geldt een lage archeologische verwachting. Eventuele archeologische resten uit deze perioden zullen namelijk zijn geërodeerd, waardoor ze niet meer in situ worden verwacht.

Advies In het plangebied wordt een bestemmingsplanwijziging doorgevoerd om woningbouw mogelijk te maken. Op grond van het archeologisch bureauonderzoek is echter sprake van een archeologische verwachting. Het archeologisch niveau kan zich al vanaf maaiveld manifesteren. 4

Om de opbouw en de intactheid van de bodem beter in kaart te brengen en de diepteligging van het archeologisch niveau te toetsen, wordt geadviseerd een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren in de delen van het plangebied met een middelhoge en hoge archeologische verwachting (circa 15,4 ha). Dit onderzoek kan, gezien de grote schaal van het plangebied en de verwachting op vindplaatsen met sporen en/of een cultuurlaag, het beste worden uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek. In circa 4,1 ha van het plangebied geldt een lage archeologische verwachting. Geadviseerd wordt om dit deel van het plangebied verder archeologisch vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Het bovenstaande is een advies. Op basis van de resultaten van het onderzoek neemt het bevoegd gezag (de gemeente Montfoort) een besluit over de eventuele omgang met archeologische waarden binnen het plangebied.

5

Inhoud 1. Aanleiding

7

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek

8

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied

9

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik

11

5. Beleidskader

12

6. Landschap, geomorfologie en bodem

13

7. Bekende archeologische waarden

17

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen

21

9. Gespecificeerde archeologische verwachting

26

10. Conclusie en Advies

29

11. Geraadpleegde bronnen

30

Bijlage 1: Luchtfoto

34

Bijlage 2: Bouwtekeningen

35

Bijlage 3: Gemeentelijke archeologische maatregelenkaart

36

Bijlage 4: Geomorfologische kaart

37

Bijlage 5: Paleogeografische kaart van het Rivierengebied

38

Bijlage 6: Geologische kaart

39

Bijlage 7: Maaiveldhoogtekaart

40

Bijlage 8: Bodemkaart

41

Bijlage 9: Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart

42

Bijlage 10: Archeologische waarden en onderzoeken

42

Bijlage 10: Archeologische waarden en onderzoeken

43

Bijlage 11: Gemeentelijke cultuurhistorische bewoningskaart

44

Bijlage 12: Gemeentelijke cultuurhistorische defensiekaart

45

Bijlage 13: Beschrijving archeologische onderzoeken en vondstmeldingen

46

Bijlage 14: Historische kaarten

56

Bijlage 15: Gespecificeerde verwachtingskaart

66

Bijlage 16: Advieskaart

67

6

1. Aanleiding In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v.1 in februari 2022 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in het plangebied ‘Willeskop en De Bleek’ in Montfoort (gemeente Montfoort). Het plangebied beslaat circa 19 ha en ligt ingeklemd tussen de Willeskop/N228 in het noorden en de weg De Bleek en de Beneden Kerkweg in het oosten en zuiden. Het plangebied heeft een agrarische bestemming. De aanleiding voor het onderzoek vormt een bestemmingsplanwijziging, die de realisatie van woningbouw mogelijk moet maken. In het kader van de bestemmingsplanwijziging is een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk. Het bureauonderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1.

1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door

middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

7

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO). Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Tevens is contact opgenomen met de Stichting Oud Montfoort en de Stichting Hugo Kotestein (per e-mail op 17-02-2022). De vanuit deze bronnen verkregen informatie is verwerkt in hoofdstukken 7 en 8. Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen.

Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).

8

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente

Montfoort

Plaats

Montfoort

Toponiem

Willeskop en De Bleek

Kaartblad

31G en 38E

Centrumcoördinaat

124.716 / 450.091

Kadastrale ligging

MFT01 sectie C nummers 23, 27-36 en 303-307

Omvang

Circa 19 ha

Huidig gebruik

Wei- en graslanden, sloten, bebouwing

Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied ‘Willeskop en De Bleek’ ligt in Montfoort (gemeente Montfoort). Het ligt ingeklemd tussen de Willeskop/N228 in het noorden en de weg De Bleek en de Beneden Kerkweg in het oosten en zuiden. De ligging van het plangebied is te zien in figuur 1 en bijlage 1. Kadastraal gezien omvat het plangebied de percelen MFT01-C nummers 23, 27 tot en met 36 en 303 tot en met 307. Het plangebied heeft daarmee een omvang van ongeveer 19 ha. Ten tijde van het archeologisch bureauonderzoek is het plangebied vrijwel geheel in gebruik als weien graslanden. Door het plangebied lopen verder diverse noord-zuid en oost-west georiënteerde sloten. Verder is een deel van percelen 35 en 303 bebouwd. De bebouwing beslaat bij elkaar een oppervlakte van circa 1000 m2. Zowel de wei- en graslanden als de gebouwen hebben een agrarische bestemming.

9

Figuur 1. De ligging van het plangebied op een topografische kaart (bron kaart: www.opentopo.nl).

10

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader

Bestemmingsplanwijziging

Oppervlakte plangebied

Circa 19 ha

Planvorming

Woningbouw, maken ontsluitingsroute en Verhogen ‘recreatieve waarde’

Oppervlakte verstoring

Onbekend

Diepte verstoring

Onbekend

In het plangebied wordt een bestemmingsplanwijziging doorgevoerd om woningbouw mogelijk te maken. Naar verwachting worden in het plangebied circa 240 à 300 woningen gerealiseerd. Verder wordt mogelijk ook een nieuwe ontsluitingsroute richting het Stadspark ten zuiden van de stadskern van Montfoort aangelegd. Ten tijde van het archeologisch vooronderzoek zijn het verkavelingsplan en de omvang en diepte van de bodemwerkzaamheden nog niet vastgelegd. Een concept ontwerpplan is weergegeven in bijlage 2.

11

5. Beleidskader Onderzoekskader

Bestemmingsplanwijziging

Beleidskader

Gemeentelijke archeologische maatregelenkaart (2010) Bestemmingsplan 1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012

Onderzoeksgrens

200 m2 en dieper dan 50 cm –Mv

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die naar verwachting in 2022 of 2023 in werking zal treden. Het archeologiebeleid inzake het plangebied is vastgelegd in het bestemmingsplan 1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied afwisselend een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3, 4 en 5’. Deze waarden uit het bestemmingsplan zijn gebaseerd op de gemeentelijke archeologische maatregelenkaart (Alkemade et al., 2010; zie bijlage 3).

‘Categorie 4’ op deze kaart komt overeen met een ‘Waarde – Archeologie 3’ in het bestemmingsplan; ‘categorie 5’ komt overeen met een ‘Waarde – Archeologie 4’, en ‘categorie 6’ correspondeert met een ‘Waarde – Archeologie 5’. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen toekomstige ontwikkeling een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is. Onderhavig onderzoek is uitgevoerd om te voldoen aan deze onderzoekplicht.

