Toelichting bestemmingsplan 'Schelluinen, Kerkweg 6'
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan ‘Schelluinen, Kerkweg 6’
Toelichting bestemmingsplan ‘Schelluinen, Kerkweg 6’
Opgesteld door: Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. Lekdijk 44 2967GB Langerak Identificatie NL.IMRO.1978.BPKerkweg6SLN-VG01 Datum 23-01-2024 Planstatus Vastgesteld
2
Inhoudsopgave 1.
2
3
4
Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1
Inleiding ..................................................................................................... 5
1.2
Kader .......................................................................................................... 6
1.3
Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 7
1.4
Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 8
1.5
Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid.............................. 8
1.6
Communicatie ............................................................................................ 8
1.7
Realisatie .................................................................................................... 8
1.8
Leeswijzer................................................................................................... 9
Planbeschrijving .................................................................................................................... 10 2.1
Bestaande situatie ..................................................................................... 10
2.2
Nieuwe situatie ......................................................................................... 11
Beleidskader............................................................................................................................ 18 3.1
Rijksbeleid ................................................................................................ 18
3.2
Provinciaal beleid ...................................................................................... 20
3.3
Regionaal beleid ....................................................................................... 26
3.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................. 27
3.5
Conclusie .................................................................................................. 29
Sectorale aspecten ................................................................................................................ 30 4.1
Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 30
4.2
Watertoets ................................................................................................ 31
4.3
Geluid ....................................................................................................... 37
4.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................... 39
4.5
Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 41
4.6
Externe veiligheid ..................................................................................... 43
4.7
Kabels en leidingen................................................................................... 48
4.8
Ecologie .................................................................................................... 49
4.9
Stikstofdepositie ....................................................................................... 52
4.10 Bodem ...................................................................................................... 53 4.11 Archeologie .............................................................................................. 54 4.12 Duurzaamheid en klimaatadaptatie ........................................................... 56 5
Juridische planbeschrijving .............................................................................................. 57 5.1
Inleiding ................................................................................................... 57
5.2
Systematiek van de regels ......................................................................... 57
5.3
Bestemmingen .......................................................................................... 57 3
5.4 Bijlage 1 2 3
4 5 6 7 8 9
10
Aanduidingen ........................................................................................... 58 Omschrijving Landschappelijk inpassingsplan Digitale watertoets Onderzoek Externe Veiligheid Ecologische quickscan Stikstofdepositieonderzoek Verkennend bodemonderzoek Archeologisch onderzoek Akoestisch onderzoek Situatietekening parkeren en inen uitritconstructie Nota van Zienswijzen
Auteur Lagendijk Tuin- en Landschapsarchitecten Waterschap Rivierenland DGMR Adviseurs voor bouw, industrie, verkeer, milieu en software Blom Ecologie
Referentie LTL21414
Datum 31-05-2021
20210512-926448 M.2020.0828.0 0.N001
12-05-2021
BE/2021/536/r
04-06-2021
Van den Heuvel Milieuadvies Adromi B.V.
18004
01-10-2021
B202011
16-07-2021
ADC ArcheoProjecten
Rapport 5507
31-01-2022
Adromi Groep
S202141
25-05-2022
New-ton Architecten
SI-01
12-10-2022
Gemeente Molenlanden
-
Nov. 2023
31-05-2021
4
1.
Inleiding
1.1 Inleiding 1.1.1 Aanleiding Het perceel Kerkweg 6 te Schelluinen betreft een voormalig agrarisch perceel. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn al geruime tijd geleden beëindigd. Het plangebied is in gebruik als woonperceel. De boerderij Kerkweg 6/6a betreft een woonboerderij gesplitst in twee wooneenheden. Sinds 2014 hebben er diverse overleggen plaatsgevonden met de gemeente en het Waterschap Rivierenland inzake de plannen voor woningbouw op deze locatie. Na veelvuldig overleg en participatie met de directe buren is besloten het achtererf van de boerderij tevens bij het plan te betrekken. Het plan is om ten oosten van de bestaande boerderij één vrijstaande woning en twee twee-onder-één-kapwoningen te realiseren (in totaal vijf woningen). Het plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘Giessen-Oudekerk, Hoogblokland en Schelluinen’ (vastgesteld op 25 oktober 2012). Op de gronden met de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Tuin’ en zonder bouwvlak is het realiseren van woningen niet toegestaan. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen. 1.1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen in de kern van Schelluinen. Het plangebied bestaat uit drie kadastrale percelen (Schelluinen, sectie A, 451, 452 en 573 gedeeltelijk). Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de Jan Snouckstraat.
