Ruimtelijke onderbouwing Binnendamseweg 26a Giessenburg
Tekst van het document
2021 Ruimtelijke onderbouwing – het bouwen van een opslagloods buiten het bouwvlak, binnen bestemmingsvlak, Boxman Van Wijk
Ing. A.M. Nuijten MArch. New-ton Architects & Engineers 11-5-2021
INHOUD 1.
INLEIDING ...................................................................................................................................2 1.1 Aanleiding .................................................................................................................................2 1.2 Ligging plangebied.....................................................................................................................3 1.3 Geldend bestemmingsplan ........................................................................................................4
2.
Planbeschrijving ..........................................................................................................................5 2.1 Bestaande situatie .....................................................................................................................5
3.
Beleid..........................................................................................................................................6 3.1 Rijksbeleid .................................................................................................................................6 3.2 Provinciaal beleid ......................................................................................................................9 3.3 Regionaal beleid ...................................................................................................................... 12 3.4 Gemeentelijk beleid ................................................................................................................ 16
4.
Milieu- en omgevingsaspecten .................................................................................................. 20 4.1 Wegverkeerslawaai ................................................................................................................. 20 4.2 Externe veiligheid .................................................................................................................... 20 4.3 Milieucategorie ....................................................................................................................... 20 4.4 MER-beoordeling .................................................................................................................... 20 4.5 Bedrijven en milieuzonering .................................................................................................... 21 4.6 Luchtkwaliteit.......................................................................................................................... 22 4.7 Flora en fauna ......................................................................................................................... 23 4.8 Parkeren .................................................................................................................................
23 4.9 Archeologie ............................................................................................................................. 26 4.10 Landschappelijk inpassingsplan ............................................................................................. 27 4.11 Water .................................................................................................................................... 28 Bijlage A: ....................................................................................................................................... 31 Bijlage B: Conclusie watertoets ..................................................................................................... 33 Bijlage C: stikstofdepositieberekening d.d. 23-12-2019 ................................................................. 35 Bijlage D: Archeologisch rapport d.d. 07-04-2020 .......................................................................... 35
1
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Het bedrijf Boxman & Van Wijk in Giessenburg, aan de Binnendamseweg 26, levert maatwerk in vuur. Ze hebben nu hun showroom op dit adres en veel materialen verspreid over het terrein liggen, deels in containers en andere overkappingen. Vanwege het succes van het bedrijf en de wens om op deze locatie te blijven willen ze uitbreiden. Zo kunnen ze hun materialen opslaan in de nieuw te bouwen loods. Ze willen een vergelijkbare hal als ze nu hebben staan toevoegen, in het verlengde van de huidige bebouwing, zie bijgevoegde situatieschets. Dit past binnen de bestemming, echter valt deze nieuwe hal buiten het bouwvlak. De gemeente heeft aangegeven in principe bereid te zijn medewerking te verlenen aan dit plan middels een principe akkoord. Het gaat bij de nieuwe hal om materialen die verspreid over het terrein liggen. Veel van deze materialen, waaronder stookhout, moeten eigenlijk binnen opgeslagen worden. Binnen puilt het nu al uit en ze kunnen, met extra opslagcapaciteit, efficiënter inkopen en een snellere levertijd naar hun klanten organiseren. Daarnaast kunnen ze zo het terrein ontdoen van alle losse opslag en materialen. 2/3e zal in de nieuwe hal opgeslagen worden, 1/3e kan weg. De huidige bedrijfscategorie (2), zal door deze wijziging overigens niet veranderen.
2
1.2 Ligging plangebied De locatie is gelegen aan de Binnendamseweg 26A te Giessenburg. Er werken 5 of 6 mensen bij het bedrijf in de bestaande bedrijfsruimte. Dat verandert niet. Wekelijks ontvangen ze circa 10 klanten en over het algemeen komt er ’s morgens en ’s middags een levering. Het aantal verkeersbewegingen zal niet toenemen, misschien zelfs afnemen vanwege de mogelijkheid om straks ook wat voorraad in te kunnen kopen en op te slaan. Dit is ook efficiënter voor het bedrijfsproces. Minder handelingen en minder transportkosten. De bedrijfsvoering van het bedrijf blijft gelijk, de opslagcapaciteit blijft gelijk, het betreft alleen het overkappen van een bestaande (niet overdekte) opslagplaats. Hierdoor zal de huidige milieucategorie (2) dan ook niet wijzigen.
Figuur 1: ligging plangebied op de luchtfoto
3
1.3 Geldend bestemmingsplan Op de locatie is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ van kracht. Het bestemmingsplan is vastgesteld bij raadsbesluit op 27 juni 2013 en op 11 maart 2015 onherroepelijk geworden. De planlocatie is gelegen binnen de bestemming ‘Bedrijf’. De bestemming ‘Bedrijf’ verandert niet en de opslagloods past binnen de bedrijfsvoering van het huidige gebruik. Wel valt de voorgenomen opslagloods buiten het ‘Bouwvlak’ zoals aangegeven op de bestemmingsplankaart van het bestemmingsplan. Zie figuur 2. Figuur 2: een schetsmatige afbeelding van de bestemmingsplankaart met de bestemmingen ‘Bedrijf’, de groenstrook ‘Groen’ en het bouwvlak weergegeven.
4
2. Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Omstreeks 2011 is Boxman & Van Wijk begonnen met hun bedrijf in haarden. Particulieren en aannemers komen bij hen langs om te kijken naar haarden en de mogelijkheden te bespreken. Die plaatsen zij (Boxman & Van Wijk) dan bij/voor de opdrachtgever en een factuur wordt gestuurd. Vanaf het begin hebben zij een showroom. De oude houten schuur gebruikten zij daarvoor. Nu nog steeds overigens. Wel hebben ze omstreeks 2012 die houten verplaatst en is de nieuwe stalen loods gebouwd. In die laatste zit ook een deel showroom. Circa 1/3e van de loods is showroom, de rest opslag. De locatie van de voorgenomen nieuwe opslagloods is nu in gebruik als een openlijk opslagterrein. Door ruimtegebrek binnen zijn er op het terrein containers geplaatst, afdakjes, afdekzeil, etc. om spullen veilig en droog op te slaan. Om deze verrommeling tegen te gaan en meer opslagcapaciteit te genereren wordt verzocht medewerking te verlenen aan het initiatief om af te wijken van de grenzen van het bouwvlak.
5
3. Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) en Barro (2011) Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Doelen In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028): •
Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland;
•
Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
•
Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
Nationale belangen De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is tot nu toe gedeeltelijk vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het besluit kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.
6
Verbreding A27 In de ontwerp-AMvB Ruimte (Barro) is opgenomen dat ruimte moet worden gereserveerd voor het verbreden van de A27 en de A15 met twee extra rijstroken per rijrichting. Rijkswaterstaat werkt momenteel aan het uitwerken van de 2e fase MER voor de planstudie A27. Op dit moment loopt de planstudie A27 nog en is nog niet exact aan te geven wat de uiteindelijke ruimtelijke consequenties zullen zijn van de verbreding. In het bestemmingsplan is daarom nog geen rekening gehouden met de verbreding. Relevantie voor het plan De beoogde ontwikkeling betreft een bijzonder kleinschalige toevoeging aan een bedrijf met ten hoogste een regionale invloed. Het plan heeft derhalve geen invloed op ‘Rijks-niveau’
3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Het Rijk streeft naar een Nederland dat concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Dit wil zij doen met een krachtige aanpak, die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker vooropzet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve Rijksbetrokkenheid. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig om deze nieuwe aanpak vorm te geven. Daarnaast geven nieuwe politieke accenten, veranderende omstandigheden zoals een economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen aanleiding voor herziening van het Rijksbeleid. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.
Het Rijk geeft aan dat landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten identiteit geven aan een gebied en culturele voorzieningen en cultureel erfgoed bovendien van groeiend belang zijn voor de concurrentiekracht van Nederland. In de nieuwe structuurvisie is aangegeven dat het Rijk verantwoordelijk blijft voor het cultureel en natuurlijk UNESCO Werelderfgoed (inclusief de voorlopige lijst), kenmerkende stads- en dorpsgezichten, Rijksmonumenten en het maritieme erfgoed. Het beleid ten aanzien van landschap is echter niet langer een Rijksverantwoordelijkheid en laat het Rijk over aan de provincies. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen Rijksbelangen geschaad. 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke Rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen.
Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke Rijksbelangen in het Barro.
7
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Het bedrijf Boxman van Wijk (de haarden specialist) is al ruim 10 jaar gevestigd op deze locatie, Binnendamseweg 26a te Gissenburg. Het bedrijf heeft een sterke binding met het dorp Giessenburg.
Alle medewerkers van het bedrijf zijn afkomstig uit de directe omgeving.
Het bedrijf heeft een sterke groei doorgemaakt, waardoor de huidige opslagloods niet meer toereikend is voor de continuïteit van het bedrijf. De huidige opslagcapaciteiten ter plaatse zijn niet toereikend voor de huidige groei van het bedrijf, waardoor bedrijfsuitbreiding noodzakelijk is. Het gevolg hiervan is dat het bedrijf noodgedwongen provisorisch goederen opslaat op een niet overdekt verhard gedeelte van het perceel. Deze vorm van opslag is zowel vanuit het bedrijf, maar zeker vanuit het zicht op het perceel absoluut niet wenselijk. Op basis hiervan is daarom dan ook sprake van een concrete behoefte naar meer opslagcapaciteiten. Bedrijfsverplaatsing is vanuit financieel-economisch oogpunt niet mogelijk. Een vergelijkbaar bedrijfsperceel op een vergelijkbare locatie met de juiste bestemming is binnen de regio en zeker binnen Giessenburg niet beschikbaar. Dit zou betekenen dat het bedrijf uit de regio dient te worden verplaatst, wat gezien de sterke binding van het bedrijf met Giessenburg/de regio niet wenselijk is. Daarbij betreft bedrijfsverplaatsing een kapitaalvernietiging. Het bedrijf heeft vanaf de vestiging op deze locatie veelvuldig geïnvesteerd om het bedrijf stukje bij beetje te laten groeien tot de omvang die het nu heeft. Het plan voldoet aan de van ‘de Ladder voor duurzame verstedelijking’.
8
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • • • • • •
Naar een klimaatbestendige delta; Naar een nieuwe economie: the next level; Naar een levendige meerkernige metropool; Energievernieuwing; Best bereikbare provincie; Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD).
Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) dient de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen en dient het plan te voldoen aan het provinciaal beleid voor ruimtelijke kwaliteit. Stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten BSD dienen eerst door Provinciale Staten worden afgewogen en worden op de kaart ‘woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen’ (ook wel genoemd: ‘3 ha kaart’) gezet.
9
De locatie bevindt zich in het gebied(sprofiel) ‘Alblasserwaard-Vijfheerenlanden’. Zie onderstaande afbeeldingen. De ontwikkeling is niet gelegen nabij een natuurgebied of (cultuur)historisch element en beïnvloedt daarmee niet één van die waardevolle kenmerken in de omgeving. De locatie is gelegen in het buitengebied tussen de kernen Giessenburg en HardinxveldGiessendam, en is aangeduid als veen(weide)landschap, nabij het riviertje de Giessen. De bedrijfsbestemming wordt niet uitgebreid, enkel het bouwvlak daarbinnen. Dit ten behoeve van het tegengaan van verrommeling op het opslagterrein. Het huidige opslagterrein zal hiermee opgeschoond worden, voorzien van de opslagloods die landschappelijk wordt ingepast met streekeigen beplanting langs de watergangen eromheen. Zie ook figuren 4 en 5 verderop in het document.
Figuur 3.1 – Gebiedsprofiel grenzen (bron: www.gebiedsprofielen.zuid-holland.nl)
Figuur 3.2 – Laag van de beleving (bron: www.gebiedsprofielen.zuid-holland.nl)
10
Figuur 3.3 – Laag van de stedelijke occupatie (bron: www.gebiedsprofielen.zuid-holland.nl)
Figuur 3. – Laag van cultuur- en natuurlandschappen (bron: www.gebiedsprofielen.zuid-holland.nl)
Het plangebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Het plan voorziet in de concrete behoefte naar opslagcapaciteiten voor een lokaal en regionaal gebonden bedrijf. Het plan voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Individuele, bedrijfs- en maatschappelijke en overige belangen in de directe omgeving worden niet nadelig beïnvloed.
11
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden (2004) Onder de titel 'authentiek & vernieuwend' geven de gemeenten in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden hun integrale kijk op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van hun regio. Kern van de visie is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, samen met het versterken van het overwegend open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. Inzet is een duurzame en welvarende landbouw als drager van het karakteristieke en cultuurhistorisch waardevolle landschap. Daarbij wordt enerzijds uitgegaan van schaalvergroting en anderzijds een verbrede ontwikkeling, met neveninkomsten uit natuur, water en recreatie. In het verlengde van het Convenant blijft de regio zich inzetten voor het realiseren van de provinciale ecologische hoofdstructuur. Verder zullen de natuurdoelen vooral gestalte moeten krijgen binnen de agrarische bedrijfsvoering. Voor de lange termijn is in de regionale structuurvisie per thema een aantal hoofdlijnen voor het beleid geformuleerd. Samenvattende beleidslijnen voor landschap: •
behoud groene karakter met herkenbare landschapsstructuur en driedeling: beslotenheid op oeverwallen langs Lek en Merwede, centrale openheid van de Alblasserwaard en kleinschaliger openheid van de Vijfheerenlanden;
•
in het Middengebied zo min mogelijk maïs-/ruwvoederteelt toestaan en zoveel mogelijk concentreren op de hoger gelegen gronden aan de randen van de regio;
•
storende en landschapsontsierende agrarische gebouwen die vrijkomen zoveel mogelijk saneren, mede met behulp van Ruimte-voor-Ruimteregeling;
•
ingeval van teruglopend fruitareaal langs de oeverwal van de Lek stimuleren, dit areaal toe te voegen aan bestaand landbouwareaal, eventueel in combinatie met enkele nieuwe landgoederen;
•
voorkomen verdere aantasting belevingswaarde open centrale gebied langs de Zuidrand door tegengaan verdere hoogbouw en voorkomen realisering windturbines langs de Betuweroute;
•
behoud van en voorkomen van verdere aantasting van de samenhangende oost-westgerichte groene open ruimte ter weerszijden van de A28;
•
zorgdragen voor versterking van het landschap in de omgeving van stedelijke elementen zoals Betuweroute en stedelijke uitbreidingen van de kernen;
•
voorkomen van verrommeling bij vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen;
•
voorkomen van verlies aan doorzichten vanuit de cultuurhistorische linten.
12
Samenvattende beleidslijnen voor landbouw: •
streven naar een duurzame en welvarende landbouw als belangrijkste drager van het landelijk gebied; daarbij een verbrede ontwikkeling met neveninkomsten uit natuur, water en recreatie mogelijk maken;
•
bieden van mogelijkheden voor schaalvergroting van agrarische bedrijven, zoveel mogelijk hand in hand met een verbrede ontwikkeling;
•
herbenutten van vrijkomende agrarische complexen voor (meerdere) wooneenheden, eventueel gecombineerd met niet-hinderlijke bedrijvigheid;
•
waar gewenst saneren van storende en landschapsontsierende opstallen of hele agrarische complexen met een Ruimte-voor-Ruimteregeling, bij voorkeur door het toestaan van de bouw van één of enkele woningen ter plaatse of – als dat niet wenselijk is – door het toevoegen van woon- en/of werkfuncties binnen de contouren; hierbij regionaal afstemmen en bezien of uitbreiding van contouren noodzakelijk is;
•
afnemend fruitareaal bij voorkeur toevoegen aan het landbouwareaal; als dat niet lukt afwegen van andere functies zoals nieuwe landgoederen, recreatie of natuur.
Samenvattende beleidslijnen voor natuur: •
behoud en herstel van een hoog kwaliteitsniveau van natuur, landschap, cultuurhistorie, water en milieu; een halt toeroepen aan sluipend verlies van ruimtelijke kwaliteit, door meer aandacht voor beeldkwaliteit en handhaving;
•
realisering van ecologische hoofdstructuren en de aanleg van kleinschalige landschapselementen; de manier waarop de natuurdoelen worden gerealiseerd wijkt af van het traditionele aankoopbeleid van de overheid: agrariërs dragen bij aan deze natuurdoelen met een vergoeding vanuit de rijksoverheid;
•
realisering van een basisnatuurkwaliteit door instandhouding en versterking van de natuurwaarden in de regio met medewerking van alle agrariërs;
•
waar nuttig en nodig streven naar 'Rood voor Groen'-oplossingen (streekvereveningsfonds, nieuwe landgoederen).
Momenteel wordt door de gemeenten gewerkt aan een nieuwe toekomstvisie: Visie 2030. Gebiedsvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden (2009) Het Gebiedsplatform Alblasserwaard Vijfheerenlanden is in het leven geroepen om de gemeenten in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden van advies te kunnen dienen over de ontwikkelingen in het landelijk gebied. In het Gebiedsplatform zijn een groot aantal organisaties op het gebied van landbouw, landschap, natuur, recreatie en cultuurhistorie vertegenwoordigd. Het Gebiedsplatform Alblasserwaard Vijfheerenlanden wil een nieuwe impuls geven aan de toekomst van het gebied. Met de gebiedsvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden (2009) wil het platform daarvoor de koers uitzetten. Een koers die vervolgens moet leiden tot actie: samen aan de slag om de kracht en de pracht van het gebied te koesteren, door verder te ontwikkelen.
13
Twee opgaven in de visie zijn van belang voor het buitengebied: 1. koesteren en ontwikkelen van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten en de natuurwaarden; 2. ondersteunen van de agrarische economie in het ontwikkelen van nieuwe perspectieven. Ad 1 Kades, tiendwegen, stroomruggen, donken en andere kenmerkende landschapselementen met hun aardkundige waarden verdienen betere, actieve bescherming. Het platform streeft naar het ontwikkelen van een fijnmazig netwerk van nieuwe, voornamelijk natte natuur. De kenmerkende knotwilgen en geriefhoutbosjes, hakhout, erfbeplantingen en boerenboomgaardjes zijn beeldbepalend voor het landschap. Zij worden beter beschermd en nieuw aangeplant. Het Gebiedsplatform streeft ernaar de cultuurhistorische landschapselementen zoals voormalige eendenkooien in ere te houden als natuurgebiedjes. Ook wordt ingezet op het op peil brengen en stabiel houden van de weidevogelpopulatie. Verdere verrommeling van het landschap wordt tegengegaan. Daaronder wordt verstaan het voorkomen van alle ingrepen in het lint en landschap die de beeldkwaliteit en daardoor de herkenbaarheid en beleving aantasten. Het open landschap, met daarin de silhouetten van dorpen en kerken, boerderijen en knotwilgen, blijft bestaan.
Kleinschalige recreatie wordt aangemoedigd (wandelen, fietsen, kanoën, overnachten), met respect voor en genieten van de natuur, de historische gebouwen en de streekproducten. Functieverandering van gebouwen en gronden mag op beperkte schaal, en uitsluitend binnen de uiterlijke verschijningsvorm van dat open landschap en de (historische) boerderijen en dorpscontouren. Ad 2 In grote lijnen onderscheidt het platform binnen het gebied twee typen agrarisch ondernemerschap: •
een waarbij door optimalisatie van de bedrijfsvoering en innovatie de efficiency van het bedrijf voortdurend wordt verbeterd;
•
een die zich kenmerkt door de verbreding van de agrarische bedrijfsvoering met bijvoorbeeld agrarisch natuurbeheer, zorgverlening, verkoop van streekproducten en recreatieve voorzieningen.
Het is de ambitie van het Gebiedsplatform om de Alblasserwaard Vijfheerenlanden ook in de toekomst een goed renderende thuisbasis te laten zijn voor bedrijven waarbij door optimalisatie van de bedrijfsvoering en innovatie de efficiency van het bedrijf voortdurend wordt verbeterd en bedrijven waarbij het agrarisch ondernemerschap wordt gekenmerkt door verbreding van de agrarische bedrijfsvoering. De verkaveling in het gebied zal waar mogelijk en nodig worden geoptimaliseerd. De oppervlakte aan maïs-/ruwvoederteelt moet worden teruggedrongen, omdat die het karakteristieke landschap aantast. Het Gebiedsplatform stelt als doel dat binnen 10 jaar ten minste 50% van alle boeren in de Alblasserwaard Vijfheerenlanden hun landerijen op natuurlijke wijze beheren.
14
Het waterbeheer in het gebied wordt afgestemd op de huidige functies, maar zonder schade toe te brengen aan bebouwing en natuur. De ontwikkeling en marketing van streekproducten wordt bevorderd. Relevantie voor het plan In de huidige situatie is er sprake van een landschap ontsierend verrommeld achtererf. Er is sprake van verrommeling omdat de goederen nu los op het verharde terrein worden opgeslagen en niet in een gebouwde opslag. Daarnaast zijn er bijzonder weinig kenmerkende streekeigen bomen die het terrein afschermen. In de nieuwe situatie zal de gebouwde opslag de huidige verrommeling terugdringen, daarnaast worden streekeigen knotwilgen ingezet om het terrein af te schermen en ervoor te zorgen dat het beeld aansluit bij het groene karakter van de polder. Het beleid richt zich mede op het tegengaan van verrommeling en versterken van de natuur en het groene karakter van de polder. De plannen voor het perceel en de opslag sluiten aan bij deze visie.
15
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Intergemeentelijk Landschapskader 'Giessen, Linge, Zouwe' De gemeenteraad heeft op 24 maart 2011 het Intergemeentelijk Landschapskader 'Giessen, Linge, Zouwe' vastgesteld, een gezamenlijk landschapsplan van de gemeenten Giessenlanden, Leerdam en Zederik. In het landschapsplan wil de gemeente bereiken dat (meer) rekening wordt gehouden met de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten van het gebied, zodat deze niet sluipenderwijs verloren gaan. Gebiedseigen beplanting, een goede situering van gebouwen op het erf, het situeren en inpassen van paardenbakken, het voorkomen van verrommeling etc kan een positieve impuls aan de omgeving geven. Dit maakt het gebied aantrekkelijker om in te wonen en te recreëren. Gezien de huidige kwaliteiten van het landschap en de problematiek en opgaven is gekozen voor de volgende doelstellingen voor het buitengebied voor de komende 10 jaar tot 2020: •
Behouden en versterken van de verschillen tussen de landschapstypen van de uiterwaarden en stroomruggen van Lek en Linge en van de polders van de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden.
•
Het behouden van de agrarische identiteit (open veenweidelandschap en fruitteelt); bieden van toekomstmogelijkheden en alternatieven aan de agrarische sector.
•
Behouden en versterken van archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten.
•
Optimaliseren van het beheer en de verbindingen tussen de natuurgebieden.
•
Het behouden van de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwingslinten, randvoorwaarden stellen aan ontwikkelingen.
•
Streven naar kwalitatieve overgangen tussen de kernen en het buitengebied, knelpunten verbeteren.
•
Het versterken van de recreatieve gebruiksmogelijkheden en de samenhang van het recreatieve netwerk.
Als gevolg van de crisis en de daaruit volgende politieke en economische ontwikkelingen zijn tijdens het planproces bepaalde ambities ingehaald, zoals van de EHS. De gemeenten stellen zich volgend op ten opzichte van het veranderende beleid van het rijk en de provincie. Specifiek voor de Alblasserwaard worden de volgende beleidsuitgangspunten genoemd: •
Behouden en versterken van het open waterrijke veenweidelandschap met de middeleeuwse regelmatige copeontginning, slagenverkaveling en slotenpatronen.
•
Behouden van de kronkelende veenrivier de Giessen en de onderliggende stroomrug bij Broek als structurerende ontginningslijnen.
•
Behouden van de verhoogde ligging op donken van Hoogblokland, Hoornaar en Noordeloos.
•
Behouden en aanvullen van kenmerkende beplantingen op bestaande patronen, zoals erfbeplantingen, knotbomen langs kavelgrenzen, elzen langs achterkades of wegen, hovelingen, huftbosjes en eendenkooien. Project 'Groene linten'.
16
•
Behouden van open ruimtes tussen en in de linten. Behouden van het verschil tussen het noordelijk deel, waar weinig bebouwing aanwezig is en het zuidelijke deel waar meer lintbebouwingen zijn.
•
Behouden openbare oevers langs de Giessen.
•
Behouden onbebouwde en natuurlijke oevers langs de Giessen.
•
Gebiedseigen beplantingspatronen in de omgeving van de A27 en Betuwelijn versterken met behoud van grote open ruimten.
•
De Groene Ruggengraat nader ontwerpen met behoud van kavelpatronen en gebruikmakend van kenmerkende beplantingstypen.
•
Uitbreiden recreatieve voorzieningen. Goed inpassen recreatieve voorzieningen, zoals campings met witte stacaravans in de winter. Ook inpassen van parkeerplaatsen bij onder ander maneges is gewenst.
In het buitengebied speelt een groot aantal ontwikkelingen. Deze zijn gebonden aan de functies die het buitengebied vervult. Langzaamaan zien we naast de agrarische functie ook behoefte aan andere functies in het buitengebied, zoals bijvoorbeeld landelijk wonen, recreatie, natuur, bedrijvigheid en infrastructuur. Deze thema's worden in het landschapsplan nader uitgewerkt en wordt aangegeven waar en op welke wijze deze ontwikkelingen gewenst of ongewenst zijn. 3.4.2 Structuurvisie Giessenlanden 'Buitengewoon' (18 december 2008) Op basis van een gebiedsanalyse, input van de raad, de klankbordgroep en burgemeester en wethouders heeft de ontwikkelingsvisie voor Giessenlanden vorm gekregen. Per thema heeft het college diverse beslissingen genomen. Deze thema's komen in de visie terug. Onderstaande tekst geeft de voor het bestemmingsplan buitengebied van belang zijnde thema's en bijbehorende visies weer. Ruimtelijke kwaliteit •
De beeldkwaliteit in de historische kernen en linten wordt versterkt. Voornamelijk langs de Giessen en in Hoornaar, Noordeloos en Giessen-Oudekerk dient de beeldkwaliteit voor de toekomst gewaarborgd en versterkt te worden. Aandacht voor cultuurhistorie is vanzelfsprekend.
•
Het is van groot belang dat de karakteristieke doorzichten vanuit het bebouwingslint naar het open achterland en de Giessen behouden blijven.
•
Giessenlanden blijft een Groene Hart gemeente. Giessenlanden vormt de rand van het Groene Hart aan de zuidzijde. Het karakter van het Groene Hart domineert in het Giessenlandse landschap. Daarentegen vormt de oprukkende bebouwing van de Merwedezone aan de zuidzijde van de gemeente een andere eigenschap van het gebied.
•
Om te voorkomen dat de verstedelijking nog verder noordwaarts het gebied intrekt, wordt een agrarische bufferzone gecreëerd. Het buffergebied voorziet tevens in de situering van de oostwestlopende provinciale ecologische verbindingszone.
17
•
De zone tussen het agrarisch buffergebied en Giessenburg en Arkel kan worden gezien als overgangszone van het open landschap naar het stedelijk gebied. Hier kan vorm aan gegeven worden door in kleine hoeveelheden, in lage dichtheden, dorps en in het groen te bouwen.
•
Met betrekking tot natuurontwikkeling in het landelijk gebied vindt een tracéstudie plaats naar de Groene Ruggengraat (voorheen Natte As), zoals aangegeven in de Nota Ruimte en het Uitvoeringsprogramma 2007-2013 Groene Hart. De Groene Ruggengraat is een nationale robuuste ecologische verbindingszone die kansen biedt voor recreatie- en natuurontwikkeling ter plaatse.
•
Onderzocht wordt of er meer gebruik kan worden gemaakt van het Cultuurfonds voor Monumenten Zuid-Holland voor restauratiewerkzaamheden van monumenten en beeldbepalende panden in beschermd dorpsgezicht.
•
Eigenaren van lokale monumenten worden jaarlijks geïnformeerd over de mogelijkheden van financiële ondersteuning.
•
De term 'beeldbepalend' wordt alleen van toepassing verklaard op als zodanig aan te wijzen panden binnen door het Rijk aangewezen dorpsgezichten en panden binnen de gemeente aan te wijzen beschermde dorpsgebieden.
•
Karakteristieke panden, welke als voormalige woning met bedrijf bestemd geweest zijn met een minimale inhoud van 1.000 m³ kunnen in aanmerking komen voor een tweede woning. Het splitsen van karakteristieke (voormalige) boerderijen gaat verstening tegen, draagt bij aan behoud van het pand en kan bijdragen aan enige groei.
•
Voldoen aan de landelijke normen voor waterbeheer, zodat inwoners voldoende garantie hebben voor het hebben van droge voeten.
•
Voldoende water en groen in de kernen realiseren zodat ook vanuit de kernen een link met het omliggende landelijke gebied wordt gemaakt en het landschap als het ware in de dorpen wordt voortgezet en zichtbaar blijft.
Relevantie voor het plan Het gemeentelijk beleid richt zich op het rekening houden met de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten van het gebied, zodat deze niet sluipenderwijs verloren gaan. Het huidige gebruik van het verharde terrein als opslag en de openheid van het achtererf, waardoor deze verrommeling zichtbaar is, sluit niet aan bij deze visie. Vanuit het beleid is het wenselijk om deze verrommeling terug te dringen en meer aansluiting te zoeken bij het groene polderlandschap. Door het toevoegen een gebouwde opslag en dit geheel af te kaderen met een gebiedseigen beplanting gaat het geheel beter op de in de omgeving. Op deze wijze is het perceel vanuit de omgeving gezien groen omkaderd en (weer) passend in het polderlandschap.
3.4.3 Omgevingsvisie Giessenlanden (14 december 2007) 3.3 Omgevingswaarden voor duurzame ontwikkeling In de omgevingswet staat duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving centraal. In artikel 1.3 ‘doel van de omgevingswet staat het volgende ‘hierover beschreven: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies.” De Omgevingsvisie is één van de instrumenten uit deze wet, waarmee we deze opgave
18
kunnen oppakken en de doelen kunnen verwezenlijken. Er zijn acht omgevingskwaliteiten geformuleerd. Deze zijn ruim gedefinieerd, zodat er genoeg ruimte is om bij een concrete ontwikkeling of initiatief alle belangen met elkaar te verbinden. De omgevingskwaliteiten zijn gevisualiseerd op een kaart (zie pagina hiernaast) en zijn achtereenvolgens:
1. Wij koesteren, versterken en stimuleren de identiteit van onze dorpen en hun ommeland. Dit door o.a. te bewaken dat het karakter van ieder dorp behouden blijft. 2. De ondergrond, cultuurhistorie en ontstaansgeschiedenis van een dorp en zijn ommeland dragen in belangrijke mate bij aan de huidige kwaliteit, karakteristiek en identiteit van dat dorp. Deze aspecten zijn een belangrijk vertrekpunt bij toekomstige ontwikkelingen. 3. Zorgvuldig ruimtegebruik is uitgangspunt. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij de huidige en toekomstige vraag; 4. De kwaliteiten van de onderlinge samenhang tussen de dorpen, het landschap en het water worden beschermd, benut en versterkt. 5. De fysieke leefomgeving van de dorpen dient niet alleen functioneel te zijn, maar ook kwaliteit te bieden in beleving, veilig te zijn en bij te dragen aan de gezondheid van haar inwoners. 6. Wij stimuleren duurzame maatregelen welke een positieve bijdrage leveren aan het milieu. 7. Wij bieden ruimte aan innovatie, zolang deze geen afbreuk doet aan de overige omgevingskwaliteiten. 8. Wij behouden het evenwicht tussen een doeltreffende waterhuishouding en het karakteristieke slagenlandschap. Het landschap dankt haar karakteristiek mede aan het water en staat daar tegelijkertijd door onder druk.
Relevantie voor het plan Veel van de acht hierboven genoemde omgevingskwaliteiten hebben specifiek betrekking op de gemeente in totaal of het behouden en versterken van de specifieke karaktereigenschappen van de verschillende dorpen. Kwaliteit drie en acht zijn relevant voor het plan van de opslagloods. De uitbreiding van de huidige loods is in lijn met deze kwaliteit. Door juist bestaande locaties beperkt uit te breiden kan grootschalig nieuwbouw, met de bijbehorende grote impact, voorkomen worden. Daarnaast zou bij eventueel nieuwbouw op een andere locatie de huidige locatie mogelijk leeg komen te staan, wat hiermee dus tevens kan worden vermeden. De opdrachtgever zal bij een uitbreiding van de opslagloods ook de kwaliteit en uitstraling van het kavel verbeteren. Door het toevoegen van inheemse erfbeplanting ontstaat er een kwalitatief beter aanzicht wat zorgt voor een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving.
19
4. Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk en toetsingskader Op grond van de Wet geluidhinder dient bij het ontwikkelen van geluidsgevoelige functies zoals woningen te worden getoetst of deze functies worden toegevoegd binnen een geluidszone van een weg. Alle wegen hebben geluidszones, behalve wegen waarvoor een 30km/uur-regime geldt. Voor geluidsgevoelige objecten geldt een voorkeursgrenswaarde, die eventueel na vaststellen van een hogere grenswaarde kan worden overschreden.
Toetsing en conclusie Onderhavig plan tot het realiseren van een opslagloods is geen geluidsgevoelige functie waardoor een akoestisch onderzoek niet vereist is.
4.2 Externe veiligheid De locatie ligt in de invloedssfeer van de Betuwelijn en de A15. Dit zijn transportroutes voor gevaarlijke stoffen. De uitbreiding heeft echter geen nadelige gevolgen voor het groepsrisico, maar juist positieve gevolgen. De nu niet overdekte opslagruimte zal overdekt worden, zonder dat hierbij het aantal werknemers zal toenemen. Verder is het volume gesloten in de richting van de A15
4.3 Milieucategorie De huidige milieucategorie van het bedrijf is 2. Dit zal door het overkapping en omsluiten van de huidige opslagplaats niet veranderen, deze opslagplaats is al reeds aanwezig. Wel zal het aantal transportbewegingen afnemen, omdat de goederen nu droog opgeslagen kunnen worden.
4.4 MER-beoordeling Beleidskader In de Wet Milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Aan de hand van voornoemde bestemmingswijziging ten behoeve van de uitbreiding de opslagcapaciteit van het bedrijf Boxman van Wijk op het perceel Binnendamseweg 26a te Giessenburg zal hierna de vraag beantwoord worden of een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Voor de beantwoording van de vraag of er een m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat voor de ruimtelijke ontwikkeling is allereerst het bepaalde in het Besluit mer van belang. De verplichting tot het opstellen van een m.e.r. is opgenomen in artikel 7.2 Wet milieubeheer (Wm). Dit artikel vormt een omzetting van de EG-m.e.r.-richtlijnen. Voor de beantwoording van de vraag of voor een concreet plan een m.e.r.
dient te worden doorlopen, dient primair te worden beoordeeld of de activiteit valt binnen de onderdelen C en D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Onderdeel C geeft aan wanneer sprake is van een m.e.r.- plicht. Een onderscheid dient te worden gemaakt tussen een plan-m.e.r. (kolom 3 van onderdeel C) en een besluit-m.e.r. (kolom 4 van onderdeel C). Onderdeel D geeft de activiteiten en gevallen aan waarin sprake is van een m.e.r.- beoordelingsplicht (dan moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van significante milieugevolgen en als deze aan de orde zijn dient een m.e.r. plaats te vinden). Voor het plan kan gesteld worden dat geen directe m.e.r.-plicht vanuit de Wet milieubeheer en vanuit het Besluit m.e.r. geldt op grond van Bijlage C. De activiteiten welke middels het plan mogelijk wordt
20
gemaakt vallen binnen de activiteiten in de bijlage D bij het Besluit m.e.r. (D11.2). Het plan is kleinschalig van aard en omvang, waardoor geen drempels/grenswaarden uit het Besluit milieueffectrapportage worden overschreden. Kenmerken van het plan Het plan maakt het mogelijk om het bouwvlak op het bedrijfsperceel uit te breiden en te bebouwen. De uitbreiding van het bedrijfsperceel zal hoofdzakelijk worden gebruikt voor de opslag haarden en bijbehoren in een gebouwde opslaghal. Er vinden op de locatie nagenoeg geen productiewerkzaamheden plaats. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 2,1 km en meer is een Natura2000-gebieden gelegen. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan De uitbreiding van het bouwvlak zal k worden gebruikt voor de opslag van haarden en toebehoren. Ten opzichte van de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen. De bestaande ontsluiting beschikt derhalve over voldoende capaciteit. Conclusie Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, de ruime afstand tot beschermde natuurgebieden en er geen sprake is van een toename van het aantal verkeersbewegingen, etc.