12

6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio

Midden-Nederlands rivierengebied

Geomorfologie

Oever- en komachtige vlakte / stroomrug

Maaiveld

0,8 m +NAP tot 0,5 m -NAP

Bodem

Poldervaaggronden en Leek- en woudeerdgronden

Grondwater

GWT-III

Landschapsgenese De omgeving van het plangebied ligt in het Midden-Nederlandse rivierengebied in het stroomgebied van de Rijn (Berendsen, 2005). Reeds in het midden van de laatste ijstijd (het Weichselien, van circa 50000 tot 15000 jaar v. Chr.) maakte dit gebied deel uit van een brede riviervlakte, waarbinnen riviergeulen in een verwilderd (“vlechtend”) patroon verspreid lagen. Door deze geulen werd grof zand en grind afgezet, dat geologisch gezien wordt gerekend tot het Formatie van Kreftenheye (De Mulder et al., 2003). De aanwezigheid van grof zand en grind wijst op hoge stroomsnelheden en sterke variaties in de (piek)afvoer (als gevolg van grote hoeveelheden (smelt)water). Op andere momenten lag de bedding van de riviervlakte langere perioden droog. Vanuit de drooggelegen vlakte kon fijner rivierzand door sterke winden worden verstoven, dat vervolgens langs de randen van de riviervlakte tot afzetting kwam. Daar konden op grote schaal rivierduinen ontstaan. Deze behoren tot de Formatie van Boxtel (Berendsen en Stouthamer, 2001). Vanaf ongeveer 15000 v. Chr. werd het klimaat geleidelijk aan droger en warmer. In eerste instantie was sprake van enkele relatief kortdurende warmere perioden (respectievelijk het Bølling- en Allerødinterstadiaal, ruwweg 13000 tot 12500 jaar en 11000 tot 10500 jaar v. Chr.).

Gedurende deze oplevingen nam de vegetatie toe en werd de afvoer van rivierwater beter verdeeld. De riviergeulen begonnen te kronkelen (meanderen) en sneden zich in in de riviervlakte, waardoor langzamerhand een rivierdal ontstond. In het dal werd tijdens overstromingen zogenaamd “Hochflutlehm” afgezet, ook wel bekend als het Laagpakket van Wijchen (De Mulder et al., 2003; Bennema en Pons, 1952). Pas vanaf ongeveer 10000 jaar geleden, in het Holoceen, zette de opwarmende klimaatsomstandigheden definitief door, waardoor de toenemende vegetatie de verstuivingen van rivierzand aan banden legde en de oevers van de rivieren door de alsmaar kleiner wordende verschillen in afvoer zich stabiliseerden. Door de stabiele oevers traden de rivieren alleen nog bij hoogwater buiten de oevers. De klei, die toen bij hoogwater buiten de rivieren werd afgezet, wordt eveneens gerekend tot het Laagpakket van Wijchen. Pas vanaf 10000 v. Chr., in het Holoceen, zette het opwarmend klimaat definitief door, waardoor de toenemende vegetatie de verstuivingen van rivierzand aan banden legde en de oevers van de rivieren door de alsmaar kleiner wordende verschillen in afvoer zich stabiliseerden. Door de stabiele oevers traden de rivieren alleen nog bij hoogwater buiten de oevers. De klei die bij hoogwater buiten de rivieren werd afgezet wordt eveneens gerekend tot het Laagpakket van Wijchen.

De zich insnijdende meanderende rivieren gingen onder invloed van een voortdurend stijgend zeespiegel in het Holoceen over in accumulerende meanderende rivieren, die herhaaldelijk hun loop verlegden en daardoor verschillende stroomgordels ontwikkelden. Hierdoor vond in het grootste deel van het rivierengebied afzetting (Formatie van Echteld) plaats van zand (beddingafzettingen), zandige klei (oeverafzettingen) en zware klei (komafzettingen), die werden afgewisseld door veen. Daarbij werden de oudere afzettingen door jongere begraven. Het moment waarop dit optreedt, hangt af van de ligging van de 13

zogenaamde terrassenkruising. De terrassenkruising is het punt waarop de netto insnijding overgaat in een netto accumulatie van sediment. De ligging van dit punt ligt niet vast maar is afhankelijk van het debiet, de sedimentlast van een rivier en de stijging c.q. daling van de zeespiegel. Cohen en Stouthamer (2012) vermoeden dat de terrassenkruising rond 7000 v. Chr. in de omgeving van Montfoort heeft gelegen. Daarna raakten de Laat-Pleistocene en Vroeg-Holocene afzettingen afgedekt met holocene rivierafzettingen en kon het oude rivierenlandschap verdrinken, wanneer ze verder van een rivier verwijderd lagen. Daar trad door de aanhoudende stijging van het grondwater op grote schaal veenvorming op en ontstonden omvangrijke veenmoerassen, die gedurende overstromingen vanuit de rivieren onder water kwamen te staan (Formatie van Nieuwkoop). Er wordt zowel Basisveen als Hollandveen verwacht, maar deze lagen kunnen geërodeerd zijn door de rivieren. Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op twee (verschillende) stroomruggen of stroomgordels (Maas et al., 2019; bijlage 4, kaartcode B44). Tussen de stroomruggen is een rivierkomen oeverwalachtige vlakte gekarteerd (kaartcode M48). De stroomgordels betreffen volgens de Paleogeografische Kaart van het Rivierengebied de Stuivenberg stroomrug en de Zuid-Stuivenberg stroomrug (Cohen et al., 2012; zie bijlage 5).

De Stuivenberg stroomgordel gaat volgens Cohen et al. (2012) terug tot de periode van circa 2500-1450 v.Chr. (het Laat-Neolithicum tot en met de MiddenBronstijd). De Zuid-Stuivenberg stroomgordel gaat terug tot de periode 2340-2200 v.Chr. (het LaatNeolithicum). De beddingafzettingen van de Stuivenberg stroomrug worden volgens Cohen et al. (2012) aangetroffen tussen 0,2 en 0,8 m -NAP. In het plangebied kunnen dan ook nog (intacte) kom-, oeveren beddingafzettingen van de Stuivenberg stroomgordel worden verwacht. De kom- en oeverafzettingen zullen daarbij stratigrafisch hoger worden aangetroffen dan de beddingafzettingen. In het zuiden van het plangebied kunnen verder ook afzettingen van de Zuid-Stuivenberg stroomrug worden aangetroffen. Deze stroomrug is een crevasse van de Stuivenberg stroomrug. De crevasseafzettingen worden aangetroffen tussen circa 0,2 en 0,1 m -NAP (Cohen et al., 2012). Geologie en lithologie Volgens de nieuwe geologische kaart komen de afzettingen van de Stuivenberg en Zuid-Stuivenberg stroomgordels in het oosten van het plangebied voor in de vorm van ‘komafzettingen en ingeschakeld veen op stroomgordelafzettingen’ (bron: www.dinoloket.nl; bijlage 6). De rivierafzettingen behoren geologisch gezien tot de Formatie van Echteld. In het westelijk deel van het plangebied zijn ‘fijnkorrelige komafzettingen en ingeschakeld veen’ te verwachten.