Aan de noord- en westzijde grenst het plangebied aan de percelen Kerkweg 8, 10, 10a, 18 en 20. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door een watergang met de aan de overzijde de uitbreidingswijk ‘Schelluinen-Oost’.
Afbeelding 1: Begrenzing plangebied
5
1.1.3 Belang De gemeente Molenlanden kan toestemming geven voor een plan wanneer het plan bijdraagt aan het behalen van gemeentelijke en/of regionale doelstellingen, een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit (of daar tenminste geen afbreuk aan doet) en overige belangen niet, of in ieder geval niet onevenredig nadelig worden beïnvloed. Het plan speelt in op een lokale woningbehoefte. De woningbehoefte in Schelluinen is sterk koopgeoriënteerd. Er is veel instroom van jonge huishoudens en gezinnen. Voor deze doelgroepen is vooral aanbod in het betaalbare en middeldure koopsegment van belang. Het plan voorziet in één vrijstaande woning en twee twee-onder-één-kapwoningen te realiseren (in totaal vijf woningen). De vrijstaande woning is voor eigen gebruik. De bouw van deze vrijstaande woning zorgt voor de gewenste doorstroming op de woningmarkt, waardoor in het dorp betaalbare woningen vrijkomen voor jonge huishoudens. Met de twee-onder-één-kapwoningen wordt direct ingespeeld op de vraag naar woningen in het middeldure koopsegment. Het plan voorziet in een passende invulling van een onbebouwde locatie in de kern van Schelluinen. Het plangebied is gelegen in de kern van Schelluinen (binnen bestaand stedelijk gebied). Het plan sluit aan bij het provinciaal beleid om de verstedelijkingsopgave primair te realiseren binnen bestaand stedelijk gebied.
Het plangebied is omringd door bestaande woongebieden.
1.2 Kader Bestemmingsplan ‘Giessen-Oudekerk, Hoogblokland en Schelluinen’ Het plangebied is gelegen binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘BP Giessen-Oudekerk, Hoogblokland en Schelluinen’ (vastgesteld op 25 oktober 2012). Het plangebied heeft de enkelbestemmingen: • Agrarisch; • Tuin; • Water; • Wonen; De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie – 1; • Waarde – Archeologie – 4; En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte (m)’: 5; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden’: 1;
6
Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Giessen-Oudekerk, Hoogblokland en Schelluinen’
Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ Op 27 oktober 20020 heeft de gemeente Molenlanden het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ vastgesteld. Het doel van deze parapluherziening is het bieden van een eenduidige regeling ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ in de gemeente Molenlanden. Dit paraplubestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het parkeerbeleid. In de beleidsregel “Nota Parkeernormen Molenlanden 2020” zijn de parkeernormen opgenomen die van toepassing zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ regelt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden voldaan aan de beleidsregel “Nota Parkeernormen Molenlanden 2020”. In paragraaf 2.2.2 is beschreven dat dit plan voldoet aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten Op 26 oktober 2021 heeft de gemeente Molenlanden het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ vastgesteld. Het paraplubestemmingsplan voorziet uitsluitend in een juridische borging voor het reguleren van het beleid met betrekking tot huisvesting van arbeidsmigranten. Door deze regeling wordt het eveneens onmogelijk gemaakt om andere ongewenste huisvestingsvormen toe te staan in woningen. De regeling is overgenomen in de regels van dit bestemmingsplan (artikel 10.1).
