08 BP Bijlage 5. Rapportage BO IVO Montfoort, Tabakshof 1-3 20220404.pdf
Tekst van het document
Transect-rapport 3557 Montfoort, Tabakshof 1-3 Gemeente Montfoort Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase
1
2
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Auteur
A.T.L.E. van Bussel en J. Rap
Versie
Versie 1.2
Projectcode
21050020
Datum
04-04-2022
Opdrachtgever
Buro SRO
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht Uitvoerder
Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Onderzoeksmelding
5122320100
Bevoegde overheid
Gemeente Montfoort
Adviseur bevoegde overheid
Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU)
Beheer documentatie
Transect, Nieuwegein
Voorblad
Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (03-08-2021)
Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior KNA Prospector
Datum
Paraaf
04-04-2202
ISSN: 2211-7067
© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
3
Samenvatting In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v. in augustus 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Tabakshof 1-3 in Montfoort (gemeente Montfoort). De aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van een appartementencomplex. Het grondgebonden oppervlakte van het nieuwe gebouw is circa 400 m2. Voor de realisatie van het nieuwe appartementengebouw wordt de huidige bebouwing in het plangebied gesloopt (circa 525 m2). In het plangebied ligt volgens het bestemmingsplan ‘Binnenstad’ (2011) deels in een ‘archeologisch waardevol gebied 4’ en deels in een ‘archeologisch waardevol gebied 6’. Op basis hiervan is het verplicht een archeologisch onderzoek uit te voeren bij graafwerkzaamheden met een oppervlakte vanaf 200 m2 en een diepte vanaf 50 cm -Mv. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen toekomstige ontwikkeling (circa 925 m2 en dieper dan 50 cm -Mv) een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is. Conclusie • Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied vlak buiten de historische kern en de grachten van Montfoort ligt. Hier is sprake van een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Eventuele resten zullen aan te treffen zijn in ophooglagen aangebracht vanaf de 12e eeuw en oeverafzettingen van de Hollandse IJssel.
In de oeverafzettingen van de Hollandse IJssel kan theoretisch ook nog sprake zijn van oudere resten uit de Romeinse tijd tot en met de Vroege Middeleeuwen. Dieper in de ondergrond kan ook nog sprake zijn van oeverafzettingen van de Stuivenberg-stroomgordel, waarop sprake is van een middelhoge verwachting voor de periode Neolithicum – IJzertijd. Dergelijke resten zijn in de omgeving van het plangebied echter nog niet aangetoond. • Op basis van het veldonderzoek is aangetoond dat vanaf een diepte van 55-60 cm -Mv (0,4-0,6 m +NAP) tot een diepte van 140-155 cm -Mv (0,4-0,6 m -NAP) sprake is van oeverafzettingen waarin sprake is van zacht oranje baksteenpuin en kalkmortel. Boringen 2 en 4 zijn meermaals gestaakt in een puinlaag van soortgelijk materiaal op een diepte van 55-60 cm -Mv (0,6 m +NAP), dat mogelijk te relateren is aan de sloop van bebouwing uit de 16e eeuw. Daarom is de hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de Late Middeleeuwen tot de Nieuwe tijd te handhaven. In de oeverafzettingen van de Hollandse IJssel is het bovendien theoretisch mogelijk om resten uit Romeinse tijd tot en met de Vroege Middeleeuwen aan te treffen. De oeverafzettingen bevinden zich op geulafzettingen van de Hollandse IJssel. De verwachting voor periodes voor de Romeinse tijd blijft daarmee vooralsnog ongetoetst tot een diepte van 300 cm -Mv (2,1 m -NAP).
Advies Voor het plangebied is sprake van een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten vanaf een diepte van 55-60 cm -Mv (0,4-0,6 m +NAP). Het voornemen bestaat om de bestaande bebouwing (boven- en ondergronds) te slopen en een nieuw gebouw te realiseren met funderingen tot een nog onbekende diepte. Het is niet duidelijk of en in hoeverre bestaande funderingen zullen hebben gezorgd voor een aantasting van het archeologisch relevante niveau. De voorgenomen ingrepen in het plangebied (sloop 525 m²; nieuwbouw 150 m² buiten bestaand bouwvlak) zullen met enige zekerheid leiden tot een verstoring van het archeologisch relevante niveau. Daarom adviseren wij om na afloop van de bovengrondse sloop van de bestaande bebouwing een archeologische begeleiding van de ondergrondse sloopwerkzaamheden uit te voeren (conform het protocol Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven), zodat direct duidelijk is in hoeverre nog sprake is van archeologische resten en wat de behoudenswaardigheid hiervan is. 4
Het bevoegd gezag, de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU), is hier deels mee akkoord gegaan en heeft besloten dat naast het uitvoeren van een archeologische begeleiding ook een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd moet worden over het gehele plangebied omdat de bodemverstoringen niet beperkt blijven tot de huidige bebouwing. Deze werkzaamheden moeten worden uitgevoerd volgens een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), waarin de werkzaamheden en de omgang met eventuele archeologische vondsten beschreven staat.
5
Inhoud 1. Aanleiding
7
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek
8
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied
9
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik
11
5. Beleidskader
12
6. Landschap, geomorfologie en bodem
13
7. Bekende waarden
16
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen
23
9. Gespecificeerde archeologische verwachting
32
10.
Resultaten veldonderzoek
35
11.
Beantwoording onderzoeksvragen
37
12.
Conclusie en Advies
38
13.
Geraadpleegde bronnen
39
Bijlage 1: Luchtfoto
42
Bijlage 2: Bouwtekeningen
43
Bijlage 3: Archeologische verwachtingskaart van de gemeente Montfoort
44
Bijlage 4: Archeologische maatregelenkaart van de gemeente Montfoort
45
Bijlage 5: Cultuurhistorische defensiekaart van de gemeente Montfoort
46
Bijlage 6: Cultuurhistorische bewoningskaart van de gemeente Montfoort
47
Bijlage 7: Geomorfologische kaart
48
Bijlage 8: Paleogeografische kaart van het rivierengebied
51
Bijlage 9: Maaiveldhoogtekaart
52
Bijlage 10: Bodemkaart
53
Bijlage 11: Archeologische waarden en onderzoeken
54
Bijlage 12: Boorpuntenkaart
55
Bijlage 13: Foto’s van de boringen
56
Bijlage 14: Boorbeschrijvingen
57 6
1. Aanleiding In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v.1 in februari 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Tabakshof 1-3 in Montfoort (gemeente Montfoort). De aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van een appartementencomplex. Het grondgebonden oppervlakte van het nieuwe gebouw is circa 400 m2. Voor de realisatie van het nieuwe appartementengebouw wordt de huidige bebouwing in het plangebied gesloopt (circa 525 m2). In het plangebied ligt volgens het bestemmingsplan ‘Binnenstad’ (2011) deels in een ‘archeologisch waardevol gebied 4’ en deels in een ‘archeologisch waardevol gebied 6’. Op basis hiervan is het verplicht een archeologisch onderzoek uit te voeren bij graafwerkzaamheden met een oppervlakte vanaf 200 m2 en een diepte vanaf 50 cm -Mv. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen toekomstige ontwikkeling (circa 925 m2 en dieper dan 50 cm -Mv) een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Rap, 2021).
1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door
middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
7
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Tevens is contact opgenomen met de Stichting Oud Montfoort (per e-mail op 04-08-2021). Ten tijde van de conceptrapportage is op dit informatieverzoek geen reactie ontvangen. Eventuele informatie vanuit deze bron wordt verwerkt in de definitieve versie van het rapport.
Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De toegepaste methodiek in het veld wordt beschreven bij de beschrijving van de veldresultaten (Hoofdstuk 10). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? •
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?
•
In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)?
•
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?
Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.1 (KNA 4.1).
8
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente
Montfoort
Plaats
Montfoort
Toponiem
Tabakshof 1-3
Kaartblad
31G
Centrumcoördinaat
125.215 / 450.929
Kadastrale ligging
MFT01-A nummers 2127 en 2128
Omvang
Circa 1100 m2
Huidig gebruik
Bebouwd, tuin, bestraat
Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied bevindt zich aan de Tabakshof 1-3 te Montfoort (gemeente Montfoort). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1 en bijlage 1. Ten tijde van het vooronderzoek is in het plangebied een bloemen- en cadeauwinkel gevestigd (in het zuiden) en bevindt zich er een woning (in het noorden). Het terrein rond de bebouwing is grotendeels verhard aangelegd met klinkerverharding en tegels. Aan de oostkant van de woning bevindt zich een tuin met gras. Het plangebied heeft in totaal een oppervlakte van circa 1100 m2. De woning beslaat een oppervlakte van circa 85 m2 en de winkel heeft een oppervlakte van ongeveer 440 m2. Kadastraal gezien staat het plangebied bekend als percelen MFT01-A nummers 2127 en 2128. Op perceel 2127 staat de winkel en op perceel 2128 bevindt zich de woning.
De grenzen van het plangebied vallen samen met de bestaande perceelgrenzen. De perceelgrenzen vormen eveneens de begrenzing van de sloop- en nieuwbouwplannen. Direct ten oosten van het plangebied bevindt zich de Provincialeweg N228; ten westen liggen de Tabakshof en een water, en; direct ten zuiden van het plangebied ligt de weg de Heeswijkerpoort.
9
Figuur 1: Ligging van het plangebied aangegeven op een topografische kaart; bron kaart: www.opentopo.nl).
10
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader
Aanvraag omgevingsvergunning
Oppervlakte plangebied
Circa 1100 m2
Planvorming
Sloop bestaande winkel en woning Bouw appartementencomplex
Oppervlakte verstoring
Sloop: circa 525 m2, nieuwbouw: circa 400 m2
Diepte verstoring
Onbekend
In het plangebied bestaat het voornemen een appartementencomplex te bouwen (zie bijlage 2). Het appartementencomplex krijgt een oppervlakte van ongeveer 400 m2. Het gebouw krijgt twee woonlagen en er worden in totaal acht appartementen in gevestigd. Op welke wijze en tot welke diepte het gebouw precies gefundeerd wordt, is nog niet bekend. Naast het gebouw worden twaalf parkeerplaatsen aangelegd. De parkeerplaatsen komen te liggen in het uiterste noorden van het plangebied. Naar de parkeerplaatsen komen ontsluitingswegen, die worden aangesloten op de Provincialeweg N228 en de Heeswijkerpoort. Het nieuwe appartementencomplex komt deels op dezelfde plaats te staan als de huidige winkel en woning. Circa 250 m2 van het appartementencomplex overlapt met het grondvlak van de bestaande winkel. Circa 25 m2 overlapt met de bouwlocatie van de woning. Om het appartementencomplex te bouwen is het dan ook noodzakelijk dat de winkel en woning worden gesloopt. De wijze waarop de sloop wordt voltrokken, staat nog niet vast. De bouwplannen bevinden zich nog in een vroeg stadium. Daardoor is de precieze diepte van de grondwerkzaamheden nog niet bekend. In de meest recente bouwtekening (van 06-05-2021) is geen kelder opgenomen. De positie van eventuele nieuwe nutsvoorzieningen is nog niet vastgelegd.
Verder is onbekend of voor de oprichting van het appartementencomplex grondverbeteringswerkzaamheden worden uitgevoerd. Het effect van de werkzaamheden op het grondwaterpeil is onbekend.
11
5. Beleidskader Onderzoekskader
Aanvraag omgevingsvergunning
Beleidskader
Bestemmingsplan ‘Binnenstad’ (2011)
Onderzoeksgrens
200 m2 en dieper dan 50 cm –Mv
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die naar verwachting in 2022 in werking zal treden. In het plangebied ligt volgens het bestemmingsplan ‘Binnenstad’ (2011) deels in een ‘archeologisch waardevol gebied 4’ en deels in een ‘archeologisch waardevol gebied 6’. Deze gebiedsaanduidingen zijn gebaseerd op de gemeentelijke cultuurhistorische- en archeologiekaarten (Alkemade et al., 2010; bijlagen 3-6): •
•
•
Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart heeft het westen van het plangebied een middelhoge archeologische verwachting. Deze verwachting is in het bestemmingsplan vertaald naar een ‘archeologisch waardevol gebied 4’. Op basis van de archeologische maatregelenkaart valt de zone met een middelhoge archeologische verwachting namelijk gelijk met een zone ‘categorie 4’. Volgens het bij een ‘categorie 4’ behorende ontheffingenbeleid geldt een onderzoekverplichting indien een plangebied groter is dan 200 m2 en de diepte van bodemingrepen meer is dan 50 cm -Mv. Deze verplichting is in het bestemmingsplan overgenomen. Het oostelijk deel van het plangebied heeft volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart een lage archeologische verwachting, zie hoofdstuk 6 en 7 voor de toelichting. Deze verwachting is in het bestemmingsplan vertaald naar een ‘archeologisch waardevol gebied 6’. Volgens de gemeentelijke archeologische maatregelenkaart valt de zone met een lage verwachting samen met een zone ‘categorie 6’. Voor een ‘categorie 6’ geldt in het ontheffingenbeleid een onderzoeksverplichting bij m.e.r.-plichtige projecten. Volgens de cultuurhistorische defensie- en bewoningskaarten ligt het plangebied op de rand van een aardwerk rond een oude bewoningskern.
Gezien de omvang van de voorgenomen toekomstige ontwikkeling (circa 925 m 2 en dieper dan 50 cm Mv) is een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk volgens de ligging van het plangebied binnen een ‘archeologisch waardevol gebied 4’. Onderhavig onderzoek is uitgevoerd om te voldoen aan deze onderzoekplicht. In Hoofdstuk 9 en 12 wordt nagetrokken of de opgestelde verwachtingen van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart gelden of dat ze bijgesteld moeten worden binnen het plangebied.
12
6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio
Midden-Nederlands rivierengebied
Geomorfologie
Oever- en komachtige vlakte / stroomrug
Maaiveld
1,3-0,9 m +NAP
Bodem
Poldervaaggronden
Grondwater
GWT-III
Landschapsgenese De omgeving van het plangebied ligt in het Midden-Nederlandse rivierengebied in het stroomgebied van de Rijn (Berendsen, 2005). Reeds in het midden van de laatste ijstijd (het Weichselien, van circa 50000 tot 15000 jaar v. Chr.) maakte dit gebied deel uit van een brede riviervlakte, waarbinnen riviergeulen in een verwilderd (“vlechtend”) patroon verspreid lagen. Door deze geulen werd grof zand en grind afgezet, dat geologisch gezien wordt gerekend tot het Formatie van Kreftenheye (De Mulder et al., 2003). De aanwezigheid van grof zand en grind wijst op hoge stroomsnelheden en sterke variaties in de (piek)afvoer (als gevolg van grote hoeveelheden (smelt)water). Op andere momenten lag de bedding van de riviervlakte langere perioden droog. Vanuit de drooggelegen vlakte kon fijner rivierzand door sterke winden worden verstoven, dat vervolgens langs de randen van de riviervlakte tot afzetting kwam. Daar konden op grote schaal rivierduinen ontstaan (Berendsen en Stouthamer, 2001). Vanaf ongeveer 15000 v. Chr. werd het klimaat geleidelijk aan droger en warmer. In eerste instantie was sprake van enkele relatief kortdurende warmere perioden (respectievelijk het Bølling- en Allerødinterstadiaal, ruwweg 13000 tot 12500 jaar en 11000 tot 10500 jaar v. Chr.). Gedurende deze oplevingen nam de vegetatie toe en werd de afvoer van rivierwater beter verdeeld.