In Dinoloket zijn in en rondom het plangebied diverse geologische boringen bekend (bron: www.dinoloket.nl): •

•

•

In een boring in het oosten van het plangebied is tot 470 cm -Mv (4,2 m -NAP) sprake van kleiafzettingen uit de Formatie van Echteld. De klei wordt van boven naar onder zandiger en humeuzer. Vanaf 470 cm -Mv / 4,2 m -NAP is matig fijn zand aangetroffen (boring B31G0372). De opeenschakeling van sediment wijst hier mogelijk op kom- op oever- op beddingafzettingen. Tegen de oostrand van het plangebied is in het plangebied een 130 cm dik dek rivierklei aanwezig. Het klei is matig zandig tot (naar onder toe) zandig. Op 130 cm -Mv / 1,6 m -NAP gaat de klei over in matig fijn zand. Het zand wordt naar onder toe grofkorreliger (boring B31G0362). Een boring ongeveer in het midden van het plangebied wijst op een 2 m dik dek zwak siltige tot zandige rivierklei. De klei gaat op 2 m -Mv / 1,9 m -NAP over in matig fijn zand (boring B31G0373). In een boring hier circa 180 m ten zuiden van is het kleipakket ten minste 5 m dik. Hier is klei aangetroffen vanaf maaiveld tot 5 m -Mv / 5,4 m -NAP. Vanaf circa 1 m -Mv wordt de klei zandig. Hierna volgt weer een circa 140 cm dikke siltige kleilaag. Vervolgens komt vanaf 2,5 m -Mv / 2,9 m

14

•

-NAP weer zandige klei voor (boring B31G0374). De afwisseling van klei en zandige klei wijst mogelijk op de aanwezigheid van een crevasse. Op de westrand van het plangebied komt in een boring in de bovenste 160 cm vanaf maaiveld rivierklei voor. Het klei wordt naar onder toe humeuzer en zandiger. Op 1,6 m -Mv / circa 2 m NAP gaat de klei over in matig fijn, siltig rivierzand. Onder het zand (vanaf 3,9 m -Mv / 4,35 m NAP) is een afwisseling van veen en rivierklei waargenomen (boring B38E1440). Het klei en veen onderin de boring duidt vermoedelijk op de aanwezigheid van de Zuid-Stuivenberg crevasse. Deze ‘eindigde’ in het westen in een veenlandschap (cf. Cohen et al., 2012). De bovenste 3,9 m van klei en zand is mogelijk ontstaan door een reactivatie van de hoofdloop van de Stuivenberg stroomgordel, na de crevassedoorbraak.

Op grond van de boringen is in het oosten van het plangebied vermoedelijk sprake van kom- op oeverop beddingafzettingen van de Stuivenberg stroomrug. In het westen van het plangebied zijn mogelijk crevasse-afzettingen van de Zuid-Stuivenberg stroomrug aanwezig. Deze worden mogelijk in een deel van het plangebied bedekt door klei- en zandafzettingen (kom- op oever- op beddingafzettingen) uit een reactivatiefase van de hoofdloop van de Stuivenberg stroomgordel. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, versie 4) ligt het plangebied op een hoogte tussen circa 0,4 m +NAP en 0,5 m -NAP (zie bijlage 7). Het bebouwde erf in het noordoosten ligt gemiddeld op een hoogte van 0,7-0,8 m +NAP. Het plangebied ligt circa 180 tot 270 cm lager dan de historische kern van Montfoort (circa 2,2 m +NAP). De woonkern is vermoedelijk opgehoogd voor de aanleg van de bebouwing. De weilanden in het buitengebied ten zuiden van Montfoort liggen tot ongeveer 30 cm lager dan het plangebied (tot circa 0,7 m -NAP). De ligging van het plangebied op de Stuivenberg stroomrug is niet direct aan het AHN af te leiden. Ingrepen van de mens in het landschap hebben geleid tot kunstmatige hoogteverschillen, die een waarneming van de natuurlijke landschapsvormen bemoeilijken.

Op grond van het AHN is in het plangebied sprake van strookvormige verkavelingen, waarbij akkers ‘bollend’ zijn aangelegd. Deze ‘bolle akkers’ werden in het verleden vaak toegepast om de afvoer van oppervlakteen regenwater te vergemakkelijken. Tussen de strookvormige kavels is sprake van langgerekte noordzuid georiënteerde sloten, die haaks op kades, weteringen en ontginningsassen werden aangelegd, om dit water af te kunnen voeren. Bodem Volgens de bodemkaart zijn in het plangebied zowel poldervaaggronden als woud- of leekeerdgronden te verwachten (Alterra, 2015; bijlage 8). In het noorden van het plangebied komen waarschijnlijk kalkloze poldervaaggronden voor, die zijn gevormd in zavel en lichte klei (kaartcode Rn67C). In het midden van het plangebied hebben dergelijke gronden zich vermoedelijk in zware klei kunnen vormen (kaartcode Rn47C). De leek- en woudeerdgronden zijn in het zuiden van het plangebied gekarteerd (kaartcode pRn86). Poldervaaggronden zijn over het algemeen kleigronden met een grijze, door oxidatie rood-gevlekte ondergrond, die niet slap is. Ook worden ze gekenmerkt door een grijze humusarme bovengrond. Poldervaaggronden zijn wijd verbreid en komen over het algemeen veel in westelijk Nederland voor (De Bakker, 1966). In een poldervaaggrond kunnen begraven bodemniveaus aanwezig zijn – zogenaamde vegetatiehorizonten.

Een dergelijke horizont heeft zich in het rivierengebied kunnen vormen op het moment dat er sprake was van een verminderde afvoer en door een afgenomen opslibbing van sediment. Hierdoor trad begroeiing op en kon zich een humeus niveau vormen. Op het

15

moment dat er sprake was van een toename in rivierafvoer raakte dit niveau begraven. Het kenmerkt zich door een licht tot matig humeuze kleilaag in de bodem. Woudeerdgronden komen voor in kleigronden waarin binnen een diepte van 80 cm -Mv geen sprake is van veen. Ze hebben een niet-venige, donkere bovengrond van circa 30-50 cm dik. Deze ligt op een stevige, roestig gevlekte grijze ondergrond. De leekeerdgronden verschillen alleen in dikte van de bovengrond met de woudeerdgronden; deze is namelijk 15-30 cm dik in plaats van 30-50 cm (De Bakker, 1966). Grondwater De poldervaaggronden in het plangebied hebben een grondwatertrap VI (GWT-VI, in het noorden) en III (GWT-III, in het midden). Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (winterpeil) in het noorden van het plangebied wordt aangetroffen tussen 40 en 80 cm -Mv. In het midden van het plangebied ligt deze ondieper dan 40 cm -Mv. De gemiddeld laagste grondwaterstand (zomerpeil) ligt in het noorden van het plangebied dieper dan 120 cm -Mv. In het midden van het plangebied ligt deze tussen 80 en 120 cm -Mv. Een recente grondwaterstandsmeting circa 180 m ten noordoosten van het plangebied wijst erop dat het grondwater hier wisselt tussen circa 1,5 m +NAP en 1,4 m -NAP (bron: www.dinoloket.nl, peilbuismeting B31G0181-001).