1.3 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. Middels het bestemmingsplan wordt het juridisch-planologisch mogelijk gemaakt om één vrijstaande woning en twee twee-onder-één-kapwoningen te realiseren op de locatie Kerkweg 6 te Schelluinen. 7
1.4 Maatschappelijk draagvlak Participatie Dit plan is tot stand gekomen in overleg met de directe buren van het plangebied. Voorafgaand aan de ter inzage legging van het ontwerp-bestemmingsplan heeft aan omgevingsdialoog plaatsgevonden met de overige omwonenden. De reacties van de omwonenden worden waar mogelijk meegenomen in de nadere uitwerking van het plan. Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de overlegpartners. De reactie van het waterschap Rivierenland is verwerkt in hoofdstuk 4.2 Watertoets. Zienswijzen Het ontwerp-bestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn vier schriftelijke zienswijzen ingediend. De ingediende zienswijzen zijn inhoudelijk behandeld en van een antwoord voorzien in bijgevoegde ‘Nota van Zienswijzen’. De zienswijzen hebben geleid tot onderstaande ambtshalve wijzigingen in het bestemmingsplan: 1. Paragraaf 2.2.2 Verkeer en parkeren van de toelichting is aangevuld met een berekening van de verkeersgeneratie op grond van de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018). 2.
Paragraaf 4.2 Watertoets (tabel 3: verhardingsbalans) van de toelichting is aangepast conform de vuistregels van het waterschap Rivierenland.
1.5 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de ontwikkelaar, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is er een anterieure overeenkomst met de ontwikkelaar getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de ontwikkelaar komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
1.6 Communicatie Er is op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure (via internet en het Kontakt).
1.7 Realisatie Wanneer er geen beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan na de beroepstermijn onherroepelijk. De omgevingsvergunning(en) voor de bouw van de woningen kan dan worden aangevraagd. 8
1.8 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • • • •
Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; Hoofdstuk 3: Beleidskader; Hoofdstuk 4: Milieuaspecten; Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving.
9
2
Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis Schelluinen Schelluinen ligt ten westen van Gorinchem aan de noordzijde van de A15 en de Betuwelijn. De oude kern van Schelluinen bestaat uit de bebouwing rond het Kerkplein met de aanliggende Nederlands Hervormde Kerk en het oude kasteel. Deze kern ontstond in de zuidwesthoek van de Kwakernaaksche Polder, daar waar het noordelijk deel van de (Groote) Schelluinensche Vliet met een bijna haakse bocht overgaat in het oostelijk deel. De Kwakernaaksche Polder werd echter in cultuur gebracht vanuit de noordelijk van de kern gelegen De Nol (de huidige Nolweg). De kern strekte zich nog iets uit langs de Kaatsbaan, aan de overzijde van de Vliet. Tot ver in de 19e eeuw bleef de bebouwing beperkt tot een clustervorming verdichting rond de uitwatering van de wetering op de Vliet en tot de extensief bebouwde boerderijenlinten langs de Voordijk en de zuidzijde van de Nolweg (en de daarbij aansluitende tot Gorinchem behorende Haarweg). In de 20ste eeuw heeft gaandeweg eerst een verdichting plaatsgevonden langs de Voordijk en de Nolweg. Kenmerkend voor de dorpskern en de linten is de wisselende goothoogte van de gebouwen.
Na de Tweede Wereldoorlog vond geleidelijk een planmatige uitbreiding van Schelluinen plaats; eerst vooral oostelijk van het bebouwingslint van de Voordijk, daarna de uitbreiding in de jaren 80 in het zuiden van de Kwakernaaksche polder. Tenslotte is men eind 20e eeuw begonnen met de uitbreiding van het dorp ten westen van de Vliet. Er zijn de laatste jaren een aantal uitbreidingsprojecten in ontwikkeling geweest: het nieuwbouwproject ‘Over de Vliet III’ en het nieuwbouwproject ‘Schelluinen-Oost’. Het plangebied is gelegen in de kern Schelluinen aan de Kerkweg ten westen van het nieuwbouwproject ‘Schelluinen-Oost’. 2.1.3 Huidige status/gebruik Het perceel Kerkweg 6 te Schelluinen betreft een voormalig agrarisch perceel. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn al geruime tijd geleden beëindigd. Het plangebied betreft een woonperceel. De boerderij Kerkweg 6/6a betreft een woonboerderij gesplitst in twee wooneenheden. Het oostelijk deel van het plangebied betreft een onbebouwd stuk grond. Op het perceel is beplanting aanwezig.
