CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage2a Bestemmingsplan ‘Middelweg 50-68, Nieuw-Lekkerland’

Raadsvergadering 10 november 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Middelweg 50-68, Nieuw-Lekkerland15.835 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

25

Akoestische maatregelen (bron: Adviesburo Van der Boom)

Sporthal De Klipper Ten zuid(west)en van het plangebied staat een sporthal. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 m, waarbinnen een deel van de woningen is beoogd. Geluid is bij een sporthal het maatgevende aspect. Voor de sporthal geldt dat er aan de zijde van het plangebied geen geluidbronnen aanwezig zijn. De ontsluiting van de sporthal vindt plaats aan de andere zijde van het gebouw. Hierdoor wordt er geen noemenswaardige geluidhinder verwacht en zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat er, na het treffen van maatregelen ten aanzien van de geluidbelasting vanwege het grondverzetbedrijf, sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Bedrijven en andere milieubelastende activiteiten in de omgeving worden in dat geval niet beperkt in hun mogelijkheden.

26

4.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 µg/m³ voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling worden 19 woningen gebouwd. Er zal sprake zijn van een minimale toename van het aantal voertuigbewegingen van en naar het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling kan gezien worden als een NIBM-project; er is geen sprake van een 'groot' project waar meer dan 3% bij wordt gedragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 µg/m³ voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). De ontwikkeling draagt 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m³ voor zowel fijnstof PM10 als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2019 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 18 μg/m³ PM10, 10 μg/m³ PM2,5 en 20 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden en wordt voldaan aan de door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) en GGD bepaalde advieswaarden.

Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

27

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht.

Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.

Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor

28

dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont de risicokaart.

Risicokaart (plangebied zwart omkaderd, bron: risicokaart)

In de directe omgeving staan geen risicovolle inrichtingen. Wel ligt op 350 m ten zuidwesten van het plangebied het zwembad Schoonenburg. Bij het zwembad vindt de opslag plaats van chloorbleekloog. Van deze inrichting is geen plaatsgebonden risico- en groepsrisicoafstand bekend. Gezien afstand, en de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling en de ligging van andere woningen op kortere afstand tot de inrichting kan er aangenomen worden dat het zwembad geen belemmering vormt voor de beoogde woningen. Op 450 m ten noorden van het plangebied ligt de Lek, die onderdeel uitmaakt van het Basisnet water. Volgens de Regeling basisnet kent de Lek (vanaf het Lekkanaal tot de Nieuwe Maas) een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) van 0 m. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. Tevens ligt de ontwikkeling niet binnen 200 m vanaf de transportroute. Daarmee is het niet noodzakelijk om het groepsrisico te berekenen. Bovendien voorziet de ontwikkeling slechts in 9 extra woningen ten opzichte van de huidige situatie. Er kan

29

gesteld worden dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Lek geen belemmeringen vormt voor de beoogde ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling dienen allereerst de tien bestaande twee-onder-een-kapwoningen te worden gesloopt. Derhalve dient er onderzocht te worden of in het plangebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. In maart 2019 is er een quickscan flora en fauna (Econsultancy, 4 maart 2019, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5) uitgevoerd voor diverse wijken in Nieuw-Lekkerland, waaronder de woningen van het plangebied. Soortenbescherming Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocaties zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten geldt dat nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen voor de huismus nodig is. Ook voor de eventuele aanwezigheid van vleermuizen geldt dat nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. In 2019 is dit aanvullend ecologisch onderzoek (Econsultancy, 8 oktober 2019, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6) uitgevoerd. Met het aanvullend onderzoek is gekeken naar de aanwezigheid van de huismus en de vleermuis.

Op de planlocatie aan de Middelweg zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetoond. Er zijn geen huismussen in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Nestlocaties van de huismus zijn op de onderzoekslocatie ook uitgesloten, waardoor geen verdere maatregelen noodzakelijk zijn. Wanneer tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch (verblijfplaatsen van) één of meerdere vleermuizen worden aangetroffen op onverwachte plekken, dienen de verstorende renovatiewerkzaamheden ter plaatse tijdelijk te worden gestaakt en dient in eerste instantie contact te worden opgenomen met een vleermuisdeskundige. In overleg zal vervolgens worden bepaald hoe verder gehandeld dient te worden. Een melding hiervan dient te worden gestuurd naar ecologie@ozhz.nl, zodat in overleg maatregelen getroffen kunnen worden. De onderzoekslocatie wordt gebruikt door vleermuizen als foerageergebied. Ten aanzien van in de omgeving foeragerende vleermuizen wordt geadviseerd om gedurende de werkzaamheden en in de nieuwe situatie verlichtingsarmaturen te gebruiken die naar beneden schijnen en zo min mogelijk strooilicht veroorzaken, of om andere vleermuisvriendelijke verlichting toe te passen.

30

In het geval van algemene broedvogels kunnen bijvoorbeeld overtredingen worden voorkomen door eventueel aanwezige nestgelegenheden buiten het broedseizoen te verwijderen. Indien werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden, dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats te vinden. Tot slot dient te allen tijde rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht ten aanzien van in het wild levende dieren en planten. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van ca. 380 m ligt het Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk. De planlocatie ligt op een afstand van ca. 380 m van het Natuurnetwerk Nederland en op ca. 550 m afstand van een belangrijk weidevogelgebied. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Voor effecten op Natura 2000-gebieden (trillingen, geluid, optische verstoring, etc.) geldt, met uitzondering van stikstofdepositie, dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden voldoende is om effecten uit te kunnen sluiten. Het voornemen is om de bestaande woningen in het plangebied te slopen en ter plaatse 19 woningen te bouwen. Deze ontwikkeling gaat gepaard met de uitstoot van stikstof in de gebruiks- en bouwfase.

Derhalve moet in beeld gebracht worden wat de mogelijke effecten van de ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Met betrekking tot gebiedsbescherming is er een stikstofberekening (Buro SRO, 21 februari 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 7) uitgevoerd. Binnen een straal van 10 km zijn meerdere Natura 2000-gebieden aanwezig. De stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling bedraagt in de gebruiksfase 0,00 mol/ha/j. In verband met de Wet stikstofreductie en natuurverbetering van 1 juli 2021 geldt er voor de aanlegfase een vrijstelling. De ontwikkeling heeft daarmee geen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Conclusie Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet wordt belemmerd door het aspect ecologie.

4.8 Waterhuishouding De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

31

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterschapsbeleid Het Waterschap Rivierenland heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'versterken, verbinden, vergroenen'. In dit programma beschrijft het waterschap wat het in de planperiode (2022-2027) wil bereiken, met wie, hoe men dat wil doen en waarom. In het WBP zijn voor het waterbeheer in het beheergebied de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. Ook is aangegeven hoe het waterschap deze opgaven samen met anderen wil oppakken en in wil spelen op initiatieven van derden. Voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied streeft het Waterschap minimaal naar het stand-still beginsel. Dit houdt in dat door bouwplannen de waterhuishouding niet mag verslechteren. Bij eventuele verhardingen dient hiervoor dan ook gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Als vuistregel kan gehanteerd worden dat voor 1 ha verharding ter compensatie 2.180 m² = 436 m³ open water moet worden gerealiseerd. Voor de realisatie van kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes en enkele woningen geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied.

Hiervoor geldt dat het moet gaan om een verhard oppervlak of voorziening die op zichzelf staat. Wanneer het verharde oppervlak in eerste instantie weliswaar kleiner is dan respectievelijk 500 m² en 1.500 m², maar deel uitmaakt van een groter geheel, zou er van latere aanbouw of uitbreiding een cumulatief effect kunnen uitgaan. In deze gevallen moet bij een volgende uitbreiding, die het totaal verharde oppervlak groter doet zijn dan respectievelijk 500 m² en 1.500 m², de meerdere oppervlakte alsnog worden gecompenseerd. Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.

32

Planspecifiek Watercompensatie Wanneer er sprake is van een verhardingstoename van niet meer dan 500 m², geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht. De afdeling vergunningen van het Waterschap Rivierenland beoordeelt bij de aanvraag watervergunning of hiervan gebruik kan worden gemaakt. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt 4.444 m². In de bestaande situatie is het plangebied al voor een gedeelte verhard. Bij de berekening van het verhardingsoppervlak in de bestaande situatie is gebruik gemaakt van de BGT (bebouwing) en een actuele luchtfoto. In de toekomstige situatie zullen de gronden verhard zijn ten behoeve van woningen, erfverharding, parkeervoorzieningen, de in- en uitrit en trottoirs. Voor de grondgebonden woningen is bij het bepalen van het verhardingsoppervlak als vuistregel gehanteerd dat 90% van de woonpercelen verhard is. Omdat de patiowoningen over voortuinen beschikken, worden deze voortuinen ook als woonpercelen (90% verhard) gerekend. Het groen op de hoeken van de Middelweg met de Rom. Kraijenhoffstraat en de Klipperstraat is als openbaar groen aangemerkt. Ook de strook openbaar groen langs de westelijke plangrens wordt als openbaar groen beschouwd. Verder is het groen langs de in- en uitrit bij de parkeerplaatsen en het groen tussen de parkeerplaatsen als openbaar groen gerekend. De onderstaande tabel toont de verhardingsbalans.

oppervlakte (in m²) bestaande situatie woonpercelen bebouwing

1.082

woonpercelen erfverharding

2.329

woonpercelen onverhard

1.033

openbaar groen

0

openbaar verhard

0

totaal verhard

3.411

toekomstige situatie woonpercelen verhard (90%)

2.477

woonpercelen onverhard (10%)

275

openbaar groen

722

openbaar verhard (100%)

970

totaal verhard

3.447

benodigde watercompensatie verhardingstoename

36

watercompensatie (> 500 m² verhardingstoename)

n.v.t.

Met de beoogde ontwikkeling zal de totale oppervlakte aan verharding in het plangebied met 36 m². Derhalve kan gebruik worden gemaakt van de eenmalige vrijstelling en hoeft er voor de beoogde ontwikkeling geen watercompensatie plaats te vinden.

33

Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het Waterschap Rivierenland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. De voordelen van het gescheiden afvoeren van hemelwater en vuilwater zijn:

• •

de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden;

•

schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.

de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken, waardoor het zuiveringsrendement verbetert;

Het hemelwater en het vuilwater worden gescheiden aangeboden. Voorlopig zullen het hemelwater en het vuilwater via het vuilwaterriool afgevoerd worden. In de toekomst kan het hemelwater na aanleg van een hemelwaterafvoerleiding gescheiden afgevoerd worden. Vooruitlopend hierop dienen er bij de nieuwbouw geen uitlogende materialen te worden gebruikt, om het hemelwater schoon te houden. Drooglegging Het Waterschap Rivierenland adviseert voor het maaiveld een drooglegging van 70 cm, voor wegen 1 m en voor bebouwing 1,3 m. Voldoende drooglegging is nodig om (grond)wateroverlast te voorkomen. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect water geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.9 Cultureel erfgoed 4.9.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen het plangebied zijn geen monumenten of cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig. In de directe omgeving zijn geen monumenten aanwezig. Daarmee is uitgesloten dat de ontwikkeling eventuele cultuurhistorische waarden aantast. 4.9.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland.

Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Voor het bepalen van de archeologische verwachtingswaarde is het geldende bestemmingsplan geraadpleegd. De gronden in het plangebied hebben in het geldende bestemmingsplan 'Bebouwde kom Nieuw-Lekkerland en Kinderdijk' de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Voor dergelijke gronden

34

geldt dat, wanneer er werkzaamheden plaatsvinden met een oppervlakte groten dan 250 m² en dieper dan 30 cm, er archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. Derhalve is er een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (Transect, 17 februari 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8) uitgevoerd. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied zich bevindt op de Bleskensgraaf stroomrug. Als gevolg hiervan zijn in de ondergrond rivierkom-, oever- en beddingafzettingen te verwachten. Deze afzettingen zijn in een gebied tot aan 50 m ten oosten van het plangebied ook aangetroffen bij archeologische en geologische boringen. De oeverafzettingen lagen hier – evenwijdig aan het plangebied – in het zuiden op een diepte tussen 1,45 en 1,70 m -Mv / circa 2,85 m -NAP. In een lijn richting het oosten zijn evenwijdig aan het noordelijk deel van het plangebied verder komafzettingen aanwezig vanaf 4,60 m -Mv / 5,80 m NAP. Voornamelijk de oevers van rivieren kunnen in het verleden gunstige bewoningsplaatsen hebben gevormd doordat ze, bijvoorbeeld ten opzichte van kom- en veengronden, relatief hoog en droog in het landschap lagen. De oeverafzettingen (zandige klei) waren bovendien geschikt voor akkerbouw. Tijdens de actieve fase van de Bleskensgraaf stroomrug, het Midden-Neolithicum, boden ze verder toegang tot drinkwater.

De mens kan de oevers en de komafzetting vanaf de vorming ervan in gebruik hebben genomen voor bewoning, landgebruik of, bijvoorbeeld, grafvelden. Gezien onderzoeken in de omgeving geldt voor de periode Midden-Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen in het hele plangebied een middelhoge verwachting. Voor latere perioden (de Late-Middeleeuwen / Nieuwe tijd) geldt in het plangebied aan de hand van historische kaarten een lage verwachting. In het plangebied is immers geen sprake van bekende historische bebouwing. Het plangebied was in elk geval vanaf het midden van de 18e eeuw in gebruik als weiland. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat het plangebied, in ieder geval tot 250 cm -Mv, in een komgebied gelegen is. Er is namelijk komklei en veen aanwezig. Deze afzettingen duiden op een nat milieu, dat geen tot weinig mogelijkheden voor bewoning en/of landgebruik bood. Er ontbreken veraarde veenlagen in het veen of vegetatie en/of laklagen in de komklei die wijzen op tijdelijk droge omstandigheden. Hierom kan tot een diepte van 250 cm -Mv een lage archeologische verwachting worden aangehouden. Op basis van het bureauonderzoek werden er oever- op beddingafzettingen van de Bleskensgraaf stroomrug verwacht. Deze afzettingen worden verwacht op een diepte van 1,45 - 1,70 m -Mv / 2,85 m -NAP.

Binnen de maximaal geboorde diepte (250 cm -Mv; 3,7 m -NAP) ontbreken deze afzettingen. Hierom kan worden vastgesteld dat het plangebied niet op de hogere oevers van deze stroomrug gelegen is. Er is echter wel een laklaag in de komafzettingen nabij deze stroomrug aangetroffen, dat mogelijk ook een bewoonbaar niveau heeft gevormd. Deze kan worden aangetroffen tot een diepte van 460 cm -Mv / 5,80 m -NAP. Het is niet uitgesloten dat dit niveau zich nog beneden de 250 cm -Mv bevindt. Voor de periode Neolithicum - VroegeMiddeleeuwen geldt daarom nog wel een middelhoge verwachting beneden de 250 cm -Mv. In het plangebied bestaat het voornemen om de bestaande woningen te slopen en nieuwbouw te realiseren. Om dit mogelijk te maken zal het bestemmingsplan herzien worden. Op basis van onderhavig onderzoek geldt een lage verwachting tot 250 cm -Mv en een middelhoge verwachting beneden de 250 cm -Mv. Het advies uit het onderzoek heeft bevoegd gezag overgenomen in het selectiebesluit. Dit betekent dat graafwerkzaamheden tot 250 cm -Mv vrijgegeven worden van verder archeologisch onderzoek. Indien er wel bodemingrepen dieper dan 250 cm -Mv zullen plaatsvinden, is het advies om de verwachting aanvullend te toetsen. De gronden in het plangebied zijn in het voorliggende bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'.

Nader archeologisch onderzoek is volgens deze regeling vereist bij bodemingrepen dieper dan 250 cm -Mv en groter dan 250 m². Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is vanuit het aspect archeologie.

35

4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Bestaande situatie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie in de huidige situatie is gebruik gemaakt van CROW-publicatie 381. In lijn met de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020 van de gemeente Molenlanden is voor de planlocatie uitgegaan van de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'matig stedelijk'. In de huidige situatie zijn er 10 sociale huurwoningen aanwezig.

Hiervoor geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 10 * 4,9 = 49,0 voertuigbewegingen per etmaal, uitgaande van de kencijfers voor 'huur, huis, sociale huur'. Toekomstige situatie Met het voorgenomen plan worden er 19 woningen gebouwd. Er is sprake van een toename van 9 woningen. De verkeersgeneratie neemt daarmee toe met 9 * 4,9 = 44,1 voertuigbewegingen per etmaal. De Middelweg en aangrenzende verkeersnetwerk zijn in staat deze kleine toename op te vangen. De parkeervoorzieningen die op eigen terrein aangelegd worden zijn te bereiken via de Middelweg. Voor de aansluiting op de Middelweg heeft een inrit-/uitritconstructie de voorkeur. Conclusie Het aspect verkeer vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Planspecifiek De 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020' van de gemeente Molenlanden vormt de basis voor het bepalen van de parkeerbehoefte in de gemeente Molenlanden.

Conform de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020' is voor de planlocatie uitgegaan van de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'sociale huur'. Hiervoor geldt een parkeernorm van 1,6 parkeerplaatsen per woning. Het aandeel bezoekers is 0,3 parkeerplaatsen per woning. De parkeerbehoefte van het voorgenomen plan bedraagt 19 * 1,6 = 30,4 parkeerplaatsen. De bestaande woningen hebben parkeerplaatsen op eigen terrein en in de openbare ruimte in gebruik. De tien bestaande woningen, tevens sociale huurwoningen, hebben een parkeerbehoefte van 10 * 1,6 = 16,0 parkeerplaatsen. De bestaande woningen hebben een lange oprit (langer dan 10 m) en bij drie woningen is tevens een garage aanwezig. Op basis van de rekenmethode uit de 'Nota Parkeernormen Molenlanden

36

2020' betekent dit dat de bestaande woningen op eigen terrein over 10,9 parkeerplaatsen beschikken. Dit is als volgt berekend:

• • •

3 woningen met lange oprit > 10 m en een garage * 1,3 = 3,9 parkeerplaatsen; 7 woningen met lange oprit > 10 m zonder garage * 1,0 = 7,0 parkeerplaatsen; totaal aantal parkeerplaatsen op eigen terrein: 3,9 + 7,0 = 10,9 parkeerplaatsen.

Het verschil tussen de parkeerbehoefte van de bestaande woningen en het parkeeraanbod op eigen terrein is 16,0 - 10,9 = 5,1 parkeerplaatsen. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er 5,1 parkeerplaatsen in de openbare ruimte toe te rekenen zijn aan de bestaande woningen. Het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein dat nodig is om de ontwikkeling van de 19 sociale huurwoningen mogelijk te maken is 30,4 - 5,1 = 25,3 parkeerplaatsen. Het beoogde plan bevat 25 parkeerplaatsen achter de woningen (zie navolgende afbeelding). Dit betekent dat de parkeerbehoefte kan worden opgelost en dat de parkeerdruk in de omgeving niet toe zal nemen ten opzichte van de bestaande situatie.

Situatietekening met parkeerplaatsen

Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het plan uitvoerbaar is vanuit het aspect parkeren.

4.11 Duurzaamheid en klimaatverandering Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 49% reductie van de CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990. In 2030 dient verder de bijdrage van duurzame energie 32% van het totale energieverbruik te zijn. In 2050 moet de energievoorziening bijna helemaal duurzaam en CO2-neutraal zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 40 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft

37

de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden. De BENG kijkt naar de energie prestatie van een gebouw aan de hand van de drie energieprestatie-indicatoren: 1. 2. 3.

de energiebehoefte indicator; de primaire fossiele energie-indicator; en het aandeel hernieuwbare energie.

Milieuprestatie Gebouwen (MPG) De Milieuprestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. Klimaatverandering Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. De bijbehorende kaders zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. In artikel 6.50 van de Omgevingsverordening ZuidHolland - Koers 2020 staat dat in een bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering. Daarbij gaat het over de risico's ten aanzien van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte. Planspecifiek Duurzaamheid Met de beoogde ontwikkeling worden meerdere maatregelen getroffen met betrekking tot duurzaamheid, zoals zonnepanelen, warmtepompen, extra isolatie en duurzaam materiaalgebruik. Met deze maatregelen zullen de woningen als nul-op-de-meterwoningen uitgevoerd worden. Wateroverlast door overvloedige neerslag De planlocatie is gelegen binnen de kern Nieuw-Lekkerland, waar mogelijkheden voor infiltratie zijn.

Aan de randen van het plangebied is openbaar groen voorzien, waar (in beperkte mate) neerslag kan infiltreren. Binnen een afstand van 65 m van het plangebied bevindt zich een watergang. Verdere maatregelen om wateroverlast door overvloedige neerslag tegen te gaan worden op deze locatie niet nodig geacht. Overstroming De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat er voor het plangebied geen noemenswaardige kans op overstromingen is. Het thema overstromingen is gelet op de aard en omvang van het initiatief verder niet van belang. Hitte In het stedelijk gebied speelt het thema hittestress een belangrijke rol. Het plangebied wordt groen ingericht. Het aanplanten van bomen en groen zorgt voor meer groen en schaduw. Dit levert een bijdrage aan het tegengaan van hittestress.

38

Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Om droogte te voorkomen kunnen onder andere eisen gesteld worden aan het openbaar groen, oppervlaktewater en de gewenste grondwaterstand. Door water binnen en rondom het plangebied vast te houden wordt droogte tegengegaan. Door het plangebied verder zoveel mogelijk groen in te richten wordt een bijdrage geleverd aan het vasthouden van water.

39

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (BGT en/of kadastrale kaart).

5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

• • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);

40

•

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

5.5 Wijze van bestemmen Navolgend worden per artikel kort de belangrijkste aspecten weergegeven. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Groen De strook langs de westelijke plangrens en de hoeken van de Middelweg met de Rom. Kraijenhoffstraat en de Klipperstraat zijn voorzien van de bestemming 'Groen'. Deze gronden worden als (openbare) groenvoorziening ingericht. Binnen de bestemming 'Groen' mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Artikel 4 Wonen De overige gronden in het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Wonen'.

Binnen deze bestemming zijn de beoogde woningen toegestaan, maar ook parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en bijbehorende voorzieningen. Bij een woning is het gebruik ten behoeve van een aan huis gebonden beroep toegestaan. Hoofdgebouwen mogen binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken gebouwd worden. De maximale bouwhoogten (4 m en 7 m) en de toegestane bouwwijze (aaneengebouwd) zijn op de verbeelding aangegeven. Verder zijn bouwregels voor bijgebouwen, aan-/uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, opgenomen. Het treffen van de benodigde akoestische maatregelen ten behoeve van de naastgelegen bedrijven is met een voorwaardelijke verplichting vastgelegd. Deze maatregelen bestaan uit 1) een afscherming tussen de laad-/lospositie bij het grondverzetbedrijf en de woning in het noordwesten van het plangebied en 2) een dove gevel (zuidwestgevel) bij de noordwestelijke woning. Artikel 5 Waarde - Archeologie 5 Ter bescherming van archeologische waarden is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' opgenomen. Bij bodemingrepen groter dan 250 m² en dieper dan 250 cm -Mv is archeologisch onderzoek vereist.

Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

41

Artikel 7 Algemene bouwregels In dit artikel zijn bouwregels over bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, opgenomen. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van gebruiksvormen die in ieder geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om – onder voorwaarden – af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan. Artikel 10 Overige regels In dit artikel zijn de regels omtrent parkeren opgenomen, die overeen komen met de 'Parapluherziening Parkeren'. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Artikel 12 Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.

42

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het project wordt op initiatief van de woningcorporatie gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het plan zijn dan ook voor rekening van de woningcorporatie als initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Voor de gemeente zijn er verder geen kosten aan de ontwikkeling verbonden. De economische uitvoerbaarheid van dit initiatief zal met het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente Molenlanden worden geregeld. Hierin zal opgenomen worden dat het planschaderisico voor rekening van de initiatiefnemer komt. Hiermee kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan.

43

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt in dat geval met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Participatie Het conceptplan is besproken met bewoners van de 10 bestaande woningen, de huurdersstichting en de gemeente Molenlanden. Voor een toelichting op het plan zijn ca. 80 omwonenden uitgenodigd voor een digitale informatieavond op 16 februari 2021. Een vijftal omwonenden waren op de avond aanwezig. Zij waren positief over het plan en de uitstraling van de nieuwe woningen. Andere omwonenden zijn geïnformeerd via een nieuwsbrief. Deze is in de week van 8 maart 2021 verstuurd. Naar aanleiding hiervan zijn een aantal vragen gesteld, die Lek en Waard Wonen beantwoord heeft. Verder is er een aantal separate gesprekken gevoerd met betrokkenen uit de directe omgeving.

7.3 Overleg In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro wordt/is het plan voorgelegd aan de wettelijke vooroverlegpartners. De reactie van het Waterschap Rivierenland is verwerkt in toelichting paragraaf 4.8.

7.4 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 24 maart 2022 voor zes weken ter inzage gelegen. Tijdens de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan is er één zienswijze ingediend. In deze Nota Zienswijzen (gemeente Molenlanden, 21 september 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 9) is de ingediende zienswijze inhoudelijk behandeld en van een reactie voorzien.

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=5434b997-66ed-4aef-a82c-bf8b9b639a46