Dit betekent, gezien de hoogteligging van het plangebied, dat het grondwater hier vanaf maaiveld tot circa 210 cm -Mv is te verwachten. Vanuit archeologisch oogpunt betekenen dergelijke grondwaterstanden dat zowel organische als anorganische archeologische resten goed in de bodem geconserveerd kunnen zijn gebleven, voor zover deze beneden 1,4 m -NAP liggen. Onverbrande organische resten die hoger dan 1,4 m -NAP worden aangetroffen, zijn naar verwachting door oxidatie aangetast dan wel gedegradeerd. De leek- en woudeerdgronden in het zuiden van het plangebied hebben een grondwatertrap III* (GWT-III*). Dit betekent dat het grondwater hier oorspronkelijk in de winter binnen 40 cm -Mv wordt aangetroffen en in de zomer tussen 80 en 120 cm -Mv. De asterisk duidt echter op aanpassingen in de grondwaterstand door de mens. Volgens een recente grondwaterstandsmeting circa 700 m ten westen van het plangebied, wordt het grondwater in dit deel van het zuidelijk buitengebied van Montfoort aangetroffen tussen circa 1,0 en 1,9 m -NAP. Dit betekent, gezien de hoogteligging van het plangebied, dat het grondwater hier tussen circa 50 en 260 cm -Mv is te verwachten. Vanuit archeologisch oogpunt betekenen dergelijke grondwaterstanden dat zowel organische als anorganische archeologische resten goed in de bodem geconserveerd kunnen zijn gebleven, voor zover deze beneden 1,9 m -NAP liggen.

Onverbrande organische resten die hoger dan 1,9 m -NAP worden aangetroffen, zijn naar verwachting door oxidatie aangetast dan wel gedegradeerd.

16

7. Bekende archeologische waarden Wettelijk beschermd monument

Nee

AMK terrein

Circa 100 m ten noordoosten

Archeologische waarden en/of informatie

Ja (2 vondstmeldingen)

Archeologische verwachting Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart heeft het plangebied een lage tot hoge archeologische verwachting (Alkemade et al., 2010; zie bijlage 9). Deze verwachtingen hangen samen met de ligging van het plangebied in een komgebied (lage verwachting) en de ligging op de ZuidStuivenberg stroomrug (middelhoge verwachting) en Stuivenberg stroomrug (hoge verwachting). Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Het plangebied is ook niet opgenomen op de Archeologische Monumentenkaart (AMK; zie bijlage 10). Informatie van Stichting Hugo Kotestein De archeologische verwachting van het plangebied wordt – behalve het landschappelijke aspect mede bepaald door de cultuurhistorische inrichting van het landschap. Zo is de Benedenkerkweg, die direct ten oosten van het plangebied ligt, volgens de Stichting Hugo Kotestein een “eeuwenoude ontsluitingsweg” van het boerderijlint Blokland. Dit boerderijlint ligt circa 500 m ten zuiden van het plangebied. De middeleeuwse ontsluitingsweg en het boerderijlint zijn ook weergegeven op de gemeentelijke Cultuurhistorische Bewoningskaart (Alkemade et al., 2010; zie bijlage 11). De middeleeuwse kerkweg is altijd een doorgangsweg geweest.

Langs de weg kunnen dan ook sporen van infrastructuur en bewoning worden aangetroffen. Verder bevindt zich aan de Willeskop 5, direct ten noordwesten van het plangebied, een historische boerderij. Deze boerderij is een gemeentelijk monument. De boerderij betreft een langgevelboerderij. Op de locatie van de boerderij is (volgens Stichting Hugo Kotestein) altijd bewoning geweest. De boerderij lag aan de doorgaande, belangrijke verbindingsweg tussen Utrecht, Gouda en Den Haag/Rotterdam (pers. comm. Peter Versloot, 19-02-2022; zie ook de gemeentelijke ‘Cultuurhistorische Bewoningskaart’ in bijlage 11). De huidige boerderij en schuur zijn in 1876 gerealiseerd (bron: www.montfoort.nl2; zie verder hoofdstuk 8). Bekende archeologische waarden in het plangebied Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart zijn in het plangebied twee ‘archeologische waarnemingen’ gedaan. Deze waarnemingen staan in Archis3 weergegeven als twee vondstmeldingen (zie bijlage 10). •

•

2

Op de rand van de wegen De Bleek en de Benedenkerkweg naar het plangebied (de oostrand van het plangebied) is melding gedaan van de vondst van een laatmiddeleeuwse kruik van zwart aardewerk. De kruik is gedateerd in de 15e eeuw (vondstmelding 2899707100). De tweede vondstmelding heeft betrekking op een archeologisch booronderzoek (‘Lieve Vrouwegracht’). De weg de ‘Lieve Vrouwegracht’ ligt circa 210 m ten noordoosten van het plangebied. Het is onduidelijk of deze vondstmelding in Archis3 wel op de goede plek is weergegeven. Op grond van een bureauonderzoek gold volgens Archis3 een hoge verwachting op archeologische resten uit alle perioden vanaf de Late-Bronstijd, vanwege de ligging op de

https://www.montfoort.nl/mozard/!suite86.scherm0325?mVrg=9706.

17

Stuivenberg stroomrug. Verder werd een antropogene ophogingslaag verwacht. De ophogingslaag blijkt te reiken tot 1 m -Mv. De ophogingslaag is in oeverafzettingen ingegraven. Omdat de diepte van de beddingafzettingen niet is vastgesteld, kon de datering van de stroomgordelafzettingen niet worden bepaald. In de ophogingslaag komen fragmenten kogelpotaardewerk voor – mogelijk in een grondspoor – op 95 cm -Mv. Het kogelpotaardewerk duidt op een vindplaats. Onder de ophogingslaag is de kans op een vindplaats laag, doordat de top van de natuurlijke afzettingen is vergraven (Briels, 2006; vondstmelding 2122891100). Bekende archeologische waarden in de omgeving Het plangebied ligt circa 100 m ten zuidoosten van AMK-terrein 11944. Dit terrein omvat de historische stadskern van Montfoort en heeft een ‘hoge archeologische waarde’. De begrenzing van het terrein is gebaseerd op historische kaarten uit de 19e en 20e eeuw. Binnen de contouren van het AMK-terrein kunnen echter uit veel oudere perioden archeologische resten aanwezig zijn, met name resten uit de periode vanaf circa 1300 na Chr. (na de bedijking van de Hollandse IJssel). De stadskern van Montfoort heeft zich gevormd rond het kasteel van Godfried van Rhenen. Dit kasteel bevindt zich circa 3800 m ten noordoosten van het plangebied.

Het gebouw is aangemerkt als rijksmonument (rijksmonumentnummer 45831; bron: www.rijksmonumenten.nl). Het kasteel is gebouwd omstreeks 1163-1170, als verdedigingswerk op de grens tussen het Sticht (het eigendom van de bisschop van Utrecht) en het gewest Holland (bronnen: Archis3 en www.kasteleninnederland.nl). De naam van het kasteel ‘Montfort’ is vermoedelijk afgeleid van Mons Fortis: ‘sterke berg of burcht’. Volgens Archis3 bevinden de resten van het kasteel zich op rivierklei op een stroomrug. Op het kasteelterrein is sprake van een hoofd- en een voorburcht. Tijdens archeologisch onderzoek naar de buitenmuur van de voorburcht bleek de voorburcht te stammen uit het einde van de 14 e of het begin van de 15e eeuw. Een 12e-eeuwse voorganger is (nog) niet aangetroffen. Wel bevond zich onder de kasteelmuur een dikke, kleiige bewoningslaag uit de 12e eeuw. In 1672 is het kasteel verwoest door de Fransen tijdens een Franse aanval op de Nederlandse republiek onder Lodewijk XIV. In de 19 e en 20e eeuw hebben restauraties van het kasteel plaatsgevonden.