Afbeelding 3: Bestaande situatie
10
2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Het plan is om ten oosten van de bestaande boerderij één vrijstaande woning en twee twee-onder-één-kapwoningen te realiseren (in totaal vijf woningen). De bestaande schuur wordt opgedeeld in drie delen als bijgebouw bij de nieuwe woningen en de bestaande boerderijwoning. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt de bestemming ‘Agrarisch’ en een deel van de bestemming ‘Tuin’ gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’. Op het woonbestemmingsvlak worden vier bouwvlakken (incl. bouwvlak voor de bestaande boerderij) opgenomen waarbinnen de woningen dienen te worden gerealiseerd. De grondoppervlakte van de woningen bedraagt ten hoogste 125 m2. Voor de nieuwe woningen geldt een maximale bouw- en goothoogte van 7 meter respectievelijk 4 meter.
Afbeelding 4: Nieuwe situatie
11
2.2.2 Verkeer en parkeren Ontsluiting Het perceel heeft in de bestaande situatie één inrit op de Kerkweg. Deze inrit dient als ontsluiting voor de bestaande boerderij. Voor de nieuwe woningen wordt een nieuwe ontsluiting gerealiseerd aan de zuidzijde van het plangebied op de Jan Snouckstraat. Voor het plan wordt een nieuwe brug of dam met duiker geplaatst.
Afbeelding 5: In- en uitritconstructie (uitvergroot in bijlage)
12
Verkeersgeneratie Om er zeker van te zijn dat het plan niet leidt tot negatieve effecten op de verkeersafwikkeling en verkeerveiligheid in het gebied is de extra verkeersgeneratie van het plan berekend. Voor de vaststelling van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is voor het plan uitgegaan van de maximale kencijfers gelegen in de ‘rest bebouwde kom’ van een ‘niet stedelijk’ gebied. In tabel 1 is de verkeersgeneratie van dit plan uiteengezet. Tabel 1: Verkeersgeneratie Categorie Koop, twee-onder-een-kap Koop, vrijstaand
Verkeersbewegingen (per etmaal) 8,2
Aantal (woningen)
8,6
1
4
Totaal:
Totaal verkeersbewegingen 32,8 verkeersbewegingen 8,6 verkeersbewegingen 42 verkeersbewegingen
Een dergelijke verkeerstoename is dermate laag, dat het niet aannemelijk is dat de verkeersdoorstroming en/of verkeersveiligheid in de rest van de woonwijk of de bereikbaarheid van de woonwijk voor hulpdiensten buitenproportioneel wordt benadeeld.
13
Parkeren Voor de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'. Dit parkeerbeleid is gebaseerd op de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018). In het CROW-beleid wordt uitgegaan van een bandbreedte van een minimale tot een maximale parkeernorm. In de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020' wordt uitgegaan van het gemiddelde. De gemeente Molenlanden valt qua stedelijkheidsgraad – in zijn geheel - in de categorie ‘niet stedelijk’. Het plangebied is gelegen in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’. In tabel 2 is de parkeerbehoefte van dit plan uiteengezet. Tabel 2: Parkeerbehoefte Categorie Koop, twee-onder-een-kap Koop, vrijstaand
Parkeernorm (per woning) 2,2 2,3
Aantal (woningen) 4 1
Totaal parkeerplaatsen 8,8 parkeerplaatsen 2,3 parkeerplaatsen
Totaal: 11,1 parkeerplaatsen* * Parkeerbehoefte wordt volgens de richtlijnen naar boven afgerond (Bron: 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020). Het parkeren wordt opgelost op eigen terrein. Het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid (zie afbeelding 6). Er gaan geen bestaande (openbare) parkeerplaatsen verloren door de toevoeging van de nieuwe in- en uitritconstructie. Hiermee wordt voldaan aan het gemeentelijk parkeerbeleid zoals gesteld in de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'.
