CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage2a Bestemmingsplan ‘Middelweg 50-68, Nieuw-Lekkerland’

Raadsvergadering 10 november 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Middelweg 50-68, Nieuw-Lekkerland15.835 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Middelweg 50-68, NieuwLekkerland Gemeente Molenlanden

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1978.BPmiddelweg5068LKL-VG01

Datum:

2022-09-26

Contactpersoon Buro SRO:

R. van der Made | F.M. Polderman

Kenmerk Buro SRO:

SR210040

Opdrachtgever:

Lek en Waard Wonen

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9

3 Beleid ..................................................................................................................................................... 11 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 11 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 12 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 16 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 18

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 21 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 21 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 22 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 23 4.4 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 24 4.5 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 27 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 27 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................

30 4.8 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 31 4.9 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................. 34 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 36 4.11 Duurzaamheid en klimaatverandering ............................................................................................................ 37

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 40 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 40 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 40 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 40 5.4 Planregels .......................................................................................................................................................... 40 5.5 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 41

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 43 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 44 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 44 7.2 Participatie ........................................................................................................................................................ 44 7.3 Overleg .............................................................................................................................................................. 44 7.4 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 44

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Corporatie Lek en Waard Wonen is voornemens om aan de Middelweg 50-68 te Nieuw-Lekkerland 19 sociale huurwoningen te realiseren. Op dit moment bestaat het plangebied uit tien verouderde twee-ondereen-kapwoningen. De wens is om de deze woningen te slopen om daar tweelaagse rijwoningen en patiowoningen te bouwen. Met deze aanpassing wordt de kwaliteit van de locatie verbeterd. Het plangebied is onderdeel van het bestemmingsplan 'Bebouwde kom Nieuw-Lekkerland en Kinderdijk' van de voormalige gemeente Nieuw-Lekkerland. Voor de gronden van het plangebied geldt nu de bestemming 'Wonen'. De beoogde ontwikkeling ziet toe op de bouw van woningen buiten de bouwvlakken van het geldende bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling is daardoor in strijd met het geldende bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan heeft als doel een nieuw en actueel planologisch-juridisch kader te bieden dat de realisatie van onderhavig initiatief mogelijk maakt.

1.2 Ligging plangebied Het huidig plangebied ligt in het westen van Nieuw-Lekkerland aan de Middelweg, ter hoogte van de huisnummers 50 t/m 68. Het plangebied is kadastraal bekend onder de kadastrale gemeente NieuwLekkerland, sectie C en perceelnummer 586. Onderstaande afbeeldingen geven de globale ligging en de globale begrenzing van het plangebied weer.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

5

Globale begrenzing plangebied, rood omcirkeld (bron: maps.google.nl)

6

1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Bebouwde kom NieuwLekkerland en Kinderdijk'. Dit bestemmingsplan is op 28 juni 2012 vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Nieuw-Lekkerland. Voor het plangebied gelden ook de 'Parapluherziening parkeren Molenlanden' (vastgesteld op 27 oktober 2020) en het 'Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten' (vastgesteld op 26 oktober 2021). De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede geldend bestemmingsplan, globale begrenzing plangebied: rode omkadering (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De gronden van het plangebied hebben in het vigerende bestemmingsplan de enkelbestemming 'Wonen'. De vijf bouwvlakken zijn voorzien van de bouwaanduiding ‘twee-aaneen’. Een kleine strook in het zuiden van het plangebied heeft de bestemming 'Verkeer'. Voor het gehele plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. De voor 'Waarde Archeologie 4' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. De beoogde herinrichting past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan, omdat de beoogde woningen gedeeltelijk buiten de bouwvlakken zijn voorzien. Derhalve is deze herziening van het bestemmingsplan opgesteld.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. De juridische planbeschrijving is te vinden in hoofdstuk 5. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid en hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen in het westelijke gedeelte van Nieuw-Lekkerland, dat onderdeel is van de gemeente Molenlanden. Ten noorden van het plangebied bevindt zich de Lekdijk met daarachter de Lek. Niet ver ten westen van het plangebied ligt op 1,5 km de Kinderdijk, Unesco Werelderfgoed. Het plangebied grenst aan de oostzijde aan de Middelweg. In het middenstuk van de Middelweg vormt langgerekte strokenbebouwing de straatwanden. Aan de noord- en zuidzijde is de korrel van de bebouwing kleiner. De Middelweg vormt de verbinding tussen de Lekdijk en de Tiendweg. In het middengedeelte van de straat is meer open ruimte gecreëerd in het openbaar gebied door een terugliggende rijbebouwing. Verder staat de bebouwing in een nagenoeg gelijke rooilijn. Op dit moment staan in het plangebied tien twee-onder-een-kapwoningen die in de loop der tijd meerdere keren zijn verbouwd. In de loop der tijd zijn de twee-onder-een-kapwoningen sterk verouderd. De parkeergelegenheid bevindt zich in de huidige situatie grotendeels op eigen terrein. Onderstaande afbeeldingen geven een impressie van het plangebied.