Figuur 2. Tekening van de Montfort, met op de achtergrond de beginselen van de stad Montfoort door Roelant Roghman (omstreeks 1650; bron: www.kasteleninnederland.nl).

18

De nederzetting rond het kasteel heeft in 1329 stadsrechten gekregen. Rond de stad werd een omwalling aangelegd. De omwalling heeft volgens de gemeentelijke Cultuurhistorische Defensiekaart circa 100 m ten noordoosten van het plangebied gelegen (Alkemade et al., 2010; bijlage 12). In de ommuring bevonden zich 24 verdedigingstorens en een bolwerk waarop een molen stond. Het bolwerk bevond zich op de plek van de huidige stellingkorenmolen De Valk uit 1753 – circa 160 m ten noordoosten van het plangebied. Langs onder meer de Provincialeweg is nog een klein stuk van de oude verdedigingsmuren te zien. In de historische stadskern van Montfoort zijn een grote hoeveelheid archeologische onderzoeken uitgevoerd (N=20). Verder zijn buiten de kern van Montfoort, in een straal van 750 m rond het plangebied nog eens negen archeologische onderzoeken uitgevoerd. Ook zijn in totaal 19 vondstmeldingen in een straal van 750 m rond het plangebied (dus inclusief de historische kern) gedaan De locaties van deze onderzoeken en vondstmeldingen staan weergegeven op kaart in bijlage 11. Enkele van deze onderzoeken zijn hieronder geïnventariseerd om tot een zo gericht mogelijke verwachting van het plangebied te komen. •

•

Aan de hand van een bureauonderzoek in het kader van de verbetering van dijksegmenten is voor de dijksegmenten te Montfoort een hoge verwachting vastgesteld op archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd. In het tracé is sprake van zowel reeds bekende vindplaatsen als zones met een hoge verwachting op archeologische vindplaatsen. Volgens het onderzoek is het cultuurhistorisch landschap in de directe omgeving van de Hollandse IJssel doorgaans goed geconserveerd te noemen. Onder de bekende cultuurhistorische waarden zijn onder meer schansen en forten, historische dijkpalen, bruggen, stoepen en hekwerken. Binnen de historische binnenstad van Montfoort komen resten voor van grachten, wallen, de stadsmuur, het kasteel en woningen. Het plangebied ligt volgens dit onderzoek in een agrarisch buitengebied met akkercomplexen zonder sloten ten zuidwesten van de historische kern van Montfoort (Jansen et al., 2019; onderzoekmelding 4696684100). De meest recente onderzoeken die in de kern van Montfoort zijn uitgevoerd betreffen een viertal bureauonderzoeken en twee booronderzoeken (20213).

Op basis van het bureauonderzoek voor de Hofstraat (circa 460 m ten noordoosten van het plangebied) geldt een hoge archeologische verwachting voor de periode Romeinse tijd tot Nieuwe tijd, door de ligging op de Hollandse IJssel stroomrug en de aanwezigheid van bebouwing op historische kaarten (De Rijk, 2021). Een bureauen booronderzoek aan de Tabakshof 1-3 (circa 720 m ten noordoosten van het plangebied) wees een hoge verwachting voor dezelfde periode (Romeinse tijd tot en met Nieuwe tijd) uit. In de ondergrond van het gebied is tot 140-155 cm -Mv (0,4-0,6 m -NAP) sprake van oeverafzettingen met resten baksteenpuin en ‘ondoordringbaar puin’. De aangetroffen indicatoren duiden mogelijk op sporen van voormalige, 16e-eeuwse bebouwing die hier op basis van historische kaarten heeft gestaan (Van Bussel en Rap, 2021). Tijdens een bureau- en booronderzoek aan de Molenstraat – circa 240 m ten noordoosten van het plangebied - zijn komafzettingen en veen aangetroffen. Boven de komafzettingen komen crevasse-afzettingen voor vanaf 75 tot 105 cm -Mv4. Waarschijnlijk betreft het een crevasse van de Hollandse IJssel. Boven de crevasse-afzettingen liggen komkleiafzettingen met fosfaatvlekken en baksteenpuin. Dit wordt afgedekt door een ophogingslaagje. Op grond van het fosfaat en bouwpuin geldt een hoge archeologische verwachting voor de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd (Hanemaaijer, 2021).

De resultaten van het bureauonderzoek aan de Lieve Vrouwegracht 23A, circa 260 m ten noordoosten van het plangebied, en een bureauonderzoek aan de Keizerstraat 34, circa 540 m ten noordoosten van het plangebied, zijn nog niet openbaar te raadplegen via Archis3 en DansEasy.

3

Onderzoekmeldingen 5106972100, 5122320100, 5086503100, 5025761100, 5003153100 en 5022772100.

4

NAP-waarden zijn niet vermeld.

19

•

•

•

Circa 35 m ten noorden van het plangebied is een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (Nales, 2018; Transect-rapport 1729). Hieruit blijkt dat sprake is van een middelhoge archeologische verwachting voor de periode Neolithicum – Late Middeleeuwen, vanwege de aanwezigheid van deels intacte oeverafzettingen van de Stuivenberg stroomrug. In het centrale deel is sprake van een lage verwacht. Hier zijn alle oeverafzettingen verdwenen en is onder de bouwvoor sprake van een baksteenhoudende omwerkingslaag direct op beddingzand. Dit is waarschijnlijk het gevolg van kleiwinning (onderzoeksmelding 4609835100). De overige onderzoeken en vondstmeldingen in de historische kern wijzen uit dat voornamelijk archeologische resten zijn aangetroffen uit de periode Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd. De hoofdmoot van de archeologische resten dateert daarbij uit de periode 14e tot en met de 19e eeuw. Er zijn echter ook oudere resten uit de 12e-13e eeuw aangetroffen en jongere resten uit de 20e eeuw. De aangetroffen resten bevinden zich in de meeste gevallen in door de mens opgebrachte, puinhoudende kleilagen. De resten bestaan uit bebouwingsresten, beerputten, waterputten en afvalkuilen en resten van de stadsverdedigingswerken (waaronder resten van het kasteel en kasteel- en stadsgrachten).

Op één locatie – namelijk aan de Achterstraat – is onder de ophogingslagen mogelijk sprake van resten die ouder zijn dan de Late-Middeleeuwen. Vanwege het ontbreken van vondstmateriaal kunnen hier echter geen gerichte uitspraken over worden gedaan. De oudere resten bevonden zich in de top van de oeverafzettingen van de Hollandse IJssel. De oeverafzettingen van deze stroomrug zijn in een brede zone rond de huidige IJssel aangetroffen. Dergelijke afzettingen kunnen ook in het plangebied worden aangetroffen. De top van de oeverafzettingen van de Hollandse IJssel ligt in de omgeving ongeveer op 0,3-0,4 m +NAP. In de meeste onderzoeken zijn echter geen NAP-waarden gehanteerd. De oeverafzettingen zijn aan de westkant van de historische stadskern waarschijnlijk doorsneden door een crevasse. In het buitengebied ten zuiden van Montfoort zijn nog relatief weinig veldonderzoeken uitgevoerd. De meeste van de hier uitgevoerde archeologische onderzoeken zijn bureauonderzoeken, die geen nieuwe kennis opleveren over de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Tijdens de onderzoeken die hier zijn uitgevoerd is over het algemeen sprake van een 10 tot 50 cm dikke bouwvoor, met er onder afzettingen van de Stuivenberg stroomrug.