Afbeelding 6: Parkeren (uitvergroot in bijlage)
14
2.2.3 Beeldkwaliteit Om te komen tot een stedenbouwkundig passende inpassing van de woningen in de omgeving is een stedenbouwkundige analyse uitgevoerd (stappen van het ‘Molenwaards Kookboek’ zijn doorlopen). Geschiedenis In 1900 is de karakteristieke boerderij Kerkweg 6 reeds aanwezig. Het plangebied is gelegen langs de Kerkweg. De weg is in 1900 reeds gedeeltelijk zichtbaar. Er is op dat moment nog weinig tot geen bebouwing aanwezig. Dit verandert nauwelijks in 1950. Vanaf 2000 zijn grotere veranderingen zichtbaar. De bebouwing aan de noord- en zuidzijde van het plangebied is fors toegenomen. 1900
1950
2000
2020
Afbeelding 7: Geschiedenis in beeld
Kenmerken plangebied en omgeving Het plangebied is gelegen tegen de oude kern van Schelluinen. Het plangebied heeft met de aanwezigheid van het boerderijgebouw en bijbehorende schuur een agrarische identiteit. De oude kern van Schelluinen bestaat uit de bebouwing rond het Kerkplein met de aanliggende Nederlands Hervormde Kerk en het oude kasteel. De woningen in de oude kern zijn overwegend traditioneel van opzet. De woningen langs de Kerkweg zijn zowel haaks als parallel aan de Kerkweg georiënteerd. De gebruikte bouwmaterialen zijn traditioneel. De gebruikte kleuren zijn ingetogen. 15
In de 20ste eeuw heeft gaandeweg een verdichting plaatsgevonden in de omgeving van het plangebied. De bebouwing langs de Jan Snouckstraat kenmerkt zich door overwegend eenvoudige, woonblokken (rijwoningen). De nokrichtingen van deze woonblokken zijn parallel als haaks aan de Jan Snouckstraat georiënteerd. De afgelopen jaren is ten oosten van het plangebied het nieuwbouwproject ‘Schelluinen-Oost’ gerealiseerd. Ontwerpuitgangspunten • Behouden karakteristieke boerderij en agrarische schuur; • Behouden agrarische identiteit; • Nieuwbouw in nabijheid van het boerderijgebouw een ondergeschikte uitstraling ten opzichte van de boerderij; • Parkeren aan het zicht onttrekken; • Behouden groene karakter gebied; • Gebruik streekeigen erfbeplanting. Op basis van de ontwerpuitgangspunten is door bureau Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten uit Bergambacht een inpassingsplan opgesteld. Het inpassingsplan is uitvergroot toegevoegd in de bijlage. Inpassingsplan De nieuwe woningen worden op een passende wijze in de omgeving ingepast. Het plan is om een vloeiende overgang te creëren van de oude kern van Schelluinen/ agrarisch boerderijensemble naar het nieuwbouwproject ‘Schelluinen-Oost’. Het plan is om de twee-onder-een-kapwoning achter de karakteristieke boerderij vorm te geven met een ondergeschikte uitstraling ten opzichte van de boerderij.
De bestaande schuur wordt opgedeeld in drie delen als bijgebouw bij de nieuwe woningen en de bestaande boerderij. Hierdoor ontstaat een agrarische boerderijensemble. Wat betreft de vormgeving van de vrijstaande woning en de andere twee-onder-eenkapwoning wordt aangesloten bij het nieuwbouwproject ‘Schelluinen-Oost’ (landelijke uitstraling). Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen erfbeplanting (o.a. knotwilgen, linde of kastanjebomen). De percelen worden voorzien van groene erfafscheidingen (bv. ligusterhagen). Het parkeren wordt groen ingepakt.
16
Afbeelding 8: Inpassingsplan
17
3
Beleidskader
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven als de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.
18
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Inmiddels biedt jurisprudentie een beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt.
In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. ‘Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3).’ Toetsing aan ladder voor duurzame verstedelijking In dit plan worden vijf woningen toegevoegd. Op basis van bovenstaande jurisprudentie is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is.
19
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie is nadien een aantal keer herzien/gewijzigd. Provinciale Staten hebben op 1 april 2023 de laatste wijziging doorgevoerd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie ZuidHolland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie ZuidHolland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4.
Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van ZuidHolland. 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Stedelijke ontwikkelingen De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Het plangebied valt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD).
Het plan sluit hiermee aan bij het provinciaal beleid om de verstedelijkingsopgave primair te realiseren binnen bestaand stedelijk gebied (BSD).
20
Afbeelding 9: Bestaand stads- en dorpsgebied (BSD)
Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plaatsgebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie en soms daarbuiten. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag. Het plan voorziet in een passende invulling van een onbebouwde locatie in de kern van Schelluinen. Het plangebied is omringd door bestaande woongebieden. De woningen worden op een passende wijze in de omgeving ingepast. De aanwezige kwaliteiten in de omgeving zijn meegenomen in de uitwerking van het plan.
21
Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hierin wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet. Een voorbeeld is de aanleg of verbreding van een provinciale weg, een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied of een nieuw landgoed. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk invloed van de nieuwe ontwikkeling. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat.
