CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan 'Schelluinen, Kerkweg 6'

Raadsvergadering 23 januari 2024, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 5c. Vaststelling bestemmingsplan Schelluinen, Kerkweg 614.410 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

33

Verhardingsbalans Voor het plan is een verhardingsbalans opgesteld. Tabel 3: Verhardingsbalans Bestaande situatie Boerderij Kerkweg 6/6a Schuur Erfverharding Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Boerderij Kerkweg 6/6a Schuur (bergingen bij nieuwe woningen) Erfverharding boerderij Kerkweg 6/6a Twee-onder-een-kapwoning (westzijde) Erfverharding twee-onder-een-kapwoning (westzijde) (80% van 370 m2 - 181 m2) Twee-onder-een-kapwoning (oostzijde) Erfverharding twee-onder-een-kapwoning (oostzijde) (80% van 395 - 153 m2) Vrijstaande woning (incl. bijgebouw) Erfverharding vrijstaande woning (70% van 493 m2 - 162 m2) Overige erfverharding (o.a. toegangsweg)

Oppervlakte 315 m² 150 m² 1.200 m² 1.665 m2 315 m² 150 m² 450 m2 181 m² 152 m² 153 m² 194 m² 162 m² 232 m² 300 m²

Totaal nieuwe situatie

2.289 m2

Verschil Particuliere vrijstelling Toename /afname

+ 624 m2 - 500 m2 + 124 m2

Het plan resulteert in een toename aan verharding van 624 m2. Na aftrek van de vrijstelling van de particuliere vrijstelling is er sprake van een toename van 124 m2. Dit betekent dat er watercompenserende maatregelen noodzakelijk zijn. De benodigde waterberging bedraagt 124 m2 * 0,0436 m3/ha = 5,41 m3. Uitgaande van een toelaatbare peilstijging van 0,2 meter betekent dit een te realiseren extra wateroppervlak van 27 m2. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling. Indien de particuliere vrijstelling niet mag worden gebruikt, bedraagt de benodigde waterberging 624 m2 * 0,0436 m3/ha = 27,21 m3. Uitgaande van een toelaatbare peilstijging van 0,2 meter betekent dit een te realiseren extra wateroppervlak van 136 m2. De benodigde watercompensatie zal worden gerealiseerd door de B-watergang 049856 te verbreden. Voor het verbreden van de watergang dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland.

34

Afbeelding 13: Nieuwe situatie (uitvergroot in bijlage)

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.

Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven.

35

In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De woningen worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied is geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland gelegen. Waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor de aanleg van de brug of dam met duiker dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland.

36

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is.

De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Door Adromi Groep is een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat: Voor het wegverkeerslawaai is ter plaatse van de woningen een overschrijding geconstateerd van de voorkeursgrenswaarde. Volgens de Wet geluidhinder moet dan eerst getracht worden deze overschrijdingen te voorkomen. De Rijksweg A15 is reeds van een geluidsreducerende asfalt voorzien en de rijsnelheid is al teruggebracht naar maximaal 100 km/uur gedurende de dagperiode. Verdere maatregelen behoren niet tot de mogelijkheden. Een geluidsscherm zal in verband met de benodigde afmetingen (lengte en hoogte) zeer waarschijnlijk stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, financiële en landschappelijke aard. Om de realisatie van de vijf woningen mogelijk te maken, is de vaststelling van hogere grenswaarden benodigd. Deze hogere grenswaarden moeten worden aangevraagd bij de gemeente.

37

Motivatie en overwegingen verlenen hogere grenswaarden: 1. De maximaal toelaatbare geluidsbelasting van 53 dB volgens artikel 83 lid 1 Wet geluidhinder wordt op één toetspunt na niet overschreden; 2. De gevel waar de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van 53 dB wordt overschreden zal als een ‘niet gevoelige gevel’ worden uitgevoerd. In dat geval hoeft de geluidsbelasting niet aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder te worden getoetst, wel dient de gevel over een voldoende geluidswering te beschikken teneinde dat het resulterende geluidniveau in de woning niet meer bedraagt dan 33 dB; 3. De hogere waarden zijn nodig, omdat maatregelen om de geluidsbelasting terug te brengen tot de voorkeurswaarde bezwaren van stedenbouwkundige, financiële en landschappelijke aard ontmoeten; 4. Met de realisatie van geprojecteerde woningen wordt de open ruimte tussen de aanwezige woonbebouwing opgevuld; 5. Ter plaatse van de woningen 2 t/m 5 wordt aan de aan de gemeentelijke eis voldaan van een geluidsluwe gevel en een geluidsluwe buitenruimte; 6. Om ook ter plaatse van de woningen 1, 3 en 4 aan de eis van een geluidsluwe gevel en een geluidsluwe buitenruimte te voldoen zal ten zuiden van de tuin van woning 1 en 3 en ten noorden van de tuin van woning 4 een geluidsafschermend tuinscherm worden geplaatst; 7.

De gevels met een geluidsbelasting Lcum hoger dan 53 dB zullen van een voldoende geluidswering in de gevelconstructie worden voorzien. Bij het onderdeel bouwen zal hier rekening mee gehouden worden. Conclusie Het plan is akoestisch uitvoerbaar. Om ter plaatse van de woningen 1, 3 en 4 aan de eis van een geluidsluwe gevel en een geluidsluwe buitenruimte te voldoen zal ten zuiden van de tuin van woning 1 en 3 en ten noorden van de tuin van woning 4 een geluidsafschermend tuinscherm of andere geluidafschermende voorziening moeten worden geplaatst. Het plaatsen van de geluidsschermen en/of overige geluidsafschermende voorzieningen (met een hoogte van 2,5 meter) is middels een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan verankerd. Voor het plan dienen hogere grenswaarden te worden vastgesteld.

38

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 4: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2020) het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 20,7 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18,4 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,4 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met

39

niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

40

4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Tabel 5: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Onderzoek Het plangebied is gelegen in de kern van Schelluinen. Het plangebied is omringd door bestaande woongebieden. Ten zuidwesten van het plangebied (Kerkweg 4a) is een bedrijfsbestemming gelegen waarop bedrijven zijn toegestaan tot maximaal milieucategorie 2.0 van het VNGHandboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Voor dergelijke bedrijven geldt conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) een richtafstand van 30 meter. De nieuwe woningen worden gerealiseerd op meer dan 30 meter van deze bedrijfsbestemming. Ten zuidoosten van het plangebied is een nutsvoorziening/rioolgemaal (waterschap Rivierenland) gelegen. Voor dergelijke nutsvoorzieningen geldt conform het VNGHandboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) een richtafstand van 30 meter. De nieuwe woningen worden gerealiseerd op meer dan 30 meter van deze nutsvoorziening.

41

Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat geen bedrijven in de bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van dit plan.

Afbeelding 14: Plangebied t.o.v. omliggende bedrijven

Conclusie Het plan ondervindt wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.

42

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.

Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door DGMR Adviseurs een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Inventarisatie risicobronnen In de omgeving van het plangebied (straal van 1 km) zijn de volgende risicobronnen aanwezig: - Transport van gevaarlijke stoffen over de Betuwelijn op 190 meter ten zuidoosten van de planlocatie; - Transport van gevaarlijke stoffen over de N216 op 280 meter ten zuidoosten van de planlocatie; - Transport van gevaarlijke stoffen over de A15 op 310 meter ten zuidoosten van de planlocatie; - Een LPG-tankstation op 700 meter ten westen van de planlocatie.’

43

Afbeelding 15: Ligging risicobronnen rondom plangebied: de Betuwelijn (geel), e N216 (rood). De A15 (blauw) en het LPG-tankstation (driehoek)

Net buiten de kaart liggen op meer dan een kilometer van het plangebied de volgende risicobronnen: - Zwembad Caribabad (opslag chloorbeekloog); - Transport van gevaarlijke stoffen over de snelweg A27; - Transport van gevaarlijke stoffen over de Merwede; - Hogedruk aardgasleiding W-528-01. Formeel is vanwege het vervoer van toxische stoffen over de A27 een beperkte verantwoording nodig. De overige risicobronnen zijn vanwege de afstand tot het plangebied niet relevant. Transport over de Betuwelijn De Betuwelijn ligt op 190 meter ten zuidoosten van het plangebied. Over dit traject worden zowel brandbare als toxische gassen en vloeistoffen vervoerd. Voor dit traject geldt een veiligheidszone van 30 meter vanaf het midden van het spoor, die ook als 10-6 PR-contour geldt. Het plan ligt buiten deze afstand, zodat aan de grenswaarde wordt voldaan. Ook ligt het plan buiten het plasbrandaandachtsgebied, zodat brandwerende maatregelen niet verplicht zijn. Binnen 200 meter van een transportroute is doorgaans een groepsrisicoberekening nodig. Omdat het in dit geval om een relatief kleine ontwikkeling gaat (5 woningen) ten opzichte van een bestaande woonkern is zonder meer duidelijk dat het groepsrisico nauwelijks zal veranderen. Uit eerdere groepsrisicoberekeningen is gebleken dat het groepsrisico van de Betuwelijn in de omgeving van Schelluinen laag (0,1 * oriëntatiewaarde) is.

Met deze vijf extra woningen blijft het groepsrisico laag. Wel moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden. Met het ingaan van de Omgevingswet worden langs aangewezen Basisnetroutes aandachtsgebieden vastgesteld. De betreffende trajecten zijn nog niet aangewezen in de Regeling 44

Basisnet, al ligt voor de hand dat deze aandachtsgebieden gaan gelden voor de Betuwelijn. In dat geval geldt een brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter. De meest nabij gelegen woning staat met 198 meter net binnen dit aandachtsgebied; andere woningen staan op meer dan 200 meter van de spoorlijn. Transport over de N216 De provinciale weg N216 ligt op 280 meter ten zuidoosten van het plangebied. Over dit traject worden alleen brandbare gassen en vloeistoffen vervoerd. Op basis van de vervoersintensiteiten die de risicokaart aangeeft (131 transporten GF3), kunnen we op basis van de vuistregels uit de HART een 10-6 PR-contour uitsluiten, zodat aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico wordt voldaan. De weg behoort niet tot het Basisnet; daarom geldt langs dit traject zonder meer geen plasbrandaandachtsgebied. Omdat de planontwikkeling op meer dan 200 meter van de transportroute ligt, is geen groepsrisicoberekening nodig. Wel moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden, omdat de locatie binnen het invloedsgebied ligt. Transport over de A15 De snelweg A15 ligt op 310 meter ten zuidoosten van het plangebied. Over dit traject worden zowel brandbare als toxische gassen en vloeistoffen vervoerd. Voor dit traject geldt een veiligheidszone van 46 meter vanaf het midden van de snelweg, die tevens als 10-6 PR-contour geldt.

Het plan ligt buiten deze afstand, zodat aan de grenswaarde wordt voldaan. Ook ligt het plan buiten het plasbrandaandachtsgebied, zodat brandwerende maatregelen niet nodig zijn. Omdat de planontwikkeling op meer dan 200 meter van de transportroute ligt, is geen groepsrisicoberekening nodig. Wel moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden, omdat de locatie binnen het invloedsgebied ligt. Met het ingaan van de Omgevingswet worden langs aangewezen Basisnetroutes aandachtsgebieden vastgesteld. De betreffende trajecten zijn nog niet aangewezen in de Regelgeving Basisnet, al ligt voor de hand dat deze gaan gelden voor deze snelweg. In dat geval geldt een brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter. Het plan ligt buiten deze aandachtsgebieden, zodat bouwkundige maatregelen als gevolg van eventuele voorschriftengebieden niet aan de orde zijn. LPG-tankstation Het LPG-tankstation Den Toom staat op 700 meter ten westen van het plangebied. Vanuit de Revi gelden voor dit type tankstations vaste afstanden voor het plaatsgebonden risico (maximaal 45 meter) en het invloedsgebied (150 meter). De planlocatie ligt buiten deze afstanden, zodat wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico als gevolg van deze risicobron niet hoeft te worden verantwoord.

Verantwoording groepsrisico Omdat het groepsrisico in alle gevallen kleiner is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde en/of omdat de risicobron op meer dan 200 meter van het plangebied ligt, volstaat volgens het Bevt een beperkte verantwoording. Daarbij hoeven alleen

45

bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid te worden beschouwd. Voor overige externe risicobronnen is geen verantwoording nodig. Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid van een calamiteit op de transportroutes verandert niet door de realisatie van het plan. Het plan bestaat uit de bouw van twee twee-onder-een-kap woningen en een vrijstaande woning en wordt omringd door bestaande woningen. De bereikbaarheid en ontruimingsmogelijkheden zijn daarom vergelijkbaar met de omringende woningen met een ontsluitingsroute aan de zuidzijde. In geval van een externe brand is in en om het plangebied voldoende oppervlaktewater aanwezig dat als bluswater kan worden gebruikt. De kans is echter groot dat dit water in geval van een ‘Boiling liquid expanding vapour explosion (BLEVE)’ op het spoor ook nodig is om secundaire branden te bestrijden voor woningen die dichter bij het spoor staan. Deze woningen ondervinden een hogere warmtebelasting en daarmee grotere kans op secundaire branden. Zelfredzaamheid Het transport van geklasseerde stoffen over de drie aangegeven transportroutes kan tot een gevaar in het plangebied leiden bij een BLEVE of bij een gifwolk. Het plasbrandscenario is in dit geval niet relevant vanwege de afstand tussen de transportroutes en het plangebied . Bij een BLEVE kunnen een drukgolf en een vuurbal ontstaan.