Op één van de vier onderzochte locaties is tijdens het booronderzoek een vegetatiehorizont aangetroffen op de overgang van de oever- naar de beddingafzettingen (720 m ten oosten van het plangebied). Deze vegetatiehorizont ligt op 0,5-0,7 m -Mv / 0,7-0,3 m -NAP (van noord naar zuid). Vermoedelijk komen hierin resten voor die ouder zijn dan de Late-Middeleeuwen (Wilbers en Moerman, 2017). In ophogingslagen boven de rivierafzettingen of in de top van de rivierafzettingen zelf kunnen resten uit de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd worden aangetroffen. Vindplaatsen zijn in het buitengebied – buiten de vondstmeldingen in het plangebied - nog nauwelijks bekend. Alleen circa 90 m ten oosten van het plangebied is een administratieve vondstmelding gedaan van vijf munten uit de Romeinse tijd (1e-3e eeuw). Wat de precieze oorspronkelijke locatie is waarop de munten zijn aangetroffen, is echter niet bekend.

20

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Historische bebouwing

Ja, in het zuidoosten

Historisch gebruik

Weilanden, bouwlanden, sloten, schuren

Huidig gebruik

Gras- en weilanden, bebouwd erf

Bodemverstoringen

Funderingen, gedempte sloten

Historische situatie Het plangebied bevindt zich circa 100 m ten zuidwesten van de historische stadskern van Montfoort. Tot aan de 10e eeuw bestond de omgeving van Montfoort uit een veenmoeras, dat werd doorsneden door rivieren. Bewoning vond tot aan die periode uitsluitend plaats op de hoger gelegen delen van het landschap: de oevers van de Stuivenberg, Buitenzorg en Willeskop stroomruggen, de oevers en crevasses van de Hollandse IJssel. Bewoning op deze oevers en crevasses was in principe mogelijk totdat de afzettingen door jongere komafzettingen en veen werden afgedekt. Op basis van archeologische vondsten kan worden geconcludeerd dat op de oevers van de Hollandse IJssel bewoning heeft plaatsgevonden vanaf de Romeinse tijd (Cohen et al., 2012). Van bewoning vanaf (in elk geval) de Romeinse tijd was vermoedelijk ook sprake op de Stuivenberg stroomrug (bron: Archis3)5. In de 10e-11e eeuw werd het veengebied systematisch ontgonnen middels ‘cope-ontginningen’. Percelen waren strookvormig en aan weerskanten werden sloten aangelegd om overtollig water af te voeren. De Hollandse IJssel was daarbij de primaire ontginningsas voor de ontginningen in de omgeving van het plangebied. Sloten werden haaks op de Hollandse IJssel aangelegd (Blijdenstijn, 2015).

Verder werden tijdens de Late-Middeleeuwen diverse kanalen gegraven, die het landschap in verschillende polders opdeelden (onder meer de Heycop, de Willeskop en de Gerverscop). De hoge delen van het landschap werden voornamelijk gebruikt voor de landbouw en de lagere delen voor de veeteelt (Alkemade et al., 2010). De eerste kades rond de Hollandse IJssel werden aangelegd omstreeks 1100 na Chr. (bron: RCE Kaart ‘Leven met Water’). De oudste ontwikkeling van de stadskern van Montfoort gaat terug tot ongeveer dezelfde periode. Met name de Mons fortis, het kasteel Montfoort, was een belangrijk bouwwerk in de vroege geschiedenis van de stad. Dit kasteel is omstreeks 1170 opgericht door de bisschop van Utrecht (Godfried van Rhenen) als verdedigingswerk van het Sticht op de grens met het gewest Holland. De Hollandse IJssel vormde één van de natuurlijke landscheidingen tussen de graafschappen (bron: www.kasteleninnederland.nl). Het kasteel Montfoort is op de voet van de oeverwal van deze rivier gesticht. Momenteel bevindt het kasteel zich in de periferie van het stadscentrum, omdat later de St. Janskerk en het stadhuis centraal kwamen liggen (Blijdenstijn, 2015). Vanaf de oprichting van het kasteel Montfoort verrezen rond het kasteel steeds meer woningen en ontstond geleidelijk aan een steeds grotere nederzetting.

In 1329 verkreeg Montfoort stadsrechten en werd de stad ommuurd en omgracht. In de ommuring bevonden zich 24 verdedigingstorens en een bolwerk met een molen (de voorganger van de huidige stellingkorenmolen De Valk, aan de zuidwestkant van de stad – circa 160 m ten noordoosten van het plangebied). Van de oude verdedigingswerken resteert onder meer nog een stukje stadsmuur langs de huidige Provincialeweg en langs de Achterdijk (ten zuiden van de stad; Alkemade et al., 2010). Volgens de Militaire

5

Ofschoon op deze stroomrug, op grond van de ouderdom ervan, mogelijk al vanaf de vorming van de oevers vanaf het LaatNeolithicum bewoning mogelijk was.

21

Landschapskaart van de RCE stond de middeleeuwse stadsmuur van Montfoort ongeveer op de plek van de huidige N228, circa 150 m ten noordoosten van het plangebied (bron: rce.webgispublisher.nl). Vanaf de aanleg van de kades langs de Hollandse IJssel werd de daling van de bodem als het gevolg van de ontwatering steeds problematischer. Daarom werden vanaf de 15e eeuw watermolens aangelegd om het waterpeil in de polders op het gewenst niveau te houden. Volgens de cultuurhistorische atlas van Blijdenstijn (2015) zijn in het plangebied geen cultuurhistorische elementen als molens, kades en eendenkooien te verwachten (bron: utrecht.maps.arcgis.com). Andersoortige cultuurhistorische elementen komen in het plangebied volgens de gemeentelijke Cultuurhistorische Bewonings- en Defensiekaarten vermoedelijk ook niet in het plangebied voor (Alkemade et al., 2010; zie bijlagen 11 en 12). In 1403 werd, vermoedelijk in een dichtgeslibde restgeul van de Hollandse IJssel (zie hoofdstuk 7), een haven aangelegd. Zo kon men via de gekanaliseerde Hollandse IJssel handel bedrijven met steden als Utrecht, IJsselstein en Oudewater. Verder werd vanaf de 14e-15e eeuw het stratenpatroon gewijzigd en in een regelmatig patroon aangelegd, geënt op de oudere verkavelingsstructuren.

In de steden van de Lingewaard zoals Vianen, Montfoort en Oudewater is in deze periode (vanaf de 15 e eeuw) de hennepteelt en touwproductie op gang gekomen (Blijdenstijn, 2015). Een stadsbrand in 1629 zorgde ervoor dat een groot deel van de stad in as werd gelegd. Ook 1672 was, zoals voor zoveel steden in Nederland, een rampjaar voor Montfoort. In dat jaar vernietigden de Fransen (onder leiding van Lodewijk XIV) de Mons fortis en werd de stad bezet door Franse troepen (Alkemade et al., 2010 en Archis3). Van kasteel Montfoort is alleen de voorburcht goed bewaard gebleven (bron: www.rhcrijnstreek.nl). Vondsten van gezaagd bot uit de periode van het einde van de 17e tot het begin van de 19e eeuw herinneren aan de knopenproductie die in de periode na de Franse bezetting heeft plaatsgevonden (zie ook hoofdstuk 7). In de loop van de 19 e eeuw werd in Montfoort de steenbakkerij belangrijk. Deze steenfabrieken zijn echter momenteel niet meer aanwezig (bron: www.rhcrijnstreek.nl).