Omdat in deze gevallen niet aan (alle) richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, zijn ontwerpoptimalisatie, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied met een nieuwe gebiedsidentiteit. De impact van deze plannen op een gebied is groot. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Gelet op de wezenlijke verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat die nog niet is ondervangen in de richtpunten. In de meest verregaande vorm van transformatie is van de huidige identiteit niets meer zichtbaar. In alle gevallen is het belangrijk om aansluiting te zoeken bij structuren en patronen aan de rand van de omgeving, bijvoorbeeld een bosrand, waterloop of woonlint. Het ontwerp kan gepaard gaan met inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen in de omgeving.
Gelet op de omvang van de ontwikkeling kunnen dergelijke maatregelen – eenvoudiger dan bij aanpassing – onderdeel uitmaken van hetzelfde plan. Bij transformatie-opgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen, een kwalitatief optimaal resultaat inclusief een maatschappelijke tegenprestatie. Gezien de schaal en aard kan het plan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Het plan is qua aard en schaal passend is in dit gebied, sluit aan bij de huidige identiteit van het gebied (woongebied). Er is geen sprake van wijzigingen op structuurniveau. Het plan sluit aan bij de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. 22
Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. Het plangebied valt binnen het gebied ‘steden en dorpen’ en ‘stads- en dorpsranden’ van de provinciale kwaliteitskaart.
Voor ontwikkelingen in ‘steden en dorpen’ heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp; • Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur; • Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving; • Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur; • Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stadsen dorpsranden); • Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd; • Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt; • Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied; • Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht.
Voor de ontwikkelingen in de ‘stads- en dorpsrand’ heeft de provincie één richtpunt vastgesteld: • Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Bij het ontwerp van het plan is zorgvuldig rekening gehouden met de identiteit van de omgeving waarbinnen het plangebied ligt. Het plan is om een vloeiende overgang te creëren van de oude kern van Schelluinen/ agrarisch boerderijensemble naar het nieuwbouwproject ‘Schelluinen-Oost’. De woningen worden op een passende wijze ingepast en vormgegeven (passend in de identiteit van het boerderijensemble en de omgeving). Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen erfbeplanting. Het plan sluit aan bij de relevante richtpunten voor ontwikkelingen in ‘steden en dorpen’ van de kwaliteitskaart.
23
Plangebied
Afbeelding 10: Kwaliteitskaart (laag van de stedelijke occupatie)
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de Omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. De Omgevingsverordening is gelijktijdig met de Omgevingsvisie herzien/gewijzigd. De Provinciale Staten hebben op 1 april 2023 de laatste wijziging doorgevoerd in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De Omgevingsverordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a.
De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze 24
uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c. Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Gezien de schaal en aard kan het plan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Het plan is qua aard en schaal passend is in dit gebied, sluit aan bij de huidige identiteit van het gebied (woongebied). Er is geen sprake van wijzigingen op structuurniveau. Het plan sluit aan bij de provinciale kwaliteitskaart en daarmee richtpunten voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Stedelijke ontwikkelingen (ladder voor duurzame verstedelijking) In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen.
Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Dit plan voorziet in de nieuwbouw van vijf woningen. Vanuit jurisprudentie is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is.
25
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. Het plan speelt in op de lokale woningbehoefte in Schelluinen. Het plan voorziet in één vrijstaande woning en twee twee-onder-één-kapwoningen te realiseren (in totaal vijf woningen). De vrijstaande woning is voor eigen gebruik. De bouw van deze vrijstaande woning zorgt voor de gewenste doorstroming op de woningmarkt, waardoor in het dorp betaalbare woningen vrijkomen voor jonge huishoudens.
Met de twee-onder-één-kapwoningen wordt direct ingespeeld op de vraag naar woningen in het middeldure koopsegment. De woningen worden op een passende wijze in de omgeving ingepast. Verder voorziet het plan in een passende invulling van een onbebouwde locatie in de kern van Schelluinen. Het plangebied is omringd door bestaande woongebieden. Het plan is in overeenstemming met het regionaal beleid. 3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied en een dynamische stedelijke zone. Elke gemeente en kern heeft kwaliteiten en weet sommige groepen te binden, maar andere weer minder. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld.