De riviergeulen begonnen te kronkelen (meanderen) en sneden zich in in de riviervlakte, waardoor langzamerhand een rivierdal ontstond. In het dal werd tijdens overstromingen zogenaamd “Hochflutlehm” afgezet, ook wel bekend als het Laagpakket van Wijchen (De Mulder et al., 2003; Bennema en Pons, 1952). Pas vanaf ongeveer 10000 jaar geleden, in het Holoceen, zette de opwarmende klimaatsomstandigheden definitief door, waardoor de toenemende vegetatie de verstuivingen van rivierzand aan banden legde en de oevers van de rivieren door de alsmaar kleiner wordende verschillen in afvoer zich stabiliseerden. Door de stabiele oevers traden de rivieren alleen nog bij hoogwater buiten de oevers. De klei, die toen bij hoogwater buiten de rivieren werd afgezet, wordt eveneens gerekend tot het Laagpakket van Wijchen. Pas vanaf 10000 v. Chr., in het Holoceen, zette het opwarmend klimaat definitief door, waardoor de toenemende vegetatie de verstuivingen van rivierzand aan banden legde en de oevers van de rivieren door de alsmaar kleiner wordende verschillen in afvoer zich stabiliseerden. Door de stabiele oevers traden de rivieren alleen nog bij hoogwater buiten de oevers. De klei die bij hoogwater buiten de rivieren werd afgezet wordt eveneens gerekend tot het Laagpakket van Wijchen.
De zich insnijdende meanderende rivieren gingen onder invloed van een voortdurend stijgend zeespiegel in het Holoceen over in accumulerende meanderende rivieren, die herhaaldelijk hun loop verlegden en daardoor verschillende stroomgordels ontwikkelden. Hierdoor vond in het grootste deel van het rivierengebied afzetting plaats van zand (beddingafzettingen), zandige klei (oeverafzettingen) en zware klei (komafzettingen), die werden afgewisseld door veen. Daarbij werden de oudere afzettingen door jongere begraven. Het moment waarop dit optreedt, hangt af van de ligging van de zogenaamde terrassenkruising. De terrassenkruising is het punt waarop de netto insnijding overgaat in een netto 13
accumulatie van sediment. De ligging van dit punt ligt niet vast maar is afhankelijk van het debiet, de sedimentlast van een rivier en de stijging c.q. daling van de zeespiegel. Cohen en Stouthamer (2012) vermoeden dat de terrassenkruising rond 7000 v. Chr. in de omgeving van Montfoort heeft gelegen. Daarna raakten de Laat-Pleistocene en Vroeg-Holocene afzettingen afgedekt met holocene rivierafzettingen en kon het oude rivierenlandschap verdrinken, wanneer ze verder van een rivier verwijderd lagen. Daar trad door de aanhoudende stijging van het grondwater op grote schaal veenvorming op en ontstonden omvangrijke veenmoerassen, die gedurende overstromingen vanuit de rivieren onder water kwamen te staan. Lithologie Circa 180 m ten zuiden van het plangebied is volgens Dinoloket een geologische boring geplaatst (bron: www.dinoloket.nl, boring B31G0376, RD 125.247 / 450.713). Uit deze boring blijkt dat aan maaiveld sprake is van een circa 1 m dikke laag rivierklei (Formatie van Echteld; tot 0,8 m -NAP). Onder het klei ligt een laag veen (Hollandveen Laagpakket, Formatie van Nieuwkoop). Het veen bedekt oudere rivierklei en -zand. Op basis van de fining upwards sequence van de onderste (oudste) rivierafzettingen is vermoedelijk sprake van een oude riviergeul: van onder naar boven is sprake van matig grof zand, matig fijn zand, zandige klei en zwak siltige klei.
Op basis hiervan liggen onder de veenlaag vermoedelijk oever- op geul- op beddingafzettingen begraven. In een andere boring, circa 150 m ten noordoosten van het plangebied, is uitsluitend rivierklei en zand aangetroffen (Formatie van Echteld; boring B31G0496, RD 125.216 / 451.105). Er is geen onderscheid in verschillende pakketten rivierafzettingen. Net als bij de eerder beschreven boring neemt de korrelgrootte naar onder toe. Aan maaiveld is sprake van een 50 cm dikke laag klei. Vanaf 50 cm -Mv is sprake van klei met een zandige bijmenging (zwak zandige klei, 0,5-1,1 m -NAP). Daaronder, tot 2,5 m -NAP, wordt de klei sterk zandig. Onder de klei ligt matig grof en grof zand (vanaf 2,5 m NAP). Op basis van de toename in de korrelgrootte is ook hier mogelijk sprake van oever- op geul- op beddingafzettingen. Geomorfologie Het plangebied is niet gekarteerd op de geomorfologische kaart, door de ligging in de bebouwde kom (Maas et al., 2019; bijlage 7). In de omgeving, circa 220 m ten oosten, is de overgang van een stroomrug naar een rivierkom- en oeverwalachtige vlakte gekarteerd. Volgens de Paleogeografische kaart van het Rivierengebied ligt het plangebied op, of in de directe invloedssfeer van de Hollandse IJssel stroomrug (Cohen et al., 2012; bijlage 8). Deze stroomrug is volgens Cohen et al. (2012) direct ten noorden van het plangebied actief geweest.
De Hollandse IJssel is ontstaan omstreeks 100 na Chr. (de Midden-Romeinse tijd). Een nog altijd actieve restant van de Hollandse IJssel ligt circa 230 m ten noordwesten van het plangebied. De bedijking vond plaats omstreeks 1285 na Chr. Na de bedijking heeft geen actieve sedimentatie meer buiten de oevers plaatsgevonden. Volgens Cohen et al. (2012) is de top van de beddingafzettingen van de Hollandse IJssel te verwachten op een diepte tussen 2,1 en 1,6 m +NAP. Tijdens hoogwater hebben op verschillende plaatsen oeverwaldoorbraken vanuit de Hollandse IJssel plaatsgevonden, als het gevolg waarvan crevasses zijn ontstaan. Eén van deze crevasses is de Mare bij de Meern, circa 4,5 km ten noordoosten van het plangebied. Verder is volgens Cohen et al. (2012) van circa 2450 tot 1450 v. Chr. (op de overgang van het Neolithicum naar de Bronstijd) de Stuivenberg stroomrug actief geweest op circa 400 m ten zuiden van het plangebied. Het plangebied heeft vermoedelijk in de komvlakte van deze stroomrug gelegen. De beddingafzettingen van de Stuivenberg stroomrug zijn volgens Cohen et al. (2012) aangetroffen rond 0,2-0,8 m -NAP. De kom- en oeverafzettingen liggen stratigrafisch gezien hoger dan de beddingafzettingen. 14
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, versie 4) ligt het plangebied relatief hoog in de omgeving (bron: www.ahn.nl; bijlage 9). De maaiveldhoogte binnen het plangebied varieert namelijk van zuidwest naar noordoost tussen 1,3 en 0,9 m +NAP. In het gebied dat op de geomorfologische kaart is gekarteerd als stroomrug varieert de maaiveldhoogte tussen circa 0,6 en 0,8 m +NAP. Op de rivierkom- en oeverwalachtige vlakte is de maaiveldhoogte circa 0,2 m +NAP. Het gebied dat gekarteerd is als komvlakte heeft een hoogte rond 1,0 m -NAP. Op grond van de maaiveldhoogte – alsook de gemeentelijke cultuurhistorische defensie- en bewoningskaarten (bijlagen 5-6) – is het plangebied vermoedelijk door de mens opgehoogd. Op grond van het maaiveldhoogteverschil met de directe omgeving heeft de ophoging een dikte van vermoedelijk circa 50 à 60 cm. Bodem en grondwater Op de bodemkaart is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom (Alterra, 2015; bijlage 10). Op basis van de verwachting op rivieroever en -komafzettingen, wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van poldervaaggronden. Deze poldervaaggronden zijn over het algemeen kleigronden met een grijze, door oxidatie rood-gevlekte ondergrond, die niet slap is. Ook worden ze gekenmerkt door een grijze humusarme bovengrond.