Figuur 3. Zicht op het bolwerk met stellingkorenmolen De Valk aan de zuidwestkant van de stad. Datering en maker onbekend (bron: www.nationaalarchief.nl).

Historische kaarten en heemkundestichting Aan de hand van historische kaarten is inzicht verkregen in de historische ontwikkeling van het plangebied (zie bijlage 14). De oudst geraadpleegde kaart is de kaart van Jacob van Deventer uit 15401560 (bron: www.hetutrechtsarchief.nll). Het plangebied valt echter buiten het kaartbeeld; de kaart richt zich op de historische stadskern. Op de Wandkaart van de Landen van Woerden van de 22

gebroeders Vingboons van omstreeks 1690 staat het plangebied eveneens niet verbeeld. Op deze kaart is wel de voorganger van de huidige Julianalaan, circa 200 m ten noorden van het plangebied, weergegeven. Deze weg is parallel aan de gekanaliseerde Hollandse IJssel aangelegd. De weg heeft vroeger circa 150 m dichter bij het plangebied gelegen (dus circa 50 m ten noorden ervan). Dit is ook af te leiden van latere kaarten. Het plangebied ligt volgens de kaart van de gebroeders Vingboons in de Polder Hofland. De oudste kaart aan de hand waarvan meer gerichte uitspraken zijn te doen over de inrichting van het plangebied is de Generaale land-kaarte van den Loopicker-waard uit 1771. Op deze kaart is de Julianalaan aangeduid als Dyck en staan de Benedenkerkweg – direct ten oosten van het plangebied – en de Willeschop Weetering – direct ten zuiden van het plangebied – weergegeven. De huidige Benedenkerkweg (die parallel aan de weg De Bleek ligt) is volgens de Stichting Hugo Kotestein een “eeuwenoude ontsluiting” van het boerderijlint Blokland. Dit boerderijlint ligt op grond van historische kaarten circa 500 m ten zuiden van het plangebied. Dit lint word al in historische bronnen genoemd vanaf het einde van de 13e eeuw. Langs de middeleeuwse kerkweg bereikte men het achtergelegen Blokland. In de loop van de tijd zijn langs de weg een aantal sloten gedempt.

Mogelijk hebben langs de weg - behalve weilanden – ook zogenaamde ‘geriefbosjes’ gelegen (pers. comm. Peter Versloot, 1902-22). Dit zijn, letterlijk vertaald, ‘gebruiksbosjes’. Hier won men hout, voor onder andere de bouw van woningen en boerderijen. Volgens het Kadastrale Minuutplan uit de periode 1811-1832 is in het begin van de 19e eeuw vrijwel sprake van dezelfde perceeldeling als tegenwoordig. De voorganger van de Julianalaan (de Willeschopdyck) ligt circa 50 m ten noorden van het plangebied. Het plangebied behoort dan nog grotendeels tot het grondgebied van de gemeente Willeskop (percelen 1-7, 22-24 en 30). Alleen de meest noordoostelijke punt behoort tot de gemeente Montfoort (percelen 84 en 85). Volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafelen bij de Kadastrale Minuut is het deel van het plangebied binnen de gemeente Montfoort in eigendom van bouwman Hendrik Denenbos (uit Montfoort) en rentenier D. van Boetzelaar (uit Utrrecht) en in gebruik als bouwlanden. De heer Boetzelaar bezat tevens percelen 1-5 in de gemeente Willeskop. Hij gebruikte dit deel van zijn eigendom als weilanden (percelen 1, 3 en 4) en bouwlanden (percelen 2 en 5). Aan de wegkant (in het oosten van het plangebied) lagen verder bouwlanden in eigendom van twee andere renteniers. De oostgrens van het plangebied werd gevormd door de Benedenkerkweg.

De percelen van de heer Boetzelaar werden in het westen van het overig (uiterste westelijke) deel van het plangebied gescheiden door een circa 2 m brede sloot. Aan de overzijde van de sloot bevonden zich twee weilanden (percelen 22 en 24) en een bouwland (perceel 30) van boer Anthony van Vlooswijk. De zuidgrens van het plangebied werd gevormd door percelen 8, 15, 16 en 36. Hier is volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafelen sprake van een kade – in eigendom van de eigenaren van de aangrenzende percelen. De kade staat volgens de kaart bekend als de ‘Der Tiend Weg’. Wanneer de kade precies is gerealiseerd is niet bekend (Blijdenstijn, 2015; bron: ‘Kaart Leven met Water’ van de RCE). Langs de kade is elders in het buitengebied van Montfoort sprake van bebouwing. In het plangebied zelf is echter geen bebouwing weergegeven. Volgens een historische kaart uit 1870 is het plangebied aan het einde van de 19 e eeuw verder opgedeeld in kleinere, strookvormige kavels. Het ‘centrale bouwland’ in het midden van het plangebied is behouden. De rest van het plangebied is in gebruik als weilanden. In het plangebied is nog altijd geen bebouwing aanwezig. Dit beeld verandert op basis van historische kaarten tot aan in elk geval 1950 niet. De bebouwing aan de Willeskop 5 – een gemeentelijk monument – is volgens historische kaarten gedeeltelijk tot stand gekomen in de periode 1870-1900.

Deze bebouwing gaat volgens gegevens van het kadaster voor een deel nog terug tot het jaar 1898 (bron: www.bagviewer.kadaster.nl). 23

Op de kaart van 1950 zijn duidelijker dan voorheen de perceelgrenzen binnen het plangebied aangeduid. Volgens deze kaart bestaan in elk geval de zuidelijke perceelgrenzen uit sloten. In het zuiden van het plangebied zijn verder tussen 1900 en 1950 drie schuurtjes tot stand gekomen. Verder is ter hoogte van de kade op de zuidgrens van het plangebied (Tiendweg) een sluis aangelegd. Hoewel de sluis omstreeks 1970 nog aanwezig is, zijn de drie schuurtjes tussen 1950 en 970 verdwenen. In de periode 1950-1970 s in het noordoosten van het plangebied wel de thans nog bestaande bebouwing gerealiseerd. Deze bebouwing dateert volgens gegevens van het kadaster uit 1963 en 1966 (bron: www.bagviewer.kadaster.nl). Verder blijkt uit de kaart van 1970 dat alle perceelgrenzen in het plangebied bestaan uit sloten. Het centrale bouwland is omgezet in een weiland, zodat vanaf dan het hele plangebied (behalve het bebouwde erf) in gebruik is als weilanden. In 1989 is de gemeente Willeskop opgeheven en ging het plangebied deel uitmaken van de gemeente Montfoort (pers. comm. Peter Versloot, 19-02-22). Vanaf dat jaartal zijn de gemeentegrenzen dan ook niet meer in het plangebied aangegeven. In de periode 1990-2010 is in het midden van het plangebied een sluis met poel gerealiseerd. De rest van het gebruik van het plangebied is hetzelfde gebleven.