Door een jaarlijkse woonmonitor worden bereikte resultaten en de planning voor volgende jaren geregistreerd. In de actualisatie van de woonvisie zijn de afspraken rond het afstemmen opgenomen. Daarbij is gebruik gemaakt van de jongste demografische cijfers van de provincie Zuid-Holland. Van belang is dat er voldoende flexibel geprogrammeerd wordt. Ook is besloten gebruik te blijven maken van de benadering waarbij woonmilieus en mentality milieus als handreiking gebruikt worden. Er wordt niet gestuurd in exacte aantallen op de samenstelling van programma’s. In plaats daarvan wordt een kwalitatieve leidraad gehanteerd die gemeenten helpt om lokaal de juiste keuzes te maken, in overleg met ontwikkelende partijen.
26
Schelluinen is aangeduid als woondorp (Landelijk Wonen Plus). Woondorpen zijn voor voorzieningen (grotendeels) afhankelijk van de omliggende dorpen of steden. Woondorpen hebben een hechte gemeenschap dat gebruik maakt van een sterk lokaal sociaal netwerk. Het plan voorziet in één vrijstaande woning en twee twee-onder-één-kapwoningen te realiseren (in totaal vijf woningen). De vrijstaande woning is voor eigen gebruik. De bouw van deze vrijstaande woning zorgt voor de gewenste doorstroming op de woningmarkt, waardoor in het dorp betaalbare woningen vrijkomen voor jonge huishoudens. Met de twee-onder-één-kapwoningen wordt direct ingespeeld op de vraag naar woningen in het middeldure koopsegment in Schelluinen. Bij het overleg van de regionale Bestuurlijke tafel Wonen op 23 juni 2021 zijn afspraken gemaakt over welke plannen regionaal afgestemd worden. Plannen met een beperkte omvang, zoals dit plan, worden opgenomen op de planmonitor en hoeven niet in het regionaal overleg afgestemd te worden. De woningen worden meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor AlblasserwaardVijfheerenlanden 2020-2030.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Giessenlanden Op 14 december 2017 heeft de voormalige gemeente Giessenlanden de Omgevingsvisie Giessenlanden vastgesteld. De Omgevingsvisie Giessenlanden heeft de formele status van een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1 Wet ruimtelijke ordening. Deze omgevingsvisie beschrijft de visie hoe de gemeente in samenwerking met de inwoners wilt zorgen voor het gemeentelijk grondgebied. De visie geeft aan: 1. Waar bestaande kwaliteiten liggen en waar ruimte ligt voor nieuwe ontwikkelingen (behoud bestaande omgevingswaarden en –kwaliteiten en versterken identiteit); 2. Op welke wijze het gemeentebestuur als partner, bij wil en bij kan dragen aan plannen en wensen van inwoners en ondernemers, passend bij de visie. In totaal zijn er acht omgevingskwaliteiten geformuleerd: 1. Wij koesteren, versterken en stimuleren de identiteit van onze dorpen en hun ommeland. Dit door o.a. te bewaken dat het karakter van ieder dorp behouden blijft. 2. De ondergrond, cultuurhistorie en ontstaansgeschiedenis van een dorp en zijn ommeland dragen in belangrijke mate bij aan de huidige kwaliteit, karakteristiek en identiteit van dat dorp. Deze aspecten zijn een belangrijk vertrekpunt bij toekomstige ontwikkelingen. 3. Zorgvuldig ruimtegebruik is uitgangspunt. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij de huidige en toekomstige vraag; 4.
De kwaliteiten van de onderlinge samenhang tussen de dorpen, het landschap en het water worden beschermd, benut en versterkt. 5. De fysieke leefomgeving van de dorpen dient niet alleen functioneel te zijn, maar ook kwaliteit te bieden in beleving, veilig te zijn en bij te dragen aan de gezondheid van haar inwoners. 6. Wij stimuleren duurzame maatregelen welke een positieve bijdrage leveren aan het milieu.