kan – met in achtneming van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, redelijkerwijs worden verwacht dat er geen sprake is van ernstige milieugevolgen gerelateerd aan de ruimtelijke ontwikkeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. het kader van de vormvrije m.e.r. kan worden volstaan met de voorgaande onderbouwing van de diverse milieuaspecten in hoofdstuk 5. Vanwege de geringe milieueffecten kan voor de toets of dat een milieueffectrapportage nodig is worden volstaan met de beschrijving van de milieueffecten van dit plan.
4.5 Bedrijven en milieuzonering Wettelijk en toetsingskader Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen.
Beoordeling Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt getoetst conform: • VNG handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’(editie 2009); • Wet milieubeheer. VNG handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ De Vereniging van Nederlandse Gemeente doet in de publicatie ’Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009), een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Wanneer sprake is van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies, voor met name het aspect geluid, met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het aspect geluid is veelal het maatgevende aspect. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies.
21
Vanwege de diverse bedrijfsfuncties, sportfunctie en woonfuctie in de omgeving is de projectlocatie te typeren als ‘gemengd gebied’. De bestemming ‘Bedrijf’ verandert niet op de locatie. De opslagloods wordt toegevoegd maar zal geen negatieve effecten hebben op woon- en leefklimaat. Gelet hierop vormt de nieuwe opslagloods geen belemmering voor de omgeving vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering.
Conclusie De directe omgeving van het plangebied is te typeren als gemengd gebied. De afstand tussen de nieuwe opslagloods en de woningen is voldoende. Hierdoor kan een goed woon- en leefklimaat voor de woningen worden gegarandeerd. Daarnaast zal het aantal verkeersbewegingen eerder afnemen dan toenemen en vindt opslag na voltooiing van het plan binnen plaats.
4.6 Luchtkwaliteit Wettelijk en toetsingsdader Voor luchtkwaliteit is de Wet milieubeheer, Hoofdstuk 5, titel 5.2 van toepassing. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer geeft grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hieronder zijn in een tabel de relevante stoffen met grenswaarden aangegeven:
De Wet milieubeheer geeft in artikel 5.16 bevoegdheden aan bestuursorganen om voor ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties in de buitenlucht medewerking te verlenen. Deze bevoegdheden zijn nader uitgewerkt in het Besluit niet in betekenende mate, afgekort tot NIBM en de Regeling niet in betekenende mate. In het Besluit niet in betekenende mate is vastgelegd dat wanneer een ontwikkeling niet meer bijdraagt dan 3% aan de grenswaarde, deze niet getoetst hoeft te worden aan de wettelijke grenswaarden. Hierin staat dat meer dan 1,2 microgram stikstofdioxide en/of fijnstof per m3 wordt aangemerkt als in betekenende mate. De NSL-monitoringsrapportage (2019) geeft aan dat er op de locatie geen overschrijdingen zijn van de wettelijke grenswaarden voor stikstof en fijnstof.
Beoordeling In de Regeling niet in betekenende mate is dit doorvertaald naar 7.500 verkeersbewegingen bij 1 toegangsweg. De ontwikkeling van onderhavig plan resulteert conform de Regeling niet in betekenende mate in een significante verslechtering van de luchtkwaliteit en hoeft daarom niet te worden getoetst aan de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit.
Conclusie De ontwikkeling voldoet aan het wetgevende kader voor luchtkwaliteit, zoals vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Wel is er, conform verzoek van de gemeente, een stikstofdepositieberekening uitgevoerd, zie bijlage A. De uitkomsten van dit rapport staat de bouw van de opslagloods niet in de weg.
22
4.7 Flora en fauna Het huidige terrein waar de loods op gebouwd zal worden is nu volledig verhard en in gebruik als opslagplaats. Deze reeds bestaande opslagplaats zal worden overdekt en afgesloten, waardoor de transportbewegingen kunnen afnemen. Omdat het in de huidige situatie geen onverhard, maar verhard terrein betreft is er geen quick scan uitgevoerd.
4.8 Parkeren De nieuwe hal is dus bedoeld voor opslag en valt daarmee onder de noemer arbeidsextensief volgens de parkeerdefinities van het CROW. Onderstaand een berekening van de extra parkeerbehoefte die zou ontstaan volgens de cijfers van het CROW. In de praktijk zal er geen extra parkeerbehoefte ontstaan maar het terrein biedt toch voldoende ruimte om te parkeren. Daarom hebben we in het voorstel 8 parkeerplaatsen ingetekend. project: Loods of Showroom:
Binnendamseweg 26a Giessenburg lengte in m breedte in m BVO in m² 33 16,8 554,4
soort gebied: soort gebied van:
Buitengebied https://www.ruimtelijkeplannen.nl .
adressen per km2:
192
stedelijkheid: adres cijfers van:
niet stedelijk https://allecijfers.nl/
Parkeerberekening Loods parkeercijfers
min.
max.
per 100m² BVO
0,8
1,3
aandeel bezoekers
5,00%
per 100m2 BVO verkeersgeneratie
aandeel bezoekers
min
max
3,9
5,7
5,00%
min.
max.
totaal parkeerplaatsen
4,4352
7,2072
afgerond
5
8
23
Hieronder een afbeelding van de bestaande volumes en het nieuwe volume (in kleur):
24
Figuur 4: Hieronder een afbeelding met de maatvoering van de bebouwing op het perceel:
25
4.9 Archeologie Aanleiding In het plangebied geldt in het bestemmingsplan Buitengebied Giessenlanden (2013) een Waarde – Archeologie 4. Vanwege deze aanduiding is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen, die groter zijn dan 250 m 2 en dieper dan 150 cm -Mv reiken. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen nieuwbouw van de loods (circa 100 m 2 sloop en circa 230 m2 nieuwbouw; dieper dan 150 cm -Mv) archeologisch vooronderzoek nodig is.
Samenvatting rapportage •
Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied in de overstromingsvlakte van de Wijde Giessen ligt. Hoewel langs de Wijde Giessen ten zuiden van het plangebied laatmiddeleeuwse woonheuvels liggen, liggen deze naar verwachting in het plangebied niet. Er valt echter aan de hand van het AHN af te leiden dat hier een noordzuid georiënteerde hoogte aanwezig is, die mogelijk indicatief is voor een oude waterloop. Thijs en Wullink (2008), die ten westen van het plangebied onderzoek hebben gedaan, suggereren de aanwezigheid van een oude kreekrug of een oude meandergeul van de Wijde Giessen. Dit laatste zou betekenen dat de rivier een andere ligging heeft gehad. Er ontbreken echter lithologische gegevens (van boringen) uit het plangebied. Hiermee zijn uitspraken over de daadwerkelijke opbouw en ontstaan van de ondergrond op basis van het bureauonderzoek niet te doen. Wel zou de aanwezigheid van een inversierug (in het geval van een kreekrug) kunnen betekenen dat in het plangebied ook bewoonbare omstandigheden hebben bestaan sinds het Neolithicum, de periode waarin de perimariene kreken in het gebied (en zo mogelijk ook de voorganger van de Wijde Giessen) zijn ontstaan. Zodoende geldt in het plangebied theoretisch gezien een middelhoge tot hoge archeologische verwachting op resten uit de periode Neolithicum-Late Middeleeuwen.
•
Voor resten uit de Nieuwe tijd geldt een lage archeologische verwachting. Er is op historisch kaartmateriaal sinds het begin van de 19e eeuw geen bebouwing aanwezig. Het is hiermee aannemelijk dat in de periode daarvoor (tot 1500) eveneens geen bebouwing aanwezig is geweest. Het plangebied ligt immers niet aan een historische infrastructuur.
•
De aanwezigheid van resten uit het Mesolithicum is binnen dit kader buiten beschouwing gelaten. In het plangebied zijn naar verwachting rivierduinafzettingen aanwezig, die in potentie bewoonbaar kunnen zijn. Deze bevinden zich echter rond 9,5 m -Mv bevinden, hetgeen gebaseerd is op de resultaten van Thijs en Wullink (2008) op het aangrenzend perceel. Vanwege de grote diepteligging en de beperkte ingrepen in het gebied (heipalen) is het effect binnen deze planvorming op dit niveau beperkt.
•
Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat in westelijk deel van het plangebied vermoedelijk een kreekgeul gelegen heeft. Deze constatering komt overeen met de waarnemingen op het AHN en de bevindingen van Thijs en Wullink (2008). De afzettingen zijn verder slap en sporen van bodemvorming ontbreken in dit deel van het terrein. Mede gezien de aanwezigheid van zandlagen, verspoeld hout, slakjes en detrituslagen, lag hier vermoedelijk een watervoerende geul. Dergelijke plaatsen zijn doorgaans nat en drassig geweest en hiermee niet geschikt voor bewoning. Getuige het ontbreken van bodemvorming in de top van de klei (rijping) moet dit ook het geval geweest zijn toen de kreekgeul verland is geraakt. Hoe oud de geul is, is verder niet duidelijk, maar een Neolithische datering is mogelijk. In het oostelijk deel ligt een restant van een oeverafzetting. Het restant is nog 20 cm dik en ligt op komafzettingen en veen. Gezien de scherpe overgang tussen de oeverafzettingen en de erboven gelegen antropogene lagen is vermoedelijk een deel van de oeverafzettingen vergraven geweest. Zodoende is vanwege het ontbreken van sporen van bodemvorming, veronderstelde natte omstandigheden en de geconstateerde aantasting van bewoonbare oeverafzettingen de hoge verwachting uit het bureauonderzoek naar laag bij te stellen voor de periode Neolithicum-Late Middeleeuwen.
26
Advies rapportage Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen sloop en nieuwbouw van een loods geen aanvullende maatregelen nodig. Geadviseerd wordt het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Giessenlanden). Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Giessenlanden) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
4.10 Landschappelijk inpassingsplan Visie De plaats waar de nieuwe loods zou moeten komen, is nu een relatief kaal kavel met her en der wat gras. Het kavel kent geen duidelijk zichtbare begrenzing behalve de watergang, maar deze is alleen zichtbaar vanaf het perceel zelf. Dit zien we niet als kwaliteit en daarbij zien we dat dit ook niet aansluit bij de ingrediënten uit het Molenwaards kookboek. Graag zouden we dit groen dan ook opwaarderen binnen deze ontwikkeling.
Inpassingsplan De locatie van de loods is vanaf de noord- en noordoostzijde zichtbaar vanaf het Betuwepad. Er is slechts sprake van een zeer beperkte groen langs de randen van het kavel. De overgang tussen het groene landschap en het reeds aanwezige bedrijfsgebouw is derhalve erg hard, wat indruist tegen de visie die is terug te vinden in het Molenwaards kookboek. Het idee is om juist de randen van het kavel te voorzien van kwalitatief landelijk groen. Onder kwalitatief landelijk groen verstaan we knotwilgen, grassen en wilde bloemen. Het Molenwaards kookboek spreekt over een zelfde type beplanting, namelijk inheemse erfbeplanting. Door de toevoeging van het kwalitatieve groen zullen de loodsen deels uit het zicht onttrokken worden en zal ook het aangezicht vanaf het Betuwepad verbeteren. Daarnaast is de verkaveling herkenbaar en afleesbaar, dit in tegenstelling tot de huidige situatie.
Figuur 5: Hieronder een afbeelding van het landschappelijk inpassingsplan met referentiebeeld:
27
4.11 Water Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2; december 2015) is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009 – 2015 en geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij wordt gestreefd naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is gedetailleerder dan de SIR en blijft als uitwerking van de SIR bestaan.
Specifiek gaat het over de gebieden die deel uitmaken van de ruimtelijke hoofdstructuur, het IJsselmeer, de Noordzee en de rivieren. Ook de bescherming Pagina 20 van 25 van vitale functies en kwetsbare objecten is een onderwerp van nationaal belang. Hiervoor geldt het Barro.
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.