Militair Erfgoed Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) is het plangebied niet aangeduid als aandachtsgebied. In de Hollandse IJssel en een bufferzone er rondom is wel een vooronderzoek explosieven uitgevoerd. Een deel van de buffer rond dit onderzoek oversnijdt het noordelijk deel van het plangebied (bron: www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart; gemeentecode GM335, AVG-projectcodes 1462068 en 1962026). De resultaten van dit onderzoek zijn niet openbaar raadpleegbaar. In het plangebied zijn echter geen verwachtingen op militaire objecten, raketinslagen of aan de Wereldoorlogen gerelateerde verschijnselen (bronnen: www.ikme.nl; www.vergeltungswaffen.nl, www.bunkerinfo.nl; www.tracesofwar.com, www.explosievenopsporing.nl). Ook een luchtfoto van de Royal Air Force uit de periode van de Tweede Wereldoorlog geeft geen aanleiding tot verdenking op dergelijke verschijnselen (bron: www.library.wur.nl/webquery/geoportal/raf; zie figuur 4). Huidig gebruik en bodemverstoringen Volgens historische kaarten en gegevens van de Stichting Hugo Kotestein is het plangebied in elk geval vanaf het einde van de 18e eeuw tot heden altijd grotendeels in gebruik geweest als grasland. Een deel van het plangebied is echter in het verleden ook gebruikt als bouwlanden en sloten.

De bouwlanden en een deel van de sloten is nu opgeheven (omgezet in weiland of gedempt), maar sporen hiervan kunnen hebben geleid tot aantasting van de ondergrond. De centrale sloot die nu nog van noord naar zuid door het plangebied voert, heeft in elk geval op deze plek gelegen vanaf het begin van de 19e eeuw. Deze sloot staat het meest prominent op kaarten verbeeld. De sloot was in het verleden circa 2 m breed en is later tot een breedte van circa 4 m uitgebreid. De diepte van de sloot is niet bekend. De overige sloten zijn waarschijnlijk, in elk geval, minder breed geweest. De locatie van deze voormalige sloten is op actuele luchtfoto’s en het AHN nog duidelijk te herkennen. Verder kan de voormalige bebouwing van drie schuren in het zuidoosten van het plangebied en het huidige bebouwde erf in het oosten hebben geleid tot bodemverstoringen. De aard en diepte van de funderingen van deze bebouwing is onbekend. De huidige bebouwing beslaat een oppervlakte van circa 1000 m2. Volgens bodemloket is in het plangebied geen milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd (bron: www.bodemloket.nl). Ook is geen informatie bekend over eventuele saneringen die in het plangebied zouden kunnen hebben plaatsgevonden. Aan de hand van het AHN is, tot slot, zijn geen aanvullende verstoringen in het plangebied af te leiden.

Niet geheel uit te sluiten is echter verder dat in het plangebied mogelijk afvletting of ‘afkleiing’ heeft 24

plaatsgevonden. Dergelijke activiteiten werden in de IJsselstreek veel uitgevoerd ter plaatse van rivieroevers voor het winnen van klei. Met name de zandige klei die wordt aangetroffen op de oevers van rivieren is namelijk goed geschikt voor de baksteenproductie. In de omgeving van de Hollandse IJssel werd hier soms op grote schaal, al vanaf de middeleeuwen, klei afgegraven voor de verstening van de grote steden. De gebieden waarin klei werd gewonnen bleven na de kleiwinningsactiviteiten vaak als relatief vlakke, lager gelegen (dan oorspronkelijk) percelen achter in het landschap.

Figuur 4. De ligging van het plangebied op een uitsnede uit een luchtfoto van de Royal Air Force van 10 september 1944 (bron: www.library.wur.nl/webquery/geoportal/raf, flight 026 run 01 photo 3143, WURlibrary ID 297098).

25

9. Gespecificeerde archeologische verwachting Kans op archeologische waarden

Laag

Laat-Paleolithicum tot Laat-Neolithicum A

Complextypen

Middelhoog Laat-Neolithicum B tot Vroegetot hoog6 Middeleeuwen Laag tot Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd middelhoog7 Nederzettingsresten, grafvelden, resten van landgebruik, individuele huisplaats

Stratigrafische positie

Top oeverafzettingen en historische ophogingslaag

Diepteligging

Stuivenberg: 0,3-0,7 m -NAP / vanaf circa 10 cm -Mv

Aanwezigheid en dichtheid De archeologische verwachting van het plangebied hangt in belangrijke mate samen met de aanwezigheid van oever- en crevasse-afzettingen van de Stuivenberg en Zuid-Stuivenberg stroomgordels. Deze stroomgordels zijn in het plangebied actief geweest in de periode van circa 25001450 v.Chr. (het Laat-Neolithicum tot en met de Midden-Bronstijd) en 2200-2000 v.Chr. (de overgang van het Neolithicum naar de Bronstijd). In theorie kunnen de oever- en crevasse-afzettingen van deze stroomruggen bewoonbaar zijn geweest vanaf de vorming ervan in het Laat-Neolithicum. In de omgeving van het plangebied zijn echter nog geen vondsten gedaan uit de periode Neolithicum tot en met de IJzertijd en de Vroege-Middeleeuwen, vanwaar het zwaartepunt van de archeologische verwachting voor deze afzettingen ligt in de Romeinse tijd. Voor de Romeinse tijd geldt op de oeveren crevasse-afzettingen een hoge archeologische verwachting. Voor de overige perioden van het LaatNeolithicum-B tot en met de Vroege-Middeleeuwen geldt in deze delen van het plangebied een middelhoge verwachting Oeverafzettingen van de Stuivenberg stroomrug zijn in het gehele noordelijke en oostelijke deel van het plangebied te verwachten (zie bijlage 15).

In het zuidwesten van het plangebied komen naar verwachting crevasse-afzettingen voor, die zijn afgedekt met kom- en oeverafzettingen uit een latere reactivatie-fase van de Stuivenberg stroomrug. De crevasse-afzettingen kennen door de voortgaande rivieractiviteit in de Vroege-Bronstijd een lage verwachting voor het Laat-Neolithicum en de VroegeBronstijd. Hier geldt verder dezelfde verwachting als voor de oeverafzettingen in het oosten: een middelhoge verwachting voor de perioden Midden-Bronstijd, IJzertijd en Vroege-Middeleeuwen en een hoge verwachting voor de Romeinse tijd. Op de komafzettingen van de Stuivenberg stroomrug geldt een lage archeologische verwachting. De kom wordt namelijk getypeerd door natte condities, die niet geschikt waren voor bewoning of andere (langdurige) activiteiten die sporen in de bodem zullen hebben nagelaten. Verder kan hier sprake zijn van veenvorming – wat de drassigheid van het landschap bevestigt. In het centraal-oostelijke deel van het plangebied bestaat een relatief grotere kans dat de top van afzettingen van de Stuivenberg stroomrug is afgetopt als het gevolg van (sub)moderne bodembewerkingen, omdat dit gedeelte in het verleden in gebruik was als bouwland. Uit de periode Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd worden in het plangebied niet direct archeologische resten verwacht die verband houden met een langdurig gebruik, zoals bewoning of begraving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Montfoort&id=2e547734-c270-4a70-b6b3-e8b7aa9c2f63