Wanneer dit gebeurt als gevolg van een spoorketelwagen op de Betuwelijn, zijn de gevolgen het hevigst. Een drukgolf is op een afstand van ongeveer 200 meter beperkt tot 0.03 bar. In de praktijk zal de drukgolf nog minder zijn vanwege de afscherming door tussenliggende bebouwing. Daarmee is de drukgolf zodanig afgezwakt dat de kans op ruitbreuk klein is en scherfwerking minimaal, zeker omdat vanwege geluidsisolatie voor deze gevels gelaagd glas wordt toegepast. Een vuurbal kan, ondanks de relatief korte duur, leiden tot secundaire brandhaarden. Omdat de gevels en daken van de woningen bestaan uit moeilijk brandbaar materiaal, zoals steen en dakpannen, is de kans dat bij deze woningen een secundaire brand ontstaat beperkt. Mocht desondanks een secundaire brandhaard ontstaan, dan kunnen de aanwezigen het in plangebied de woningen en het plangebied ontvluchten. De meest logische route is via de Jan Snouckstraat aan de zuidzijde en vervolgens naar het oosten of westen. Wanneer een BLEVE op de N216 of A15 ontstaat, is de impact op het plangebied kleiner dan bovenstaand aangegeven en zijn glasbreuk en secundaire branden uitgesloten. Bij een toxische wolk moet men binnen blijven, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitschakelen. Tijdige alarmering is in dat geval belangrijk.

Het plangebied wordt omringd door bestaande woningbouw en ligt binnen het dekkingsgebied van alarmeringsinstallaties. Afweging maatregelen De voorgenomen woningen staan op bijna 200 meter van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Als op deze route een ongeval met gevaarlijke stoffen optreedt, is het externe risico ter plaatse van de woningen al sterk afgenomen vanwege de tussenliggende afstand. Vanuit het Bouwbesluit is verplicht dat mechanische 46

ventilatie kan worden uitgeschakeld. Daarnaast worden de woningen voorzien van de volgende maatregelen die het externe risico beperken: - De gevels en daken bestaan uit moeilijk brandbaar materiaal. - De beglazing aan de spoorzijde is gelaagd (scherfvrij) glas. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

47

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Voor het plan is een Klic-melding gedaan. De resultaten worden meegenomen in de civieltechnische uitwerking van het plan (na de bestemmingsplanprocedure). In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

48

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft, is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is op beide locaties door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: Het plangebied heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht).

Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen 49

•

•

verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 4,3 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’. Op een afstand van circa 160 m ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 1,4 km ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied. Op een afstand van circa 13,5 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig in het plangebied die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep.

Afbeelding 16: Afstand tot Natura 2000 gebieden

50

Afbeelding 17: Afstand tot Natuurnetwerk Nederland

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft het aspect ecologie geen belemmeringen.

51

4.9 Stikstofdepositie Beleidskader Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Onderzoek Voor het plan is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling niet voorziet in een rekenresultaat hoger dan 0,00 mol/ha/j. Conclusie Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.

52

4.10 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstige woongebruik in kaart te brengen is door Adromi Groep een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies uit het bodemonderzoek luiden: -

-

De bovengrond, opgehoogd deel ter plaatse van perceel 452, is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters o.a. zware metalen, PAK en minerale olie; De bovengrond, ter plaatse van perceel 451, is licht verontreinigd met kwik; De ondergrond, gehele locatie, is licht verontreinigd met koper en molybdeen; Het grondwater is licht verontreinigd met barium.

De hypothese verdacht wordt bevestigd vanwege het aantreffen van enkele lichte verontreinigingen in de grond en het grondwater. De aangetroffen verontreinigingen vormen geen belemmering voor de voorgenomen nieuwbouw van woningen. Indien bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt welke niet ter plaatse kan worden hergebruikt, gelden hiervoor restricties ten aanzien van het hergebruik. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.

53

4.11 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Voor het plan is door ADC ArcheoProjecten een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ADC ArcheoProjecten adviseert om het onderzoeksgebied van het booronderzoek (het oostelijke deel van het plangebied) vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het westen van het plangebied is niet onderzocht door middel van een booronderzoek, omdat dit deel van het plangebied niet bedreigd wordt.

Als in de toekomst in dit deel van het plangebied diepe bodemingrepen plaats zullen vinden, adviseren wij om, als het gaat om bodemingrepen met een oppervlakte van groter dan 30 m2 en dieper dan 30 cm –mv, een inventariserend veldonderzoek door middel van een verkennend booronderzoek uit te voeren. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de

54

grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft archeologie geen belemmeringen. Ter bescherming van de archeologische waarden worden op het westelijk deel van het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1 en 4’ overgenomen in dit bestemmingsplan.

55

4.12 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen De ambitie van de gemeente Molenlanden is een toekomstbestendig Molenlanden door bij nieuwbouw de openbare ruimte en de woningen en gebouwen zo duurzaam mogelijk te ontwikkelen. In het Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen worden richtlijnen gegeven voor duurzaamheid en klimaatadaptatie. In het plan zijn duurzaamheidsmaatregelen toegepast aan de hand van het ‘Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen’. De woningen worden gebouwd conform de meest actuele normen uit het Bouwbesluit. Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. Eerdere ervaringen in de woningbouwontwikkeling worden gebruikt om woningen van een hoogwaardige kwaliteit te leveren. De woningen worden gebouwd volgens de nieuwste eisen en technieken. Deze eis wordt gehaald met zo veel mogelijk permanente oplossingen, zoals isolatie en kierdichting, en gebruiksvriendelijke installaties. De toegepaste materialen zijn duurzaam en voor hergebruik geschikt. De woningen worden zonder gasaansluitingen gerealiseerd. De energievraag wordt ingevuld met warmtepompsystemen al dan niet in combinatie met zonne-energie.

Klimaatadaptatie Op grond van artikel 6.27a Risico’s van klimaatverandering van de Omgevingsverordening Zuid-Holland dient in een ruimtelijk plan rekening te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: 1. Wateroverlast door overvloedige neerslag; 2. Overstroming; 3. Hitte; 4. Droogte. alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling. Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. De woonpercelen worden groen ingericht waarmee hemelwater goed in de bodem kan infiltreren. Het plan voorziet in voldoende watercompensatie. Hiermee is voldoende waterberging aanwezig om zware regenbuien te kunnen opvangen. Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. De woningen worden op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Gezien het warmer en droger wordt, wordt bij de uitwerking van de woningen rekening gehouden met de accumulatie van warmte. De installaties in de woningen worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen.

Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen. 56

5

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Schelluinen, Kerkweg 6’ bestaat uit drie delen, de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Schelluinen, Kerkweg 6’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Schelluinen, Kerkweg 6’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘BP GiessenOudekerk, Hoogblokland en Schelluinen’ (vastgesteld op 25 oktober 2012). De regels van het bestemmingsplan ‘Schelluinen, Kerkweg 6’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Wonen De bestemming ‘Agrarisch’ op het oostelijke deel van het plangebied wordt gewijzigd naar ‘Wonen’. Op dit gedeelte worden twee bouwvlakken opgenomen voor de nieuwe twee-onder-één-kapwoning en de nieuwe vrijstaande woning. Op het westelijke deel van het plangebied wordt tevens een woonbestemmingsvlak opgenomen met twee bouwvlakken voor de bestaande karakteristieke boerderij en de andere nieuwe twee-onder-één-kapwoning. De woningen dienen binnen de bouwvlakken te worden gerealiseerd. Tuin De gronden ten westen van de boerderij en tussen en ten oosten van de nieuwe woningen krijgen de bestemming ‘Tuin’. Ter plaatse van de gronden met de bestemming ‘Tuin’ zijn de bouwmogelijkheden beperkt. Water Ter plaatse van de A-watergang tussen de woonpercelen en de Jan Snouckstraat blijft de bestemming ‘Water’ ongewijzigd.

57

Waarde – Archeologie – 1 & 4 De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 1 en 4’ zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden in de bodem op het westelijk deel van het plangebied.

5.4 Aanduidingen • • • • • • •

Bouwvlak; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – bijbehorende bouwwerken’; bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke verplichting geluidsscherm’; Figuur ‘gevellijn’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte (m): 5 (ter plaatse van de bestaande boerderij); Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouw- en goothoogte (m): 7 en 4 (voor nieuwe woningen); Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1 en 2.

58

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=b206d06a-09dd-48be-8eae-c48243c00650