27
7. Wij bieden ruimte aan innovatie, zolang deze geen afbreuk doet aan de overige omgevingskwaliteiten. 8. Wij behouden het evenwicht tussen een doeltreffende waterhuishouding en het karakteristieke slagenlandschap. Het landschap dankt haar karakteristiek mede aan het water en staat daar tegelijkertijd door onder druk. Het plan sluit aan bij de relevante omgevingskwaliteiten van de Omgevingsvisie. Bij het ontwerp van het plan is zorgvuldig rekening gehouden met de identiteit van de omgeving waarbinnen het plangebied ligt en de kern Schelluinen. De woningen worden op een passende wijze ingepast en vormgegeven (passend in de identiteit van de buurt). Het plan voorziet in een passende invulling van een onbebouwde locatie in de kern van Schelluinen. Het plangebied is omringd door bestaande woongebieden. Er wordt zorgvuldig omgegaan met het ruimtegebruik en het plan sluit aan op de huidige en toekomstige vraag. De woningen voldoen aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie Giessenlanden. 3.4.2 Woonvisie Molenlanden 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 - 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw.
Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: • Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. • De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. • De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnelt de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. • Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. • Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen. • Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed). De woningbehoefte in Schelluinen is sterk koopgeoriënteerd. Er is veel instroom van jonge huishoudens en gezinnen.
Voor deze doelgroepen is vooral aanbod in het betaalbare en middeldure koopsegment van belang. Het plan voorziet in één vrijstaande woning en twee twee-onder-één-kapwoningen te realiseren (in totaal vijf woningen). De vrijstaande woning is voor eigen gebruik. De bouw van deze vrijstaande woning zorgt voor de gewenste doorstroming op de woningmarkt, waardoor in het dorp betaalbare woningen vrijkomen voor jonge huishoudens. Met de twee-onder-één-kapwoningen wordt direct ingespeeld op de vraag naar woningen in het middeldure koopsegment.
28
De woningen worden gebouwd conform de meest actuele normen uit het Bouwbesluit. Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. Eerdere ervaringen in de woningbouwontwikkeling worden gebruikt om woningen van een hoogwaardige kwaliteit te leveren. De woningen worden gebouwd volgens de nieuwste eisen en technieken. Deze eis wordt gehaald met zo veel mogelijk permanente oplossingen, zoals isolatie en kierdichting, en gebruiks- vriendelijke installaties. De toegepaste materialen zijn duurzaam en voor hergebruik geschikt. De woningen worden zonder gasaansluitingen gerealiseerd. De energievraag wordt ingevuld met warmtepompsystemen al dan niet in combinatie met zonne-energie.
3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • •
•
Het plan betreft geen stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is; De woningen worden gemeld in het regionaal overleg en wordt meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030; Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders.
29
4
Sectorale aspecten
4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.- plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Voor de bedoelde gevallen (onder de drempelwaarden bij zgn. D-activiteiten) geldt een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordelingsplicht zoals bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r., op basis waarvan al dan niet de verplichting tot het opstellen van een MER ontstaat. Onderzoek De activiteit, het realiseren woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling bestaande uit 5 woningen. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een directe m.e.rplicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Het plan maakt het juridisch planologisch mogelijk om vijf woningen te realiseren.
Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zullen er geen andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 4,3 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’. Op een afstand van circa 160 m ligt het Natuurnetwerk Nederland. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. De toename van het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van het plan kan in voldoende mate worden afgewikkeld via de bestaande wegen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer.
30
4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging.
In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode: 20210512-9-26448). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Grondwater Het plangebied is gelegen in het peilgebied OVW034.
Het peilgebied heeft een zomerpeil van -0,9 meter NAP en een winterpeil van -0,9 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, 31
voor het straatpeil van een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. Watergangen In de omgeving van het plangebied zijn een A-watergang (140656) en twee B-watergangen (049795 & 049856) gelegen. Voor de A-watergang geldt een beschermingszone van 5 meter en voor de B-watergangen een beschermingszone van 1 meter. De bouwwerkzaamheden vinden plaats buiten de beschermingszones van de Aen B-watergangen, waardoor het aanvragen van een watervergunning niet nodig is. Ter compensatie van de verhardingstoename, als gevolg van dit plan, zal de Bwatergang 049856 worden verbreed. Voor het verbreden van de watergang dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland. Voor het plan wordt een nieuwe brug of dam met duiker aangelegd ter overbrugging van A-watergang 140656. Voor de aanleg van de brug of dam met duiker dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland.
B-watergang: 049856 B-watergang: 049795
A-watergang: 140656
Afbeelding 11: Uitsnede Legger wateren
32
Afbeelding 12: Peilgebiedenkaart
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dien zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. Binnen de bebouwde kom geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling.