Ruimtelijke onderbouwing Binnendamseweg 26a Giessenburg
Tekst van het document
2
Het gemeentelijk bouwarchief is niet geraadpleegd. De afgegeven schatting is echter een gebruikelijke diepte voor bouwwerken uit de moderne tijd.
12
Figuur 2: Uitsnede van een topografische kaart uit 1900. Het plangebied is Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1900. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl). met rode lijnen weergegeven.
Figuur 3: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).
13
Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1950. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).
Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1975. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).
14
Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1995. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).
Figuur 7: Luchtfoto uit 2018 (bron: www.pdok.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
15
9. Gespecificeerde archeologische verwachting Kans op archeologische waarden
Middelhoog tot hoog
Periode
Neolithicum – Late Middeleeuwen Mesolithicum
Complextypen
Nederzettingen, sporen van landgebruik
Stratigrafische positie
In de top van het oeverafzettingen kreekrug In de top van rivierduinzand
Het plangebied ligt in de overstromingsvlakte van de rivier de Wijde Giessen, ten noorden van de Binnendamseweg. Direct aan de Binnendamseweg ligt naar verwachting de oeverzone van de rivier, waar naar verwachting oeverafzettingen aanwezig zijn evenals woonheuvels uit de Late Middeleeuwen. In deze zone zijn bewoningsresten te verwachten, die teruggaan in de periode IJzertijd-Late Middeleeuwen. Daar is de verwachting hoog. In het plangebied is deze verwachting waarschijnlijk kleiner. Het gebied ligt immers verder van de Wijde Giessen af, in de relatief nattere overstromingsvlakte. De verwachting dat hier bewoningsresten uit de Late Middeleeuwen aanwezig zijn, is kleiner (middelhoog). Er valt echter aan de hand van het AHN af te leiden dat hier een noordzuid georiënteerde hoogte aanwezig is, die mogelijk indicatief is voor een oude waterloop. Thijs en Wullink (2008), die ten westen van het plangebied onderzoek hebben gedaan, suggereren de aanwezigheid van een oude kreekrug of een oude meandergeul van de Wijde Giessen. Dit laatste zou betekenen dat de rivier een andere ligging heeft gehad. Er ontbreken echter lithologische gegevens (van boringen) uit het plangebied. Hiermee zijn uitspraken over de daadwerkelijke opbouw en ontstaan van de ondergrond op basis van het bureauonderzoek niet te doen.
Wel zou de aanwezigheid van een inversierug (als onderdeel van een kreek) kunnen betekenen dat in het plangebied ook bewoonbare omstandigheden hebben bestaan sinds het Neolithicum, de periode waarin de perimariene kreken in het gebied (en zo mogelijk ook de voorganger van de Wijde Giessen) zijn ontstaan. Zodoende geldt in het plangebied theoretisch gezien een middelhoge tot hoge archeologische verwachting op resten uit de periode Neolithicum-Late Middeleeuwen. Tevens zijn in de ondergrond van het plangebied rivierduinafzettingen te verwachten. Dergelijke rivierduincomplexen zijn gevormd tegen het einde van het Pleistoceen en vormden binnen een geleidelijk vernattend rivierengebied relatief hoger en droger gelegen delen. Ze vormden zodoende trekpleisters voor rondtrekkende prehistorische samenlevingen in het Mesolithicum. De aanwezigheid van rivierduinafzettingen in de ondergrond maakt de aanwezigheid van resten uit deze tijd mogelijk. De verwachting is echter dat deze zich rond 9,5 m -Mv bevinden. Dit is gebaseerd op de resultaten van Thijs en Wullink (2008) op het aangrenzend perceel. Gezien deze grote diepteligging en de geringe omvang van het plangebied is dit archeologisch niveau binnen dit onderzoekskader buiten beschouwing gelaten. Voor resten uit de Nieuwe tijd geldt een lage archeologische verwachting.
Er is op historisch kaartmateriaal sinds het begin van de 19e eeuw geen bebouwing aanwezig. Het is hiermee aannemelijk dat in de periode daarvoor (tot 1500) eveneens geen bebouwing aanwezig is geweest. Het plangebied ligt immers niet aan een historische infrastructuur.
16
Stratigrafische positie Het archeologisch relevante niveau wordt gevormd door de top van eventueel gerijpte oeverafzettingen, bestaande uit uiterst siltige of zandige klei. In en op dit pakket kunnen archeologische resten uit de periode Neolithicum-Late Middeleeuwen worden aangetroffen. Hoe diep deze oeverafzettingen liggen, is onbekend. Rivierduinafzettingen zullen zich naar verwachting rond 9,5 m -Mv bevinden. Complextypen In het plangebied worden sporen van nederzetting en landgebruik verwachting. De nederzettingsresten kunnen deze zich ook kenmerken door de aanwezigheid van een vondst- of cultuurlaag, mits daarbij sprake was van langdurige bewoning. Ook kunnen in deze laag archeologische indicatoren worden aangetroffen, die indicatief zijn voor de ouderdom van de laag. Over sporen van landgebruik en relatief kortstondige bewoning kunnen slechts uitspraken worden gedaan aan de hand van de mate van intactheid van de bodem en de aanwezigheid van het juiste sediment (gerijpte klei).
17
10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd (conform het opgestelde Plan van Aanpak; Melman, 2020). De boringen zijn daarbij gebruikt om zowel de mate van intactheid van de bodem als de bodemopbouw zelf te bepalen. In totaal zijn in het plangebied vier boringen gezet (boring 1-4). De boringen hebben een diepte tot maximaal 500 cm –Mv en zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Beneden 130 cm -Mv is gebruik gemaakt van een gutsboor met een diameter van 3 cm. De boringen zijn beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Deze beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 8. De boringen zijn gelijkmatig in het plangebied uitgezet. De ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 6. De coördinaten van de boorpunten zijn met een meetlint uitgezet en de hoogte is aan de hand van het AHN bepaald. Veldwaarnemingen Ten tijde van het veldonderzoek is het plangebied in gebruik als bedrijfsterrein. Het is volledig verhard met klinkers. Verspreid is opslag aanwezig. Binnen het plangebied was geen sprake van verschillen in maaiveldhoogte.
Foto’s van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek zijn weergegeven in figuur 8.
Figuur 8: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (31-03-2020).
18
Lithologie en bodemopbouw In het plangebied zijn vier boringen gezet, waarvan er uiteindelijk drie zijn geslaagd. Boring 3 is tot een diepte van 5,0 m -Mv gezet, de overige twee (boring 1 en 2) tot 3,0 m -Mv. Boring 4 is gestaakt op een diepte van 70 cm -Mv na drie pogingen. Ondanks dit is een goed inzicht verkregen in de ondergrond van het plangebied. Hierbij viel ruwweg een onderscheid te maken tussen een oostelijk deel en een westelijk deel. • De boringen in het westelijk deel zijn volledig opgebouwd uit klei. Aan de basis van de boringen is sprake van een sterk siltige klei, waarin soms zandlaagjes en schelpresten (slakjes) aanwezig zijn (boring 2). Ook zijn hierin verspoelde houtresten en detrituslaagjes gevonden alsmede. De gelaagdheid doet sterk denken aan een restgeulopvulling en komt overeen met de constateringen die Thijs en Wullink (2008) hebben gedaan. De top van de restgeulopvulling is zwak zandig. Alle afzettingen zijn zeer slap in dit deel van het plangebied en vertonen geen sporen van bodemvorming. Direct op de klei bevindt zich hier een baksteenhoudende, humeuze bouwvoor (circa 20-35 cm dik) en een laag ophoogzand (circa 20-60 cm dik). • In het oostelijk deel van het plangebied bestaat de bodem nagenoeg volledig uit veen. De top van het veen bevindt zich op 130 cm -Mv. Het is donkerbruin en kleiig.
Binnen het veen is sprake van een variatie in kleiigheid, waarbij de top van de veenlaag kleiig is. Pas vanaf een diepte van 310 cm -Mv lijkt sprake van meer consistent veen (Hollandveen, mineraalarm, -4,0 m NAP). Op het veen ligt een donkerbruingrijze venige kleilaag met zandlaagjes, afgedekt door een sterk kleiig veen (top 85 cm -Mv, -1,75 m NAP). Beide zijn vermoedelijk gevormd onder geleidelijk toenemende overstromingen in het gebied en betreffen komafzettingen. De top ervan ligt op 110 cm -Mv. Hierop ligt een grijze, zwak zandige kleilaag. Deze kleilaag is circa 20 cm en kalkloos. Vermoedelijk betreft het hier een restant van een oeverafzetting van de geul die in het westen van het plangebied gevonden is. De oorspronkelijke top is echter verdwenen. Hiervoor in de plaats ligt er een bouwvoor (humeuze zandige klei met baksteen) en ophoogzand. Archeologische indicatoren Het doorzoeken van de opgeboorde grondmonsters heeft geen archeologische indicatoren opgeleverd. Archeologische interpretatie Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat in westelijk deel van het plangebied vermoedelijk een kreekgeul gelegen heeft. Deze constatering komt overeen met de waarnemingen op het AHN en de bevindingen van Thijs en Wullink (2008). De afzettingen zijn verder slap en sporen van bodemvorming ontbreken in dit deel van het terrein.