Poldervaaggronden zijn wijd verbreid en komen over het algemeen veel in westelijk Nederland voor (De Bakker, 1966). In een poldervaaggrond kunnen begraven bodemniveaus aanwezig zijn – zogenaamde vegetatiehorizonten. Een dergelijke horizont heeft zich in het rivierengebied kunnen vormen op het moment dat er sprake was van een verminderde afvoer en door een afgenomen opslibbing van sediment. Hierdoor trad begroeiing op en kon zich een humeus niveau vormen. Op het moment dat er sprake was van een toename in rivierafvoer raakte dit niveau begraven. Het kenmerkt zich door een licht tot matig humeuze kleilaag in de bodem. In de omgeving hebben de poldervaaggronden een grondwatertrap III (GWT III). Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (winterpeil) binnen 40 cm -Mv ligt en de gemiddeld laagste grondwaterstand (zomerpeil) tussen 80 en 120 cm –Mv. Vanuit archeologisch oogpunt betekenen dergelijke grondwaterstanden dat zowel organische als anorganische archeologische resten goed in de bodem geconserveerd kunnen zijn gebleven, voor zover deze beneden 120 cm –Mv liggen. Onverbrande organische resten die binnen 120 cm –Mv liggen zijn naar verwachting door oxidatie aangetast dan wel gedegradeerd
15
7. Bekende waarden Wettelijk beschermd monument
Nee
AMK terrein
Direct ten westen
Archeologische waarden en/of informatie
Nee
Archeologische verwachting Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Het plangebied ligt echter volgens de Archeologische Monumentenkaart (AMK) wel aan de rand van een archeologisch monument (AMK-terrein 11944). Het betreft een terrein van hoge archeologische waarde. Het terrein omvat de historische stadskern van Montfoort. De begrenzing van het terrein is gebaseerd op historische kaarten uit de 19e en 20e eeuw. Binnen de contouren van het AMK-terrein kunnen echter uit veel oudere perioden archeologische resten aanwezig zijn, met name resten uit de periode vanaf circa 1300 na Chr. (na de bedijking van de Hollandse IJssel). De plaats en de grens van oudere delen van de nederzetting behoeft niet per se geheel samen te vallen met de begrenzing van de latere stadskern. Op basis hiervan heeft het plangebied dan ook op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart een middelhoge archeologische verwachting (Alkemade et al., 2010; bijlage 4). De stadskern van Montfoort heeft zich gevormd door het kasteel van Godfried van Rhenen. Dit kasteel bevindt zich circa 200 m ten zuidwesten van het plangebied. Het gebouw is aangemerkt als rijksmonument (rijksmonumentnummer 45831; bron: www.rijksmonumenten.nl).
Het kasteel is gebouwd omstreeks 1163-1170, als verdedigingswerk op de grens tussen het Sticht (het eigendom van de bisschop van Utrecht) en het gewest Holland (bronnen: Archis3 en www.kasteleninnederland.nl). De naam van het kasteel ‘Montfort’ is vermoedelijk afgeleid van Mons Fortis: ‘sterke berg of burcht’. Volgens Archis3 bevinden de resten van het kasteel zich op rivierklei op een stroomrug. Op het kasteelterrein is sprake van een hoofd- en een voorburcht. Tijdens archeologisch onderzoek naar de buitenmuur van de voorburcht bleek de voorburcht te stammen uit het einde van de 14 e of het begin van de 15e eeuw. Een 12e-eeuwse voorganger is (nog) niet aangetroffen. Wel bevond zich onder de kasteelmuur een dikke, kleiige bewoningslaag uit de 12e eeuw. In 1672 is het kasteel verwoest door de Fransen tijdens een Franse aanval op de Nederlandse republiek onder Lodewijk XIV. In de 19 e en 20e eeuw hebben restauraties van het kasteel plaatsgevonden. De nederzetting rond het kasteel heeft in 1329 stadsrechten gekregen. Rond de stad werd een omwalling aangelegd. De omwalling heeft volgens de gemeentelijke cultuurhistorische defensie- en bewoningskaarten in of net op de grens van het plangebied gelegen (Alkemade et al., 2010; bijlagen 56).
In de ommuring bevonden zich 24 verdedigingstorens en een bolwerk waarop een molen stond (op de plek van de huidige stellingkorenmolen De Valk uit 1753). Langs onder meer de Provincialeweg is nog een klein stuk van de oude verdedigingsmuren te zien. Bekende archeologische waarden Het plangebied heeft in 2019 deel uitgemaakt van een bureauonderzoek dat is uitgevoerd in het kader van de verbetering van enkele dijksegmenten binnen het tracé van de gekanaliseerde Hollandse IJssel (onderzoekmelding 4696684100). Het onderzoekstage had een lengte van meer dan 16 km. Op basis van dit onderzoek is vastgesteld dat de dijkverbeteringen mogelijk zullen zorgen voor aantasting van archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. In het tracé is sprake van zowel reeds bekende vindplaatsen als zones met een hoge verwachting op archeologische vindplaatsen. In de
16
Figuur 2. Tekening van de Montfort, met op de achtergrond de beginselen van de stad Montfoort door Roelant Roghman (omstreeks 1650; bron: www.kasteleninnederland.nl).
directe omgeving van de Hollandse IJssel is het historisch cultuurlandschap doorgaans goed geconserveerd te noemen. Onder de bekende cultuurhistorische waarden zijn onder meer schansen en forten, historische dijkpalen, bruggen, stoepen en hekwerken. Er lijkt sprake te zijn van drie grote activiteitenclusters, waaronder ook de historische binnenstad van Montfoort. Binnen dit ‘archeologisch cluster’ zijn resten bekend van grachten, wallen, de stadsmuur, het kasteel en woningen. Ten oosten van de stadskern van Montfoort lijkt zich, ter hoogte van het oostelijk deel van het plangebied, een ‘akkercomplex zonder sloten’ te hebben uitgestrekt. Het plangebied lag echter op basis van het onderzoek vermoedelijk precies op de grens tussen de stadskern en het akkercomplex (Jansen et al., 2019). Bekende archeologische waarden in de omgeving In de omgeving van het plangebied is een grote hoeveelheid archeologische onderzoeken uitgevoerd (>30) en zijn twaalf vondstmeldingen gedaan. De locaties van deze onderzoeken en vondstmeldingen staan weergegeven op kaart in bijlage 11. Enkele van deze onderzoeken zijn hieronder geïnventariseerd om tot een zo gericht mogelijke verwachting van het plangebied te komen. Recente vooronderzoeken De meeste van de onderzoeken in de omgeving zijn uitgevoerd binnen de begrenzing van AMK-terrein 11944, de historische stadskern van Montfoort.
