bijlage 4 Bijlagen toelichting BP Groot Ammers, Achtkanter
Tekst van het document
situatie 1 : 500
1000
P
P
P
P
P
P
P
07
P
P
1000 1000
1000
P
P
P
P
10
09
08
1000
5000
P
1000
06
1000
5000
5000
1000
05
1000
11
1000
12
1000 1000
P
P
P
P
P
P
P
P
P
Stellingmolen
Achtkanter
Stellingmolen
Achtkanter
P
5000
04
5000
03
02
5000
01
legenda hoofdbouwvlak
kavel 01 02 03 04 05 06 07 08 09 10 11 12
brummelhuis
Oppervlakte 451 m² 258 m² 258 m² 258 m² 258 m² 417 m² 418 m² 259 m² 259 m² 259 m² 259 m² 455 m² 3809 m²
mijn idee van wonen opdrachtgever
www.brummelhuis.nl Tel. 0570 - 248500 Maagdenburgstraat 18 7421 ZC Deventer
:
:
project
:
nieuw te bouwen woning plan "Groot-Ammers Zuid Oost" te Groot-Ammers werknr.:
11023
tekeningnummer
:
B0 (situatie)
gewijzigd
:
a
18-05-2018 bl
d
25-07-2019 bl
g
b
04-10-2018 ph
e
18-03-2020 bl
h
tekenaar:
bl
c
05-04-2019 ak
f
31-03-2020 bl
i
getekend:
28-01-2016
02-06-2020 bl
voorgevel
achtergevel
brummelhuis mijn idee van wonen opdrachtgever
www.brummelhuis.nl Tel. 0570 - 248500 Maagdenburgstraat 18 7421 ZC Deventer
:
:
project
:
nieuw te bouwen woning plan "Groot-Ammers Zuid Oost" te Groot-Ammers werknr.:
11023
tekeningnummer
:
straatbeeld
gewijzigd
:
a
20-01-2017 bl
d
18-05-2018 bl
g
b
24-01-2017 bl
e
05-04-2019 ak
h
tekenaar:
bl
c
23-03-2018 bl
f
i
getekend:
28-01-2016
datum 9-5-2019 dossiercode 20190509-9-20536 Uitgangspuntennotitie WSRL U heeft een digitale watertoets uitgevoerd via de website www.dewatertoets.nl. Op basis van deze toets volgt u de normale watertoetsprocedure. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. Als start voor dit overleg ontvangt u deze uitgangspuntennotitie die automatisch is opgesteld met de door u ingevulde antwoorden op vragen en het door u ingetekende plangebied. De notitie bevat de voor uw plan relevante waterhuishoudkundige uitgangspunten en randvoorwaarden van Waterschap Rivierenland. Deze notitie kunt u gebruiken bij het ruimtelijk laten meewegen van het waterbelang en bij het opstellen van een waterhuishoudkundige onderbouwing van uw plan. Voor overleg kunt u contact opnemen met de accountmanager van Waterschap Rivierenland. Contactinformatie staat aan het einde van deze uitgangspuntennotitie. LET OP: het is mogelijk dat uw plan op basis van alleen het oppervlak van het plangebied in de normale procedure terecht is gekomen. Is dit het geval en worden er in deze notitie geen aandachtspunten aangereikt, dan is overleg met de accountmanager niet nodig. Uw plan is dan niet relevant voor de belangen van het waterschap (watertoetsadvies).
Algemene projectgegevens Projectomschrijving: Achtkanter, Groot-Ammers; Nieuwbouw 12 wooneenheden Oppervlakte plangebied: 6137 Adres: Achtkanter , Groot-Ammers Gemeente: Molenlanden Het plan is ingediend door: Gerben Kooijman Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer b.v. Op basis van de door u verstrekte informatie zijn de volgende wateraspecten van belang in het plangebied. Beleid waterschap Rivierenland Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Veiligheid In het plangebied is geen kern en beschermingszone van een waterkering gelegen. Grondwater (algemeen) Het plangebied wordt gekenmerkt door een bepaalde grondwaterstand. De drooglegging van het gebied is hiervoor medebepalend.
Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. In gebieden waar grondwateroverlast bekend is of gebieden met hoge grondwaterstanden adviseren wij om hier nader onderzoek naar te doen. Bij hoge rivierwaterstanden kunnen gebieden gelegen nabij de rivieren overlast ondervinden van kwel. Eventuele maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of kruipruimteloos bouwen.
Waterberging Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang. Zo wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd. Het waterschap hecht groot belang aan het zoveel mogelijk instandhouden van en compenseren in open water als onderdeel van het watersysteem. Voor plannen met een toename van verharding is compenserende waterberging nodig. Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht. Bij oppervlaktes groter dan 500 m2 in het stedelijk gebied en 1500 m2 in het landelijk gebied kan eventueel de vrijgestelde oppervlaktes in mindering worden gebracht. Bespreek dit met de betreffende accountmanager van het waterschap.
De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. Voor plannen met een toename aan verharding kan de vuistregel van 436 m³ per hectare verharding worden gebruikt bij bui T=10+10% en 664 m³ bij bui T=100+10%, mits er geen complicerende zaken als kwel aan de orde zijn. De maximaal toelaatbare peilstijging bij bui T=10+10% bedraagt 0,30 meter in het beheergebied van Waterschap Rivierenland. Alleen in het gebied Alblasserwaard en Vijfheerenlanden geldt een maximaal toelaatbare peilstijging van 0,20 meter vanwege de beperkte drooglegging in het gebied. Bij een bui T=100+10% mag geen inundatie optreden. De maatgevende afvoer is 1,5 l/s/ha. In stedelijk gebied kan de waterberging eventueel ook worden geregeld via een waterbergingsbank (indien beschikbaar). Plannen met een toename van het verhard oppervlak in stedelijk gebied tot 1500 m2 komen hiervoor in aanmerking. Voorkeursvolgorde aanleg watercompensatie Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de trits vasthouden-bergen-afvoeren. In aansluiting hierop hanteert het waterschap de volgende voorkeursvolgorde: ●
Hemelwater vasthouden door hergebruik of infiltratie ●
Hemelwater bergen in open water (of droogvallende watergang) ●
Hemelwater bergen in kunstmatige bergingsvoorzieningen (wadi, bassins, kratten, kelders). Bij de aanleg van nieuw water in het plangebied wordt bij voorkeur zoveel mogelijk aangesloten op de bestaande waterstructuur. Bij aanleg of aanpassing van watergangen is het van belang rekening te houden met de bereikbaarheid voor onderhoud, in- en uitlaatplaatsen voor maaiboten en opslagmogelijkheden voor slootvuil en kroos. Om water van voldoende waterkwaliteit te kunnen handhaven, is ook het zelfreinigend vermogen van het watersysteem van belang. Dit wordt bevorderd door rekening te houden met voldoende ruimte voor water, voldoende waterdiepte (streven is 1 meter) en voldoende oevervegetatie (taludschuinte minimaal 1:2 of flauwer). Watergangen Binnen het plangebied ligt een A-watergang. Binnen het plangebied ligt een beschermingszone van een A-watergang. Binnen het plangebied ligt een B-watergang of een beschermingszone van een B-watergang. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning -en of meldingsplichtig omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. Een onderhoudsstrook is een obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt.
Voor A-watergangen is die strook 4 meter breed (in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden en in het Land van Heusden en Altena geldt een breedte van 5 meter), gemeten uit de insteek. Voor B-watergangen is de strook 1 meter breed. C-watergangen hebben geen beschermingszone. Verbeelding Op de Verbeelding van het bestemmingsplan worden A-watergangen opgenomen met de bestemming Water. De beschermingszone van de watergangen wordt niet bestemd. De boezemgebieden of het winterbed krijgt de dubbelbestemming Waterstaat - Waterberging.
Waterkwaliteit (algemeen) Hieronder volgen een aantal algemene aandachtpunten die gelden voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen: ●
Bij de herstructurering van bestaande woonwijken of herbouw van woningen is er de kans om het rioolsysteem zodanig aan te passen dat hemelwater wordt afgekoppeld. Het uitgangspunt is dat er minimaal tot aan de erfgrens een gescheiden stelsel wordt aangelegd. ●
Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage.
●
Bij bedrijventerreinen wordt gestreefd om het hemelwater van het verhard oppervlak gescheiden van het vuilwaterriool af te voeren. Bij risico's voor waterverontreiniging wordt gestreefd naar een verbeterd gescheiden rioleringsstelsel.
Riolering en zuiveringswerken Het rioolstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. U kunt met uw gemeente contact op te nemen voor het aansluiten van (nieuwe) woningen en bedrijven. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap.
Vervolgtraject Voor het verdere proces is het van belang om de accountmananger van het waterschap te betrekken bij het plan en rekening te houden met de in dit document aangegeven uitgangspunten en adviezen. Wij verzoeken u ons te informeren over de wijze waarop het plan verder zal worden voorbereid. Accountmanager Molenlanden Cindy Gejas - Josten telefoon: 0344 649 197 e-mailadres: C.Gejas-Josten@wsrl.nl © Digitale Watertoets - www.dewatertoets.nl Dit document is gegenereerd via de website http://www.dewatertoets.nl// op basis van door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens. Dit digitale advies heeft een geldigheid van 2 jaar. www.dewatertoets.nl
datum 9-5-2019 dossiercode 20190509-9-20536 Samenvatting In deze paragraaf worden puntgewijs de resultaten van de toetsing samengevat. Tekenen: Heeft u een toetslaag geraakt? ja In welke gemeente ligt uw plangebied? Molenlanden Vragen: Gaat het plan uitsluitend over functiewijziging van bestaande bebouwing zonder fysieke aanpassingen van de bebouwing en de ruimte? nee Gaat het ruimtelijk plan over activiteiten anders dan woningen, bedrijven of kleinschalige infrastructuur? nee Is uw totale plangebied groter dan 3500 m² ? ja Verwacht u een toename van verharding in het plan groter dan 500 m² in stedelijk gebied of 1500 m² in landelijk gebied? ja Afbeeldingen geraakte toetslagen
Afbeeldingen geraakte signaleringskaarten
www.dewatertoets.nl
Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase
Groot-Ammers Zuid Oost Gemeente Liesveld B&G rapport 1099
Colofon Projectnummer Auteurs Redactie Versie Status
23940910/44067 H.W.D. van den Engel BA, drs. L. Haaring drs. L. Haaring 1.5 Definitief
Autorisatie dr. A.W.E. Wilbers
Senior Prospector
30-11-2010
Beleidsambtenaar Gemeente
31-10-2011
Goedkeuring dhr. K. Benschop
Opdrachtgever
© Becker & Van de Graaf bv Noordwijk, december 2010 ISSN 1879-3711
RBOI Rotterdam Dhr. M. van der Stelt Postbus 150 3000 AD Rotterdam
Protocol 4002 Protocol 4003
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
B&G rapport 1099 Definitief
SAMENVATTING: In opdracht van RBOI uit Rotterdam heeft archeologisch onderzoeksbureau Becker & Van de Graaf bv in oktober 2010 een archeologisch onderzoek uitgevoerd op de locatie Groot-Ammers Zuid Oost te Groot-Ammers, gemeente Liesveld. Het onderzoek betrof een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO) verkennende fase (door middel van boringen). De aanleiding voor het onderzoek is het verlenen van een bouwvergunning voor de bouw van woningen in het plangebied. Het plangebied bestaat uit een aantal voormalige weilanden ten oosten van GrootAmmers. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied in de Gelkenes-polder achter Groot-Ammers ligt waar de bodem uit een pakket van klei en veenlagen bestaat. Hieronder komen restanten van diverse oude begraven oude rivierlopen voor die actief waren in het Mesolithicum en Neolithicum, bestaande uit bedding- en oveverafzettingen en hierlangs gelegen donken. Op de donken kon in deze periodes bewoning voorkomen. Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart komen er in het plangebied twee van deze rivierlopen voor. Deze hebben een middelhoge en hoge verwachting op archeologische waarden uit het Mesolithicum en Neolithicum. De rest van het plangebied heeft een lage verwachting en is niet onderzocht bij het booronderzoek. Voor het bureauonderzoek is wel het gehele plangebied onderzocht.
Volgens andere kaarten liggen deze begraven rivierlopen buiten het plangebied. Nabij het plangebied zijn alleen archeologische waarden uit het Mesolithicum, Neolithicum en de Late Middeleeuwen bekend. Groot-Ammers is waarschijnlijk e in de 13 eeuw gesticht. In het plangebied is geen historische bebouwing of ander landgebruik dan weiland bekend. De verwachting in de gebieden met een middelhoge/hoge verwachting geldt alleen voor het Mesolithicum en Neolithicum. De verwachtte waarden liggen enkele meters onder maaiveld. Tijdens het veldonderzoek bleek dat er in het plangebied geen oude rivierlopen of donken voorkomen in de onderzochte delen van het plangebied binnen 8,0 m onder maaiveld. De bodem bestaat alleen uit een pakket van veen- en kleilagen. In de boringen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. De kans op aanwezigheid van archeologische waarden uit alle perioden is klein, ook uit het Mesolithicum en Neolithicum. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om geen aanvullende maatregelen t.a.v. archeologie uit te laten voeren.
B&G rapport 1099 Definitief
INHOUDSOPGAVE: ADMINISTRATIEVE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED ............................................................... 4 1. INLEIDING ........................................................................................................................................ 5
1.1. Aanleiding ............................................................................................................................... 5 1.2. Doel- en vraagstelling van het onderzoek............................................................................... 5 1.3. Ligging van het plan- en onderzoeksgebied ........................................................................... 6 2. BUREAUONDERZOEK .................................................................................................................... 8
2.1. Werkwijze ................................................................................................................................ 8 2.2. Geologie, geomorfologie en bodem ........................................................................................ 8 2.3. Archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden ............................................... 11 2.4. Historische en tegenwoordige situatie en mogelijke verstoringen ........................................ 12 2.5. Gespecificeerd verwachtingsmodel ...................................................................................... 15 3. VELDONDERZOEK ........................................................................................................................ 16
3.1. Onderzoekshypothese en onderzoeksopzet ........................................................................ 16 3.2. Werkwijze .............................................................................................................................. 16 3.3. Resultaten ............................................................................................................................. 16 3.4. Interpretatie ........................................................................................................................... 17 4. CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ............................................................................................. 18
4.1. Beantwoording vraagstelling ................................................................................................. 18 4.2. Aanbevelingen ...................................................................................................................... 19 4.3. Betrouwbaarheid ................................................................................................................... 19 GERAADPLEEGDE BRONNEN ........................................................................................................ 20 LIJST VAN AFKORTINGEN EN BEGRIPPEN .................................................................................. 21
BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Topografische kaart Archis-informatie Boorlocatiekaart Boorbeschrijvingen Periodentabel Historische kaart 1811-32 Historische kaart 1898 Historische kaart 1959
B&G rapport 1099 Definitief
Administratieve gegevens van het plangebied Toponiem
Groot-Ammers Zuid Oost
Onderzoeksmeldingsnummer
44067
Plaats
Groot-Ammers
Gemeente
Liesveld
Kadastrale aanduiding
Ammers 2ED1291
Provincie
Zuid-Holland
Coördinaten Centrum Hoekpunten
117.051 / 437.373 116.957 / 437.390 (W) 116.978 / 437.337 (ZW) 117.147 / 437.342 (ZO) 117.058 / 437.581 (NW) 117.083 / 437.433
Oppervlakte plangebied
Circa 15.000 m2
Onderzoekskader
Bouwvergunning RBOI Rotterdam Contactpersoon: dhr. M. van der Stelt Postbus 150 3000 AD Rotterdam Tel:010-2018555 m.vanderstelt@rboi.nl Becker & Van de Graaf bv Contactpersoon: dhr. H.W.D. van den Engel BA Postbus 126 2200 AC Noordwijk (ZH) Tel: 071-3326888 hvdengel@bgarcheologie.nl Gemeente Liesveld Afdeling Regelgeving Contactpersoon: dhr. K. Benschop Postbus 5 297 AA Bleskensgraaf Tel: 0184-805216 kees.benschop@de waardwerkt.nl
Opdrachtgever
Uitvoerder
Bevoegde overheid
Beheer en plaats van documentatie
Becker & Van de Graaf, Noordwijk
Uitvoeringsdatum veldwerk
26-11-2010
4
B&G rapport 1099 Definitief
1. Inleiding 1.1. Aanleiding In opdracht van RBOI Rotterdam heeft archeologisch onderzoeksbureau Becker & Van de Graaf bv in december 2010 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO) verkennende fase door middel van boringen uitgevoerd in Groot-Ammers voor ontwikkelingsplan Groot-Ammers Zuidoost, gemeente Liesveld. De aanleiding voor dit onderzoek is de aanleg van een nieuwe woonwijk. Het betreft de ontwikkeling van 24 (woningen) bouwkavels, ten zuidoosten van 2 Groot-Ammers in de gemeente Liesveld. Het plangebied heeft een grootte van circa 15.000 m . Hiervan dienden echter slechts twee smalle stroken onderzocht te worden op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart. Dit houdt verband met de variërende archeologische verwachtingen binnen het plangebied. De strook in het zuidwesten heeft een middelhoge verwachting, de strook in het zuidoosten een hoge verwachting en de rest van het plangebied heeft een lage verwachting op het voorkomen van archeologische resten. Doordat de stroken die wel onderzocht dienen te worden afgetrokken worden van de oppervlakte van het plangebied, komt het deel van het plangebied met een lage verwachting onder de onderzoekseis van 2 10.000 m te liggen. Hierom hoeft in dit gedeelte geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
Graafwerkzaamheden ten behoeve van de bouw van de woningen zullen zorgen voor een bodemverstoring tot een nog onbekende diepte. De kans bestaat dat eventueel aanwezige archeologische waarden hierdoor verstoord dan wel vernietigd zullen worden. 1.2. Doel- en vraagstelling van het onderzoek De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Dit gebeurt aan de hand van bestaande bronnen over bekende en verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Het doel van het veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Daarnaast wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap in het plangebied, voor zover deze vormeenheden van invloed kunnen zijn geweest op de bruikbaarheid van de locatie door de mens in het verleden. Op basis van de resultaten van het onderzoek kunnen kansarme zones van het plangebied worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor behoud of voor vervolgonderzoek. Om deze doelstelling te kunnen realiseren, wordt op de volgende vragen een antwoord gegeven (Wilbers / Van den Engel 2010): •
Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie?
•
Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen?
•
Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? En zo ja, op welke diepte t.o.v. het maaiveld en NAP?
•
Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd?
•
In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden?
Het archeologisch bureauonderzoek en het inventariserend veldonderzoek zijn uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.2 (Centraal College van Deskundigen 2010). Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar bijlage 5. Afkortingen en enkele vaktermen worden achterin dit rapport uitgelegd (zie lijst van afkortingen en begrippen).
5
B&G rapport 1099 Definitief
1.3. Ligging van het plan- en onderzoeksgebied De ligging van het (her) in te richten gebied, ofwel het plangebied, is weergegeven in bijlage 1. Het plangebied ligt ten oosten van het dorp Groot-Ammers. In het zuiden wordt het plangebied begrensd door een sloot, in het oosten door een sloot genaamd de Midden-Wetering, en de Haarsteeg, in het westen door de Molenlaan en in het noorden door een braakliggend terrein, reeds gerealiseerde delen van de woonwijk en de Achtkanter (zie Figuur 1). De exacte ligging en contouren van het plangebied zijn nader weergegeven in bijlage 3 en Figuur 1 en 2. Om tot een gespecificeerde verwachting voor het plangebied te komen, is niet alleen gekeken naar bekende gegevens over het plangebied zelf maar ook naar de omgeving. Voor het totale onderzochte gebied, oftewel het onderzoeksgebied, is als begrenzing een straal van 850 m rondom het plangebied gekozen. De straal van 850 m is dusdanig gekozen dat de landschappelijke eenheid wordt beslagen die aanwezig kan zijn in het bebouwde plangebied. Eveneens worden door de gekozen radius verscheidene archeologische onderzoeken meegenomen die in de nabijheid van het plangebied liggen en zodoende aanwijzingen kunnen geven voor de mogelijkheid van de aanwezigheid van materiële restanten van menselijke activiteiten in het plangebied.
Figuur 1: De ligging van het plangebied, weergegeven met een gele contour, en de onderzochte delen, weergegeven met rode contouren. (Google Earth 2005).
6
B&G rapport 1099 Definitief
Haarsteeg
Molenlaan
Graafland
Figuur 2: De toekomstige indeling van het plangebied (bron: RBOI Rotterdam).
7
B&G rapport 1099 Definitief
2. Bureauonderzoek 2.1. Werkwijze Tijdens het bureauonderzoek zijn gegevens verzameld over het onderzoeksgebied. Er is gekeken naar bekende archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden, uitgevoerde archeologische onderzoeken, de fysieke kenmerken van het oude en huidige landschap en naar informatie over bodemverstoringen. Er is gebruik gemaakt van de verwachtingskaart van de gemeente Liesveld (Boshoven e.a. 2009) en van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van de provincie Zuid-Holland. Daarnaast is er gekeken naar de landelijke verwachtingskaart (de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden) en naar het Archeologisch Informatie Systeem (Archis II) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Aanvullende historische informatie is verkregen uit e beschikbaar historisch kaartmateriaal, waaronder het Kadastrale Minuutplan van begin 19 eeuw en enkele historische topografische kaarten (watwaswaar.nl), en via de website van de KennisInfrastructuur CultuurHistorie (KICH; www.kich.nl). Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en de geomorfologische kaarten van Nederland en de Rijn-Maas delta gebruikt (Stichting voor Bodemkartering 1984; Alterra, 2005; Berendsen/Stouthamer 2001).
Voor informatie over het reliëf in en rondom het plangebied is gebruik gemaakt van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN; www.ahn.nl). Deze gegevens zijn aangevuld met informatie uit onderzoeksrapporten en achtergrondliteratuur (zie literatuurlijst). Er is voor het onderzoek geen gebruik gemaakt van historisch archiefmateriaal of oude luchtfoto’s omdat deze niet beschikbaar waren of geen aanvullende informatie opleverden. 2.2. Geologie, geomorfologie en bodem Ontstaansgeschiedenis landschapgeologie, geomorfologie, bodem en grondwaterstand Het landschap van het Midden-Nederlandse rivierengebied is gevormd door kronkelende rivieren, rivierverleggingen en overstromingen. Gedurende de laatste ijstijd (het Weichselien, 120.000 tot 10.000 jaar geleden) stroomden er vlechtende rivieren door het gebied. Deze vlechtende rivieren bestonden uit vele geulen met daartussen kale zandbanken en hebben in de ondergrond een dik pakket zand en grind achtergelaten. Na de laatste ijstijd, gedurende het Holoceen (ongeveer 10.000 jaar geleden tot en met nu) hadden de meeste rivieren die door Midden-Nederland stroomden een 1 meanderend rivierpatroon . Een meanderende rivier heeft een kronkelende geul, waarbij door de erosie van de oevers de bochten steeds groter worden en/of langzaam stroomafwaarts migreren (figuur 3). De breedte van de geul blijft echter vrijwel gelijk.
Hierdoor wordt in de binnenbocht van een meander zand afgezet en ontstaat door de migratie over vele jaren een breed zandlichaam in de bodem. Buiten de geul wordt bij overstromingen zand en zandige kleien afgezet op de oevers van de geul en worden oeverwallen gevormd. Steeds verder van de geul verwijderd, in de lager gelegen komgebieden, wordt steeds fijner sediment afgezet in de vorm van siltige kleien. Die delen van de komgebieden die zo ver van de rivier afliggen dat het water geen sediment meer bevat kennen dusdanig hoge (grond)waterstanden dat afgestorven plantenresten niet meer kunnen vergaan en er veen ontstaat.
1
In sommige gebieden en/of gedurende sommige periodes kwamen ook anastomoserende rivieren voor (Berendsen?Stouthamer 2001)
8
B&G rapport 1099 Definitief
Figuur 3. Blokdiagram van de afzettingen van meanderende rivieren en gerelateerde organische afzettingen in de Betuwe. De rivier stroomt naar links. Het plangebied ligt in een landschappelijke situatie vergelijkbaar met locatie A (Berendsen/Stouthamer 2001).
Bij actieve rivieren zijn met name de oeverwallen belangrijk voor de mens. Door de hogere ligging overstromen de oeverwallen minder vaak dan de komgebieden, waardoor ze beter bewoonbaar zijn. Daarnaast is de textuur van de zandige kleien van de oeverwallen beter geschikt voor akkerbouw en fruitteelt dan de zware kleien en het veen van de komgebieden. Sedimentatieprocessen in de geul van een rivier, kleine klimatologische veranderingen of specifieke lokale omstandigheden zorgden in het midden-nederlandse rivierengebied regelmatig voor de verlegging van een rivierloop over een traject van tientallen kilometers. In de nabijheid van de nieuwe geul werden de bestaande afzettingen geërodeerd terwijl bestaande afzettingen verder van de nieuwe geul verwijderd langzaam werden bedekt met nieuwe afzettingen. De oude rivierloop verlandde in zijn geheel, waarbij de laatste restgeul werd opgevuld met humeuze zanden en kleien en soms met veen. Door verschillen in de mate van inklinking tussen veen, klei en zand vormden de verlaten rivieren en hun oeverwallen ruggen in het landschap die stroomruggen of stroomgordels worden genoemd. Zand klinkt vrijwel niet in terwijl klei en vooral veen zeer sterk kunnen inklinken. Deze stroomruggen vormen net als oeverwallen hogere zones in het landschap die minder vaak overstromen en daardoor meer geschikt zijn voor bewoning en voor akkerbouw.
Door verdergaande sedimentatie gedurende het Holoceen zijn verschillende van deze stroomruggen begraven geraakt, hergebruikt door een nieuwe rivier of grotendeels weg geërodeerd. Daardoor zijn sommige stroomruggen in het huidige landschap niet meer te herkennen. Op het AHN zijn in de Alblasserwaard diverse van deze oude, begraven lopen te herkennen aan subtiele verschillen in hoogte van de weilanden. Het veen in de polders rondom Groot-Ammers vormde zich in de zeer natte gebieden buiten de directe invloedsfeer van de rivieren. De kleien zijn bij hoge rivierafvoeren, waarbij het water buiten de oevers trad, op enige afstand van de rivieren in het komgebied afgezet waarbij de stroomsnelheden zeer laag zijn. De kleien worden komafzettingen genoemd. De rivieren veranderden van tijd tot tijd hun loop en daardoor was de aanvoer van klei niet constant. De rivieren die in de buurt van GrootAmmers lagen en die klei aangevoerd kunnen hebben, waren actief vanaf ca. 7.200 jaar geleden. Rond 6.300 en tussen ca. 5.000 en 4.900 jaar geleden lagen er geen rivieren binnen een straal van 5 km en mogelijk vond toen, buiten de invloedsfeer van een rivier, veenvorming plaats. Tussen ca. 4.900 ten 3.900 jaar geleden stroomde er een kleine rivier door wat nu Groot-Ammers is, de Vuilendamse stroom (Berendsen en Stouthamer 2001).
De dorpskern van Groot-Ammers is gebouwd op zandige afzettingen van deze rivier. Mogelijk heeft deze rivier in het onderzoeksgebied klei en misschien zelfs dunne laagjes zand afgezet (oeverwalafzettingen). Nadat deze rivier verlandde
9
B&G rapport 1099 Definitief
kwamen de daaropvolgende 2.000 jaar geen rivieren voor in de omgeving van Groot-Ammers. Toen ontstonden er dikke pakketten veen die ook de geul- en oeverafzettingen van de rivier bedekten. Pas rond 50 na Chr. ontstond de huidige Lek circa een kilometer ten noordwesten van het plangebied en werd er weer klei afgezet in het onderzoeksgebied. Volgens de gemeentelijke archeologische kaart ligt in het zuidoostelijke deel mogelijk een arm van de Schoonhovense stroomrug. Deze stroomrug was actief tussen 3706 v. Chr. ± 38 jaar en 2401 v.Chr. ± 83 jaar, dus in het Neolithicum. Volgens Berendsen en Stouthamer ligt deze echter arm echter circa 75 tot 100 m oostelijker. De begraven top zou volgens de gemeentelijke kaart tussen de 1,5 en 5 m – mv moeten liggen, tussen 2,65 en 6,15 m –NAP, volgens Berendsen en Stouthamer zou het tussen 2,95 en 4,04 m –mv moeten liggen, circa tussen 4,1 en 5,2 m –NAP. In het zuidelijke deel zou volgens de gemeentelijke archeologische kaart een arm van de Vuilendamse stroomrug moeten liggen. Deze stroomrug was actief tussen 6240 v.Chr. ± 115 jaar en 4578 v.Chr. ± 85 jaar. Volgens Berendsen en Stouthamer zou deze echter circa minstens 400 tot 575 m zuidelijker liggen. De gemeentelijke kaart geeft geen diepteligging, maar Berendsen en Stouthamer geven een diepte tussen de 6,3 en 7,2 m –mv, dus circa 7,3 en 8,2 m –NAP.
Op basis van het AHN lijkt de kaart van Berendsen en Stouthamer accurater dan de gemeentelijke kaart. Waarschijnlijk is er voor de gemeentelijke kaart gebruik gemaakt van grote buffers rondom de begraven rivierlopen. Geologisch gezien behoren de hoogst gelegen komafzettingen volgens de geologische kaart (Rijks Geologische Dienst 1982) tot de Afzettingen van Tiel. Daaronder ligt een pakket dat bestaat uit een afwisseling van Hollandveen en komafzettingen van de Afzettingen van Gorinchem. Doordat de dikke veenlagen rondom Groot-Ammers zijn bedekt met een dikke kleilaag afgezet door de Lek wordt de bodem geclassificeerd als een kalkloze drechtvaaggrond (code Rv01C, Stichting voor Bodemkartering 1984). De kleilaag is daarbij tussen 80 en 40 cm dik en wordt dunner verder van de Lek vandaan. Volgens de CHS van Zuid-Holland ligt het plangebied in een veenontginningsgebied. De wijze van verkaveling in de polder wordt ‘vrije opstek’ genoemd, wat inhoudt dat boeren hun kavel naar believen konden verlengen in het veen (Borger et al. 1997). Door deze verkaveling met lange sloten er tussen werden de veengebieden sterk ontwaterd waardoor het veen sterk inklonk. Het plangebied heeft grondwatertrap III. Dit betekent dat het grondwater in de zomer tussen de 80 en 120 cm –mv ligt en in de zomer ondieper dan 40 cm.
Onverkoolde organische resten zullen in het deel van de bodem waar ze afwisselend aan zuurstof en water blootstaan slechter of niet geconserveerd zijn.
10
B&G rapport 1099 Definitief
ca 200 m
Figuur 4: De ligging van het plangebied (rode contour) op het AHN. De bodem rondom Groot-Ammers bevat diverse stroomruggen, maar niet nabij het plangebied. Rood staat voor hoog, oranje, geel, groen en blauw liggen steeds lager (bron: AHN).
2.3. Archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden Binnen het plangebied zijn geen terreinen aanwezig die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) als waardevol staan aangegeven. Ook zijn er geen waarnemingen en vondsten gemeld en geen eerdere onderzoeken uitgevoerd. Volgens het KICH zijn er geen bouwhistorische waarden aanwezig in het plangebied. Op de gemeentelijke verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Liesveld (Boshoven e.a. 2009) heeft het plangebied grotendeels een lage verwachting. Aan de zuidrand heeft het een middelhoge verwachting voor archeologische waarden uit alle periodes van de prehistorie tot en met de Middeleeuwen, aan de zuidoostelijke rand heeft het een hoge verwachting van de prehistorie tot en met de Middeleeuwen. De resten worden verwacht tussen 1,5 en 5 m –mv. Dit houdt verband met de mogelijke aanwezigheid van begraven oude stroomgordels en hierlangs gelegen donken in de ondergrond. De genoemde leeftijden van de begraven rivieren (zie paragraaf 2.2) betekenen dat de verwachting op de gemeentelijke archeologische kaart niet volledig opgaat. Om de kaart overzichtelijk te houden zijn de verwachtingsklassen ruim opgezet en verwachtingen van verschillende rivieren bij elkaar gevoegd. De verwachting voor de stroomruggen is voor het Mesolithicum en Neolithicum. Historisch gezien is er geen ander grondgebruik anders dan weiland bekend
11
B&G rapport 1099 Definitief
Het plangebied staat op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) aangegeven als een gebied met een lage trefkans voor archeologische waarden. Deze waardering is gebaseerd op de ligging van het terrein op in een komgebied. Op de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van de provincie Zuid-Holland heeft het een lage verwachtingswaarde vanwege de ligging in een komgebied waar pas bewoning vanaf de Middeleeuwen mogelijk was. Tevens zou er veenontginning hebben plaatsgevonden. De begraven stroomgordel welke volgens de gemeentelijke kaart in het zuidoosten van het plangebeid voorkomt wordt hier getoond als liggende op een afstand van meer dan 100 m ten oosten van het plangebied. Binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebeid zijn enkele archeologische onderzoeken verricht: Onderzoek in de Gelkenes-polder: • Ongeveer 450 m ten noorden van het plangebied is er een booronderzoek uitgevoerd dwars door de Gelkenes-polder (onderzoeksmelding 13533). Een groot deel van het onderzochte terrein kreeg een lage verwachting, alleen in een boring in het westen is de Schoonhovense stroomrug aangetroffen. In het oosten, ver van het huidige plangebied werd een oud vloeroppervlak aangeboord op circa 1 m –mv.
Onderzoek in Groot-Ammers: • Circa 850 m ten westen van het plangebied zijn twee booronderzoeken uitgevoerd ter plaatse van een rivierdonk in de ondergrond (onderzoeksmeldingen 12841 en 16709. De plangebieden lagen aan de voet van het rivierduin en leverden geen archeologische indicatoren op. Op basis hiervan zijn de beide plangebieden vrijgegeven. Archismeldingen in de polder ten zuiden van het plangebied: • Circa 125 m ten zuiden ligt waarneming 36627, een huisterp daterende tussen de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. • Circa 325 m ten zuidoosten ligt waarneming 36628, een huisterp daterende tussen de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. • Circa 350 m ten zuidoosten ligt waarneming 36629, een huisterp daterende tussen de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. • Circa 500 m ten zuidoosten liggen waarneming 24872 en 36631, twee nummers voor een huisterp daterende tussen de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. • Circa 350 m ten zuidwesten ligt waarneming 36626, een huisterp daterende tussen de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. • Circa 400 m ten zuidwesten van het plangebied is een booronderzoek uitgevoerd (onderzoeksmelding 20100). Dit vond plaats op dezelfde strook land waar ook alle genoemde huisterpen liggen. In de boringen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis hiervan is het terrein vrijgegeven.
• Circa 625 m ten zuidwesten van het plangebied is een booronderzoek uitgevoerd (onderzoeksmelding 8531). Hierbij werd een donk aangetroffen. Tevens werd houtskool gevonden wat wijst op mesolithische of neolithische bewoning van de donk (waarneming 403068). 2.4. Historische en tegenwoordige situatie en mogelijke verstoringen Volgens gegevens van de Historische Kring Nieuwpoort wordt Groot-Ammers voor de eerste maal genoemd in 1253. Het ligt aan de polder Gelkenes. Deze polder is waarschijnlijk al voor 1200 ontgonnen. Groot-Ammers is ontstaan langs een veenriviertje wat uitmondde in de Lek, ammers betekent waterloop. De bijvoeging “Groot” dient om het dorp te onderscheiden van Klein-Ammers / Ammerstol aan de overzijde van de Lek. Op de historische kaarten sinds 1650 (Van Berckenrode) tot circa 2005 is het plangebied altijd in gebruik geweest als weiland. Sindsdien ligt het braak, is het in gebruik als trapveldje en als grondopslag, zie Figuur 5 tot 9. Nabij de brug van de Molenlaan naar het Graafland is al een sloot
12
B&G rapport 1099 Definitief
gegraven in het deel van het zuidwestelijke plangebied. Voorts lijkt een deel van de grond bedekt te zijn met een laag zand, zie figuur 9. Volgens de KLIC (Kabels en Leidingen Informatie Centrum van het Kadaster) zijn er nog geen kabels en leidingen in het plangebied aanwezig.
Figuur 5: Welkom in Groot-Ammers Zuid Oost
Figuur 6: Foto genomen vanuit de zuidwesthoek, vanaf de brug leidend naar het Graafland.
13
B&G rapport 1099 Definitief
Figuur 7: Vanuit de zuidoosthoek naar het noorden, rechts aan de overkant van het water de Haarsteeg.
Figuur 8: Foto richting het westen, de brug naar het Graafland.
14
B&G rapport 1099 Definitief
Figuur 9: Plaatselijk is de grond met zand opgehoogd of verstevigd. Dit is zichtbaar in het maaiveld en doordat delen de sloot in spoelen tijdens regenbuien.
2.5. Gespecificeerd verwachtingsmodel Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt verwacht dat er in het plangebied mogelijk archeologische waarden kunnen voorkomen uit het Mesolithicum en Neolithicum. Deze waarden zullen naar verwachting bestaan uit vuurstenen artefacten, houtskool en mogelijke begravingen op de top van begraven zandige donken langs de mogelijk in de ondergrond voorkomende oude rivierlopen. In het zuidoostelijke deel van het plangebied zou een archeologisch vondstenvlak tussen de 1,5 en 5 m –mv kunnen voorkomen volgens de gemeentelijke kaart, voor het zuidwestelijke deel van het plangebied is geen diepte gegeven. Op basis van de rivierenkaart van Berendsen en Stouthamer en het AHN wordt de kans op het aantreffen van archeologische waarden uit elke periode laag ingeschat. Archeologische waarden uit jongere periodes dan het Neolithicum worden niet verwacht, de verwachting hiervoor is zeer laag vanwege de voormalige vochtigheid van het plangebied en het ontbreken van historische bebouwing. Om het verwachtingsmodel te toetsen en waar nodig aan te vullen en de bodem te controleren op de opbouw en eventuele verstoringen is er een verkennend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd.
15
B&G rapport 1099 Definitief
3. Veldonderzoek 3.1. Onderzoekshypothese en onderzoeksopzet Het doel van het verkennend veldonderzoek door middel van boringen is om de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen en waar nodig aan te passen. Daarnaast wordt de bodemopbouw gecontroleerd en gekeken naar eventuele verstoringen. Tijdens het veldonderzoek wordt vastgesteld waar de oorspronkelijke bodemopbouw intact is gebleven en waar niet. Daarnaast wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Kansarme zones worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor de volgende fasen. Het veldonderzoek bestond uitsluitend uit een booronderzoek. Er is geen veldkartering uitgevoerd vanwege de begroeiing van het terrein (gras) en de gedeeltelijke bedekking met zanddepots (zie Figuur 5 –9). 3.2. Werkwijze In het plangebied te Groot-Ammers zijn zes boringen gezet (bijlagen 3 en 4). Dit is als volgt verdeeld: 3 met een diepte van 2,0 m (boring 1-3) en 1 met een diepte van 4,0 m (boring 4) in het zuidwestelijke deel van het plangebied en één boring van 7,3 (boring 6) en één boring van 8,0 m diep (boring 5). Oorspronkelijk zouden de boringen in het zuidoostelijke deel van het plangebied tot een diepte van 5,0 m -mv gezet worden, maar na overleg met dr.
Wilbers zijn ze uit voorzorg dieper doorgezet om de eventuele ligging boven de voet van een donk uit te kunnen sluiten. Er is gebruik gemaakt van een Edelmanboor met een diameter van 12 cm voor de 1 tot 1,5 m tot de ondergrens van de klei, daaronder is tot circa 4,0 m een veenboor met een diameter van 10 cm gebruikt. Hieronder is gebruik gemaakt van een guts met een diameter van 3 cm. De veenboor was nodig voor de delen van de boring met een dik aaneengesloten veenpakket, de guts was nodig omdat de klei op grotere diepte zeer slap was en het boorgat anders dichtslibde. De boringen zijn gelijkmatig verdeeld over delen van het plangebied. De boringen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008) met behulp van een veldcomputer en het programma Boormanager van I.T. Works. De locaties van de boringen (x- en y-waarden) zijn ingemeten vanuit de topografie en perceelsgrenzen. Boring 3 en 4 zijn enkele malen opnieuw gezet vanwege de zandige bovengrond. Dit zand was waarschijnlijk afkomstig van zanddepots elders in het plangebied. Daar ze echter buiten het te onderzoeken gebied dreigden te vallen bij het verder verplaatsen, zijn ze uiteindelijk toch geplaatst op een deel van het plangebied met een zandige bovengrond. De hoogtes van de boringen (z-waarden) zijn bepaald aan de hand van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (www.ahn.nl).
De opgeboorde monsters zijn door middel van verbrokkelen in het veld onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals aardewerk, baksteen, vuursteen, huttenleem en bot. 3.3. Resultaten 3.3.1. Lithologie en geologie De diepste delen van boring 5 en 6 bestaan tussen 7,3 en 8,0 m –mv tot 0,95 en 1,3 m –mv uit een afwisseling van slappe klei en veen. De onderste meters bestaan uit een afwisseling van klei en veenlagen met een variërende dikte en de bovenste 2,75 tot 3 m van dit pakket bestaan alleen uit veen. Waarschijnlijk zijn dit de afwisselende lagen van Hollandveen en komafzettingen van de Afzettingen van Gorinchem. In boring 5 is op een diepte tussen de 660 tot 690 cm –mv een laag zwart, mogelijk veraard veen aangetroffen onder een kleipakket. De onderste lagen in boring 1 tot en met 4 bestaan uit veen, waarschijnlijk Hollandveen tot een diepte tussen de 90 en 190 cm -mv. De laag daarboven bestaat uit stevige klei. In boring 3 en 4 ligt hier opgebracht zand op.
16
B&G rapport 1099 Definitief
3.3.2. Bodemopbouw In boring 1, 2, 4, 5 en 6 gaat het Hollandveen over in komklei op een diepte tussen de circa 90 en 130 cm -mv. In boring 3 gebeurt dit op een diepte van circa 190 cm –mv. Hierboven ligt stevige klei met een dikte tussen de 45 en 130 cm. In boring 2 komt deze kleilaag tot aan het maaiveld. In boring 1, 5 en 6 ligt er nog een laag sterk kleiig veen op met een dikte 45 en 80 cm dikte. In boring 5 zaten er brokjes puin onder in deze veenlaag. In boring 3 en 4 wordt de laag boven de klei, met een dikte van 60 tot 90 cm –mv, gevormd door fijn zand met schelpjes. Bij een drechtvaaggrond, zoals deze volgens de bodemkaart in het plangebied zou moeten voorkomen, gaat de klei tussen 40 en 80 cm over van klei naar veen. De kleilaag is de komklei van de lek. De bovenste laag is een menglaag van het bouwrijp maken van het gebied. Toen het plangebied nog in gebruik was als weiland, was het nog een drechtvaaggrond. Nu is het een vergraven drechtvaaggrond. 3.3.3. Archeologische indicatoren In de boringen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Ook in de laag waarin mogelijk veraard veen is aangetroffen (boring 5) zijn geen indicatoren gevonden. 3.4. Interpretatie In de boringen zijn twee soorten bodemopbouw aangetroffen, namelijk klei-op-veen en veen-op-kleiop-veen. De klei bestaat uit komklei van de Lek.
De bovenste kleiige veenlaag is waarschijnlijk ontstaan bij het ontginnen van het gebied. Veen wat vrijkwam bij het graven van de sloten werd op de klei achtergelaten en de twee zijn vermengd geraakt. Er is sprake van een vergraven drechtvaaggrond. De zandlaag in boring 3 en 4 is waarschijnlijk afkomstig van de zanddepots die ter opslag op het terrein liggen. Er was deels al een begroeiing met gras op aanwezig, maar daar het plangebied al minstens 5 jaar deels voor opslag van dit zand wordt gebruikt (zie Figuur 1 uit 2005) was het zand niet overal aan de oppervlakte herkenbaar. De diepere ligging van het veen in boring 3 kan echter ook veroorzaakt zijn doordat hier in het verleden wellicht een veenstroompje liep, omdat het hier minder hoog was, waardoor het eerder is overstroomd terwijl er omheen nog veen groeide of omdat hier een oude sloot of greppel liep. Aan de onderkant van de afdekkende veenlaag in boring 5 is puin aangetroffen. Dit kan door bioturbatie (omwerking van de grond door dierlijke activiteiten) op deze diepte terechtgekomen zijn. Nergens in de boringen is een laag zand aangetroffen dat afkomstig zou kunnen zijn van een stroomgordel of donk in de ondergrond. In de boringen zijn ook geen archeologische indicatoren aangetroffen.
De laag mogelijk veraard veen in boring 5 is nauwkeurig onderzocht op de aanwezigheid van houtskool, bot en aardewerk, maar dit werd niet aangetroffen. In het plangebied zijn geen oude rivierlopen, donken of aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden aangetroffen. De hoge verwachting voor archeologische waarden uit het Mesolithicum en Neolithicum op basis van de gemeentelijke archeologische kaart is hierdoor zeer laag geworden. De lage verwachting voor alle andere perioden blijft intact.
17
B&G rapport 1099 Definitief
4. Conclusie en aanbevelingen In opdracht van RBOI Rotterdam zijn in november 2010 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO) verkennende fase door middel van boringen uitgevoerd in verband met de geplande (her)ontwikkeling van het plangebied Groot-Ammers Zuid Oost in GrootAmmers, gemeente Liesveld. In het plangebied zullen woningen worden gebouwd. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied in een polder achter het dorp Groot-Ammers ligt. In de ondergrond van de polders liggen meerdere oude rivierlopen die actief waren in het Mesolithicum en Neolithicum. Op donken langs deze rivieren was in die periode bewoning mogelijk. In het gebied achter de donken is in de kom van jongere riviersystemen een dik pakket veen en klei ontstaan. De verschillende kaarten waarop deze oude rivierlopen staan weergegeven spreken elkaar tegen. Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart lopen er twee oude rivierlopen door het plangebied, deze gebieden hebben een middelhoge en hoge verwachting voor archeologische waarden uit het Mesolithicum en Neolithicum. Deze resten mogen worden verwacht op zandige donken langs de begraven rivieren. Over deze stroken zijn 6 boringen verdeeld. De rest van het plangebied heeft een lage archeologische verwachting en is hierom niet onderzocht. e
Groot-Ammers bestaat waarschijnlijk sinds de 13 eeuw. In het plangebied heeft volgens diverse geraadpleegde oude kaarten vanaf 1650 nooit bebouwing plaatsgevonden. Nabij het plangebied zijn alleen vondsten uit het Mesolithicum en Neolithicum en huisterpen vanaf de Late Middeleeuwen bekend. Uit het veldonderzoek blijkt dat er in het plangebied geen oeverafzettingen of donken van oude rivierlopen voorkomen. Er is sprake van een pakket van klei- en veenlagen. Waarschijnlijk heeft het plangebied vanaf tenminste het Mesolithicum altijd in het komgebied van diverse riviersystemen gelegen. In de boringen zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. 4.1. Beantwoording vraagstelling •
Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie?
Het plangebied ligt in de Gelkenes-polder ten oosten van het dorp Groot-Ammers in het komgebied van de Lek. •
Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen?
In het plangebied komen twee soorten bodems voor, klei-op-veen en veen-op-klei-op-veen. Dit zijn vaaggronden, jonge bodems waar nog weinig bodemvormende processen in plaats hebben gevonden. Ter hoogte van twee boringen ligt een pakket ophoogzand, afkomstig van zandopslag op de rest van het plangebied. De bodem lijkt onverstoord te zijn. •
Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? En zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en NAP?
Op basis van de resultaten van het booronderzoek zijn geen relevante afzettingen of niveaus te verwachten in het plangebied •
Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd?
Op basis van het bureauonderzoek gold in het zuiden en oosten van het plangebied een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor resten uit het Mesolithicum en Neolithucum. Deze resten werden verwacht in de top van donken en/of oeverafzettingen. Omdat deze afzettingen bij het booronderzoek niet zijn aangetroffen, moet de verwachting voor resten uit deze perioden naar beneden worden bijgesteld naar een lage verwachting. •
In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden?
18
B&G rapport 1099 Definitief
In het plangebied worden op basis van het booronderzoek geen archeologische waarden verwacht die kunnen worden verstoord. Deze vraag is daarom niet relevant voor het plangebied. 4.2. Aanbevelingen Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied in de polder achter Groot-Ammers ligt, de bodem onverstoord is en dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn in de bodem. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren. NB. Bovenstaand advies dient gecontroleerd en beoordeeld te worden door de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Liesveld. Deze zal vervolgens een besluit nemen inzake de te volgen procedure. Becker & Van de Graaf bv wil meegeven dat voordat dit besluit genomen is, er niet begonnen kan worden met bodemverstorende activiteiten of activiteiten die voorbereiden op bodemverstoringen. 4.3. Betrouwbaarheid Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het onverwacht aantreffen dan wel het ongezien vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen.
Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet gegarandeerd worden. Wij wijzen u er graag op dat indien archeologische waarden worden aangetroffen deze conform de Monumentenwet 1988, artikel 53, bij het Rijk gemeld dienen te worden. Dit kan door te bellen met de gemeente Liesveld.
19
B&G rapport 1099 Definitief
Geraadpleegde bronnen Alterra, 2005: Geomorfologische kaart van Nederland, 1:50.000, blad 38 W/O, Wageningen. ANWB, 2005: ANWB Topografische Atlas «provincie» 1:25.000, Den Haag. Barends, S./ H.G. Baas/ M.J. de Harde/ J. Renes/ T. Stol/ J.C. van Triest/ R.J. de Vries/ F.J. van 9 Woudenberg, 2005 (1986): Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering, Utrecht. 3
Berendsen, H.J.A., 2005 (1997): Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio’s, Assen. Berendsen, H.J.A. /E. Stouthamer, 2001: Geological – Geomorphological map of the Rhine-Meuse delta, the Netherlands, in H.J.A. Berendsen/E. Stouthamer (eds.), Palaeogeographical development of the Rhine-Meuse delta, the Netherlands, Assen, Addendum 1. Borger, G., A. Haartsen en P. Vesters, 1997: Het Groene Hart, Een Hollands cultuurlandschap. Tweede druk. Utrecht.Boshoven, E.H. e.a. 2009: Regio Alblasserwaard en Vijfherenlanden, een archeologische inventarisatie, verwachtings- en beleidsadvieskaart, (BAAC-rapport V-08.0185) Centraal College van Deskundigen, 2010: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 3.2, Gouda. Mulder, E.F.J. de/ M.C. Geluk/ I.L. Ritsema/ W.E. Westerhoff/ T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland, Groningen/Houten. Rijks Geologische Dienst, 1982: Geologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000. Blad Gorinchem West (38 W). Rijks Geologische Dienst, Haarlem. SIKB, 2008: Archeologische standaard boorbeschrijving, Archeologie Leidraad, Gouda. Stichting voor Bodemkartering, 1984: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 38 West Gorinchem. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Wilbers, A.W.E., H.W.D. van den Engel, 2010: Plan van aanpak. Groot-Ammers Zuidoost in GrootAmmers, gemeente Liesveld, Noordwijk (Intern rapport, Becker & Van de Graaf).
Websites geo.zuid-holland.nl/geo-loket/kaart_chs.html watwaswaar.nl www.ahn.nl/viewer www.histkringnieuwpoort.nl www.kich.nl
20
B&G rapport 1099 Definitief
Lijst van afkortingen en begrippen Afkortingen Archis AMK BP CHS GPS IKAW KNA mv NAP PvA RCE
Archeologisch Informatie Systeem Archeologische Monumenten Kaart Before Present (Present = 1950) Cultuurhistorische Hoofdstructuur Global Positioning System Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie maaiveld (het landoppervlak) Normaal Amsterdams Peil Plan van Aanpak Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Verklarende woordenlijst antropogeen door menselijke activiteit veroorzaakt of gemaakt artefact door de mens vervaardigd voorwerp donk rivierduin, ontstaan tijdens de laatste ijstijd, waarvan de top uitsteekt boven de holocene afzettingen Edelmanboor een handboor voor bodemonderzoek horizont kenmerkende laag binnen de bodemvorming humeus organische stoffen bevattend; bestaande uit resten van planten en dieren in de bodem meanderende rivier rivier bestaande uit één kronkelende riviergeul oeverwal ophoging van zandige sedimenten langs een riviergeul, afgezet bij hoogwater rivierkom laaggelegen vlakte achter een oeverwal stroomgordel het geheel van afzettingen (stroombed en oeverwal) van een rivier stroomrug oude riviergeul die zodanig is opgehoogd met zandige afzettingen dat de rivier een nieuwe loop heeft gekregen; blijven door inklinking van de komgebieden als een rij in het landschap liggen vaaggrond grond zonder duidelijke tekenen van bodemvorming
21
Bijlage 1: Topografische kaart
437000
437500
438000
º
0 116500
117000
Legenda Plangebied
500 m 117500
Bijlage 2: Archis-informatie
º
2031
5333
!
45222 864
14880
438000
13533
437500
57469
!
!
8531
36625
!
(
408405
403068 16809
20100 36626
36631
44067
!
! 36632 36628 36629 ! ! 24871 24872 ! ! !
36627
!
!
36633
13379
!
437000
22035
!
0 116500
117000
500 m 117500
Legenda
( !
Vondstmeldingen Waarnemingen Plangebied
Onderzoeksmeldingen
Monumenten
Terrein van archeologische betekenis Terrein van archeologische waarde Terrein van hoge archeologische waarde Terrein van zeer hoge archeologische waarde Terrein van zeer hoge archeologische waarde, beschermd
IKAW lage trefkans (water) middelhoge trefkans (water) hoge trefkans (water) lage trefkans water middelhoge trefkans ongekarteerd hoge trefkans zeer lage trefkans
Bijlage 3: Boorlocatiekaart
437500
º
437400
6
. .
1
3
2
5
.
4
437300
. .. .
0 116900
117000
117100
Legenda
. Boorpunten Plangebied Huizen
1:2.000
50 m
117200
Boring:
01
Boring:
02
Boring:
03
Datum:
26-11-2010
Datum:
26-11-2010
Datum:
26-11-2010
X:
116990
X:
117004
X:
117017
Y:
437340
Y:
437340
Y:
437341
Maaiveld [m NAP]:
-1
Maaiveld [m NAP]:
-0,95
Maaiveld [m NAP]:
-1,05
GWS:
GWS:
GWS:
Opmerking:
Opmerking:
Opmerking:
cm NAP
0
-100
cm NAP
weiland Veen, sterk klei‹g, donkerbruin
0
-95
cm NAP
weiland Klei, matig siltig, zwak humeus, bruinoranje, ca1
0
-105
-125
-145
50
Klei, matig siltig, grijs, ca1
weiland Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak schelphoudend, donkergrijs
Klei, matig siltig, zwak humeus, donkergrijs, ca1
50
50
-160
Klei, matig siltig, grijs, ca1 -190
Veen, zwak klei‹g, donkerbruin
100
-195
100
Klei, matig siltig, sporen roest, grijs
100 -215
Veen, zwak klei‹g, donkerbruin 150
150
200
-300
200
-245
Veen, zwak klei‹g, donker roodbruin150
-295
-295
200
-305
Veen, zwak klei‹g, donkerbruin, ca1
Projectcode: 23940910
Boring:
04
Boring:
05
Boring:
06
Datum:
26-11-2010
Datum:
26-11-2010
Datum:
26-11-2010
X:
117029
X:
117134
X:
117115
Y:
437344
Y:
437351
Y:
437399
Maaiveld [m NAP]:
-0,95
Maaiveld [m NAP]:
-1,15
Maaiveld [m NAP]:
-1,15
GWS:
GWS:
GWS:
Opmerking:
Opmerking:
Opmerking:
cm NAP
0
50
-95
cm NAP
weiland Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak schelphoudend, grijs
0
-115
cm NAP
weiland Veen, sterk klei‹g, sporen puin, donker zwartbruin, brokken pu op 85
0
weiland Veen, sterk klei‹g, donker zwartbruin
-155
Klei, matig siltig, zwak humeus, grijsoranje
50
100
50
-165
Klei, matig siltig, zwak humeus, sporen roest, grijsbruin, ca1
-200 -210
Klei, zwak zandig, grijs, ca1
-215
100
100 -225
Veen, zwak klei‹g, donkerbruin 150
-115
Veen, zwak klei‹g, brokken hout, donkerbruin
-245
Veen, zwak klei‹g, donkerbruin
-255
Veen, zwak klei‹g, donkerbruin
Veen, zwak klei‹g, donker zwartbruin
150
150
200
200
200
250 250
250
-375
Veen, sterk klei‹g 300 300
300
350
350
-425
Veen, zwak klei‹g, brokken hout, donkerbruin
350
-485
400
Klei, sterk siltig, grijs, ca1
-495
400
400 -535 -545
Klei, uiterst siltig, sporen roest, grijs, ca1
450
Veen, zwak klei‹g, donker zwartbruin 450 -595
Veen, zwak klei‹g, donkerbruin 500
500
-625
Veen, zwak klei‹g, laagjes klei, donkerbruin
-645
Klei, uiterst siltig, grijs, ca1 550
550
600
600
-700
Klei, uiterst siltig, grijs, ca3 -730 -745
Klei, matig siltig, sporen roest, grijsoranje, ca1 Klei, matig siltig, grijs, ca3
650
-750
Veen, sterk klei‹g, donkerbruin 650
-775
Veen, zwak klei‹g, zwart, ca1 -805
Klei, matig siltig, sporen roest, grijs 700
700
-840 -845
-845
Veen, zwak klei‹g, bruin 750
-825
Klei, matig siltig, grijs, ca1 Klei, matig siltig, grijs, ca3
-875
Veen, sterk klei‹g, grijsbruin
800
-915
Projectcode: 23940910
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100