Mede gezien de aanwezigheid van zandlagen, verspoeld hout, slakjes en detrituslagen, lag hier vermoedelijk een watervoerende geul. Dergelijke plaatsen zijn doorgaans nat en drassig geweest en hiermee niet geschikt voor bewoning. Getuige het ontbreken van bodemvorming in de top van de klei (rijping) moet dit ook het geval geweest zijn toen de kreekgeul verland is geraakt. Hoe oud de geul is, is verder niet duidelijk, maar een Neolithische datering is mogelijk. In het oostelijk deel ligt een restant van een oeverafzetting. Het restant is nog 20 cm dik en ligt op komafzettingen en veen. Gezien de scherpe overgang tussen de oeverafzettingen en de erboven gelegen antropogene lagen is vermoedelijk een deel van de oeverafzettingen vergraven geweest. Zodoende is vanwege het ontbreken van sporen van bodemvorming, veronderstelde natte omstandigheden en de geconstateerde aantasting van bewoonbare oeverafzettingen de hoge verwachting uit het bureauonderzoek voor de periode Neolithicum-Late Middeleeuwen naar laag bij te stellen. 19
De verwachting voor wat betreft het Mesolithicum en Nieuwe tijd blijven ongewijzigd. Die van het Mesolithicum is vanwege de grote diepteligging van het rivierduinzand en de beperkte omvang van het plan buiten beschouwing gelaten, de verwachting op nederzettingsresten uit de Nieuwe tijd is vanwege het ontbreken van bebouwing op historisch kaartmateriaal laag.
20
11. Beantwoording onderzoeksvragen 1.
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied bevindt zich in de overstromingsvlakte van de Wijde Giessen, deels op een verlande kreekgeul. Hoe oud de kreekgeul is, is niet duidelijk. Naast de geul is nog slechts een restant van de oorspronkelijke oever van de kreek aanwezig (20 cm). Vermoedelijk is deze ten behoeve van de aanleg van de bebouwing in het plangebied afgetopt.
2.
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? Er zijn geen archeologisch relevante niveaus onderscheiden. De top van de kreekgeulafzettingen is te nat geweest voor bewoning: de afzettingen zijn slap en sporen van bodemvorming of rijping ontbreken. Het lijkt erop dat hier een watervoerende geul gelegen heeft. In het oosten is een restant oeverafzettingen aanwezig. Dit restant is nog 20 cm dik: het vermoeden bestaat dat de oorspronkelijke top als gevolg van landbewerking en de aanleg van het bedrijfsterrein hier verloren is gegaan.
3.
In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Zie antwoord op vraag 2.
4.
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Op basis van het veldonderzoek is de verwachting uit het bureauonderzoek voor resten uit de periode Neolithicum-Late Middeleeuwen naar laag bij te stellen. De verwachting uit de Nieuwe tijd was reeds laag, die uit het Mesolithicum is vanwege de grote diepte ligging van de rivierduinafzettingen ongetoetst.
21
12. Conclusie en Advies Conclusie • Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied in de overstromingsvlakte van de Wijde Giessen ligt. Hoewel langs de Wijde Giessen ten zuiden van het plangebied laatmiddeleeuwse woonheuvels liggen, liggen deze naar verwachting in het plangebied niet. Er valt echter aan de hand van het AHN af te leiden dat hier een noord-zuid georiënteerde hoogte aanwezig is, die mogelijk indicatief is voor een oude waterloop. Thijs en Wullink (2008), die ten westen van het plangebied onderzoek hebben gedaan, suggereren de aanwezigheid van een oude kreekrug of een oude meandergeul van de Wijde Giessen. Dit laatste zou betekenen dat de rivier een andere ligging heeft gehad. Er ontbreken echter lithologische gegevens (van boringen) uit het plangebied. Hiermee zijn uitspraken over de daadwerkelijke opbouw en ontstaan van de ondergrond op basis van het bureauonderzoek niet te doen. Wel zou de aanwezigheid van een inversierug (in het geval van een kreekrug) kunnen betekenen dat in het plangebied ook bewoonbare omstandigheden hebben bestaan sinds het Neolithicum, de periode waarin de perimariene kreken in het gebied (en zo mogelijk ook de voorganger van de Wijde Giessen) zijn ontstaan. Zodoende geldt in het plangebied theoretisch gezien een middelhoge tot hoge archeologische verwachting op resten uit de periode Neolithicum-Late Middeleeuwen.
• Voor resten uit de Nieuwe tijd geldt een lage archeologische verwachting. Er is op historisch kaartmateriaal sinds het begin van de 19e eeuw geen bebouwing aanwezig. Het is hiermee aannemelijk dat in de periode daarvoor (tot 1500) eveneens geen bebouwing aanwezig is geweest. Het plangebied ligt immers niet aan een historische infrastructuur. • De aanwezigheid van resten uit het Mesolithicum is binnen dit kader buiten beschouwing gelaten. In het plangebied zijn naar verwachting rivierduinafzettingen aanwezig, die in potentie bewoonbaar kunnen zijn. Deze bevinden zich echter rond 9,5 m -Mv bevinden, hetgeen gebaseerd is op de resultaten van Thijs en Wullink (2008) op het aangrenzend perceel. Vanwege de grote diepteligging en de beperkte ingrepen in het gebied (heipalen) is het effect binnen deze planvorming op dit niveau beperkt. • Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat in westelijk deel van het plangebied vermoedelijk een kreekgeul gelegen heeft. Deze constatering komt overeen met de waarnemingen op het AHN en de bevindingen van Thijs en Wullink (2008). De afzettingen zijn verder slap en sporen van bodemvorming ontbreken in dit deel van het terrein. Mede gezien de aanwezigheid van zandlagen, verspoeld hout, slakjes en detrituslagen, lag hier vermoedelijk een watervoerende geul.
Dergelijke plaatsen zijn doorgaans nat en drassig geweest en hiermee niet geschikt voor bewoning. Getuige het ontbreken van bodemvorming in de top van de klei (rijping) moet dit ook het geval geweest zijn toen de kreekgeul verland is geraakt. Hoe oud de geul is, is verder niet duidelijk, maar een Neolithische datering is mogelijk. In het oostelijk deel ligt een restant van een oeverafzetting. Het restant is nog 20 cm dik en ligt op komafzettingen en veen. Gezien de scherpe overgang tussen de oeverafzettingen en de erboven gelegen antropogene lagen is vermoedelijk een deel van de oeverafzettingen vergraven geweest. Zodoende is vanwege het ontbreken van sporen van bodemvorming, veronderstelde natte omstandigheden en de geconstateerde aantasting van bewoonbare oeverafzettingen de hoge verwachting uit het bureauonderzoek naar laag bij te stellen voor de periode Neolithicum-Late Middeleeuwen. Advies Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen sloop en nieuwbouw van een loods geen aanvullende maatregelen nodig. Geadviseerd wordt het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een 22
wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Giessenlanden). Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Giessenlanden) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
23
13. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. • Archeologische beleidskaart van de gemeente Giessenlanden • www.ahn.nl • www.ruimtelijkeplannen.nl • www.bodemloket.nl • bagviewer.kadaster.nl • www.topotijdreis.nl • www.dinoloket.nl • beeldbank.cultureelerfgoed.nl Afbeeldingenlijst Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven). ....................................................... 4 Figuur 2: Uitsnede van een topografische kaart uit 1900. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).............................................................................................. 13 Figuur 3: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).............................................................................................. 13 Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1950. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).............................................................................................. 14 Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1975.
Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).............................................................................................. 14 Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1995. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.topotijdreis.nl).............................................................................................. 15 Figuur 7: Luchtfoto uit 2018 (bron: www.pdok.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. .. 15 Figuur 8: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (31-03-2020). ............................. 18 Literatuur: • Bakker, H. de, 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland. In: Boor en Spade. • Bakker, H. de en J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus. Wageningen. • Berendsen, H.J.A., 2005. De vorming van het land. Assen (Fysische geografie van Nederland). Vierde, geheel herziene druk. • Berendsen, H.J.A./ E. Stouthamer (eds.), 2001. Palaeogeographical development of the RhineMeuse delta, the Netherlands. Assen. • Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik, A.H. Geurts, 2012. Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn‐Maas Delta. Dept. Fysische Geografie. Universiteit Utrecht. Digitale Dataset. • Mulder, E.F.J., M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong, 2003.
De ondergrond van Nederland. Houten. • Melman, J., 2020. Plan van Aanpak Giessenburg, Binnendamseweg 26a. intern document, Transect, Nieuwegein. • Mulder, E.F.J., M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland. Houten. 24
• Paul, H. en E. Ten Broeke, 2017. Archeologisch Bureauonderzoek en gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek Giessenzoom te Hardinxveld Giessendam. Gemeente Hardinxveld Giessendam. Archeologie. • Thijs, W. en A. Wullink, 2008. Een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen aan de Binnendamseweg 28 te Giessenburg, gemeente Giessenlanden (Z-H). ARC-rapport 2008-49. Geldermalsen • Zagwijn, W. en T. Van Staalduinen, 1975. Toelichting op de geologische kaart van Nederland. TNONITG. Haarlem.
25
Bijlage 1: Archeologische verwachtingskaart van de gemeente Giessenlanden
26
Bijlage 2: Stroomruggen
27
Bijlage 3: Geomorfologie
28
Bijlage 4: Hoogtekaart
29
Bijlage 5: Geologische kaart
30
Bijlage 6: Bodemkaart
31
Bijlage 7: Archeologische informatie
32
Bijlage 8: Boorpuntenkaart
33