Recentelijk (in 2021) zijn een drietal bureauonderzoeken en een booronderzoek gedaan (respectievelijk onderzoekmeldingen 5086503100, 5025761100 en 5022772100 en onderzoekmelding 5003153100). Eén van de bureauonderzoeken heeft betrekking op de zuidelijke dijk langs de gekanaliseerde Hollandse IJssel (‘Onder de Boompjes’). Het tracé heeft een lengte van meer dan 6 km en strekt zich uit tussen de historische kernen van Montfoort en Oudewater. Een tweede bureauonderzoek is verricht voor een plangebied aan de
17
Molenstraat, circa 460 m ten zuidwesten van onderhavig plangebied. Het derde bureauonderzoek is circa 160 m ten westen van onderhavig onderzoek uitgevoerd, aan de Keizerstraat. De resultaten van de drie recente bureauonderzoeken zijn ten tijde van onderhavig onderzoek nog niet openbaar raadpleegbaar via Archis3 en Danseasy. Het booronderzoek is uitgevoerd voor een gedeelte van de locatie aan de Molenstraat (waarvoor ook één van bovengenoemde bureauonderzoeken is gedaan). Volgens de eerste bevindingen van het onderzoek is sprake van komafzettingen op veen, waar bovenop sprake is van crevasseafzettingen (vanaf 75-105 cm -Mv2). De crevasseafzettingen hebben een dikte van 35-65 cm. Vermoedelijk betreft het een crevasse van de Hollandse IJssel. Bovenop de crevasseafzetingen liggen komklei en een puinhoudend kleipakket. Het puipakket is geïnterpreteerd als een historische ophoging. Overige onderzoeken Verder zijn in het verleden nog een zestal andere bureauonderzoeken uitgevoerd. Eén van deze bureauonderzoeken vond plaats pal naast de locatie van het recentere bureauonderzoek aan de Keizerstraat (onderzoekmelding 5022772100). De resultaten van dit onderzoek zijn niet bekend in Archis3 en Danseasy. In navolging van dit onderzoek is tot heden geen archeologisch vervolgonderzoek gedaan.
Verder is een bureauonderzoek uitgevoerd aan de Lange Kerkstraat 25, circa 420 m ten westen van onderhavig plangebied (onderzoekmelding 462481100). Dit onderzoek is uitgevoerd na afloop van bouwwerkzaamheden voor een uitbouw, tot 50 cm -Mv. Op basis van het onderzoek is het niet uitgesloten dat bij de graafwerkzaamheden voor de bouw archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd zijn verstoord (Hanemaaijer, 2018). Gezien de bouwwerkzaamheden reeds hadden plaatsgevonden, is geen vervolgonderzoek uitgevoerd. In 2018 is een bureauonderzoek gedaan in het kader van een conditiemeting en variantenstudie van onder meer de Draaibrug Montfoort (onderzoekmelding 4607259100). De Draaibrug Montfoort ligt circa 290 m ten noordwesten van onderhavig plangebied. Op basis van het bureauonderzoek geldt op de oevers van de Hollandse IJssel – waarop de Draaibrug is gebouwd – een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode IJzertijd tot Nieuwe tijd. De verwachting in de rivier zelf is laag, maar toevalsvondsten kunnen hierin niet worden uitgesloten. Op basis van de hoge verwachting voor de oevers is geadviseerd een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren bij bodemingrepen vanaf maaiveld. Binnen de contouren van het onderzochte gebied bevinden zich de draaibrug, een dienstwoning, een schutsluis en het rijksmonument Stadhuis/IJsselpoort (Satijn et al., 2019).
In navolging van dit onderzoek is tot heden geen archeologisch vervolgonderzoek uitgevoerd. Een ander bureauonderzoek is gedaan aan De Plaats 5, circa 160 m ten zuidwesten van onderhavig plangebied (onderzoekmelding 2242422100). De rapportage van dit onderzoek is niet openbaar raadpleegbaar via Archis3 en Danseasy. Verder is een bureauonderzoek verricht voor een locatie aan de Hoogstraat 9 en 11, circa 220 m ten westen van onderhavig plangebied (onderzoekmelding 2200578100). Dit onderzoek wees een hoge verwachting uit voor de periode Romeinse tijd tot en met Nieuwe tijd, vanwege de verwachte aanwezigheid van oeverafzettingen van de Hollandse IJssel (Van Breda en Van Lil, 2009). In navolging van dit, laatstgenoemde, bureauonderzoek zijn een proefsleuvenonderzoek en archeologische begeleiding uitgevoerd. Tijdens deze onderzoeken zijn bewoningsresten aangetroffen uit de periode 15e-18e eeuw. Sprake is van meerdere bouwfases van onder meer stiepen en woningen en een subrecente beer- en waterput (Huisman, 2011). Het onderzoek reikte niet tot in de natuurlijke afzettingen. De rapportage van het booronderzoek aan de Boslaan, circa 140 m ten noordwesten van onderhavig plangebied, is niet openbaar raadpleegbaar via Archis3 en DansEasy (onderzoekmelding 2203834100).
2
NAP-waarden zijn niet vermeld. 18
Op basis van de eerste bevindingen in Archis is een deel van de middeleeuwse stadsgracht aangetroffen. In de gracht kunnen goed geconserveerde archeologische en paleo-botanische resten aanwezig zijn. De kansrijke niveaus bevinden zich op een diepte van 160 cm -Mv (bron: Archis3). In 2018 is verder een booronderzoek gedaan aan de Heiliglevenstraat, circa 485 m ten westen van onderhavig plangebied (onderzoekmelding 4639724100). Tijdens dit onderzoek zijn vanaf 50 cm -Mv oeverafzettingen van de Hollandse IJssel gevonden. De top van de oeverafzettingen (circa 20 cm) is humeus en bevat baksteenfragmenten. Vermoedelijk betreft het een oude bewoningslaag uit de periode Romeinse tijd tot Nieuwe tijd. Vanwege de aanwezigheid van de bewoningslaag is geadviseerd een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van proefsleuven (Bouter, 2018). Dit vervolgonderzoek is tot heden niet uitgevoerd. Lieve Vrouwengracht Verder is een bureauonderzoek gedaan aan de Lieve Vrouwengracht, circa 330 m ten zuidwesten van onderhavig plangebied (onderzoekmelding 4557930100). Uit dit onderzoek blijkt een verwachting op geulafzettingen van de Hollandse IJssel. Archeologische resten ouder dan de Late-Middeleeuwen zullen hiermee niet aanwezig zijn. Op resten uit de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd geldt echter een hoge archeologische verwachting, vanwege de ligging in de historische stadskern van Montfoort.
In het gebied worden onder meer een gracht en bebouwingsresten verwacht (Kroes, 2017). Tijdens een eerder booronderzoek direct ten noordwesten van de Lieve Vrouwengracht (460 m ten zuidwesten van onderhavig plangebied) zijn vergraven oeverafzettingen van de Hollandse IJssel aangetroffen (onderzoekmelding 2116273100). De vergravingen zijn lokaal uitgevoerd ten behoeve van een sanering. In de intacte delen van de oever is een antropogeen pakket gevonden met resten uit de LateMiddeleeuwen/Nieuwe tijd (De Kruif, 2006). In navolging van het onderzoek van Kroes (2017) is een archeologische begeleiding uitgevoerd (onderzoekmelding 4564459100). Tijdens dit onderzoek is de aanleg van kabels- en leidingen en herbestrating van de Lieve Vrouwengracht begeleid. Tijdens de begeleiding zijn dempingslagen van de oude stadsgracht aangesneden. Het vondstmateriaal in de westelijke helft dateert uit de periode omstreeks 1874, wanneer dit deel van de gracht zou zijn gedempt. Vondsten uit de oostelijke helft dateren uit de periode omstreeks 1911-1930 (Van Zon, 2018). Verder is aan het westelijk uiteinde van de Lieve Vrouwegracht nog een archeologische opgraving gedaan – circa 460 m ten zuidwesten van onderhavig plangebied (onderzoekmelding 2432084100). Tijdens dit onderzoek zijn bewoningsresten gevonden uit de gehele periode van de 13e tot en met 20e eeuw.
