CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Toelichting

Raadsvergadering 21 juni 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Graafland 83, Groot-Ammers14.839 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

C-watergang: 059542

C-watergang: 060210

A-watergang: 001067

Afbeelding 15: Legger wateren

36

Watergangen Op de grens van het plangebied is een C-watergang (059542) gelegen. Rondom plangebied zijn bovendien een C-watergang (060210) en een A-watergang (001067) gelegen. De geplande bouw- en sloopwerkzaamheden vinden plaats buiten de beschermingszone van de A-watergang. Peilgebied Het plangebied is gelegen in het peilgebied OVW064. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,64 meter NAP en een winterpeil van -1,74 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil van een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Plangebied

Afbeelding 16: Peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dien zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. 37

Verhardingsbalans Uit tabel 1 blijkt dat het plan resulteert in een afname aan verharding. Op basis hiervan zijn watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk. Schuur 1, 2 en de woning met garage zal gesloopt worden. Hiervoor in de plaats zal een boerderijvolume met daarin twee wooneenheden gerealiseerd worden. De erfverharding op het voorste gedeelte van het perceel (530 m2) wordt deels verwijderd.

Afbeelding 17: Huidige situatie bebouwing

38

Tabel 1: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Woning Garage achter woning Schuur 1 Schuur 2 Schuur 3 Schuur 4 Schuur 5 Overige erfverharding Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Boerderij met daarin 2 woningen Nieuwe bijgebouwen bij woningen Grindpad Tuinverharding (o.a. terrassen) Schuur 3 Schuur 4 Schuur 5 Overige erfverharding

Oppervlakte m2 158 101 28 255 363 116 804 1630 3455 m2 200 100 100 50 363 116 804 1100

Totaal nieuwe situatie

2833 m2

Verschil

- 622 m2

Afbeelding 18: Te verwijderen terreinverharding

39

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.

Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De woningen worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied is geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland gelegen. Waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en beschermingszone van een waterkering. Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen. Het plangebied grenst aan het Graafland. Ter plaatse is deze weg in beheer van het waterschap Rivierenland. Ten behoeve van het plan worden geen nieuwe in- en uitrit gerealiseerd en/of in- en uitritten gewijzigd. Derhalve is het aanvragen van een watervergunning niet noodzakelijk. Bij de uitvoering van dit plan wordt rekening gehouden met de weg. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.

40

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is.

De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, dus kan buiten beschouwing worden gelaten. Onderzoek Voor het plan is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek zijn: •

• •

De berekende geluidbelasting op de nieuwe woning ten gevolge van de N216 en de Graafland ten hoogste respectievelijk 43 en 45 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrens-waarde van 48 dB voor wegverkeer; De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen ten hoogste 47 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De nieuwe woning beschikt (alzijdig) over een geluidluwe gevel en buitenruimte, zodat aan het streven uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.

41

Op 7 december 2020 is het nieuwe beleid ‘Geluidbeleid en goede ruimtelijke ordening’ vastgesteld. Omdat de voorkeursgrenswaarde niet worden overschreden kan een toetsing van het plan aan het nieuwe beleid achterwege worden gelaten. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft geluid geen belemmeringen. Er hoeven geen hogere grenswaarden te worden vastgesteld.

42

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie 2,5 Fijnstof (PM ) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2021) het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 14,7 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 15,9 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 8,7 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met

43

niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

44

4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Onderzoek Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-handboek bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Omgevingstype ‘gemengd gebied’ In de directe omgeving van het perceel Graafland 83 is sprake van een ‘gemengd gebied’. In de lintbebouwing langs de Graafland is geen sprake van functiescheiding. Er is juist sprake van een functiemenging van agrarische bedrijven, overige bedrijvigheid en woningen. Conform het VNG-beleid kunnen hiermee gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. Bij de uitwerking van het plan is bewust rekening gehouden met de bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven. In de directe omgeving zijn twee bedrijven gelegen: het agrarisch bedrijf Graafland 81 en het transportbedrijf/import- en exportbedrijf van vrachtwagens Van der Heiden Trucks (Graafland 85).

45

Conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuhinder (editie 2009) geldt voor een agrarisch bedrijf, in een gemengd gebied, een richtafstand van 50 meter voor geur en 10 meter voor stof en geluid. Het perceel Graafland 83 ligt op 195 meter van het agrarisch bouwvlak van agrarisch bedrijf Graafland 81 (afbeelding 19). Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen en het agrarisch bedrijf niet in de bedrijfsvoering wordt beperkt als gevolg van dit plan. Transportbedrijf/importen exportbedrijf Graafland 85 (38 meter)

Agrarisch bedrijf Graafland 81 (195 meter) Afbeelding 19: Afstanden tot omliggende bedrijven

Conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuhinder (editie 2009) geldt voor het transportbedrijf/import- en exportbedrijf van vrachtwagens Van der Heiden Trucks, in een gemengd gebied, een richtafstand van 50 meter voor geluid en 10 meter voor gevaar. Het bouwvlak voor de nieuwe woningen wordt op 38 meter afstand van het bedrijfsbestemmingsvlak van het bedrijf Van der Heiden Trucks gelegd. Hiermee wordt niet voldaan aan de richtafstand voor geluid.

46

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek zijn: Langtijd gemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT): • De etmaalwaarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door activiteiten op het terrein van de inrichting ten hoogste 44 dB(A) bedraagt; • De normstelling van 50 dB(A) etmaalwaarde niet overschreden. Maximaal geluidniveau (LAmax): • Het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door activiteiten op het terrein van de inrichting in de maatgevende nachtperiode ten hoogste 60 dB(A) bedraagt ten gevolge van vertrekkende vrachtauto’s tussen 06.00 en 07.00; • De normstelling van 60 dB(A) in de nachtperiode wordt niet overschreden; • De maximale geluidniveaus zijn in de periode tussen 07.00 en 19.00 niet van toepassing op laad- en los (en aanverwante) activiteiten en worden in de dagperiode niet getoetst aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.

Indirecte hinder • Gezien de geringe hoeveelheid verkeersbewegingen van en naar de inrichting die hoofdzakelijk vanaf de inrit over de Graafland in oostwaartse richting naar de provinciale weg rijden (en dus vrijwel niet voorbij de woning aan de Graafland 83 rijden), kan zonder nader onderzoek worden gesteld dat de verkeersbewegingen worden opgenomen in het aanwezige verkeersbeeld en derhalve niet relevant en verder onderzocht zijn. Gelet op het bovenstaande zijn er voor wat betreft geluid geen knelpunten en is de voorgenomen realisatie van de woningen akoestisch inpasbaar. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen en het bedrijf Van der Heiden Trucks niet in de bedrijfsvoering wordt beperkt als gevolg van dit plan. Verder is bij de uitwerking van het plan bewust rekening gehouden met de bedrijfsvoering op het noordelijk deel van het perceel Graafland 83 te GrootAmmers. In de huidige situatie zijn op het gehele perceel Graafland 83 te GrootAmmers bedrijfsactiviteiten toegestaan tot max. categorie 3.1. Het plan is om de milieucategorie op het perceel Graafland 83 te verlagen naar milieucategorie 2.0. Het bouwvlak voor de nieuwe woningen wordt op 10 meter van de bedrijfsbestemming gelegd.

Op het achterste deel van het perceel, waar de koeienstal staat, vinden hobbymatige agrarische activiteiten plaats. Verder vindt hier de benodigde opslag van balen gras en hooi en stalling van enkele machines (om gras te oogsten en te verwerken) plaats. Op het achterste deel wordt de bedrijfsbestemming gewijzigd. Ter plaatse wordt de bestemming gewijzigd naar de bestemming ‘Agrarisch’ met de aanduiding ‘hobbymatig agrarisch gebruik’. De grens van deze agrarische bestemming wordt gelegd ter hoogte van de voorgevel van de koeienstal. De afstand van dit deel (de koeienstal) tot het bouwvlak van de nieuw te bouwen woningen bedraagt daarmee 47

circa 35 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand van 25 meter conform de geurverordening van de gemeente Molenlanden. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Agrarische bestemming (met aanduiding hobbymatig agrarisch gebruik)

Bedrijfsbestemming (verlaging naar max. milieucategorie 2.0)

35 meter tot koeienstal

10 meter tot bedrijfsbestemming

Afbeelding 20: Bedrijf- en milieuzonering binnen het plangebied

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.

48

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.

Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is, op enkele onderdelen na, op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 106 per jaar.

Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 106 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij 49

voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 106 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Wanneer zich binnen de 10-6 per jaar contour kwetsbare objecten kan een bestemmingsplan worden vastgesteld mits er zodanige voorschriften aan het besluit zijn verbonden dan wel er een traject van wijziging van de milieuvergunning is ingezet, zodat binnen 3 jaar na vaststelling van het besluit voldaan wordt aan de grenswaarde (artikel 8 lid 3 Bevi). Wel dient in de tussentijd voldaan te worden aan de grenswaarde van 10-5 per jaar. Naast Beviinrichtingen zijn er ook inrichting die niet onder het Bevi vallen, maar waar wel opslag van risicovolle stoffen plaatsvindt. Regulering van de risico- aspecten die samenhangen met de opslag van deze stoffen vindt plaats middels het Activiteitenbesluit dan wel de WM vergunning. Een belangrijke richtlijn voor opslag en gebruik vormen de zogenaamde PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen beschrijven de eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan worden bereikt. Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op het bedrijventerrein Gelkenes, op ca.

2,3 km van het plangebied, is het bedrijf Akzo Nobel Decorative Coatings B.V gelegen. Op het terrein van Akzo Nobel Decorative Coatings ligt PGS15 opgeslagen. Plaatsgebonden risico Uit het attribuutrapport blijkt dat de 10-6 PR-contour van de inrichting ten hoogste enkele tientallen meters buiten de inrichtingsgrens ligt. Deze ligt derhalve niet over het plangebied en daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Groepsrisico Voor het bedrijf geldt een rekenkundig invloedsgebied van 2.765 meter. Het groepsrisico ligt echter ruim onder de oriëntatiewaarde (zie afbeelding 21), waarmee dit gekwalificeerd kan worden als een ‘verwaarloosbaar groepsrisico’. De PGS15-opslagen van het bedrijf betreffen ruimten van 200 – 300 m2 en 1500 – 2500 m2 , beide met beschermingsniveau 1. Voor dergelijke opslaginrichtingen geldt volgens de Regeling externe veiligheid inrichtingen een maximaal te hanteren invloedsgebied van 350 meter. Het plangebied ligt buiten dit invloedsgebied. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is daarmee niet nodig.

50

Afbeelding 21: Plaatsgebonden risico Akzo Nobel Decorative Coatings B.V. (Attribuutrapport Risicokaart.nl)

Afbeelding 22: Groepsrisico Akzo Nobel Decorative Coatings B.V. (Attribuutrapport Risicokaart.nl)

Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke in het kader van de externe veiligheid relevant zijn.

51

Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen en/of voor de beroepsvaart relevante vaarwegen aanwezig. Ten oosten van het plangebied is de N216 gelegen. Over deze provinciale weg vindt structureel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Artikel 8 van het Bevt schrijft voor dat indien het plan gelegen is binnen een afstand van 200 meter vanaf de transportweg, er een verantwoording van het groepsrisico moet plaatsvinden. Dit betekent dat bij ruimtelijke ontwikkelingen langs hoofdwegen gekeken moet worden naar lokale veiligheidsaspecten en de mogelijkheden om het groepsrisico te beperken. Deze kan achterwege blijven indien wordt aangetoond dat het groepsrisico met niet meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. De vuistregels van de Handreiking risicoberekeningen Bevt geven aan dat het groepsrisico lager is dan 0,1 van de oriëntatiewaarde.

Plangebied

175 meter

Afbeelding 23: Risicokaart

Tevens dient men rekening te worden gehouden met de effecten van een ongeluk met zeer brandbare vloeistoffen. Hiervoor is in het Basisnet Weg een zone van 30 meter opgenomen langs provinciale wegen. Dit gebied is aangeduid als Plasbrand Aandacht Gebied (PAG). Binnen deze zone is bouwen mogelijk in afweging met de gemeente op basis van de lokale situatie.

52

Artikel 7 van het Bevt schrijft voor dat in de toelichting bij een bestemmingsplan, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van transportwegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval moet worden ingegaan op: • De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op dat binnenwater, en • Voor zover dat plan betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op dat binnenwater een ramp voordoet. Het plangebied is ten westen van de N216 gelegen op een afstand van ca. 175 meter en hiermee binnen het aandachtsgebied van 200 meter. Voor de N216 geldt geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) en het plangebied is gelegen buiten het PAG. Het plan voorziet in de sloop van een woning en de bouw van een boerderijvolume met daarin twee wooneenheden. Gezien de kleinschaligheid en de lage bevolkingsdichtheid zijn er geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de provinciale weg te verwachten. Ten aanzien van zelfredzaamheid bij calamiteiten is het advies om binnen te blijven, maar heeft men voldoende mogelijkheden om via omliggende wegen het gebied te verlaten.

De hulpdiensten hebben hiernaast voldoende ruimte om de ramp te bestrijden en eventuele gevaarlijke stoffen op te ruimen. Een nadere beschouwing van het groepsrisico is door dit alles niet noodzakelijk. Het plan zal niet leiden tot een verhoging van het groepsrisico van meer dan 10%. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het plan voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen ondervindt.

53

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

54

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: De planlocatie heeft géén essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht).

Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De ontwikkeling aan de Graafland 83 te Groot-Ammers is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen 55

worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland Op een afstand van circa 2,9 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden van de Lek’. Op een afstand van circa 250 m ligt het Natuurnetwerk Nederland.

Afbeelding 24: Plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden

Afbeelding 25: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

56

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft ecologie geen belemmeringen.

57

4.9 Stikstofdepositie Beleidskader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Bij mogelijke negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing verleend kan worden. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten welke voorzien in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Voorheen was toestemming hiervoor gebaseerd op het PAS, waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar werd gehanteerd om effecten van ontwikkelingen te toetsen. De Raad van State heeft op 29 mei 2019 beoordeeld dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt.

Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Een dergelijke toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunningplichtig en dient aangetoond te worden dat een ontwikkeling niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe rekentool kan de depositie op stikstofgevoelige habitats berekend worden. Onderzoek Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is middels de AERIUS Calculator een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van de ontwikkeling niet voorzien in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming op het onderdeel stikstofdepositie.

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft stikstofdepositie geen belemmeringen.

58

4.10 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen voor het beoogde gebruik is door Bakker Milieuadviezen een verkennend onderzoek (incl. asbest en PFOA) uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: •

De licht puinhoudende bovengrond in de tuin ten oosten van de boerderij is licht verontreinigd met enkele metalen en met PAK. Dit zijn gebruikelijke lichte verhogingen voor licht geroerde grond op langdurig in gebruik zijnde percelen in het algemeen. De lichte verhogingen hebben geen consequenties;

•

De tamelijk ongeroerde kleigrond onder het ophoogzand onder de betonverharding bevat alleen een licht verhoogd gehalte aan molybdeen;

•

De bovengrond ten westen van de boerderij bevat lichte verhogingen aan zink, lood en PAK;

•

Ten westen van de boerderij ligt een gedempte sloot. Deze demping is in het verleden gerealiseerd met normale, waarschijnlijk gebiedseigen kleiige grond. Deze dempingsgrond is op zintuiglijke basis als onverdacht aangemerkt. De voormalige slootbodem was waarneembaar vanwege de donkergrijze tot nagenoeg zwarte kleur. Deze slootbodem is licht verontreinigd met diverse metalen. Dit heeft geen consequenties;

•

De zintuiglijk onverdachte humeuze kleiige ondergrond bevat een minimaal verhoogd gehalte molybdeen;

•

De bovengrond op het terrein is in een mengmonster onderzocht op PFAS. De gehalten aan PFOA (4.5 ug) en PFOS (1.7 ug) komen goed overeen met de verwachtingswaarde volgens de zonekaart van de OZHZ;

•

Het grondwater uit peilbuis 4 bevat een licht verhoogd bariumgehalte, hetgeen een niet relevante verhoging is;

•

In een separaat door Adcim BV uitgevoerd asbestonderzoek is geen asbest aangetroffen in de zwak puinhoudende bovengrond op het zuideloostelijke terreindeel.’

59

Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen wijziging van de huidige bedrijfsbestemming naar woonbestemming. Conclusie Op grond van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor het voorgenomen plan.

60

4.11 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • Zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Hoge verwachting dieper dan 5 meter beneden maaiveld. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 500 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

61

Afbeelding 26: Archeologische verwachtingskaart

Voor het plan is door ADC ArcheoProjecten een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: Het is niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen. Om de op het bureauonderzoek gebaseerde gespecificeerde verwachting voldoende te kunnen aanvullen en toetsen, adviseert ADC ArcheoProjecten om in het plangebied tijdens de sloop- en graafwerkzaamheden in een archeologische begeleiding te voorzien. De archeologische begeleiding dient hetzelfde doel als een inventariserend veldonderzoek door middel van het aanleggen van proefsleuven (AB/IVO-P). Dit betekent dat indien bij de civiele werkzaamheden toch vondsten of archeologische sporen worden aangetroffen, deze worden geregistreerd en, in zover de werkzaamheden dat toelaten, worden gedocumenteerd. Op basis van de resultaten van de sloopbegeleiding kan vervolgens worden bepaald of ter plaatse van de beoogde nieuwbouw buiten de locatie van de huidige bebouwing archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd.

62

Selectiebesluit De gemeente Molenlanden onderschrijft het selectieadvies van ADC ArcheoProjecten om vervolgonderzoek in het plangebied te laten uitvoeren in de vorm van een sloopbegeleiding van de te slopen woning. Indien sprake is van intacte terplagen met sporen van oudere bebouwing dient ook een proefsleuf te worden gegraven ter hoogte van boring 2. Voorafgaand aan het gravend onderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld dat getoetst zal worden door gemeente Molenlanden. Conclusie De sloop van de bestaande woning dient te worden voorzien van archeologische begeleiding. Voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden dient een Programma van Eisen te worden opgesteld dat getoetst zal worden door gemeente Molenlanden.

63

4.12 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De initiatiefnemers zijn bewust van deze gemeentelijke ambitie. De huidige woning voldoet niet meer aan de duurzaamheidseisen. De woning wordt vervangen door een nieuw boerderijvolume met daarin twee wooneenheden. De woningen voldoen aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Het boerderijvolume wordt geïsoleerd conform de huidige bouweisen. In het kader van de klimaatverandering (voorkomen hittestress), biodiversiteit en wateropvang is meter een groene inrichting sprake van een betere situatie dan in geval er veel terreinverharding wordt gerealiseerd. Het plan voorziet in een afname aan verharding en de woonpercelen worden op een passende wijze landschappelijk ingepast (paragraaf 2.2.3).

64

5

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Groot-Ammers, Graafland 83’, bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Groot-Ammers, Graafland 83’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Groot-Ammers, Graafland 83’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Liesveld’, vastgesteld op 20 februari 2018. De regels van het bestemmingsplan ‘Groot-Ammers, Graafland 83’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Agrarisch Het noordelijke deel krijgt de bestemming ‘Agrarisch’ met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – hobbymatig gebruik’, waarmee het hobbymatig gebruik van de stal voor het stallen van vee is toegestaan. Bedrijf Het tussenliggende deel, waarop de schuren 3 en 4 zich bevinden, behoudt de bestemming ‘Bedrijf’. In de huidige situatie zijn op het gehele perceel Graafland 83 te Groot-Ammers bedrijfsactiviteiten toegestaan tot max. categorie 3.1. Het plan is om op het tussenliggende deel de milieucategorie te verlagen naar milieucategorie 2.0. Tuin De strook langs het Graafland wordt gewijzigd naar ‘tuin’. Ter plaatse van de bestemming ‘tuin’ zijn de bouwmogelijkheden beperkt. De westelijke ontsluiting / toegangsweg, die wordt gebruikt voor het doorrijden naar de achterliggende loods, is aangeduid met de functieaanduiding ‘ontsluiting’.

65

Wonen Ten behoeve van de bouw van de woningen wordt de bestemming gewijzigd naar ‘wonen. Ter plaatse wordt één bouwvlak opgenomen waarbinnen twee wooneenheden zijn toegestaan. In de regels van het bestemmingsplan is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen teneinde het realiseren van een bijgebouw in de vorm van een hooiberg ter plaatse van de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’. Tenslotte is de westelijke ontsluiting/ toegangsweg, die wordt gebruikt voor het doorrijden naar de achterliggende loods, aangeduid met de functieaanduiding ‘ontsluiting’. Waarde – Archeologie – 1, 2 & 6 De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1, 2 en 6' zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem.

5.4 Aanduidingen • • • • • • • •

Bouwvlak; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – hobbymatig agrarisch gebruik’; Functieaanduiding ‘ontsluiting’; Functieaanduiding: bedrijfswoning uitgesloten; Maatvoeringsaanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 2’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte: 5 m’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bebouwingspercentage 50%’; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’.

66

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=74f21f39-8c02-40fb-bdb5-4039f1f0b530