Impressie plangebied vanaf de Middelweg (bron: Google Streetview)

8

2.2 Toekomstige situatie Corporatie Lek en Waard Wonen is voornemens om op het perceel 19 rijwoningen en patiowoningen te realiseren. Hiervan zijn 12 woningen tweelaagse woningen van circa 105 m² gebruiksoppervlak en 7 patiowoningen van circa 80 m² gebruiksoppervlak. Alle woningen betreffen sociale huurwoningen. Voordat de bouw van de woningen kan plaatsvinden moeten de bestaande twee-onder-een-kapwoningen worden gesloopt. Onderstaande figuur toont de situatietekening van de beoogde ontwikkeling.

Situatietekening beoogde ontwikkeling

In de huidige situatie beschikken de woningen aan de Middelweg op het perceel over diepe achtertuinen waardoor blinde gevelvlakken ontstaan aan de zijstraten (Klipperstraat en Rom. Kraijenhoffstraat). In de herontwikkeling worden patiowoningen voorgesteld waarmee ook aan deze straat woningen komen te staan en waarmee de blinde gevels zullen verdwijnen. Aan de Middelweg komen de 12 rijwoningen te staan. Deze woningen zullen over een voortuin en achtertuin beschikken. De 12 woningen zullen worden geplaatst in twee rijen van zes woningen. Tussen de twee blokken in loopt een weg naar de achtergelegen parkeerplaats. Aan de Klipperstraat en de Rom. Kraijenhoffstraat komen respectievelijk 4 en 3 woningen te staan. Deze woningen zijn patiowoningen en bestaan uit één verdieping. De patiowoningen zullen gelijkvloers blijven en zijn daardoor levensbestendig.

9

Onderstaande afbeelding geeft een impressie van de beoogde ontwikkeling weer.

3D-impressie beoogde ontwikkeling

10

3 Beleid 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek De aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling maakt dat er, los van de ladder voor duurzame verstedelijking, geen raakvlak is met het Rijksbeleid. In toelichting paragraaf 3.1.3 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

11

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. In de huidige planologisch situatie zijn 10 woningen toegestaan. Het voorliggende bestemmingsplan staat ten hoogste 19 woningen toe. Bij het mogelijk maken van 9 extra woningen is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Derhalve is de beoogde ontwikkeling niet ladderplichtig. Daarnaast geldt dat de planlocatie onderdeel is van het bestaand stedelijk gebied. Gezien het voorgaande wordt er geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 7 augustus 2021. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

•

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;

• •

de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;

• •

het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur;

12

• •

het bodem- en watersysteem;

2.

Ambities en sturing

energie.

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

naar een klimaatbestendige delta;

3.

Omgevingskwaliteit

naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;

•

een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit; een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

•

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet direct van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling.

13

3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit van belang. Ruimtelijke ontwikkelingen die maatschappelijk en economisch gewenst zijn, moeten bijdragen aan de balans tussen de instandhouding, benutting en versterking van de bestaande gebiedskwaliteiten. Deze vinden hun grondslag in de drie onderscheiden deltalandschappen. Het plangebied is gelegen in het rivierdeltacomplex. De kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten geven richting aan de wijze waarop ontwikkelingen kunnen inspelen op ruimtelijke gebiedskwaliteiten. Navolgend wordt ingegaan op de relevante kaartlagen hiervan. Laag van de ondergrond Het plangebied bevindt zich in een rivierdeltacomplex. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Bij de beoogde ontwikkeling zal zorg dragen voor behoud en herkenbaar houden van het verschil tussen komgronden en oeverwallen waar nodig. De beoogde ontwikkeling doet geen afbreuk aan de kwaliteiten van het rivierenlandschap. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige)verkavelingspatronen.

Met de beoogde ontwikkeling worden woningen gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied. Kenmerkende landschapselementen worden niet aangetast. Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied is gelegen binnen het gebied aangegeven als 'steden en dorpen'. Het plangebied is gelegen in Nieuw-Lekkerland. Hiervoor geldt dat elk dorp zijn eigen identiteit ontwikkelt en voort bouwt op zijn karakteristieke structuur en ligging in het landschap. Met de beoogde ontwikkeling worden nieuwe woningen gerealiseerd die passend zijn bij de rest van de woningen die rondom het plangebied gelegen zijn. 4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante aspecten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart, Herkenbaar waterrijk veenweide Het veenweidegebied wordt in deze regio gekenmerkt door de langgerekte percelen van de cope-verkaveling met smalle perceelsloten. Meer beeldbepalend dan de kavelstructuur zijn de weteringen en de structuur van de kamers. Zij vormen de belangrijkste ruimtelijke eenheden. De ambities voor deze gronden zijn met name gericht op het buitengebied. Onderhavige ontwikkeling bevindt zich in stedelijk gebied en richt zich op de vervanging van bestaande bebouwing. De herkenbaarheid van de veenweide wordt met deze ontwikkeling dan ook niet aangetast. Komgronden De komgronden zijn de gebieden die verder van de rivieren gelegen zijn.

Deze werden vroeger regelmatig overstroomd. Ontwikkelingen dien bij te dragen aan het versterken van het contrast tussen verdichte, multifunctionele oeverwallen/stroomruggen en open kompolders/veenweide. Daarnaast dienen ontwikkelingen bij te dragen aan de versterking van de visuele relatie tussen de rivier en het achterliggend landschap met de typerende strokenverkaveling. Ter hoogte van het plangebied wordt de strokenverkaveling niet ervaren. Desondanks voegt de beoogde ontwikkeling zich wel binnen de huidige stedenbouwkundige structuur.

14

Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de provinciale Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling past binnen de provinciale Omgevingsvisie, en is in lijn met de provinciale ambities. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 7 augustus 2021 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

Voor het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 op de ladder voor duurzame verstelijking ingegaan. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling en de planlocatie onderdeel is van het bestaand stedelijk gebied. Derhalve hoeft het voorgenomen plan niet nader getoetst te worden aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet.

15

Klimaatverandering In artikel 6.35a 'risico's van klimaatverandering' wordt gesteld dat er in een bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de risico's van klimaatverandering. Hierbij dienen onderwerpen zoals wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte behandeld te worden. In toelichting paragraaf 4.11 wordt nader ingegaan op de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptatie. Milieubeschermingsgebied voor grondwater De planlocatie ligt in een milieubeschermingsgebied voor grondwater als bedoeld in artikel 1.2 lid 2 sub a van de Wet milieubeheer. Op kaart 5 bij de Omgevingsverordening zijn de milieubeschermingsgebieden voor grondwater aangeduid. Op deze kaart wordt onderscheid gemaakt in waterwingebieden, grondwaterbeschermingszones, en boringsvrije zones. Het plangebied ligt in een boringsvrije zone, die het laagste beschermingsregime kent. In de Omgevingsverordening worden geen eisen gesteld aan bestemmingsplannen ten aanzien van de ligging in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. In de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland worden wel beperkingen opgelegd aan een milieubeschermingsgebied voor grondwater.

