08 BP Bijlage 5. Rapportage BO IVO Montfoort, Tabakshof 1-3 20220404.pdf
Tekst van het document
Een deel van de bebouwing die op de luchtfoto staat is tevens afgebeeld op een historisch-topografische kaart uit 1950 (bron: www.topotijdreis.nl). Op een topografische kaart uit 1970 zijn, net als op de luchtfoto, drie verschillende gebouwen in het plangebied te zien. De huidige winkel in het zuiden van het plangebied gaat volgens gegevens van het Kadaster ten minste terug tot 1968. De woning dateert uit 1938 (bron: www.bagviewer.kadaster.nl). Militair Erfgoed Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) is het plangebied niet aangeduid als aandachtsgebied. Ook zijn er geen verwachtingen op militaire objecten, raketinslagen of aan de Wereldoorlogen gerelateerde verschijnselen (bronnen: www.ikme.nl; www.vergeltungswaffen.nl, www.bunkerinfo.nl; www.tracesofwar.com, www.explosievenopsporing.nl). Huidig gebruik en bodemverstoringen Volgens historische kaarten bestaat (een deel van) de huidige bebouwing in het plangebied sinds 1938. Voorafgaande aan de realisatie van deze bebouwing is het plangebied in elk geval vanaf 1771 in gebruik geweest als boomgaard. Als het gevolg van het rooien van bomen kan een deel van de ondergrond in het plangebied zijn verstoord. Verder is sprake van bodemverstoringen als het gevolg van de realisatie van de huidige bebouwing. De aard en diepte van de funderingen van de winkel en woning is echter niet bekend.
Ook is onbekend of zich onder de bebouwing kelders bevinden. Van de gebouwen zijn bij de opdrachtgever geen bouwtekeningen beschikbaar. In het westen van het plangebied ligt vermoedelijk een deel van de aarden stadsomwalling. Aan de hand van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, versie 4) zijn niet direct indicaties te zien voor een aardenwal. Het plangebied ligt echter circa 60 cm hoger dan de woonwijk ten oosten ervan. De stadskern zelf ligt circa 50 cm hoger. Mogelijk hebben in latere fasen nog meer ophogingen plaatsgevonden, waardoor een eventuele wal niet meer als zodanig te herkennen is. In het plangebied zijn verder geen aanwijzingen voor afgraving. Volgens bodemloket is in het plangebied een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd (bron: www.bodemloket.nl, locatiecode UT033500030). Volgens de gegevens in bodemloket heeft een sanering plaatsgevonden. Waar en in hoeverre de ondergrond in het plangebied is verstoord als het gevolg van de sanering is niet bekend. De sanering vond plaats in 2000/2001, dus na de realisatie van de huidige bebouwing.
25
Figuur 3. Ligging van het plangebied op een uitsnede uit de stadsplattegrond van Montfoort door Jacob van Deventer, uit circa 15401560 (bron: www.hetutrechtsarchief.nl).
Figuur 4. Ligging van het plangebied op een uitsnede uit de Wandkaart van de Landen van Woerden uit omstreeks 1690 (bron: www.nationaalarchief.nl).
26
Figuur 5. Ligging van het plangebied op een uitsnede uit de Generaale landkaarte van den Loopicker-waard uit 1771 (bron: www.nationaalarchief.nl).
Figuur 6. Aangezicht van de stad Montfoort door tekenaar Bernard de Roy, uit 1743. De tekening is vermoedelijk gemaakt vanuit de zuidwestkant van de polder (uit: Blijdenstijn, 2005).
27
Figuur 7. De ligging van het plangebied op de Kadastrale Minuut uit 18111832 (bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Figuur 8. De ligging van het plangebied op een historische kaart uit 1880 (bron: www.topotijdreis.nl).
28
Figuur 9. De ligging van het plangebied op een historische kaart uit 1920 (bron: www.topotijdreis.nl).
Figuur 10. Historische luchtfoto van de stad Montfoort uit 1926, opnamerichting: noorden (uit: Blijdenstijn, 2005). De positie van het plangebied is bij benadering met een rode cirkel weergegeven.
29
Figuur 11. Historische luchtfoto van de omgeving van het plangebied door de Royal Air Force uit 23 januari 1945 (bron: www.library.wur.nl). De ligging van het plangebied is bij benadering met een rode cirkel weergegeven.
Figuur 12. De ligging van het plangebied op een topografische kaart uit 1950 (bron: www.topotijdreis.nl).
30
Figuur 13. De ligging van het plangebied op een topografische kaart uit 1970 (bron: www.topotijdreis.nl).
Figuur 14. De ligging van het plangebied op een actuele luchtfoto (uit 2021; bron: www.pdok.nl).
31
9. Gespecificeerde archeologische verwachting Kans op archeologische waarden
Laag
Laat-Paleolithicum tot Laat-Neolithicum A
Middelhoog Laat-Neolithicum B tot VroegeMiddeleeuwen Zeer hoog Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd Complextypen
Nederzettingsresten, grafvelden, resten van landgebruik, historische bebouwing, erf-gerelateerde resten, aardenwal
Stratigrafische positie
Top oeverafzettingen Hollandse IJssel Top oever-/komafzettingen Stuivenberg stroomrug
Diepteligging
Hollandse IJssel: circa 0,4-0,3 m +NAP / 50-100 cm -Mv Stuivenberg: circa 0,2-0,8 m -NAP / 110-170 cm -Mv
Aanwezigheid en dichtheid Op basis van het bureauonderzoek bevindt het plangebied zich op de oever van de Hollandse IJssel. Deze rivier is in de loop van de Romeinse tijd actief geworden. Omstreeks 1285 na Chr. is de rivier bedijkt. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen aanwijzingen voor oudere archeologisch relevante niveaus dan de oeverafzettingen van de IJssel. Verder zijn in en boven de oeverafzettingen nog alleen archeologische resten gevonden uit de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Op basis van de ligging van het plangebied op de oever van de Hollandse IJssel, direct ten oosten van de historische stadskern van Montfoort geldt voor het plangebied een zeer hoge verwachting op archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Volgens historische kaarten is in het westelijk deel van het plangebied een restant van de middeleeuwse stadsomwalling te verwachten. In het zuiden van het plangebied wordt rekening gehouden met bebouwing uit de 16 e eeuw. Deze bebouwing kan mogelijk opvolgers hebben gehad in de 17e eeuw, maar ook voorgangers in de periode vanaf de 12 e eeuw. Verder geldt op de oeverafzettingen van de Hollandse IJssel een middelhoge verwachting op resten uit de Romeinse tijd en de Vroege-Middeleeuwen.
In de omgeving lijken resten uit deze periode veelal te zijn verstoord door middeleeuwse bebouwing, maar desondanks kan de aanwezigheid ervan niet geheel worden uitgesloten. Naar oudere niveaus dan de oeverafzettingen van de Hollandse IJssel is in de omgeving van het plangebied nog niet veel onderzoek verricht. Plaatselijk bleken geen oudere bewoonbare niveaus aanwezig door erosie van crevasses of restgeulen van de Hollandse IJssel. Hiervan lijkt echter niet overal in Montfoort sprake te zijn geweest. Plaatselijk zijn oudere afzettingen dan ook, tijdens een periode van verminderde rivierenactiviteit (de Midden-Bronstijd en IJzertijd), bedekt geraakt met een laag veen – en zo behoed van latere verstoringen. In hoeverre in het plangebied sprake is geweest van veenvorming dan wel erosie, is niet bekend. Ondanks dat in oudere niveaus in de omgeving nog geen archeologische resten bekend zijn, kan de aanwezigheid van archeologische resten ook niet geheel worden uitgesloten. Eventuele oudere rivierafzettingen in het plangebied zullen bestaan uit oever- of komafzettingen van de Stuivenberg stroomrug. Deze stroomrug was actief in de periode LaatNeolithicum tot Midden-Bronstijd A. Op de oever- en komafzettingen is theoretisch gezien bewoning mogelijk geweest vanaf de vorming ervan in het Neolithicum.
Voor de periode Neolithicum-IJzertijd geldt dan ook een middelhoge archeologische verwachting.
32
Stratigrafische positie Archeologische resten uit de periode Romeinse tijd tot en met Nieuwe tijd kunnen worden aangetroffen in de top van de oeverafzettingen van de Hollandse IJssel. Deze is in de omgeving aangetroffen op 0,4-0,3 m +NAP, vanwaar deze in het plangebied verwacht mag worden vanaf 50-100 cm -Mv. Mogelijk zijn de oeverafzettingen bedekt met antropogene ophogingslagen uit de LateMiddeleeuwen/Nieuwe tijd. Ook in de ophogingslagen moet rekening worden gehouden met archeologische/historische resten. Veder wordt op de oeverafzettingen rekening gehouden met een restant van de middeleeuwse stadsomwalling. De dikte van de wal was oorspronkelijk vermoedelijk tussen 50 en 200 cm. Archeologische resten uit de periode Laat-Neolithicum B tot en met de IJzertijd kunnen zich bevinden in de top van oever- of komafzettingen van de Stuivenberg stroomrug. Volgens Cohen et al. (2012) is de top van de beddingafzettingen van deze stroomrug te verwachten vanaf 0,2-0,8 m -NAP. Dit betekent dat ze in het plangebied kunnen worden aangetroffen vanaf circa 110-170 cm -Mv. De oeveren komafzettingen liggen hoger dan de beddingafzettingen. Complextypen Voor wat betreft de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden nederzettingsresten, huisplaatsen, resten van landgebruik en erf-gerelateerde resten verwacht.
Specifiek kunnen in het plangebied resten worden aangetroffen van de middeleeuwse stadsomwalling. Deze resten zullen zich, op basis van historische kaarten, bevinden langs de westgrens van het plangebied. In het zuiden van het plangebied heeft verder volgens een historische kaart uit het midden van de 16 e eeuw een gebouw gestaan. Van dit gebouw kunnen resten van hout- en steenbouw verwacht worden. Het noorden van het plangebied is gedurende lange tijd in gebruik geweest als boomgaard, maar de aanwezigheid van erfgerelateerde structuren zoals water- en beerputten, bijgebouwen en afvalkuilen kan niet worden uitgesloten. Uit de periode Laat-Neolithicum B tot en met de Vroege-Middeleeuwen kan eveneens sprake zijn van nederzettingsresten en resten van landgebruik. Uit deze periode kunnen ook grafvelden worden aangetroffen. Nederzettingsresten zullen zich naar verwachting kenmerken door grondsporen en in meer of mindere mate door vondstmateriaal. Op de oeverafzettingen kan sprake zijn van een ‘vuile’ laag/woonlaag met vondststrooiingen, fosfaatvlekken en/of houtskool, die duidt op een langdurige aanwezigheid van mensen. Over de aanwezigheid van een archeologische vindplaats kan uitsluitend uitspraak worden gedaan op basis van de opbouw en mate van intactheid van de ondergrond in het plangebied.
Prospectiekenmerken en -beperkingen De archeologische waarden in het gebied kenmerken zich naar verwachting door resten van hout- of steenbouw en erf-gerelateerde resten en/of door een ‘vuile’ laag met sporen en vondsten. In de omgeving zijn resten van hout- en steenbouw aangetroffen in antropogene ophogings-/puinlagen boven de natuurlijke afzettingen. Onbekend is in hoeverre van dergelijke lagen in het plangebied sprake is. Tevens is niet bekend of en in hoeverre in het plangebied verstoringen hebben opgetreden. Lithologische informatie in het plangebied zelf ontbreekt. Om inzicht hierin te krijgen, is een verkennend booronderzoek nodig, zodat de hierboven beschreven archeologische verwachting kan worden getoetst en vastgesteld.
33
Tabel 2: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel
1
Archeologische verwachting Datering
Laag Middelhoog
2 3 4
Complextype Omvang Diepteligging
5
Gaafheid en conservering
6
Locatie
7
Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen
8
Laat-Paleolithicum tot LaatNeolithicum A Laat-Neolithicum B tot IJzertijd
Reden Erosie als het gevolg van latere rivieren
Onbekendheid met resten in de omgeving; Onbekendheid met de exacte indeling van het landschap in het plangebied in deze periode Middelhoog Romeinse tijd en VroegeOnbekendheid met resten in de omgeving; Middeleeuwen Ligging op de oever van de Hollandse IJssel Zeer hoog Late-Middeleeuwen en Nieuwe Ligging op de oever van de Hollandse IJssel; tijd Ligging direct naast de historische kern; Bebouwing op historische kaart 1540-1560; Mogelijke aanwezigheid aarden stadswal Nederzettingen, huisplaatsen, sporen van landgebruik, grafvelden 500-2000 m2 (omvang huisplaats, algemeen) Top oeverafzettingen van de Hollandse IJssel, vanaf circa 50-100 cm -Mv (0,4-0,3 m +NAP) Top oeverafzettingen van de Stuivenberg stroomrug, vanaf circa 110-170 cm -Mv (0,2-0,8 m -NAP) + Weinig aanwijzingen voor diepgaande verstoringen in het plangebied; +/Verstoringen als het gevolg van de huidige bebouwing, onbekende omvang en diepte; In het plangebied is een sanering uitgevoerd (lokaal), onbekend is waar en hoe groot Westen: middeleeuwse aarden stadsomwalling; zuiden: historische bebouwing 16e eeuw; Hele plangebied: oudere archeologische resten, resten van landgebruik, erf-gerelateerde resten Resten van hout- en steenbouw in puinhoudende ophogingslagen, aardenwal, en antropogene ‘vuile’ niveaus/woonoppervlaktes in de top van oeverafzettingen met sporen en vondsten Huidige bebouwing, voormalig gebruik als
boomgaard (boomstobben), sanering
34
10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De boringen zijn gebruikt om de mate van intactheid van de bodem te bepalen, om inzicht te krijgen in de bodemopbouw en de landschappelijke ligging van het plangebied. In totaal zijn hierom in het plangebied vier boringen uitgevoerd (boring 1-4). De boringen zijn uitgevoerd tot een diepte van maximaal 300 cm -Mv. De boringen zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm, beneden de grondwaterspiegel is gebruik gemaakt van een gutsboor met een diameter van 3 cm. De boringen zijn gefotografeerd, waarna ze zijn beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Deze foto’s en beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 13 en 14. De boringen zijn gelijkmatig in het plangebied verdeeld in het gebied. De locatie van de boringen is bepaald met behulp van een meetlint aan de hand van bestaande topografische elementen. De (uiteindelijke) ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 12. De hoogteligging ten opzichte van NAP van de boorpunten is afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, www.ahn.nl).
Veldwaarnemingen De noordzijde van het plangebied ligt circa 20-30 cm lager dan de Provincialeweg. Rondom de bebouwing aan de zuidzijde en zuidoostzijde van het plangebied ligt het maaiveld circa 10-30 cm hoger dan de Provincialeweg en de Heeswijkerpoort. In het westelijke deel van het plangebied is geen verhoging het maaiveld waargenomen dat zou kunnen duiden op de verwachte aarden wal. De boringen zijn uitgevoerd rondom de bebouwing, daar waar geen sprake is van kabels en leidingen. Foto’s van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek zijn weergegeven in figuur 15.
Figuur 15: Foto’s van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek op 03-08-2021. Links een zicht op de locatie van boring 1 richting het oosten. De rechter foto betreft een zicht op de locatie van boring 2. Fotograaf: J. Rap.
35
Lithologie en bodemopbouw • Ter plaatse van boringen 2 en 4 is vanaf maaiveld tot een diepte van 55-60 cm -Mv (0,6 m +NAP) sprake van klei- en zandlagen met zand- en kleibrokken, waarin ook baksteenpuin, kalkmortel en beton aanwezig is. De klei is matig siltig tot sterk zandig, het zand is zwak tot matig siltig. De hele laag is kalkrijk wegens de aanwezigheid van kalkmortel. Deze boringen zijn na drie pogingen gestaakt op deze dieptes in een laag ondoordringbaar oranjerood puin. Deze lagen zijn geïnterpreteerd als ophoog- en uitbraaklagen. • Ter plaatse van boringen 1 en 3 zijn tot een diepte van 55-60cm -Mv (0,4 m +NAP) soortgelijke uitbraak- en ophooglagen aangetroffen als in boringen 2 en 4. Deze liggen scherp begrensd op twee lagen meer homogene sterk zandige grijsbruine tot bruingrijze klei, waarin fijne brokjes zacht oranje puin, kalkmortel, houtskool en kachelas voorkomen tot een diepte van 140-155 cm Mv (0,4-0,6 m -NAP). Hierin zijn ook veel roestvlekken aanwezig. De bovenste van deze twee kleilagen is kalkarm tot kalkloos tot een diepte van circa 75-80 cm -Mv (0,2 m +NAP). Deze afzettingen zijn geïnterpreteerd als oeverafzettingen, waarin duidelijk menselijke activiteit waarneembaar is, mogelijk uit de Romeinse tijd – Vroege Middeleeuwen.
• Vanaf een diepte van 140-155 cm -Mv (0,4-0,6 m -NAP) is de klei matig tot sterk siltig en slapper van structuur dan de hoger gelegen oeverafzettingen. Deze klei is lichtbruingrijs van kleur en kalkrijk tot een diepte van 180-195 cm -Mv (0,8-1,0 m -NAP). Dit betreft waarschijnlijk de basis van de oeverafzettingen. De onderzijde van de oeverafzettingen is diffuus tot geleidelijk en gaat over in sterk gelaagde afzettingen van zwak siltige en zwak zandige klei, sterk siltig zand en kleiige detrituslagen. Dit sterk gelaagde pakket is kalkrijk en betreffen waarschijnlijk geulafzettingen van de Hollandse IJssel. Boringen 1 en 3 zijn in deze laag geëindigd op een diepte van 270-300 cm -Mv (1,7-2,1 m -NAP). Archeologische indicatoren Tijdens het veldonderzoek zijn geen eenduidig dateerbare archeologische indicatoren aangetroffen. In de oeverafzettingen zijn tot een diepte van 140-155 cm -Mv (0,4-0,6 m -NAP) fragmenten kalkmortel, houtskool en zacht baksteenpuin aanwezig. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat het opsporen van archeologische indicatoren expliciet niet het doel is geweest van dit onderzoek. Archeologische interpretatie Tijdens het veldonderzoek is aangetoond dat vanaf maaiveld sprake is van ophoog- en uitbraaklagen tot een diepte van circa 55-60 cm -Mv (0,4-0,6 m +NAP).
Boringen 2 en 4 zijn meermaals gestaakt op zeer vast puin onder deze lagen, ter plaatse van boringen 1 en 3 liggen deze uitbraaklagen direct op oeverafzettingen waarin sprake is van baksteenpuin en kalkmortel tot een diepte van 140-155 cm -Mv (0,4-0,6 m -NAP). Het feit dat boringen 2 en 4 gestaakt zijn in een zeer vaste puinlaag is mogelijk te relateren aan voormalige bebouwing, zichtbaar op de kaart van Jacob van Deventer uit de 16 e eeuw. Daarom is de zeer hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd te handhaven. De aangetroffen oeverafzettingen zijn waarschijnlijk afkomstig van de Hollandse IJssel. Daarom is de middelhoge verwachting voor de periode Romeinse tijd – Vroege Middeleeuwen eveneens te handhaven. De oeverafzettingen liggen direct op geulafzettingen, waarvan de onderzijde niet bereikt is. De verwachting op de aanwezigheid van resten uit het Laat-Paleolithicum B tot en met de Late IJzertijd is derhalve nog niet getoetst.
36
11. Beantwoording onderzoeksvragen •
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied bevindt zich ter plaatse van de oevers van de Hollandse IJssel aan de rand van de historische kern van Montfoort.
•
Wat is de bodemopbouw, zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In het plangebied is onder ophoog- en uitbraaklagen van 55-60 cm dikte sprake van archeologisch relevante oeverafzettingen waarin zacht oranje bouwpuin en kalkmortel aanwezig zijn tot een diepte van 140-155 cm -Mv (0,4-0,6 m -NAP). In deze oeverafzettingen kunnen archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd worden aangetroffen, theoretisch zou ook nog sprake kunnen zijn van resten uit de Romeinse tijd tot en met de Vroege Middeleeuwen, maar dergelijke resten zijn in de omgeving van het plangebied nog niet aangetoond. Boringen 2 en 4 zijn gestaakt in een laag rood-oranje bouwpuin, dat mogelijk te relateren is aan bebouwing zichtbaar op kaarten uit de 16e eeuw.
•
In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Archeologisch gezien is de bodemopbouw als intact te beschouwen.
•
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? De archeologische verwachting van het plangebied is hoog voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd, middelhoog voor de periode Romeinse tijd – Vroege Middeleeuwen en ongetoetst voor de periode Laat-Paleolithicum B – Late IJzertijd.
37
12. Conclusie en Advies Conclusie • Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied vlak buiten de historische kern en de grachten van Montfoort ligt. Hier is sprake van een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Eventuele resten zullen aan te treffen zijn in ophooglagen aangebracht vanaf de 12e eeuw en oeverafzettingen van de Hollandse IJssel. In de oeverafzettingen van de Hollandse IJssel kan theoretisch ook nog sprake zijn van oudere resten uit de Romeinse tijd tot en met de Vroege Middeleeuwen. Dieper in de ondergrond kan ook nog sprake zijn van oeverafzettingen van de Stuivenberg-stroomgordel, waarop sprake is van een middelhoge verwachting voor de periode Neolithicum – IJzertijd. Dergelijke resten zijn in de omgeving van het plangebied echter nog niet aangetoond. • Op basis van het veldonderzoek is aangetoond dat vanaf een diepte van 55-60 cm -Mv (0,4-0,6 m +NAP) tot een diepte van 140-155 cm -Mv (0,4-0,6 m -NAP) sprake is van oeverafzettingen waarin sprake is van zacht oranje baksteenpuin en kalkmortel. Boringen 2 en 4 zijn meermaals gestaakt in een puinlaag van soortgelijk materiaal op een diepte van 55-60 cm -Mv (0,6 m +NAP), dat mogelijk te relateren is aan de sloop van bebouwing uit de 16e eeuw.
Daarom is de hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de Late Middeleeuwen tot de Nieuwe tijd te handhaven. In de oeverafzettingen van de Hollandse IJssel is het bovendien theoretisch mogelijk om resten uit Romeinse tijd tot en met de Vroege Middeleeuwen aan te treffen. De oeverafzettingen bevinden zich op geulafzettingen van de Hollandse IJssel. De verwachting voor periodes voor de Romeinse tijd blijft daarmee vooralsnog ongetoetst tot een diepte van 300 cm -Mv (2,1 m -NAP). Advies Voor het plangebied is sprake van een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten vanaf een diepte van 55-60 cm -Mv (0,4-0,6 m +NAP). Het voornemen bestaat om de bestaande bebouwing (boven- en ondergronds) te slopen en een nieuw gebouw te realiseren met funderingen tot een nog onbekende diepte. Het is niet duidelijk of en in hoeverre bestaande funderingen zullen hebben gezorgd voor een aantasting van het archeologisch relevante niveau. De voorgenomen ingrepen in het plangebied (sloop 525 m²; nieuwbouw 150 m² buiten bestaand bouwvlak) zullen met enige zekerheid leiden tot een verstoring van het archeologisch relevante niveau.
Daarom adviseren wij om na afloop van de bovengrondse sloop van de bestaande bebouwing een archeologische begeleiding van de ondergrondse sloopwerkzaamheden uit te voeren (conform het protocol Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven), zodat direct duidelijk is in hoeverre nog sprake is van archeologische resten en wat de behoudenswaardigheid hiervan is. Het bevoegd gezag, de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU), is hier deels mee akkoord gegaan en heeft besloten dat naast het uitvoeren van een archeologische begeleiding ook een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd moet worden over het gehele plangebied omdat de bodemverstoringen niet beperkt blijven tot de huidige bebouwing (ROM integraal advies, 22-02-2022). Deze werkzaamheden moeten worden uitgevoerd volgens een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), waarin de werkzaamheden en de omgang met eventuele archeologische vondsten beschreven staat.
38
13. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. • www.ruimtelijkeplannen.nl • archis.cultureelerfgoed.nl • www.kadastralekaart.com • www.nationaalarchief.nl • www.hetutrechtsarchief.nl • www.pdok.nl • www.ahn.nl • www.bodemloket.nl • www.bagviewer.kadaster.nl • www.rce.webgispublisher.nl • www.rhcrijnstreek.nl • www.kadaster.nl • www.dinoloket.nl • www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl • www.topotijdreis.nl • www.library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf • www.ikme.nl • www.tracesofwar.com Literatuur: Alkemade, M., B. Brugman, M. Gouw, K. Klerkx en C. Visser, 2010. Archeologiebeleid gemeente Montfoort. Ontwikkeld in Samenwerking met de gemeenten Lopik, Oudewater en Woerden. Deel A: Beleidsnota archeologische monumentenzorg. Deel B: Toelichting op de beleidskaart. Amersfoort: Vestigia rapport V673. Alma, X.J.F., J.A.A. Bos, J. van Dijk, M. van Dinter, C. Nooijen, S. Ostkamp en C. Vermeeren, 2009. Over een slotgracht en een oude Mannenhuis. Een archeologische opgraving aan de Mannenhuisstraat 8-14 te Montfoort. Amersfoort: ADC-ArcheoProjecten rapport 1536. Bakker, H. de, 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland.
In: Boor en Spade. Benthem, A. van, J.A.A. Bos, M.T.J.J. Bouman, C. Moolhuizen, M. van Dinter, E. Esser, C. Nooijen, T. Vanderhoeven, S. Ostkamp en S.L. Verspay-Frank, 2009. Montfoort Schoolstraat 14 (gemeente Montfoort). Een Proefsleuf gevolgd door een Archeologische Opgraving. Amersfoort: ADCArcheoProjecten 1302). Benthem, A. van, 2012. Achterstraat 1A, Montfoort. Een inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven. Amersfoort: ADC-ArcheoProjecten rapport 3288. Berendsen, H.J.A., 2005. De vorming van het Land. Assen: Van Gorcum (Fysische Geografie van Nederland, 4e druk). 39
Berendsen, H.J.A. en E. Stouthamer, 2001 (reds.). Palaeogeographical development of the RhineMeuse delta. Assen: Van Gorcum. Blijdenstijn, R., 2015. Tastbare tijd. Utrecht: Provincie Utrecht (versie 2). Bouter, H.E., 2018. Heiliglevenstraat 4 te Montfoort, gemeente Montfoort. Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. Amersfoort: ADCArcheoProjecten rapport 4759. Breda, W. van en R. van Lil, 2009. Montfoort, Hoogstraat 9 en 11. Een Bureauonderzoek. Amersfoort: ADC-ArcheoProjecten rapport 1545. Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik en A.H. Geurts, 2012. Rhine-Meuse Delta Studies Digital Basemap for Delta Evolution and Palaeogeography. Utrecht: Universiteit Utrecht. Eimermann, E., 2007. Mannenhuisstraat 8-14, Gem. Montfoort, gracht van kasteel Montfoort? Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een proefsleuf. Amersfoort: ADC-ArcheoProjecten rapport 1077. Hanemaaijer, M., 2018. Bureau voor Archeologie Rapport 677. Lange Kerkstraat 25, Montfoort, gemeente Montfoort: een bureauonderzoek. Utrecht: Bureau voor Archeologie. Huisman, N. 2011. Montfoort, Hoogstraat 9-11. Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een proefsleuf en een archeologische begeleiding conform protocol opgraven. Amersfoort: ADCArcheoProjecten rapport 2386. Jezeer, W., 2015. Montfoort, Achterstraat 1a. Een archeologische begeleiding.
Amersfoort: ADCArcheoProjecten rapport 4016. Kampen, J. van, G. Boreel, V. van den Brink, S. van Daalen, M. van Haasteren, F. Kerklaan, A. Koopman, W. van der Meer, J. van Renswoude en B.J. van der Veen, 2016. Van boerenerf tot stadswoning. Archeologisch onderzoek aan de Lieve Vrouwegracht te Montfoort. Amsterdam: VUhbs archeologie (Zuidnederlandse Archeologische Notities 364). Kruif, S. de, 2006. Plangebied Lieve Vrouwegracht, gemeente Montfoort; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek. Amsterdam: RAAP-notitie 1720 (herziene eindversie). Kroes, R.A.C., 2017. Plangebied Lieve Vrouwengracht in Montfoort, gemeente Montfoort; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek. Weesp: RAAP-notitie 6033. Maas, G. J., W.M. van der Meij, S. P. J. v. Delft en A. H. Heidema, 2019. Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000 (2019). http://legendageomorfologie.wur.nl/. Wageningen: Wageningen Environmental Research. Mulder, E.F.J., M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland. Houten. Pape, H., 2015. Montfoort, Schoolstraat tussen 8 en 10 & Havenstraat 23 (gemeente Montfoort. Een archeologisch bureauonderzoek. Utrecht: Transect-rapport 643. Rooij, J.A.G. van, 2011. Achterstraat 1a te Montfoort. Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek.
Amersfoort: ADCArcheoProjecten rapport 2729. Satijn, O.P.N., F.P.J. van Puijenbroek en W.A.M. Hessing, 2019. Archeologie en cultuurhistorie in het kader een conditiemeting en variantenstudie van de Balgzandbrug (gemeente Hollands Kroon), 40
Schellingwouderbrug (gemeente Amsterdam) en Draaibrug Montfoort (gemeente Montfoort). Amersfoort: Vestigia rapport V1652. Storm, D. ROM integraal advies beoordeling voorontwerp bestemmingsplan Tabakshof 1 – 5 in Montfoort. Kenmerk: Z/22/195364 / D - 573117. 22 februari 2022. Veenstra, J.B., 2016. Montfoort, Achterstraat. Gemeente Montfoort (Utr.). Archeologische begeleiding met beperkte verstoring. Zuidham: De Steekproefrapport 2016-06/05. Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts en J. Bazelmans, 2018. Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. Amsterdam: Prometheus. Wullink, A.J., 2016. Montfoort, Schoolstraat & Havestraat. Gemeente Montfoort. Inventariserend Veldonderzoek (IVO; verkennende fase). Utrecht: Transect-rapport 791. Zon, M. van, 2018. Vondsten uit een gedempte gracht. Een archeologische begeleiding in plangebied Lieve Vrouwegracht, Montfoort (gemeente Montfoort). Leiden: Archol-rapport 388.
41
Bijlage 1: Luchtfoto
42
Bijlage 2: Bouwtekeningen
43
Bijlage 3: Archeologische verwachtingskaart van de gemeente Montfoort
44
Bijlage 4: Archeologische maatregelenkaart van de gemeente Montfoort
45
Bijlage 5: Cultuurhistorische defensiekaart van de gemeente Montfoort
46
Bijlage 6: Cultuurhistorische bewoningskaart van de gemeente Montfoort
47
Bijlage 7: Geomorfologische kaart
48
49
50
Bijlage 8: Paleogeografische kaart van het rivierengebied
51
Bijlage 9: Maaiveldhoogtekaart
52
Bijlage 10: Bodemkaart
53
Bijlage 11: Archeologische waarden en onderzoeken
54
Bijlage 12: Boorpuntenkaart
55
Bijlage 13: Foto’s van de boringen Hieronder volgen opnames van boringen 1 en 3. De boorkernen op onderstaande foto’s zijn van links naar rechts uitgelegd, waarbij de onderkanten van de boringen naar boven wijzen (per 50 cm).
Boring 1: 0-270 cm -Mv
Boring 3: 0-300 cm -Mv
56
Bijlage 14: Boorbeschrijvingen
57