Rechtspositie brandweervrijwilligers in het kader van Europees- en internationaalrechtelijke regels
Tekst van het document
verplicht is te volgen, aangemerkt als arbeidstijd. Dit heeft onder andere tot gevolg dat deze uren worden betrokken bij de beoordeling of een werknemer niet meer uren werkt dan wettelijk is toegestaan. In beginsel heeft de medewerker gedurende deze uren recht op loon. In een eventueel te sluiten cao zal rekening moeten worden gehouden met de eisen die de Arbeidstijdenwet stelt. Daarnaast zal de vergoeding als bedoeld in bijlage IIb CAR-UWO in overeenstemming met de loonverplichting moeten worden gebracht. In deze bepaling is de vergoeding geregeld (zie bijlage IIb CAR-UWO) die een vrijwilliger bij de brandweer ontvangt wanneer hij zich daadwerkelijk bezighoudt met brandbestrijding en hulpverlening. De tijd die een medewerker daadwerkelijk aan brandbestrijding en hulpverlening besteedt, wordt op basis van de Arbeidstijdenwet aangemerkt als arbeidstijd. Omdat daadwerkelijk arbeid wordt verricht, heeft de medewerker recht op loon. Op basis van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag heeft degene met een arbeidsovereenkomst, die de leeftijd van 22 jaar heeft bereikt, recht op ten minste het minimumloon. Daarnaast heeft degene met een arbeidsovereenkomst recht op vakantiebijslag van ten hoogte van ten minste van 8% van zijn salaris.
De vergoeding als bedoeld in bijlage IIb van de CAR-UWO voor de tijd die een medewerker daadwerkelijk aan brandbestrijding en hulpverlening besteedt, zullen ten minste in overeenstemming met het minimumloon moeten worden gebracht. De cao zal overeenkomstig moeten worden gewijzigd. Daarnaast heeft de werknemer recht op een vakantietoeslag van ten minste 8% van zijn salaris. Dit hoeft niet bij cao te worden geregeld omdat dit rechtstreeks uit de wet voortvloeit. Wij verwijzen naar paragraaf 3 van dit advies. In deze bepaling wordt verwezen naar de in bijlage IIb CAR-UWO bedoelde vergoeding voor langdurige aanwezigheid. De tijd die een medewerker op zijn werkplek aanwezig is wordt op basis van de Arbeidstijdenwet aangemerkt als arbeidstijd. Dit heeft onder andere tot gevolg dat deze uren worden betrokken bij de beoordeling of een werknemer niet meer uren werkt dan wettelijke is toegestaan. Mits goed gemotiveerd kan arbeidstijd, waarin niet daadwerkelijk arbeid wordt verricht, anders (lager) worden verloond dan de arbeidstijd waarin daadwerkelijk arbeid wordt verricht. Wat redelijk is hangt af van de omstandigheden van het geval. In artikel 5.3:5 van het Arbeidstijdenbesluit worden nadere regels gegeven over de hoeveelheid uren die een brandweervrijwilliger aaneengesloten in aanwezigheidsdienst mag doorbrengen.
In een eventueel te sluiten cao zal rekening moeten worden gehouden met de eisen die de Arbeidstijdenwet stelt. Daarnaast kan in de cao eventueel een regeling worden opgenomen die voorziet in een gedifferentieerd beloningsbeleid. Over de inhoud van een dergelijke regeling adviseren wij desgevraagd graag nader. In deze bepaling is consignatievergoeding geregeld voor de vrijwilliger bij de brandweer die zich ter beschikking moet houden om opgeroepen te worden. Op feestdagen is dat 16% van het bedrag genoemd in kolom drie van bijlage IIb CAR-UWO. Op andere dagen is dat 10% van dit bedrag. Op consignatiediensten is de Arbeidstijdenwet van toepassing. Ten aanzien van de vrijwillige brandweer zijn in het Arbeidstijdenbesluit uitzonderingen opgenomen op het gebied van de in de Arbeidstijdenwet geregelde
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
72/90
Artikel 19:19 CAR-UWO (Kazerneringsdienst)
Artikel 19:20 CAR-UWO (Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap)
consignatiediensten. Zie hiervoor onder andere artikel 5.3.2 van het Arbeidstijdenbesluit. In de cao – en bij de uitvoering daarvan – zal rekening moeten worden gehouden met de eisen die de Arbeidstijdenwet (in onderlinge samenhang gelezen met het Arbeidstijdenbesluit) aan consignatiediensten stelt. Wat betreft de beloning kunnen de bestaande bepalingen gehandhaafd worden. In deze bepaling is geregeld dat nadere regels kunnen worden gesteld over de vergoeding van kazerneringsdiensten. Een kazerneringsdienst is een aanwezigheidsdienst. Dit betreft een zogenaamde “kapstokbepaling” die op zichzelf in een cao kan worden opgenomen. Van belang is dat het Hof van Justitie EG in het Jaeger-arrest heeft bepaald dat een aanwezigheidsdienst in zijn geheel, ongeacht de geleverde prestaties, als arbeidstijd moet worden aangemerkt. Zie: HvJ 9 september 2003, nr. C-151/02, JAR 2003/226. In het Vorel-arrest (11 januari 2007, JAR 2008/92) heeft het Hof beslist dat het aanmerken als arbeidstijd er niet aan in de weg staat dat de tijd die men aanwezig is en de tijd waarin men daadwerkelijk arbeid verricht, verschillend mag worden beloond. Een vergelijkbare bepaling kan in een cao worden opgenomen.
In deze bepaling is geregeld dat de vrijwilliger bij de brandweer die zwanger is (inclusief de periode zes maanden daarna) als bedoeld in artikel 19:29 CAR-UWO recht heeft op doorbetaling van de vergoeding bedoeld in artikel 19:15 tot en met 19:18 CAR-UWO. De hoogte van deze vergoeding wordt berekend op basis van het bedrag dat de vrijwilliger gemiddeld over het kwartaal voorafgaand aan de eerste dag van het verlof ontvangen heeft. Indien het arbeidspatroon in deze periode sterk afwijkt van het gebruikelijke, past het college deze berekening toe op een kalenderkwartaal waarin wel sprake was van een gebruikelijk arbeidspatroon. Gedurende de zwangerschap en zes maanden na de bevalling moet de arbeid zodanig ingericht worden, dat rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van de zwangere werknemer (zie artikel 4:5 e.v. Arbeidstijdenwet). Voor en na de zwangerschap heeft de werknemer recht op zwangerschapsverlof (artikel 4:6 Arbeidstijdenwet). Gedurende het zwangerschapsverlof heeft de medewerker recht op een uitkering van 100% van het dagloon (plus (opbouw van) vakantiegeld). Het dagloon voor een zwangerschapsuitkering wordt berekend op basis van het loon dat de werknemer verdiende tijdens het dienstverband waarin haar verlof begon.
Daarbij wordt gekeken naar een periode van 1 jaar, die eindigt op de laatste dag van de voorlaatste maand of 4 weken voorafgaand aan de dag waarop het zwangerschapsverlof begint (de zogenaamde referteperiode). De bestaande regeling op het gebied van zwangerschap zal na de inwerkingtreding van de Wnra moeten worden gewijzigd (of zal niet langer (volledig) gelden). In de periode waarin de vrijwilliger bij de brandweer gedwongen niet kan/mag werken dient het volledige loon te worden doorbetaald. Bij de hoogte van het loon moet worden aangesloten bij het gemiddelde loon van de medewerker in het jaar voorafgaand aan de zwangerschap (dus niet het laatste kwartaal zoals in artikel 19:20 CAR-UWO is
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
73/90
Artikel 19:21 CAR-UWO (Opleidingskosten)
Artikel 19:22 CAR-UWO (Gratificatie)
Artikel 19:23 CAR-UWO (Fiscaal aantrekkelijke regelingen) Artikel 19:24 CAR-UWO (Salarismutaties)
bepaald). De hoogte van het loon moet voldoen aan de eisen die daaraan in het civiele recht worden gesteld (zie voor een bespreking de toelichting bij 19:13 CAR-UWO). In deze bepaling is geregeld dat het college de kosten van het volgen van een opleiding of cursus vergoedt, voor zover deze in opdracht van of met toestemming van het college zijn gemaakt. Er bestaat geen wettelijke verplichting om de studiekosten van werknemers te vergoeden. Enkel wanneer een werkgever de werknemer verplicht om een studie te volgen zal de werkgever de kosten voor deze studie moeten dragen. In veel cao’s is een bepaling opgenomen die voorziet in een regeling over het vergoeden van studiekosten. De bepaling die hierover in de CAR-UWO is opgenomen kan ongewijzigd in een cao worden opgenomen. De kosten van een opleiding of studie van een werknemer mogen onder voorwaarden onbelast worden vergoed. Desgevraagd adviseren wij hierover graag nader. Een vergelijkbare bepaling kan in een cao worden opgenomen In deze bepaling is geregeld dat het college regels kan vaststellen voor het toekennen van een gratificatie. Dit is een zogenaamde “kapstokbepaling” die ook in een cao kan worden opgenomen. Het uitkeren van een gratificatie is geen wettelijke verplichting. Het staat de werkgever vrij om zelfstandig een regeling op dit gebied vorm te geven.
Deze mogelijkheid kan bij cao aan de werkgever worden “gedelegeerd”. Een vergelijkbare bepaling kan in een cao worden opgenomen. In deze bepaling is geregeld dat de vrijwilliger bij de brandweer gebruik kan maken van de lokale regeling met fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen. Dit is een kapstokbepaling die in beginsel kan worden gehandhaafd. Het is ons echter niet bekend op welke personeelsvoorzieningen wordt gedoeld. In deze bepaling is geregeld dat de algemene salarismutaties voor de sector gemeenten, zoals die in het LOGA worden overeengekomen, wat betreft percentage ook worden doorgevoerd ten aanzien van de bedragen als bedoeld in bijlage IIb CAR-UWO. In beginsel kan wat betreft de salarisontwikkeling worden aangesloten bij de algemene salarismutaties zoals die gelden voor de sector provincies. Hierbij dient echter wel rekening te worden gehouden met het vereiste dat vergoeding als bedoeld in bijlage IIb CAR-UWO in ieder geval voldoet aan de wettelijke eisen die aan loon worden gesteld (bijvoorbeeld op het gebied van minimumloon en de (opbouw van) vakantietoeslag) (zie voor een bespreking de toelichting bij artikel 19:13 CAR-UWO). NB: Op dit moment wordt de salarisontwikkeling in de sector gemeenten in het LOGA overeengekomen.
Na de inwerkingtreding van de Wnra hebben partijen op basis van de Wet op de cao in beginsel de vrijheid om zelfstandig te bepalen met wie zij een cao sluiten (zie voor een bespreking de toelichting bij artikel 19:3 CAR-UWO). Omdat bij cao afspraken kunnen worden gemaakt over salarisontwikkeling, is het de vraag welke waarde eventuele uitkomsten van overleg binnen het LOGA hebben voor salarismutatie binnen de sector gemeenten.
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
74/90
Artikel 19:25 CAR-UWO (Ongevallenverzekering)
Artikel 19:26 CAR-UWO (Vergoeding geneeskundige kosten)
Artikel 19:27 CAR-UWO (Verzekering zelfstandig ondernemers)
Artikel 19:28 CAR-UWO (Schade aan kleding en uitrusting)
In deze bepaling is geregeld dat het college een ongevallenverzekering afsluit voor de vrijwilliger bij de brandweer. Artikel 7:658 BW legt een ruime zorgplicht op aan de werkgever om te voorkomen dat de werknemer schade oploopt in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Daarbij heeft de werkgever in beginsel de verplichting om de werknemer te verzekeren tegen bedrijfsongevallen. Deze verplichting is in artikel 19:25 CAR-UWO geregeld. Een vergelijkbare bepaling kan in de cao worden opgenomen. In deze bepaling is geregeld dat het college de noodzakelijk gemaakte medische kosten van de vrijwilliger bij de brandweer, die ontstaan zijn als gevolg van een dienstongeval, vergoedt. De vergoeding bedraagt ten hoogste het bedrag waarvoor het college zich ter zake heeft verzekerd. In bijzondere gevallen kan het college een uitzondering maken en een tegemoetkoming verstrekken in de eventueel hogere kosten. In het artikel 7:658 BW is de aansprakelijkheid van de werkgever jegens de werknemer geregeld voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
Wanneer de werknemer medische kosten maakt, waarvoor de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is, dienen deze kosten volledig door de werkgever te worden vergoed. De bepaling in artikel 19:26 CAR-UWO, dat de vergoeding ten hoogste het bedrag bedraagt waarvoor het college zich ter zake heeft verzekerd, is in strijd met artikel 7:658 BW, voor zover het gaat om medische kosten waarvoor de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is. Na de inwerkingtreding van Wnra zal deze bepaling moeten worden gewijzigd (of zal deze bepaling niet langer (volledig) gelden). De Brandweerkamer zou om deze reden kunnen overwegen om in geval van sluiten van een nieuwe cao artikel 19:26 CAR-UWO weg te laten, nu de aansprakelijkheid van de werkgever uitputtend in de het Burgerlijk Wetboek is neergelegd. Van deze regels uit het Burgerlijk Wetboek kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken. In deze bepaling is geregeld dat het college ten behoeven van de vrijwilliger bij de brandweer, die zelfstandig ondernemer is, een aanvullende verzekering kan sluiten die voorziet in een uitkering bij blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval. Artikel 7:658 BW legt een ruime zorgplicht op aan de werkgever om te voorkomen dat de werknemer schade oploopt in de uitoefening van zijn werkzaamheden.
In het kader van de zorgplicht kan van de werkgever worden verwacht dat hij de werknemer verzekert tegen bedrijfsongevallen. In artikel 19:27 CAR-UWO staat dat het college een aanvullende verzekering “kan” afsluiten. Deze bepaling kan ook na de normalisering worden gehandhaafd. Bedacht moet worden dat de werkgever in beginsel in ieder geval verplicht zal zijn om een arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten. In deze bepaling is geregeld dat het college de vrijwilliger bij de brandweer de schade aan zijn kleding, uitrusting en een hem toebehorend motorrijtuig, die hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem verrichte werkzaamheden, vergoedt. De werkgever is verplicht om de schade te vergoeden die zijn werknemers lijden bij de uitoefening van hun werkzaamheden, tenzij sprake is van
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
75/90
opzet of bewuste roekeloosheid. Artikel 19:28 CAR-UWO is conform de regels van het civiele arbeidsrecht. In de cao kan een vergelijkbare bepaling worden opgenomen. Evenwel kan de bepaling ook worden weggelaten nu het civiele recht reeds in een vergelijkbare regeling voorziet.
Artikel 19:29 CAR-UWO (Zwangerschap)
NB: Uitkeringen wegens schade of verlies van persoonlijke zaken (bijvoorbeeld kleding) zijn vrijgesteld van loonheffing. Voorwaarde is dat de schade of verlies moet zijn ontstaan door een gebeurtenis die samenhangt met de dienstbetrekking. In deze bepaling is geregeld dat de vrijwilliger bij de brandweer haar zwangerschap in een zo vroeg mogelijk stadium meldt. Gedurende zwangerschap, tot zes maanden daarna en tijdens de periode van borstvoeding wordt de vrijwilliger niet ingezet voor repressieve brandweeractiviteiten. Deelname aan brandweeroefeningen vindt alleen plaats na voorafgaande toestemming door de bedrijfsarts. Op de werkgever rust de verantwoordelijk om zorg te dragen dat de werknemer veilig en gezond kan werken. Dit kan betekenen dat tijdens de zwangerschap bepaalde werkzaamheden niet langer kunnen worden uitgeoefend omdat deze gevaarlijk zijn voor de werknemer en de ongeboren vrucht. De werkgever moet er zorg voor dragen dat de werknemer niet onder gevaarlijke omstandigheden werkzaam is. Om deze reden kan de werkgever de werknemer tijdens de zwangerschap (en daarna) ander werk geven of (in het uiterste geval) vrijstellen van werk. Wanneer de werkgever geen passend en “veilig” werk voor handen heeft en om die reden de werknemer tijdelijk vrijgesteld wordt van werk dient het loon van de werknemer in deze periode te worden doorbetaald.
Zie voor een bespreking van deze loondoorbetalingsverplichting de toelichting bij artikel 19:20 CAR-UWO (Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap).
Artikel 19:30 CAR-UWO (Beschikbaarheid van de vrijwilliger) Artikel 19:31 CAR-UWO (Verplichtingen)
Indien de betaling van loon wordt voldaan volgens de bij de toelichting van artikel 19:20 CAR-UWO besproken eisen, heeft de werkgever het recht (en in sommige gevallen zelfs de verplichting) om de werknemer in bepaalde situaties tijdens de zwangerschap (en daarna) vrij te stellen van werk. Artikel 19:29 CAR-UWO is conform de regels van het civiele arbeidsrecht. In de cao kan een vergelijkbare bepaling worden opgenomen. In deze bepaling is opgenomen dat het college regels kan stellen over de beschikbaarheid van de vrijwilliger bij de brandweer. De vrijwilliger neemt deel aan oefeningen, bijeenkomsten en cursussen die door of vanwege het college zijn georganiseerd. Indien de vrijwilliger niet beschikbaar is moet dit tijdig worden gemeld, onder opgave van redenen en overeenkomstig de instructie van het college. In de cao kan een vergelijkbare bepaling worden opgenomen. In deze bepaling is geregeld dat de vrijwilliger bij de brandweer zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig dient te verrichten en zich dient te gedragen als een goed vrijwilliger. Deze regel komt overeen met de op basis van artikel 7:611 BW geldende norm van het goed werknemerschap. Nu in het Burgerlijk Recht deze norm reeds wettelijke is vastgelegd, adviseren wij dit artikel niet te laten terugkeren in een eventueel te
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
76/90
Artikel 19:32 CAR-UWO (Eed of belofte)
Artikel 19:33 CAR-UWO (Verboden)
Artikel 19:34 CAR-UWO (Gebruik van motorrijtuig) Artikel 19:35 CAR-UWO (Kledingvoorschriften)
Artikel 19:36 CAR-UWO (Verboden ten aanzien van de kleding)
sluiten cao. Na de inwerkingtreding van de Wnra zal de werknemer de verplichting om zich “goed” te gedragen immers reeds kennen op basis van artikel 7:611 BW. In deze bepaling is geregeld dat de vrijwilliger bij de brandweer verplicht de eed of belofte aflegt. Na de inwerkingtreding van de Wnra is deze verplichting in artikel 5 van de nieuwe Ambtenarenwet vastgelegd. Om deze reden kan dit artikel na de inwerkingtreding van de Wnra worden weggelaten in een eventueel te sluiten cao. Bij cao zou wel kunnen worden geregeld op welke wijze het afleggen van de eed of de belofte praktisch wordt vormgegeven. In deze bepaling is geregeld dat het de vrijwilliger bij de brandweer verboden is om eigendommen van gemeente zonder toestemming aan te wenden voor persoonlijk gebruik, vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen en/of steekpenningen aan te nemen. In artikel 8 van de nieuwe Ambtenarenwet zijn vergelijkbare bepalingen opgenomen. Om die reden kan dit artikel na de inwerkingtreding van de Wnra worden weggelaten in een eventueel te sluiten cao. In deze bepaling is geregeld dat de vrijwilliger bij de brandweer slechts een motorrijtuig (in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen) mag gebruiken ten behoeve van zijn werkzaamheden als vrijwilliger, indien hem daartoe door het college toestemming is verleend.
Een vergelijkbare bepaling kan in de cao worden opgenomen. In deze bepaling is geregeld dat de vrijwilliger bij de brandweer verplicht is om tijdens zijn werkzaamheden de door of namens het college voorgeschreven dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen. De dienstkleding wordt kosteloos door het college aan de vrijwilliger verstrekt en het college is verantwoordelijk voor de reparatie van de kleding. De vrijwilliger draagt zorg voor de het onderhoud van de kleding en levert de kleding bij ontslag in. De bevoegdheid van de werkgever om voorschriften uit te vaardigen over de kleding valt onder het instructierecht van de werkgever. Deze bevoegdheid moet worden uitgeoefend binnen de grenzen van de redelijkheid en billijkheid. De beoordeling hiervan geschiedt aan de hand van alle omstandigheden van het geval zoals de i) aard van het bedrijf, ii) functie van de werknemer, iii) de vraag of de gestelde eisen noodzakelijk zijn voor een deugdelijke uitoefening van de functie, iv) de plaats van vestiging, v) de klantenkring en vi) de maatschappelijke opvattingen. Gelet op het belang dat de brandweer heeft bij een uniforme herkenbare uitstraling en het dragen van kleding die voldoet aan hoge veiligheidseisen, lijkt het ons voor de hand liggend dat de brandweer kledingvoorschriften hanteert. Een vergelijkbare bepaling kan in de cao worden opgenomen.
In deze bepaling is geregeld dat het de vrijwilliger bij de brandweer verboden is om uitrustingsstukken te dragen wanneer hij geen werkzaamheden als vrijwilliger verricht of dienstkleding te dragen voorzien van andere rangonderscheidingstekenen en/of insignes dan die verbonden aan de rang, behorende bij de functie die de vrijwilliger bekleedt. Een vergelijkbare bepaling kan in de cao worden opgenomen.
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
77/90
Artikel 19:37 CAR-UWO (Vergoeding van de schade)
Artikel 19:38 CAR-UWO (Plichtsverzuim)
In deze bepaling is geregeld dat de vrijwilliger die door zijn schuld of nalatigheid de gemeente schade toebrengt, verplicht kan worden deze schade geheel of gedeeltelijk te vergoeden. In artikel 7:661 BW is vastgelegd dat de werknemer slechts schadeplichtig is tegenover de werkgever wanneer de schade het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Deze norm legt de grens voor aansprakelijkheid van de werknemer hoger dan de norm die in artikel 19:37 CAR-UWO is opgenomen. Op grond van artikel 7:661, tweede lid, BW kan alleen van deze norm worden afgeweken bij schriftelijke overeenkomst en slechts voor zover de werknemer ter dier zake verzekerd is. Omdat deze bepaling in strijd is met regels van civiel arbeidsrecht zal deze bepaling na de normalisering niet kunnen worden gehandhaafd. Er hoeft na de inwerkingtreding Wnra geen nieuwe regeling te worden vormgegeven omdat artikel 7:661 BW reeds voorschriften geeft op dit gebied. In deze bepaling is geregeld dat de werknemer die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt disciplinair kan worden gestraft. Als plichtsverzuim wordt aangemerkt zowel het overtreden van een voorschrift als het overige doen of nalaten van iets dat een goed vrijwilliger in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Plichtsverzuim is een typisch ambtenaarrechtelijk begrip.
Binnen het civiele arbeidsrecht kan niet op grond van plichtsverzuim een disciplinaire straf worden opgelegd zoals een boete, vermindering van salaris, berisping, enz. Deze maatregelen zijn binnen het civiele arbeidsrecht ofwel niet geëigend ofwel slechts onder andere dan in de CAR-UWO geregelde voorwaarden mogelijk. Om deze reden adviseren wij om artikel 19:38 CAR-UWO niet in een eventueel te sluiten cao op te nemen. NB: Dit betekent niet dat plichtsverzuim niet langer rechtspositioneel kan worden gesanctioneerd. Tegen de werknemer die een voorschrift (uit de eventueel te sluiten cao) overtreedt of zich niet als goed werknemer gedraagt kan op basis van het civiele arbeidsrecht onder omstandigheden een rechtspositionele maatregel worden opgelegd. Voorbeelden van sancties binnen het civiele arbeidsrecht Boete: Wanneer de werkgever een boete wil opleggen kan dit door het opnemen van een voorschrift hierover in de arbeidsovereenkomst. In de arbeidsovereenkomst zal de overtreding waarop de boete is gesteld en het bedrag van de boete moeten worden vermeld. De werknemer moet hier mee instemmen (zie artikel 7:650 BW). Schriftelijke berisping: Vergelijkbaar met de disciplinaire straf “schriftelijke berisping” kan een officiële waarschuwing worden gegeven aan een werknemer.
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
78/90
Artikel 19:39 CAR-UWO (Disciplinaire straffen)
Artikel 19:40 CAR-UWO (Schorsing in het belang van de dienst)
Artikel 19:41 CAR-UWO (Ontslag op eigen verzoek)
Artikel 19:42 CAR-UWO (Ongevraagd ontslag)
Schorsing: In het BW is de ordemaatregel schorsing niet beschreven. Uit de norm van het goed werkgeverschap en goed werknemerschap (artikel 7:611 BW) vloeit echter voort dat bij een schorsing zowel de belangen van de werkgever als die van de werknemer moeten worden meegewogen. Bij een schorsing zonder behoud van loon moet sprake zijn ‘ernstig verwijtbaar’ handelen van de werknemer. Daarnaast moet in een schorsing zonder behoud van loon zijn voorzien bij cao of arbeidsovereenkomst. In deze bepaling worden verschillende disciplinaire straffen beschreven. Binnen het civiele arbeidsrecht kan niet op grond van plichtsverzuim een disciplinaire straf worden opgelegd zoals een boete, vermindering van salaris, berisping, enz. Deze maatregelen zijn binnen het civiele arbeidsrecht ofwel niet geëigend ofwel slechts onder andere dan in de CAR-UWO geregelde voorwaarden mogelijk. Om deze reden adviseren wij om artikel 19:39 CAR-UWO niet in een eventueel te sluiten cao op te nemen. Zie voor mogelijke disciplinaire straffen onze toelichting bij artikel 19:38 CAR-UWO. In deze bepaling is geregeld dat de vrijwilliger bij de brandweer voor bepaalde tijd kan worden geschorst wanneer i) hem de straf van disciplinair ontslag is opgelegd, ii) hij een gevangenisstraf moet uitzitten, iii) tegen hem een strafrechtelijke vervolging is ingesteld en iv) het belang van de dienst dit noodzakelijk maakt.
Dit artikel is te algemeen geformuleerd. In het BW is de ordemaatregel schorsing niet beschreven. De mogelijkheid van schorsing moet van geval tot geval worden beoordeeld. Uit de norm van het goed werkgeverschap en goed werknemerschap (artikel 7:611 BW) vloeit echter voort dat bij een schorsing zowel de belangen van de werkgever als die van de werknemer moeten worden meegewogen. Bij een schorsing zonder behoud van loon moet sprake zijn ‘ernstig verwijtbaar’ handelen van de werknemer. Daarnaast moet in een schorsing zonder behoud van loon zijn voorzien bij cao of arbeidsovereenkomst. Om deze reden adviseren wij om artikel 19:40 CAR-UWO niet in de eventueel te sluiten cao op te nemen. In deze bepaling is geregeld dat het college eervol ontslag verleent aan de vrijwilliger die daarom verzoekt. Dit ontslag wordt verleend met ingang van een datum die ten minste een maand en ten hoogste drie maanden ligt na de datum van ontvangst van het verzoek. Op grond van artikel 7:672, vierde lid, BW is de opzegtermijn van werknemer in beginsel 1 maand. Bij cao of in de arbeidsovereenkomst kan hiervan schriftelijk worden afgeweken, mits de opzegtermijn niet langer is dan zes maanden en voor de werkgever niet korter dan het dubbele van die voor de werknemer. In de cao kan een bepaling worden opgenomen waarin de opzegtermijn wordt verlengd, mits is voldaan aan artikel 7:672, vierde lid, BW.
In deze bepaling is geregeld op welke gronden het college de vrijwilliger bij de brandweer ongevraagd ontslag kan verlenen. Het ontslagstelsel zoals dat in de CAR-UWO is geregeld, is in strijd met de dwingendrechtelijke regels van het civiele arbeidsrecht. Omdat de meeste regels van het civiele ontslagrecht van dwingend recht zijn, kunnen over de meeste ontslagonderwerpen geen afspraken bij cao worden gemaakt.
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
79/90
Artikel 19:43 CAR-UWO (Einde tijdelijk dienstverband)
In deze bepaling is geregeld dat een tijdelijke aanstelling van rechtswege eindigt op de laatste dag van de periode waarvoor deze is aangegaan. Wordt het dienstverband nadien feitelijk gehandhaafd zonder dat opnieuw een tijdelijke aanstelling is verleend, dan is de vrijwilliger met ingang van de eerste dag na het verstrijken van vorenbedoelde periode in vaste dienst. Daarnaast is in deze bepaling opgenomen dat de aanstelling tussentijds kan worden beëindigd op gronden als genoemd in artikel 19:42 CAR-UWO. Het civiele arbeidsrecht kent in plaats van de tijdelijke aanstelling de figuur van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (zie voor een bespreking de toelichting bij artikel 19:6 CAR-UWO). De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege. Er geldt op grond van artikel 7:668 BW evenwel een aanzegverplichting voor de werkgever één maand voor het aflopen van de arbeidsovereenkomst. Indien de werkgever deze verplichting niet nakomt, is hij de werknemer een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand of, indien de verplichting niet tijdig is nagekomen, een vergoeding naar rato.
Artikel 19:44 CAR-UWO *ontbreekt* Artikel 19:45 CAR-UWO *vervallen*
Wanneer de werkgever en de werknemer de uitvoering van de werkzaamheden laten voortduren na het einde van de periode waarvoor de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, wordt de arbeidsovereenkomst geacht stilzwijgend te zijn verlengd. Dit kan tot gevolg hebben dat de werknemer recht heeft op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (zie voor een bespreking de toelichting bij artikel 19:6 CAR-UWO). Omdat het Burgerlijk Wetboek voorziet in een regeling op dit gebied adviseren wij om in een eventueel te sluiten cao hierover geen bepaling op te nemen. -
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
6
Alternatieven
6.1
U stelde ons de vraag of er alternatieven zijn voor een arbeidsovereenkomst en indien dat antwoord bevestigend luidt, verzoekt u ons te bezien of hiervoor een vorm gevonden kan worden die vergelijkbaar is met die van de huidige vrijwilliger bij de Brandweer.
6.2
Zoals hierboven geschetst, heeft de normalisering voor de brandweervrijwilligers tot gevolg dat hun rechtspositie een andere inhoud krijgt, omdat de kwalificatie van de rechtsverhouding als arbeidsovereenkomst de toepasselijkheid van diverse wetten tot gevolg heeft.
6.3
Artikel 14 van de nieuwe Ambtenarenwet bepaalt dat een aanstelling van rechtswege een arbeidsovereenkomst wordt. Om te voorkomen dat er een arbeidsovereenkomst tot stand komt tussen de vrijwilliger en de gemeente, dient toepasselijkheid van artikel 14 Ambtenarenwet derhalve te worden vermeden. Dat kan als vóór de inwerkingtreding van de Wnra geen sprake (meer) is van een aanstelling. In dat geval is er op het moment van inwerkingtreding van de Wnra immers geen aanstelling die op grond van artikel 14 Ambtenarenwet converteert in een arbeidsovereenkomst.
6.4
Dit betekent dat de aanstelling van de brandweervrijwilligers vóór inwerkingtreding van de Wnra zou moeten worden beëindigd. Tegelijkertijd dient een overeenkomst te worden aangeboden waarin de rechtspositie zoals die nu reeds geldt op grond van hoofdstuk 19 CAR-UWO, op dezelfde manier is vormgegeven.
6.5
Alternatieven zoals door u verzocht bestaan derhalve uit twee aspecten, waarbinnen verschillende mogelijkheden bestaan om die vorm te geven: 1) ontslag en 2) aanbod van een nieuwe overeenkomst met de inhoud van hoofdstuk 19 CAR-UWO. Ad 1) ontslag
6.6
Het ontslag vóór de datum van inwerkingtreding van de Wnra kan worden vormgegeven door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst of door het eenzijdig verlenen van ontslag met toepassing van hoofdstuk 19 CAR-UWO.
6.7
Zowel bij het eenzijdig verlenen van ontslag als bij het overeenkomen van het ontslag in een vaststellingsovereenkomst dient een ontslaggrond te worden gekozen. Artikel 19:42 CAR-UWO bepaalt welke ontslaggronden kunnen worden gebruikt bij het ontslag van een vrijwilliger. In deze situatie ligt de ontslaggrond ‘andere gronden’ zoals genoemd in artikel 19:42 lid 1 sub h CAR-UWO het meest voor de hand. Voor deze ontslaggrond kan een vergelijking worden getrokken met de ontslaggrond zoals opgenomen in artikel 8:8 CAR-UWO. Deze ontslaggrond wordt gehanteerd als er
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
81/90
sprake is van een onomkeerbare vertrouwensbreuk of impasse. Deze norm is echter volkomen open geformuleerd. De enige optie lijkt dan ook om de aanstelling te beëindigen op grond van andere gronden. Handhaving van de aanstelling in het licht van de normalisering zou immers een forse wijziging van de rechtspositie betekenen waardoor ongewijzigde voortzetting van de vrijwillige brandweerorganisatie niet kan worden gevergd. Indien tegelijkertijd met het ontslag een nieuwe overeenkomst met dezelfde inhoud zou kunnen worden aangeboden, is een dergelijk ontslag verdedigbaar. Er is echter geen precedent voor deze situatie, waardoor moeilijk voorspeld kan worden of een ontslag op andere gronden bij een rechterlijke toetsing stand zou kunnen houden. Zoals uit het navolgende blijkt is bovendien het aanbieden van een overeenkomst die precies de inhoud heeft van het huidige hoofdstuk 19 CARUWO en de huidige vergoedingsregelingen echter niet zonder meer mogelijk. Ad 2) nieuwe overeenkomst 6.8
Aan de vrijwilligers dient een nieuwe overeenkomst te worden aangeboden. De in de wet geregelde mogelijkheden van overeenkomst tot aanneming van werk en de overeenkomst van opdracht liggen niet voor de hand. De overeenkomst tot aanneming van werk ziet op totstandkoming van een werk van stoffelijke aard zoals een gebouw, drukwerk etc. Brandweervrijwilligers brengen echter geen werk van stoffelijke aard tot stand. Een overeenkomst van opdracht ligt evenmin voor de hand nu de vrijwilliger een geringe mate van vrijheid heeft ten aanzien van zijn inzet en deelname aan oefeningen en cursussen en het werk ook persoonlijk dient te verrichten en zich niet kan laten vervangen.
6.9
Het ligt het meest voor de hand om de afspraken tussen de vrijwilliger en de organisatie waarvoor de vrijwilliger zich inzet, vast te leggen in een vrijwilligersovereenkomst. Dit is een niet in de wet geregelde overeenkomst zodat partijen in hoge mate vrij zijn om hierin verplichtingen over en weer vast te leggen. Hierna wordt dit nader uitgewerkt.
7
Vrijwilligersovereenkomst
7.1
Een vrijwilligersovereenkomst is een overeenkomst tussen een organisatie en een natuurlijke persoon waarin de afspraken zijn opgenomen in verband met de werkzaamheden die de natuurlijke persoon op vrijwillige basis voor de organisatie uitvoert. In de vrijwilligersovereenkomst zouden de bepalingen die nu zijn opgenomen in hoofdstuk 19 CAR-UWO, met de individuele vrijwilliger kunnen worden overeengekomen. Het is echter van belang dat de vrijwilligersovereenkomst niet kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. Gelet op de bescherming die van het arbeidsrecht uitgaat is niet de enkele bedoeling van partijen daarvoor beslissend doch de aard van de verplichtingen die partijen over en weer aangaan. Dit lichten wij toe als volgt.
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
82/90
Onderscheid vrijwilligersovereenkomst en arbeidsovereenkomst 7.2
Onafhankelijk van de benaming die partijen aan een overeenkomst geven, beoordeelt de rechter of in feitelijke situatie sprake is van een arbeidsovereenkomst. Of al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt beoordeeld aan de hand van artikel 7:610 BW.
7.3
Artikel 7:610 lid 1 BW bepaalt dat een arbeidsovereenkomst de overeenkomst is waarbij de werknemer zich verbindt in dienst van de werkgever tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Er dient derhalve te zijn voldaan aan de volgende criteria:
7.4
1.
een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid,
2.
een gezagsverhouding en
3.
een verplichting tot het betalen van loon.
De kwalificatie van een overeenkomst als arbeidsovereenkomst staat (ter bescherming van de werknemer) niet ter vrije beschikking van partijen. Voor de beantwoording van de vraag of de rechtsverhouding tussen partijen als een arbeidsovereenkomst dient te worden aangemerkt, moet worden getoetst of de inhoud van die rechtsverhouding voldoet aan bovengenoemde criteria. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, niet alleen wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, maar ook de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en daaraan inhoud hebben gegeven. Zie: HR 13 juli 2007, NJ 2007, 449; HR 25 maart 2011, NJ 2011, 594.
7.5
Niet een enkel kenmerk is beslissend, maar de gezamenlijke omstandigheden in onderling verband bezien. Zie: HR 14 november 1997, NJ 1998, 149; HR 10 oktober 2003, JAR 2003, 263.
7.6
Voor de vraag of een vrijwilligersovereenkomst, gesloten met een vrijwillige brandweerman en met daarin de bepalingen van hoofdstuk 19 CAR-UWO, een arbeidsovereenkomst betreft, moet derhalve worden bezien of aan de elementen van een arbeidsovereenkomst wordt voldaan.
7.7
Toepassing van deze elementen op de positie van de vrijwillige brandweerman levert het volgende op. Een brandweervrijwilliger is verplicht persoonlijk arbeid te verrichten en ook mag worden aangenomen dat er een gezagsverhouding bestaat. Sterke aanwijzing daarvoor is artikel 19:30 CAR-UWO, waarin is bepaald dat het college regels geeft over de beschikbaarheid van de vrijwillige, dat de vrijwillige deel dient te nemen aan cursussen en oefeningen en dat een vrijwillige tijdig moet melden wanneer
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
83/90
hij niet beschikbaar is. De mate van zelfstandigheid ten aanzien van het inrichten van de arbeid is gering. De vrijheid de arbeid zelf in te richten is niet aanwezig. Aan de elementen 1) persoonlijke arbeid en 2) gezagsverhouding van artikel 7:610 BW achten wij derhalve voldaan. 7.8
Dan is voor de kwalificatie van een arbeidsovereenkomst van groot belang of de vergoeding die de vrijwillige brandweerman ontvangt van de gemeente als loon in de zin van artikel 7:610 BW kan worden aangemerkt. Het maakt daarbij niet uit of deze vergoeding onder het minimumloon ligt.
7.9
Veel vrijwilligers ontvangen een onbelaste onkostenvergoeding. Indien aan een vrijwilliger een vergoeding wordt toegekend, waartegenover geen aantoonbare kosten staan, wordt de vergoeding niet als onkostenvergoeding aangemerkt maar als loon beschouwd. J.M. van Slooten, “Arbeid en loon”, Deventer: Kluwer, 1999, blz. 71 “Er is (...) wel eens betoogd dat er geen sprake is van loon wanneer de omvang daarvan zeer bescheiden is. Dat probleem wordt meestal opgelost door de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Op grond daarvan zal een zeer laag loon in beginsel moeten worden aangevuld tot de in de wet voorziene grens. Bij zeer lage lonen gaat het meestal om vrijwilligers die een onkostenvergoeding krijgen. Wanneer die vergoeding evenwel meer bedraagt dan hetgeen nodig is om onkosten te dekken die in verband met het werk zijn gemaakt, is sprake van loon.” Y. Berkeljon en D. Criste, Vrijwilligerswerk, de stille reserve van onze welvaartstaat, NJB 2011/672. “Als immers een aanspraak op een vergoeding is afgesproken waartegenover geen aantoonbare kosten hoeven te staan, dan kunnen de aldus toegekende vergoedingen niet als kostenvergoedingen worden aangemerkt, maar dienen ze als loon beschouwd te worden. In dat geval voldoet de betreffende vrijwilligersovereenkomst aan alle wettelijke kenmerken van de arbeidsovereenkomst, hetgeen nogal wat rechtsgevolgen met zich brengt.”
7.10
Een aanwijzing of sprake is van loon of van een onbelaste vrijwilligersvergoeding geeft ook de Wet op de Loonbelasting 1964 (Wet LB 1964). Art. 2 lid 6 Wet LB 1964 bevat een bijzondere regeling voor vrijwilligers. Deze bepaling regelt dat personen die niet bij wijze van beroep werkzaamheden verrichten voor een algemeen nut beogende instelling, een sportorganisatie of een niet als zodanig aan te merken lichaam dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of daarvan is vrijgesteld, werkzaam zijn als vrijwilliger. Indien die personen uitsluitend vergoedingen of verstrekkingen ontvangen met een gezamenlijke waarde van ten hoogste € 150 per maand en € 1500 per kalenderjaar worden zij niet als werknemers in de zin van de Wet LB 1964 aangemerkt. De vergoedingen blijven in dat geval onbelast. Als door een vrijwilliger meer dan € 150 per maand of € 1500 per jaar wordt ontvangen dan is de
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
84/90
vrijwilligersregeling in zijn geheel niet van toepassing. Er kan geen splitsing plaatsvinden. Gelet op de hoogte van de vergoedingen zoals genoemd in bijlage IIB CAR-UWO en de hoogte van het minimumloon, zullen de leden van de brandweer thans en na de omzetting waarschijnlijk niet onder de vrijwilligersregeling uit art. 2 lid 6 Wet LB 1964 vallen. Bovendien is het ons inziens de vraag of een lid van de vrijwillige brandweer kan worden aangemerkt als vrijwilliger in de zin van de Wet LB 1964, omdat een gemeente onderworpen kan zijn aan vennootschapsbelasting. 7.11
Uit de rechtspraak blijkt dat de (aanvankelijke) kwalificatie van beide partijen van werkzaamheden als vrijwilligerswerk, niet in de weg staat aan het aannemen van een arbeidsovereenkomst als aan de elementen loon, gezag en arbeid wordt voldaan. Op welke wijze loon wordt betaald is daarvoor niet relevant: als aan een vrijwilliger toegekende vergoeding meer is dan vergoeding voor gemaakte kosten betreft dat loon. Hoge Raad 12 oktober 2001, NJ 2001, 635, JAR 2001/217 (Huize Bethesda/Van der Vlies) Van der Vlies maakt deel uit van het geloofsgemeenschap Evangelie der Eerste Christengemeente. Ten behoeve van de activiteiten van deze organisatie zijn in 1965 en 1969 de Stichtingen Verpleeginrichting voor bejaarden Huize Bethesda en Huize Eliëzer opgericht. Deze stichtingen exploiteren beide een verpleeghuis. Van der Vlies verricht sinds 1 mei 1969 werkzaamheden voor deze verpleeghuizen in de bejaardenzorg en daarnaast bereidt en brengt zij maaltijden rond voor zelfstandig wonende bejaarden. Van der Vlies krijgt kost en inwoning in een van de bejaardentehuizen en krijgt daarnaast vakantiegeld en een kerstgratificatie. Huize Bethesda stelt dat er sprake is van vrijwilligerswerk van Van der Vlies.
De rechter besliste echter dat in de verhouding tussen partijen kan worden gesproken van loon, het geven van instructies met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden en de goede orde in de onderneming, zodat sprake is van en arbeidsovereenkomst. Als gevolg van deze kwalificatie moest met terugwerkende kracht over vijf jaar loon worden aangevuld. Heeft de vrijwilliger bij de brandweer naar civiel arbeidsrecht een arbeidsovereenkomst?
7.12
De vergoedingen van de vrijwilliger bij de brandweer zijn opgenomen in artikel 19:13 e.v. CAR-UWO. Uit deze bepalingen blijkt dat de vrijwilliger bij de brandweer een jaarvergoeding ontvangt waarin een bedrag is opgenomen ter vergoeding van onkosten. Uit de redactie van deze bepaling blijkt dat niet de gehele jaarvergoeding is aan te merken als een onkostenvergoeding. Wat betreft de andere in artikel 19:13 e.v. CAR-UWO genoemde vergoedingen kunnen wij niet beoordelen of deze al dan niet als vergoeding moeten gelden voor werkelijk gemaakte kosten. De redactie van de bepalingen geeft daar geen aanwijzingen voor.
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
85/90
7.13
Nu blijkt dat de jaarvergoeding meer is dan enkel een onkostenvergoeding voor daadwerkelijk gemaakte kosten, moet dat meerdere worden aangemerkt als loon als bedoeld in artikel 7:610 BW. Omdat de vrijwilliger bij de brandweer daarnaast in een ondergeschikte positie arbeid verricht, is aan alle in artikel 7:610 BW beschreven kenmerken van de arbeidsovereenkomst voldaan en zijn er derhalve sterke aanwijzingen dat een vrijwilliger, naar civiel arbeidsrecht, aanspraak kan maken op een arbeidsovereenkomst en de daaruit voorvloeiende rechten en verplichtingen. Er zijn slechts enkele elementen die deze conclusie tegenspreken. Zoals hierboven beschreven betreft dit de kwalificatie door partijen als vrijwilligersovereenkomst en het feit dat de rechtspositie overeenkomt met de rechtspositie van vóór de normalisering. Bovendien wordt niet doorbetaald bij ziekte en vakantie en heeft een vrijwilliger (naar wij aannemen) een andere baan, welke werkgever in de rechtspositie als ‘hoofdwerkgever’ wordt benoemd.
7.14
Gelet op het voorgaande achten wij de kans groot dat ook als een vrijwilligersovereenkomst wordt gesloten met de kenmerken van de huidige rechtsverhouding deze zal worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst. De rechtspositie van de brandweervrijwilliger is een vreemde eend in de bijt van het civiele arbeidsrecht en lijkt in dat civiele stelsel niet goed in te passen.
7.15
Indien gewenst wordt de rechtspositie van de vrijwillige brandweer ongewijzigd te handhaven, is de beste optie dat via de wetgever te doen. In artikel 3 Wnra is een aantal categorieën van de werking van de wet uitgezonderd. Voor hen geldt dat om uiteenlopende redenen de huidige ambtelijke verhoudingen gehandhaafd blijven. Indien de vrijwillige ambtenaren van de brandweer zouden worden uitgezonderd doet zich dit probleem niet voor. Of dit een bespreekbare optie is, kunnen wij niet goed beoordelen. ***
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
86/90
Bijlage II
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
87/90
Profielen groepen Brandweervrijwilligers en beroepsbrandweer 1
Vrije instroom15 1) Wijze van beschikbaarstelling
2) Minimum beschikbaarheidseisen 3) Opkomstplicht
4) Minimum afstand tot Kazerne (locatie)
5) Locatie werkzaamheden 6) Fitheidseisen bij indiensttreding 7) Opleiding-/oefeningseisen gedurende dienstverband
8) Fitheidseisen gedurende dienstverband
9) Opleidingseisen
10) Onderscheidende werkzaamheden
De Brandweervrijwilliger in deze groep hoeft zijn beschikbaarheid niet door te geven. Een deel van de Brandweervrijwilligers in deze groep geeft door wanneer zij in beginsel beschikbaar zijn om opgeroepen te worden. Er zijn geen landelijke eenduidige beschikbaarheidseisen. Lokaal kunnen beschikbaarheidseisen gelden. De Brandweervrijwilliger in deze groep heeft niet de verplichting om gehoor te geven aan oproep. Ook niet wanneer hij heeft aangegeven dat hij in beginsel beschikbaar is om te worden opgeroepen. De Brandweervrijwilliger in deze groep hoeft zich niet binnen een bepaalde afstand van de kazerne te bevinden. Ook niet wanneer hij heeft aangegeven dat hij in beginsel beschikbaar is om te worden opgeroepen. Kazerne of externe locatie Voor alle groepen Brandweervrijwilligers, evenals de leden van de beroepsbrandweer, gelden dezelfde fitheidseisen. De Brandweervrijwilliger in deze groep is in beginsel niet verplicht om oefeningen te volgen. De frequentie van de oefeningen is lokaal beleid. Indien de Brandweervrijwilliger in deze groep gedurende lange tijd geen opleidingen/oefeningen volgt, volgt mogelijk een gesprek waarin hij wordt gewezen op het belang van het volgen van opleidingen/oefeningen. Dit kan mogelijk rechtspositionele gevolgen hebben. De fitheid van Brandweervrijwilligers wordt periodiek getest. De keuringsfrequentie verschilt per leeftijdsgroep.
Voor alle groepen Brandweervrijwilligers, evenals de leden van de beroepsbrandweer, gelden dezelfde fitheidseisen. Voor Brandweervrijwilligers en leden van de beroepsbrandweer met dezelfde functie gelden dezelfde opleidingsvereisten. Zie het Besluit personeel Veiligheidsregio’s met per functie minimumeisen. De Brandweervrijwilligers in deze groep voeren nauwelijks tot geen werkzaamheden uit op de kazerne.
15
Wij hebben het ‘niet repressieve profiel’ geschaard onder de groep ‘Vrije instroom’. Voor de niet repressieve Brandweervrijwilliger gelden geen fitheids- en/of opleidingsvereisten. Om deze reden gelden de punten 6 t/m 9 niet voor de repressieve Brandweervrijwilliger.
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
2
Gebonden instroom
1) Wijze van beschikbaarstelling
2) Minimum beschikbaarheidseisen 3) Opkomstplicht
4) Minimum afstand tot Kazerne (locatie) 5) Locatie werkzaamheden 6) Fitheidseisen bij indiensttreding 7) Opleiding-/oefeningseisen gedurende dienstverband
8) Fitheidseisen gedurende dienstverband
9) Opleidingseisen
10) Onderscheidende werkzaamheden
De Brandweervrijwilliger in deze groep geeft zijn beschikbaarheid door (aanmelding). De Brandweervrijwilliger in deze groep kiest zelf op welke momenten hij beschikbaar is (zich aanmeldt). Er zijn geen landelijke eenduidige beschikbaarheidseisen. Lokaal kunnen beschikbaarheidseisen gelden. De Brandweervrijwilliger in deze groep dient gehoor te geven aan een oproep die wordt gedaan binnen het tijdvak waarin hij zich heeft ‘aangemeld’. Gedurende de periode dat de Brandweervrijwilliger in deze groep is ‘aangemeld’ dient hij zich binnen een bepaalde afstand van de Kazerne te bevinden. Kazerne of externe locatie Voor alle groepen Brandweervrijwilligers, evenals de leden van de beroepsbrandweer, gelden dezelfde fitheidseisen. De Brandweervrijwilliger in deze groep is in beginsel niet verplicht om oefeningen te volgen. De frequentie van de oefeningen is lokaal beleid. Indien de Brandweervrijwilliger in deze groep gedurende lange tijd geen opleidingen/oefeningen volgt, volgt mogelijk een gesprek waarin hij wordt gewezen op het belang van het volgen van opleidingen/oefeningen. Dit kan mogelijk rechtspositionele gevolgen hebben. De fitheid van Brandweervrijwilligers wordt periodiek getest. De keuringsfrequentie verschilt per leeftijdsgroep. Voor alle groepen Brandweervrijwilligers, evenals de leden van de beroepsbrandweer, gelden dezelfde fitheidseisen.
Voor Brandweervrijwilligers en leden van de beroepsbrandweer met dezelfde functie gelden dezelfde opleidingsvereisten. Zie het Besluit personeel Veiligheidsregio’s met per functie minimumeisen. De Brandweervrijwilligers in deze groep voeren nauwelijks tot geen werkzaamheden uit op de kazerne.
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
3
Kazernering
1) Wijze van beschikbaarstelling
2) Minimum beschikbaarheidseisen 3) Opkomstplicht
4) Minimum afstand tot Kazerne (locatie) 5) Locatie werkzaamheden 6) Fitheidseisen bij indiensttreding 7) Opleiding-/oefeningseisen gedurende dienstverband
8) Fitheidseisen gedurende dienstverband
9) Opleidingseisen
10) Onderscheidende werkzaamheden
De Brandweervrijwilliger in deze groep geeft zijn beschikbaarheid door (aanmelding). De Brandweervrijwilliger in deze groep kiest zelf op welke momenten hij beschikbaar is (zich aanmeldt). Er zijn geen landelijke eenduidige beschikbaarheidseisen. Lokaal kunnen beschikbaarheidseisen gelden. De Brandweervrijwilliger in deze groep verricht zijn werkzaamheden gedurende de tijdvakken dat hij beschikbaar is op/vanuit de kazerne. Omdat hij zich op de kazerne bevindt is hij direct beschikbaar voor een eventuele uitruk. Gedurende de periode dat de Brandweervrijwilliger in deze groep zich beschikbaar heeft gesteld, wordt hij verwacht op de kazerne. De Brandweervrijwilliger in deze groep bevindt zich gedurende de tijdvakken dat hij beschikbaar is op de kazerne. Kazerne of externe locatie Voor alle groepen Brandweervrijwilligers, evenals de leden van de beroepsbrandweer, gelden dezelfde fitheidseisen. De Brandweervrijwilliger in deze groep is in beginsel niet verplicht om oefeningen te volgen. De frequentie van de oefeningen is lokaal beleid. Indien de Brandweervrijwilliger in deze groep gedurende lange tijd geen opleidingen/oefeningen volgt, volgt mogelijk een gesprek waarin hij wordt gewezen op het belang van het volgen van opleidingen/oefeningen. Dit kan mogelijk rechtspositionele gevolgen hebben. De fitheid van Brandweervrijwilligers wordt periodiek getest.
De keuringsfrequentie verschilt per leeftijdsgroep. Voor alle groepen Brandweervrijwilligers, evenals de leden van de beroepsbrandweer, gelden dezelfde fitheidseisen. Voor Brandweervrijwilligers en leden van de beroepsbrandweer met dezelfde functie gelden dezelfde opleidingsvereisten. Zie het Besluit personeel Veiligheidsregio’s met per functie minimumeisen. De Brandweervrijwilligers in deze groep voeren onder andere werkzaamheden uit op de kazerne.
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
4
Beroepsbrandweer
1) Wijze van beschikbaarstelling
2) Minimum beschikbaarheidseisen 3) Opkomstplicht 4) Minimum afstand tot Kazerne (locatie) 5) Locatie werkzaamheden 6) Fitheidseisen bij indiensttreding 7) Opleiding-/oefeningseisen gedurende dienstverband 8) Fitheidseisen gedurende dienstverband
9) Opleidingseisen
10) Onderscheidende werkzaamheden
Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen
De leden van de beroepsbrandweer hebben een aanstelling waarin de arbeidsomvang is omschreven. De leden van de beroepsbrandweer worden (in overleg) afhankelijk van hun arbeidsomvang door de korpsleiding ingepland. De leden van de beroepsbrandweer zijn beschikbaar voor de duur van hun arbeidsomvang. De leden van de beroepsbrandweer zijn verplicht te werken op de momenten dat zij (in overleg) zijn ingepland. De leden van de beroepsbrandweer verrichten hun werkzaamheden in beginsel op/vanuit de kazerne. Kazerne of externe locatie Voor alle groepen Brandweervrijwilligers, evenals de leden van de beroepsbrandweer, gelden dezelfde fitheidseisen. De leden van de beroepsbrandweer volgen oefeningen gedurende hun werkzaamheden. De frequentie van de oefeningen is lokaal beleid. De fitheid van leden van de beroepsbrandweer wordt periodiek getest. De keuringsfrequentie verschilt per leeftijdsgroep. Voor alle groepen Brandweervrijwilligers, evenals de leden van de beroepsbrandweer, gelden dezelfde fitheidseisen. Voor Brandweervrijwilligers en leden van de beroepsbrandweer met dezelfde functie gelden dezelfde opleidingsvereisten. Zie het Besluit personeel Veiligheidsregio’s met per functie minimumeisen. De leden van de beroepsbrandweer voeren onder andere werkzaamheden uit op de kazerne.