In een boringsvrije zone is onder andere voor boorputten, het graven dieper dan 2,5 m onder het maaiveld, het verwijderen van funderingswerken/heipalen en andere handelingen die de weerstand van de bodem kunnen aantasten een ontheffing van de Provinciale milieuverordening nodig. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsverordening Zuid-Holland voor de onderhavige nieuwe ontwikkelingen.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden In de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden wordt een groot belang gehecht aan de leefbaarheid van de kleine kernen en het behoud van een basisvoorzieningenniveau. De kernenprofilering biedt hiervoor een helder kader. In de kernenprofilering wordt de kern Nieuw-Lekkerland aangeduid als verzorgingskern met perspectief op uitbreiding wonen op lange termijn. De structuurvisie zegt hierover dat de basisvoorzieningenfunctie van vooral de verzorgingskernen moet worden versterkt. Nieuw-Lekkerland is zo’n verzorgingskern. Planspecifiek Met de sloop van de bestaande woningen en de bouw van nieuwe woningen wordt er gezorgd voor een kwaliteitsimpuls en toename van het woningaantal, waarmee wordt bijgedragen aan de leefbaarheid van Nieuw-Lekkerland. Indirect draagt de ontwikkeling ook bij aan het behoud van het basisvoorzieningenniveau, omdat de nieuwe woningen nieuwe bewoners aantrekken ofwel bewoners vasthouden. Verder is de structuurvisie niet specifiek van toepassing. 3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden Deel I van de regionale woonvisie (2013) schetst een beeld van de regio als woongebied in 2012. Deel II geeft een visie op 2020 en over het ‘wie en waar’ van het wonen in de regio.

In dit deel III is de visie verder uitgewerkt: ‘wat doen we, en hoe komen we van 2012 naar het wensbeeld voor 2020?' In 2017 is de woonvisie geactualiseerd. Een actualisatie van de visie is voldoende, omdat de hoofdlijn van de woonvisie nog steeds actueel is: een krachtige en sociale regio vormen die economisch, sociaal en ruimtelijk zo aantrekkelijk is dat inwoners, bedrijven en bezoekers er graag verblijven. Wensbeeld 2020 De Regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden is in 2020 een bijzonder en hoogwaardig woongebied. Bijzonder, omdat het steden als Gorinchem en Leerdam met voorzieningen en vitale woonmilieus combineert met landelijke, rustige woonmilieus waar vooral traditionele groepen wonen. Dat is een unieke combinatie voor een woongebied op de grens met de Randstad. De Regio levert woonkwaliteit die zorgt voor binding van de

16

eigen inwoners en aantrekken van mensen van buitenaf. Bewoners profiteren van de economische dynamiek van de Randstad en de Brabantse stedenrij (de route naar het Duitse achterland) terwijl het gebied zelf in de luwte daarvan ligt. De meeste bewoners van de regio blijven hun kern, gemeente of de regio trouw en uitstroom van stedelijk georiënteerde groepen is beperkt. Dat lukt onder meer door goede samenwerking op het gebied van wonen. Die samenwerking is in een stroomversnelling gekomen, met als ankerpunt de regionale woonvisie van 2013. De visie helpt gemeenten om te doen waar ze sterk in zijn, en aan buurgemeenten over te laten waar zij sterk in zijn. Oog voor de onderlinge verschillen en kansen zorgt voor meerwaarde. Het resultaat is meer dan de som der delen. Het voorzieningendorp Nieuw-Lekkerland is vitaal, door investeringen in bestaande woningen en nieuwbouw. Er komen levensloopbestendige woningen bij, maar velen blijven - na lang wikken en wegen - in de huidige woning wonen en passen deze waar nodig aan. Hier wordt gericht gebouwd voor senioren die de directe nabijheid van voorzieningen en het comfort van seniorenwoningen belangrijk vinden. Deze voorzieningendorpen zijn ook een goede woonplek voor jongere bewoners. In Mentality-termen: de opwaarts mobielen en gemaksgeoriënteerden.

Velen van hen willen graag in een dorp wonen, maar dan wel goed bereikbaar met voorzieningen. Door hier met woningverbetering én nieuwbouw precies op in te spelen, is dit dorp een passend thuis, zowel voor starters als (daarna) als doorgroeiers. Kwantitatieve behoefte Tot voor kort is in de woningbouwafspraken met de provincie steeds uitgegaan van bouwen voor de eigen woningbehoefte op basis van migratiesaldo = 0. Hiervoor is een uitbreiding van de woningvoorraad nodig van ca. 4.500 woningen voor de periode 2010-2019. De huidige afspraak is: 3.500 woningen netto toevoeging als totaal voor de Regio, met als uitloop 4.500 woningen indien aangetoond wordt dat de markt daarom vraagt. Daarmee biedt de provincie op regioniveau ruim voldoende ruimte voor vraaggestuurde groei. De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 350 woningen of huishoudens, wat overeenkomt met 0,7% groei per jaar. Kwalitatieve behoefte Investeren doet de regio overal, maar niet overal hetzelfde. Voor alle dorpen en wijken geldt dat behoud van kwaliteit in de bestaande woningen, woonomgeving en leefbaarheid urgenter is dan nieuwbouw. Het grootste deel van de woonomgeving van 2020 staat er nu ook al en de kwaliteit daarvan is grotendeels bepalend voor de totale woonkwaliteit van de regio. Dit is in de visie uitgedrukt in: 1. 2. 3.

behoud van kwaliteit en uitstraling, woonlastenbeperking en energie en comfortverbetering in relatie tot zorg.

Geen van de gebieden gaat 'op slot' maar de vraag naar uitbreiding via nieuwbouw is naar verhouding het grootst in het stedelijk gebied en in dorpen met een breed pakket aan voorzieningen. Alleen vraaggerichte plannen hebben kans van slagen: het juiste product, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek, op het juiste moment. Planspecifiek Een actie en inspanning uit de woonvisie is 'vervanging van woningen tot 2020': corporaties bouwen 1.050 sociale huurwoningen en 250 huurwoningen in de vrije sector ter vervanging van 1.100 huidige sociale huurwoningen. Uit de actualisatie van 2017 van de regionale woonvisie blijkt dat in de periode 2012-2016 ca. 650 huurwoningen (zowel sociaal als vrije sector) nieuw gebouwd zijn. De visie uit 2013 stuurt aan op een vrijwel stabiele sociale huurvoorraad, met mogelijk nog groei in stedelijk gebied. Op basis van de actuele biedingen van de corporaties zal de sociale huurvoorraad regionaal gezien krimpen, met als gedachte dat enerzijds de zoektijd kort is in de regio en anderzijds dat er voor middeninkomens goede alternatieven ontstaan in de goedkope koopsector tot € 200.000 en (in mindere mate) in de vrije sector huur. Corporaties blijven ondertussen wel investeren in voorraadvernieuwing. Er is daarmee geen druk op

17

de sociale huurvoorraad. Met de beoogde ontwikkeling wordt de sociale huurvoorraad op peil gehouden en worden er goedkope huurwoningen toegevoegd. De beoogde woningbouwontwikkeling is op 6 april 2021 in regionaal verband besproken en akkoord bevonden.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Nieuw-Lekkerland De gemeenteraad van Nieuw-Lekkerland heeft op 29 november 2012 de structuurvisie “Nieuw-Lekkerland” gewijzigd vastgesteld. De structuurvisie heeft betrekking op het gehele grondgebied van de (voormalige) gemeente Nieuw-Lekkerland. De structuurvisie moet helderheid verschaffen in het ruimtelijk beleid van de gemeente Nieuw-Lekkerland en de wijze waarop zij deze tot uitvoering wil brengen. Daarnaast besteedt deze structuurvisie aandacht aan het thema ‘bevolkingsontwikkeling en wonen’. De structuurvisie geeft op basis van de structuur van de huidige woningvoorraad en de bevolkingsopbouw een beeld van de stand van zaken in de gemeente. Aan de hand van de doorrekening naar de toekomst, die rekening houdt met bekende woningbouwplannen en herstructurering, wordt een beeld geschetst van de kwantitatieve en kwalitatieve woonwensen. De (voormalige) gemeente Nieuw-Lekkerland telt circa 9.500 inwoners en beschikt over een woningvoorraad van circa 3.300 woningen (peildatum 1 januari 2008). De meeste woningen staan in de kern Nieuw-Lekkerland en de kern Kinderdijk. Buiten de bebouwde kom is sprake van lintbebouwing langs de Lekdijk en verspreid gelegen woningen in het agrarisch gebied. De woningvoorraad bestaat overwegend uit eengezinswoningen. Er is vrijwel overal sprake van laagbouw.

Op enkele plekken in de kern komt gestapelde woningbouw voor. Ten opzichte van het landelijk gemiddelde wonen in de gemeente relatief weinig ouderen en veel jongeren. Dit resulteert ook in een relatief grote huishoudensgrootte. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling betreft de bouw van 19 sociale huurwoningen. Met de beoogde ontwikkeling worden betaalbare huurwoningen gerealiseerd. De 7 patiowoningen zullen als gelijkvloerse woningen uitgevoerd worden en zullen dan ook geschikt zijn voor ouderen. Ook de 12 overige woningen zijn geschikt voor ouderen. Met de beoogde ontwikkeling wordt dan ook ingespeeld op de demografische ontwikkeling van Nieuw-Lekkerland. 3.4.2 Toekomstvisie Molenwaard 2030 In de toekomstvisie (voorjaar 2012) heeft de voormalige gemeente Molenwaard de beleidsdoelen en ambities voor verschillende thema’s benoemd: wonen, economische dragers, ondersteuning, voorzieningen en landschap. Impliciet is in de doelen rekening gehouden met een veranderende wereld: een veranderende bevolkingssamenstelling, veranderende leefstijlen, een veranderende economische structuur en klimaatverandering. De doelen geven richting aan en kaders voor de gemeentelijke inzet. De volgende beleidsthema’s zijn benoemd:

• • • • •

Wonen: woonbehoeften dorpen en stad zijn leidend. Economische dragers: werk voor onze inwoners. Ondersteuning: samen een vangnet vormen. Voorzieningen: vraaggericht. Landschap: waardevol cultuurlandschap benutten.

Planspecifiek Met name het beleidsthema 'Wonen' is relevant voor de beoogde ontwikkeling. De voormalige gemeente Molenwaard, waar de kern Nieuw-Lekkerland onderdeel van uitmaakte, wil een comfortabele en veilige woon- en werkomgeving bieden in een levendig, groen en duurzaam landschap en binnen een sociaal hechte gemeenschap. Er wordt in ieder geval plaats geboden aan de mensen die al in de voormalige

18

gemeente Molenwaard wonen en die hier willen blijven wonen en mensen die binding hebben met de gemeente, bijvoorbeeld omdat ze hier werken of hier voorheen gewoond hebben. Met de beoogde ontwikkeling worden 10 twee-onder-een kapwoningen (sociale huur) gesloopt en daarvoor in de plaats worden in totaal 19 nieuwe sociale huurwoningen gebouwd. Hiermee wordt ruimte geboden aan inwoners die in aanmerking komen voor sociale huurwoningen. Tevens draagt de ontwikkeling bij aan een levendige, groene en duurzame woningomgeving. 3.4.3 Woonvisie gemeente Molenlanden 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 - 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt:

•

Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029.

•

De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnelt de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken.

•

• •

•

Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen. Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken (sloop/nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed).

binnen

de

kernen

Planspecifiek De bevolkingssamenstelling wijzigt de komende jaren. De vergrijzing zet door en er zijn minder jongeren. Er zijn meer kleinere woningen nodig die levensloopgeschikt zijn, zodat senioren er ook kunnen blijven wonen als zij behoefte krijgen aan zorg of ondersteuning. Met de beoogde ontwikkeling worden 19 sociale huurwoningen gebouwd. Een deel van de woningen die met de beoogde ontwikkeling gerealiseerd zullen bestaan uit 7 gelijkvloerse patiowoningen. De overige 12 woningen beschikken tevens over primaire woonvertrekken die gelijkvloers zijn. De doelgroep van de woningen is dan ook senioren. Dit sluit aan op de visie van de gemeente Molenlanden dat er voldoende geschikte woonvormen in de gemeente moeten zijn om de lokale zorgvraag van een passende woonruimte te voorzien. Vooral in de grotere voorzieningenkernen zet de gemeente in op het vergroten van het aanbod aan levensloopgeschikte woningen. In de woonvisie is opgenomen dat er voor de periode 2020 t/m 2029 sprake is van een woningbehoefte van 1.460 woningen voor de hele gemeente Molenlanden, wat voortkomt uit het woningmarktonderzoek van juli 2020. Voor de kern Nieuw-Lekkerland specifiek betreft de woningbouwopgave 335 woningen. Uit het woningmarktonderzoek van juli 2020 volgt dat er in de gemeente Molenlanden een behoefte is aan 224-390 extra sociale huurwoningen.

De huidige plancapaciteit voor de gemeente Molenlanden, 337 woningen, voorziet in woningbouwopgave van 335 woningen. Het voorliggend plan is geen onderdeel van deze plancapaciteit, maar behoort tot de renovatie-opgave. De gemeente geeft echter aan dat het wenselijk is een overcapaciteit van ongeveer 130% te hanteren met het oog op planuitval of -vertraging. Het initiatief is daarmee passend binnen de geraamde woningbouwopgave.

19

De gemeente ziet nieuwbouw primair plaatsvinden op transformatieplekken. Zijn deze locaties niet voorhanden, dan kan nieuwbouw gerealiseerd worden op onbebouwde inbreidingslocaties. Het voorgenomen plan is overeenstemming met deze ambities. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in lijn is met de Woonvisie 2020-2024.

20

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen; dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Met de voorgenomen ontwikkeling worden 10 sociale huurwoningen gesloopt. Hiervoor in de plaats worden 19 nieuwe sociale huurwoningen gerealiseerd. Daarmee worden er 9 sociale huurwoningen toegevoegd ten opzichte van de huidige (planologische) situatie. Echter nemen de bebouwingsmogelijkheden nauwelijks toe

21

ten opzichte van de bestaande (planologische) situatie. In de huidige situatie wordt het plangebied ook gebruikt ten behoeve van wonen, wat niet wijzigt met het voorliggende plan. Er kan dan ook gesteld worden dat er naar aard en omvang geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.

4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling betreft de bouw van woningen. Er dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen en tuin). Om die reden is een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest (Grondslag, 15 april 2021, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn als volgt:

• • • •

In de zandige en kleiige grond met bodemvreemde bijmengingen zijn lichte verhogingen aan zware metalen, PAK en plaatselijk olie aangetoond, waarbij de verhoging aan olie veroorzaakt wordt door humuszuren en PAK in het monster. Ter plaatse van het zintuiglijk schone veen in de ondergrond zijn geen verhogingen geconstateerd. In het grondwater is hooguit de concentratie aan barium licht verhoogd aangetoond. In de bovengrond is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen.

De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor het beoogde gebruik (wonen en tuin) en de afgifte van een omgevingsvergunning. Er dient geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is vanuit het aspect bodem.

22

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft); andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden 19 woningen gebouwd. In het kader van het Wgh worden woningen gezien als geluidgevoelige objecten.

De planlocatie is niet gelegen binnen de onderzoekszone van een weg, spoorweg, of een geluidgezoneerd industrieterrein. Wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur hebben geen onderzoekszone. Hoewel de locatie niet binnen de onderzoekszone van een weg ligt, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer (Adviesburo Van der Boom, 17 februari 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2) uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting voor alle wegen samen ten hoogste 60 dB zonder aftrek bedraagt. De gemeente Molenlanden geeft in haar beleid aan dat 'de kwaliteit van de woon- en leefomgeving acceptabel is als er een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte aanwezig is'. Aan deze eis kan voor alle woningen worden voldaan. Voor gevels met een geluidbelasting van meer dan 53 dB zonder aftrek dienen geluidwerende voorzieningen te worden bepaald. De benodigde karakteristieke geluidwering bedraagt G A;k 27 dB voor de gevel met de hoogste geluidbelasting. Er is een onderzoek naar de geluidbelasting op de woning aan de Middelweg 70 ten gevolge van wegverkeer voor de nieuwe en de oude situatie (Peutz, 2 februari 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3) uitgevoerd.

Uit het onderzoek komt naar voren dat de geluidbelasting op de gevels van de woning aan de Middelweg 70 als gevolg van het voorgenomen plan (wegverkeer) niet toeneemt. In toelichting paragraaf 4.4 is aandacht voor geluid vanwege milieubelastende activiteiten (onder andere bedrijven) in de omgeving.

23

Er dient geconcludeerd te worden dat het plan uitvoerbaar is vanuit het aspect geluid (Wet geluidhinder).

4.4 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit.

In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Het plangebied is gelegen in een rustige woonwijk. De omgeving van het plangebied bestaat uit vrijwel alleen woningen. Echter is er direct ten westen van het plangebied een bedrijfsperceel gelegen, waar twee bedrijven gevestigd zijn. Ten zuidwesten van het plangebied bevindt een sporthal. Houtbewerkingsbedrijf en grondverzetbedrijf Uitgaande van het geldende bestemmingsplan 'Bebouwde kom Nieuw-Lekkerland en Kinderdijk' hebben de gronden direct ten westen van het planbied geen specifieke aanduiding en kan er worden uitgegaan van een bedrijf van maximaal milieucategorie 2. Voor een bedrijfsactiviteit van deze categorie in een rustige woonwijk geldt volgens de VNG-publicatie een richtafstand van 30 m. De beoogde patiowoningen in het noordwesten van het plangebied worden binnen de richtafstand gebouwd. Derhalve is er een akoestisch onderzoek industrielawaai (Adviesburo Van der Boom, 19 april 2021, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4) uitgevoerd. Met het akoestisch onderzoek industrielawaai is inzichtelijk gemaakt wat de geluidbelasting is op de beoogde woningen ten gevolge van de twee bedrijven die direct ten westen van het plangebied gevestigd zijn. Deze bedrijven zijn een houtbewerkingsbedrijf met activiteiten op kleine schaal en een grondverzetbedrijf.

De richtwaarden voor de langtijdgemiddelde en maximale geluidniveaus worden bij één van de nieuw te bouwen woningen, te weten de woning aan de noordwestzijde, overschreden. De overschrijding bedraagt overdag hooguit 4 dB(A) en pieken met een overschrijding van 12 dB(A).

24

Ten aanzien van de piekniveaus kan wellicht worden aangesloten bij het Activiteitenbesluit milieubeheer, waarin piekniveaus overdag ten behoeve van laad-/losactiviteiten zijn uitgezonderd van toetsing aan de grenswaarden. Gezien de beperkte bewegingen van de kleine shovel bij het grondverzetbedrijf (1 x per dag circa 10 minuten) is de hinder zeer beperkt en zal dus in de praktijk een goed woon- en leefklimaat heersen. Echter is ook het langtijdgemiddelde geluidniveau te hoog bij de noordwestelijke woning (punt 1, westgevel). De eerste maatregel die toegepast wordt is de plaatsing van een afscherming tussen de laad-/lospositie bij het grondverzetbedrijf en de woning in het noordwesten van het plangebied. Met een 2 m hoog scherm nabij de laad-/lospositie van de kleine shovel neemt het langtijdgemiddelde geluidniveau overdag af tot hooguit 45 dB(A) en kan ruimschoots aan de richtwaarden worden voldaan. De piekniveaus blijven dan echter nog te hoog (73 dB(A) bij de noordwestelijke woning (punt 1, westgevel). Deze piekniveaus dalen pas tot hooguit 70 dB(A) bij een schermhoogte van meer dan 3 m, hetgeen vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt geen realistische optie is.

Op grond van bovenstaande conclusies wordt er als tweede maatregel voor gekozen de westgevel van de noordwestelijke woning (punt 1) als dove gevel uit te voeren, waardoor dit als toetspunt vervalt (mits de geluidwering voldoende is). Daarnaast zal een 2 m hoge afscherming worden geplaatst, waarmee zowel de langtijdgemiddelde geluidniveaus als de piekniveaus bij punt 2 voldoende laag zijn. Gelet op het voorgaande is een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd. Het bedrijf wordt niet (akoestisch) beperkt in zijn bedrijfsvoering. Het treffen van de benodigde maatregelen, bestaande uit 1) een afscherming (zie gele lijn op de navolgende afbeelding) tussen de laad-/lospositie bij het grondverzetbedrijf en de woning in het noordwesten van het plangebied en 2) een dove gevel (zuidwestgevel, rekenpunt 01 op de navolgende afbeelding) bij de noordwestelijke woning, is met een voorwaardelijke verplichting vastgelegd in de regels van het voorliggende bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=5434b997-66ed-4aef-a82c-bf8b9b639a46