De resten bestaan onder meer uit die van een stadsboerderij uit de late 13e-14e eeuw, met daarbij grote kuilen en sloten met onder meer hout- en leervondsten. Verder zijn uit de 16e-18e eeuw funderingsresten, kelders, beer- en waterputten aangetroffen van een huizenblok dat is afgebeeld op de kaarten van Van Deventer (midden-16e eeuw) en Blaeu (midden-17e eeuw). Uit een latere, 19e-eeuwse, fase stammen verder een drietal kleine beerputten. Alle aangetroffen archeologische resten lagen ingebed in antropogene ophogings- of leeflagen. Onder deze antropogene niveaus zijn op een diepte van circa 0,3-0,4 m +NAP oeverafzettingen aangetroffen van de Hollandse IJssel. Op basis van de grote dikte van het pakket oeverafzettingen en de afwijkingen in kleur en korrelgrootte binnen het pakket is mogelijk sprake van een sedimentatie in twee verschillende fasen. Mogelijk bevinden zich direct onder de oeverafzettingen van de Hollandse IJssel de oeverafzettingen van de Stuivenberg stroomrug. Bij het vooronderzoek zijn zandige beddingafzettingen van de Stuivenberg stroomrug aangetroffen vanaf een diepte van 1,21 tot 1,66 m -NAP (Van Kampen et al., 2016). Achterstraat Een bureauonderzoek aan de Achterstraat 1a, circa 90 m ten zuidwesten van onderhavig plangebied wees en verwachting op oeverafzettingen van de Hollandse IJssel uit (onderzoekmelding 232464100).
Op grond hiervan werden archeologische resten verwacht vanaf de Romeinse tijd tot en met de 19
Nieuwe tijd. Tijdens het (verkennend en karterend) booronderzoek zijn gerijpte oever- op beddingafzettingen aangetroffen. In de top van de oeverafzettingen bevinden zich fosfaatresten en baksteenresten. De oeverafzettingen bevonden zich gemiddeld op een diepte vanaf 80 cm -Mv tot een diepte van 135 cm -Mv3. Bovenop de oeverafzettingen lag vanaf 80 cm -Mv een antropogene ophogingslaag. Op grond hiervan blijft een hoge verwachting voor de periode Romeinse tijd tot Nieuwe tijd gehandhaafd (Van Rooij, 2011). In navolging van dit bureau- en booronderzoek is in 2015 een archeologische begeleiding gedaan (onderzoekmelding 3298550100). Tijdens de begeleiding zijn sporen van bebouwing uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd aangetroffen (14e-17e eeuw). De resten bestaan uit muurwerken, funderingen en ophogingen. Maar, er is ook een vermoedelijke, 14 eeeuwse stookplaats gevonden. Het vloertje kon, door de geringe diepte van de voorgenomen werkzaamheden, in situ worden gelaten voor toekomstig onderzoek. Het onderzoek reikte niet tot in de natuurlijke afzettingen (Jezeer, 2015). Eveneens aan de Achterstraat, circa 110 m ten zuidwesten van onderhavig plangebied, is nog een archeologische begeleiding met beperkte verstoring uitgevoerd (onderzoekmelding 4002074100).
Tijdens dit onderzoek bleek de bodem tot de maximale civiele ontgravingsdiepte te zijn verstoord door recente graafwerkzaamheden. Er zijn geen archeologische resten (sporen en vondsten) aangetroffen (Veenstra, 2016). Verder is in 2012 nog een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd aan de Achterkade 1A (onderzoekmelding 2336845100). Tijdens dit onderzoek zijn uitbraaksporen, funderingen en kuilen gevonden uit de 17e-18e eeuw. Een deel van het gebruikte baksteen is vermoedelijk hergebruikt uit 14e-eeuwse bebouwing. Op een dieper niveau bevonden zich oudere sporen, waarin geen vondstmateriaal aanwezig was. Een datering in de Romeinse tijd of de Vroege-Middeleeuwen is niet uitgesloten. Deze resten bevonden zich namelijk in de oeverafzettingen van de Hollandse IJssel – vanaf 120 cm -Mv (Van Benthem, 2012). Havenstraat en Schoolstraat Circa 100 m ten westen van het plangebied is aan de Havenstraat tijdens een booronderzoek verder een restgeulopvulling gevonden van de Hollandse IJssel (onderzoekmelding 3977655100). In de restgeul bevinden zich archeologische indicatoren van onder meer baksteenpuin en keramiek, boven 220/230 cm -Mv (tussen circa 1,2 m +NAP en 0,8 m -NAP). Dit duidt erop dat de restgeul geleidelijk aan is opgevuld, terwijl mensen in de nabijheid woonden. Mogelijk is de haven van Montfoort, waarnaar de Havenstraat is vernoemd, ook aangelegd in een restant van deze restgeul.
De restgeul is afgedekt door een stedelijke ophogingslaag, die zich direct onder de bouwvoor bevindt. Dergelijke stedelijke ophogingslagen zijn tijdens hetzelfde onderzoek ook aangetroffen in de Schoolstraat. Hier reiken de ophogingen tot een diepte van ten minste 120 cm -Mv. Op die diepte zijn de boringen gestaakt in ondoordringbaar puin. In de ophogingslaag worden bebouwingsresten verwacht uit de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd (Wullink, 2016). Tijdens een eerder proefsleuvenonderzoek aan de Schoolstraat 14, circa 100 m ten westen van onderhavig plangebied, zijn bewoningssporen gevonden uit de gehele periode van de 14e tot en met de 19e eeuw (onderzoekmelding 2180677100). De oudste sporen, uit de 14e-15e eeuw, bestonden uit een bakstenen gebouw, een sloot, een afvalkuil en twee mestkuilen. Op basis van botanisch onderzoek was sprake van akkers met graan, en moestuinen met onder meer bieten. Botmateriaal is afkomstig van kalveren, een rund en een big. In de 17e eeuw zijn in het terrein verder een gebouw, een waterput en een afvalkuiltje gemaakt. Mogelijk betreft het gebouw een woning die ook op de kaart van Blaeu (1648) te zien is (Van Benthem et al., 2009). Mannenhuisstraat Aan de Mannenhuisstraat 8-14 zijn een proefsleuvenonderzoek en een opgraving uitgevoerd (onderzoekmeldingen 2162621100 en 2171004100). De onderzoekslocatie ligt ongeveer 170 m ten
3
NAP-waarden zijn in de rapportage niet vermeld. 20
zuidwesten van onderhavig plangebied. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is een waterloop met houten beschoeiingen gevonden uit de 13e-15e eeuw. Het betreft vermoedelijk de gracht van het kasteel Montfoort. Aan de noordzijde stond het Mannenhuis met een bijbehorende kapel (uit de periode 16e-20e eeuw; Eimermann, 2007). Tijdens de opgraving is een deel van de voorburcht van het kasteel onderzocht en is aangetoond dat sprake was van een dubbele gracht. De buitenste gracht is geleidelijk aan dichtgeslibd tijdens de stadsuitbreiding van Montfoort en de aanleg van een nieuw stratenpatroon. Tegen het einde van de 15e eeuw is de gracht definitief gedempt (Alma et al., 2009). Tot slot is in 1997 een opgraving uitgevoerd door de RCE op het terrein van het Antonius-huis, circa 310 m ten zuidwesten van onderhavig plangebied (onderzoekmelding 2019624100). Tijdens dit onderzoek zijn muurresten gevonden uit de 14e-16e eeuw en beerputten uit de 15e-16e eeuw (bron: Archis3). Vondstmeldingen Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied een veertiental vondstmeldingen gedaan. Deze vondstmeldingen zijn beschreven in tabel 1. Informatie uit overige bronnen Er is geen informatie uit overige bronnen verkregen. Interpretatie Op basis van de onderzoeks- en vondstmeldingen in het plangebied en de omgeving is het mogelijk een uitspraak te doen over de archeologische potentie van het gebied.
Uit onderzoeken in de omgeving blijkt dat tot heden voornamelijk archeologische resten zijn aangetroffen uit de periode Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd. De hoofdmoot van de archeologische resten dateert uit de periode 14e tot en met de 19e eeuw. Er zijn echter ook oudere resten uit de 12e-13e eeuw aangetroffen en jongere resten uit de 20e eeuw. De aangetroffen resten bevinden zich in de meeste gevallen in door de mens opgebrachte, puinhoudende kleilagen. De resten bestaan uit bebouwingsresten, beerputten, waterputten en afvalkuilen en resten van de stadsverdedigingswerken (waaronder resten van het kasteel en kasteel- en stadsgrachten). Op één locatie – namelijk aan de Achterstraat – is onder de ophogingslagen mogelijk sprake van resten die ouder zijn dan de Late-Middeleeuwen. Vanwege het ontbreken van vondstmateriaal kunnen hier echter geen gerichte uitspraken over worden gedaan. De oudere resten bevonden zich in de top van de oeverafzettingen van de Hollandse IJssel. De oeverafzettingen van deze stroomrug zijn in een brede zone rond de huidige IJssel aangetroffen. De top van deze afzettingen ligt in de omgeving ongeveer op 0,3-0,4 m +NAP. In de meeste onderzoeken zijn echter geen NAP-waarden gehanteerd. De oeverafzettingen zijn aan de westkant van de historische stadskern waarschijnlijk doorsneden door een crevasse.
21
Tabel 1. Beschrijving van vondstmeldingen in de omgeving van het plangebied.
Vondstmelding
Toponiem
Datering
Beschrijving
3128863100 2899764100 2899804100
Ligging t.o.v. plangebied 820 m ZW 430 m ZW 230 m ZO
Willekop Bestemmingsplan Tabakshof
Late-Middeleeuwen-B Late-Middeleeuwen-B 16e-17e eeuw
2899756100 3128952100
400 m ZW 330 m W
Braakliggend terrein -
2870708100
170 m NW
St. Janskerk
2873398100 3109917100
170 m NW 260 m ZW
St. Janskerk Kasteel Montfoort
13e-14e eeuw Romeinse tijd tot Nieuwe tijd Late-Middeleeuwen-B en Vroege-Nieuwe tijd 14e eeuw 12e-17e eeuw
2842755100
170 m NW
St. Janskerk
14e eeuw
3060474100
330 m ZW
Antoniushuis
15e-16e eeuw
3200311100
420 m W
Hoogstraat 57
16e eeuw
4904804100 3040661100
520 m W 360 m W
Middeleeuwen 15e eeuw
2899894100
310 m W
Achterdijk 12 Oude Boomgaard / Hoek L. Kerkstraat Naast het Stadshuis
Jacobakannetje Twee jacobakannetjes Zes schedels, een aantal pijpbeenderen, 16e/17e-eeuwse scherven (vermoedelijk uit bagger van stadsgracht) Randfragment pot Gebeeldhouwde draken-kop van zandsteen met twee vleugels, gebruikt als secundair funderingsmateriaal Funderingen en gebouw-resten van voorgangers van de kerk uit de 14ebegin 17e eeuw Eenbeukige bakstenen kruiskerk, 14e eeuw Reconstructie Renaud (NJBG) van voorburcht; ROB aangevuld met informatie over de hoofdburcht en ringgracht; 12e-eeuwse bewoningslaat met o.a. Andenne-aardewerk Onderzoek naar 14e-eeuwse kruiskerk, terrein zwaar opgehoogd, kerk zwaar gefundeerd Massieve 14e-eeuwse muur parallel aan Oude Boomgaard, en resten van woningen met o.a. 15e-16e-eeuwse beerputten Op 2,2 m -Mv een brandlaag van 30 cm dik met aardewerk uit het begin van de 16e eeuw, ijzer, gezaagd bot (hert?, knopen makerij?), funderinssporen en een kalkput Muurresten van een muurtoren van de stadsmuur Bij afbraak 15e-eeuws huis zijn een kelder en opkamer, vloer en houtskelet gedocumenteerd Twee jacobakannetjes in een nis in de buitenmuur van het gesloopte huis naast het stadshuis
22
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Historische bebouwing
Ja
Historisch gebruik
Bebouwing, boomgaard, aardenwal
Huidig gebruik
Winkel, woning
Bodemverstoringen
Funderingen, boomstobben
Historische situatie Het plangebied bevindt zich op de rand van de historische stadskern van Montfoort. Tot aan de 10 e eeuw bevond zich hier een veenmoeras, dat werd doorsneden door rivieren. Bewoning vond tot aan die periode uitsluitend plaats op de hoger gelegen delen van het landschap: de oevers van de Stuivenberg, Buitenzorg en Willeskop stroomruggen, de oevers en crevasses van de Hollandse IJssel en Oude Rijn-crevasses. Bewoning op deze oevers en crevasses was in principe mogelijk totdat de afzettingen door jongere komafzettingen en veen werden afgedekt. Op basis van archeologische vondsten kan worden geconcludeerd dat op de oevers van de Hollandse IJssel, waarop het plangebied ligt, bewoning heeft plaatsgevonden vanaf de Romeinse tijd (Cohen et al., 2012). In de 10e-11e eeuw werd het veengebied systematisch ontgonnen middels ‘cope-ontginningen’. Percelen waren strookvormig en aan weerskanten werden sloten aangelegd om overtollig water af te voeren. De Hollandse IJssel was daarbij de primaire ontginninsas voor de ontginningen in de omgeving van het plangebied. Sloten werden haaks op de Hollandse IJssel aangelegd (Blijdenstijn, 2005). Verder werden tijdens de Late-Middeleeuwen diverse kanalen gegraven, die het landschap in verschillende polders opdeelden (onder meer de Heycop, de Willeskop en de Gerverscop).
De hoge delen van het landschap werden voornamelijk gebruikt voor de landbouw en de lagere delen voor de veeteelt (Alkemade et al., 2010). De eerste kades rond de Hollandse IJssel werden aangelegd omstreeks 1100 na Chr. (bron: RCE Kaart ‘Leven met Water’). De oudste ontwikkeling van de stadskern van Montfoort gaat terug tot ongeveer dezelfde periode. Met name de Mons fortis, het kasteel Montfoort, was een belangrijk bouwwerk in de vroege geschiedenis van de stad. Dit kasteel is omstreeks 1170 opgericht door de bisschop van Utrecht (Godfried van Rhenen) als verdedigingswerk van het Sticht op de grens met het gewest Holland. De Hollandse IJssel vormde één van de natuurlijke landscheidingen tussen de graafschappen (bron: www.kasteleninnederland.nl). Het kasteel Montfoort is op de voet van de oeverwal van deze rivier gesticht. Momenteel bevindt het kasteel zich in de periferie van het stadscentrum, omdat later de St. Janskerk en het stadhuis centraal kwamen liggen (Blijdenstijn, 2005). Vanaf de oprichting van het kasteel Montfoort verrezen rond het kasteel steeds meer woningen en ontstond geleidelijk aan een steeds grotere nederzetting. In 1329 verkreeg Montfoort stadsrechten en werd de stad ommuurd en omgracht. In de ommuring bevonden zich 24 verdedigingstorens en een bolwerk met een molen (de voorganger van de huidige stellingkorenmolen De Valk, aan de zuidwestkant van de stad).
Van de oude verdedigingswerken resteert onder meer nog een stukje stadsmuur langs de huidige Provincialeweg en langs de Achterdijk (ten zuiden van de stad; Alkemade et al., 2010). Volgens de Militaire Landschapskaart van de RCE stond de middeleeuwse stadsmuur van Montfoort ongeveer op de plek van de huidige Achterbaan, circa 50 m ten westen van het plangebied (bron: rce.webgispublisher.nl). Vanaf de aanleg van de kades langs de Hollandse IJssel werd de daling van de bodem als het gevolg van de ontwatering, en de dichtslibbing van de rivieren door de inpoldering, steeds problematischer. Daarom werden vanaf de 15e eeuw watermolens aangelegd om het waterpeil in de polders op het gewenst niveau te houden. Volgens de cultuurhistorische atlas van Blijdenstijn (2005) zijn in het 23
plangebied geen cultuurhistorische elementen als molens, kades en eendenkooien te verwachten (bron: utrecht.maps.arcgis.com). In 1403 werd, vermoedelijk in een dichtgeslibde restgeul van de Hollandse IJssel (zie hoofdstuk 7), een haven aangelegd. Zo kon men via de gekanaliseerde Hollandse IJssel handel bedrijven met steden als Utrecht, IJsselstein en Oudewater. Verder werd vanaf de 14e-15e eeuw het stratenpatroon gewijzigd en in een regelmatig patroon aangelegd, geënt op de oudere verkavelingsstructuren. In de steden van de Lingewaard zoals Vianen, Montfoort en Oudewater is in deze periode (vanaf de 15e eeuw) de hennepteelt en touwproductie op gang gekomen (Blijdenstijn, 2005). Een stadsbrand in 1629 zorgde ervoor dat een groot deel van de stad in as werd gelegd. Ook 1672 was, zoals voor zoveel steden in Nederland, een rampjaar voor Montfoort. In dat jaar vernietigden de Fransen (onder leiding van Lodewijk XIV) de Mons fortis en werd de stad bezet door Franse troepen (Alkemade et al., 2010 en Archis3). Van kasteel Montfoort is alleen de voorburcht goed bewaard gebleven (bron: www.rhcrijnstreek.nl). Vondsten van gezaagd bot uit de periode van het einde van de 17e tot het begin van de 19e eeuw herinneren aan de knopenproductie die in de periode na de Franse bezetting heeft plaatsgevonden (zie ook hoofdstuk 7).
In de loop van de 19 e eeuw werd in Montfoort de steenbakkerij belangrijk. Deze steenfabrieken zijn echter momenteel niet meer aanwezig (bron: www.rhcrijnstreek.nl). Historische kaarten Aan de hand van historische kaarten is inzicht verkregen in de historische ontwikkeling van het plangebied (figuren 3-14). De oudst geraadpleegde kaart is de kaart van Jacob van Deventer uit 15401560 (bron: www.hetutrechtsarchief.nll). Op deze kaart is de ligging van het plangebied direct buiten de historische stadskern van Montfoort goed te zien. Het plangebied bevond zich op het buitenterrein van de Heeswijkerpoort, de stadspoort aan de oostkant van Montfoort. Deze stadspoort is vermoedelijk gebouwd in de 14e eeuw, tijdens de oprichting van de stadsverdedigingswerken. In 1862 is de poort afgebroken (bron: www.rhcrijnstreek.nl). In het plangebied heeft volgens de kaart van Van Deventer in het midden van de 16e eeuw bebouwing gestaan. Het noorden van het plangebied was vermoedelijk in gebruik als tuin of boomgaard. Op de Wandkaart van de Landen van Woerden van de gebroeders Vingboons uit omstreeks 1690 stond aan het einde van de 17e eeuw in het plangebied geen bebouwing meer weergegeven (bron: www.nationaalarchief.nl). De stadsgracht was, zoals op de kaart van Van Deventer, direct ten westen van het plangebied gelegen.
De Heeswijkerpoort staat niet op de kaart afgebeeld, hoewel deze op latere kaarten wel weer is weergegeven. Op basis hiervan is het niet uitgesloten dat, ondanks dat deze niet staat weergegeven, er in deze periode ook bebouwing in het plangebied aanwezig was. Het gebied waarin het plangebied zich dan ook nog bevond was, in tegenstelling tot het gebied ten oosten ervan, verkaveld. Langs de voorganger van de huidige Provincialeweg N228 stond in elk geval aan de noordoostkant bebouwing. Op de Generaale land-kaarte van den Loopicker-waard uit 1771 is in het plangebied, desalniettemin (net als op de kaart uit 1690) eveneens geen bebouwing weergegeven (bron: www.nationaalarchief.nl). In het plangebied, dat direct langs de stadsgracht lag, was volgens deze kaart wel sprake van een aardenwal. Deze stadswal is bijvoorbeeld ook weergegeven op een tekening van de stad Montfoort door Bernard de Roy uit 1743 (uit: Blijdenstijn, 2005; figuur 6). Op basis van deze tekening zal de stadswal ongeveer een hoogte hebben gehad tussen 50 en 200 cm. De tekening is vermoedelijk gemaakt aan de zuid- of westzijde van de stad (afgeleid aan de positie van de kerk). De Kadastrale Minuut uit 1811-1832 toont een meer gedetailleerd beeld van de inrichting van het plangebied (bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Volgens deze kaart maakte het plangebied deel uit van een onbebouwd perceel (perceel 12).
Dit perceel was volgens de bij de kaart behorende 24
Oorspronkelijk Aanwijzende Tafelen (OAT) in eigendom van ‘ontvanger’ Johannes Ojers en in gebruik als ‘singel als weg’ en boomgaard. Langs de westkant van het plangebied liep een singel als weg. Langs de oostkant liep een voetpad. Op de percelen tegenover het plangebied (ten oosten ervan) stond wel bebouwing. Volgens de OAT bevonden zich hier een huis, schuur, hooiberg en tuin van smid Jan Mansveld en een hooiberg en tuin van bouwman Dirk Melgen (percelen 14-17). Volgens historische kaarten uit 1880 en 1920 is het gebruik van het plangebied als boomgaard tot en met in elk geval het begin van de 20e eeuw niet gewijzigd (bron: www.topotijdreis.nl). Een historische luchtfoto van Montfoort uit 1926 toont eveneens het gebruik van het plangebied als terrein met bomen (uit: Blijdenstijn, 2005). De boomgaard is echter niet meer aanwezig op een historische luchtfoto van de Royal Air Force van 23 januari 1945 (bron: www.library.wur.nl). Volgens deze luchtfoto is in de periode 1920-1945 bebouwing in het plangebied gerealiseerd. Door de lage resolutie van de foto is het niet exact duidelijk wat voor soort bebouwing dit was. Mogelijk betrof het een woning met bijbehorende schuren. Op de luchtfoto zijn in het plangebied geen indicaties voor loopgraven, tankgrachten, bunkers en dergelijken.