CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Bijlagen toelichting bestemmingsplan Giessenburg, tegenover Slingelandseweg 22

Raadsvergadering 2 maart 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Giesenburg, tegenover Slingelandseweg 2225.146 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Naam

Omschr.

Hoogte A

Hoogte B

Hoogte C

Hoogte D

Hoogte E

Hoogte F

Gevel

01 02 03 04 05

zuidgevel westgevel zuidgevel westgevel noordgevel

0,00 0,00 0,00 0,00 0,00

Relatief Relatief Relatief Relatief Relatief

1,50 1,50 1,50 1,50 1,50

4,50 4,50 4,50 4,50 4,50

------

------

------

------

Ja Ja Ja Ja Ja

06 07 08

noordgevel oostgevel oostgevel

0,00 0,00 0,00

Relatief Relatief Relatief

1,50 1,50 1,50

4,50 4,50 4,50

----

----

----

----

Ja Ja Ja

Geomilieu V5.10

Maaiveld

Hdef.

11-11-2020 11:02:54

Invoergegevens akoestsich model 191261 Rapport: Model:

Voortman Ingenieurs, bouwfysica & akoestiek bijlage 2

Lijst van model eigenschappen v2 wegverkeerslawaai 2030

Model eigenschap Omschrijving Verantwoordelijke Rekenmethode

v2 wegverkeerslawaai 2030 Jan #2|Wegverkeerslawaai|RMW-2012|

Aangemaakt door Laatst ingezien door Model aangemaakt met

Jan op 20-3-2019 Jan op 11-11-2020 Geomilieu V4.30

Dagperiode Avondperiode Nachtperiode Samengestelde periode Waarde Standaard maaiveldhoogte Rekenhoogte contouren Detailniveau toetspunt resultaten Detailniveau resultaten grids Zoekafstand [m] Max. reflectie afstand tot bron [m] Max. reflectie afstand tot ontvanger [m] Standaard bodemfactor Zichthoek [grd] Maximale reflectiediepte Reflectie in woonwijkschermen Geometrische uitbreiding Luchtdemping Luchtdemping [dB/km] Meteorologische correctie Waarde voor C0

07:00 - 19:00 19:00 - 23:00 23:00 - 07:00 Lden Gem(Dag, Avond + 5, Nacht + 10) 0 4 Bronresultaten Groepsresultaten ---0,80 2 1 Ja Volledige 3D analyse Conform standaard 0,00; 0,00; 1,00; 2,00; 4,00; 10,00; 23,00; 58,00 Conform standaard 3,50

Geomilieu V5.10

11-11-2020 11:03:40

Bijlage 3: Berekeningsresultaten wegverkeerslawaai (4 pagina’s)

R-JVO/1412 / 19.1261

Geluidbelasting Slingelandseweg, incl. aftrek art. 110g Wgh 191261 Rapport: Model: Groep: Groepsreductie:

Voortman Ingenieurs, bouwfysica & akoestiek bijlage 3

Resultatentabel v2 wegverkeerslawaai 2030 LAeq totaalresultaten voor toetspunten Slingelandseweg Ja

Naam Toetspunt

Omschrijving

Hoogte

Dag

Avond

Nacht

Lden

01_A 01_B 02_A 02_B 03_A

zuidgevel zuidgevel westgevel westgevel zuidgevel

1,50 4,50 1,50 4,50 1,50

54,14 53,64 50,97 50,74 50,96

50,07 49,56 46,89 46,65 46,88

44,77 44,26 41,59 41,36 41,58

54,52 54,02 51,35 51,11 51,34

03_B 04_A 04_B 05_A 05_B

zuidgevel westgevel westgevel noordgevel noordgevel

4,50 1,50 4,50 1,50 4,50

50,82 45,12 45,37 20,74 23,36

46,73 41,06 41,30 16,65 19,28

41,44 35,75 35,99 11,36 13,98

51,19 45,50 45,75 21,11 23,74

06_A 06_B 07_A 07_B 08_A

noordgevel noordgevel oostgevel oostgevel oostgevel

1,50 4,50 1,50 4,50 1,50

20,34 23,32 46,95 47,23 49,55

16,21 19,22 42,88 43,16 45,48

10,95 13,94 37,57 37,85 40,18

20,70 23,69 47,33 47,61 49,93

08_B

oostgevel

4,50

49,45

45,37

40,07

49,83

Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen

Geomilieu V5.10

11-11-2020 11:05:11

Geluidbelasting Muisbroekseweg, incl. aftrek art. 110g Wgh 191261 Rapport: Model: Groep: Groepsreductie:

Voortman Ingenieurs, bouwfysica & akoestiek bijlage 3

Resultatentabel v2 wegverkeerslawaai 2030 LAeq totaalresultaten voor toetspunten Muisbroekseweg Ja

Naam Toetspunt

Omschrijving

Hoogte

Dag

Avond

Nacht

Lden

01_A 01_B 02_A 02_B 03_A

zuidgevel zuidgevel westgevel westgevel zuidgevel

1,50 4,50 1,50 4,50 1,50

27,66 30,03 27,26 29,08 28,37

23,17 25,52 22,78 24,57 23,88

18,14 20,51 17,74 19,55 18,85

27,91 30,28 27,51 29,32 28,62

03_B 04_A 04_B 05_A 05_B

zuidgevel westgevel westgevel noordgevel noordgevel

4,50 1,50 4,50 1,50 4,50

30,22 24,73 27,14 12,26 18,71

25,70 20,21 22,61 7,66 14,22

20,70 15,20 17,61 2,70 9,19

30,47 24,97 27,38 12,48 18,96

06_A 06_B 07_A 07_B 08_A

noordgevel noordgevel oostgevel oostgevel oostgevel

1,50 4,50 1,50 4,50 1,50

14,12 20,88 26,07 28,14 23,01

9,51 16,39 21,59 23,64 18,47

4,56 11,36 16,56 18,62 13,47

14,34 21,13 26,33 28,39 23,25

08_B

oostgevel

4,50

26,58

22,06

17,05

26,82

Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen

Geomilieu V5.10

11-11-2020 11:05:58

Gecumuleerde gelluidbelasting alle wegen, incl. aftrek art. 110g Wgh 191261 Rapport: Model: Groep: Groepsreductie:

Voortman Ingenieurs, bouwfysica & akoestiek bijlage 3

Resultatentabel v2 wegverkeerslawaai 2030 LAeq totaalresultaten voor toetspunten (hoofdgroep) Ja

Naam Toetspunt

Omschrijving

Hoogte

Dag

Avond

Nacht

Lden

01_A 01_B 02_A 02_B 03_A

zuidgevel zuidgevel westgevel westgevel zuidgevel

1,50 4,50 1,50 4,50 1,50

54,15 53,66 50,99 50,77 51,00

50,08 49,59 46,92 46,69 46,93

44,78 44,28 41,61 41,39 41,62

54,53 54,04 51,37 51,15 51,38

03_B 04_A 04_B 05_A 05_B

zuidgevel westgevel westgevel noordgevel noordgevel

4,50 1,50 4,50 1,50 4,50

50,86 45,16 45,43 21,33 24,64

46,78 41,11 41,36 17,18 20,46

41,48 35,79 36,05 11,93 15,22

51,24 45,55 45,81 21,69 24,98

06_A 06_B 07_A 07_B 08_A

noordgevel noordgevel oostgevel oostgevel oostgevel

1,50 4,50 1,50 4,50 1,50

21,27 25,28 46,99 47,28 49,56

17,05 21,04 42,91 43,21 45,49

11,85 15,85 37,62 37,93 40,19

21,61 25,61 47,37 47,67 49,94

08_B

oostgevel

4,50

49,47

45,39

40,09

49,85

Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen

Geomilieu V5.10

11-11-2020 11:06:16

Gecumuleerde gelluidbelasting alle wegen, excl. aftrek art. 110g Wgh 191261 (t.b.v. gevelmaatregelen) Rapport: Model: Groep: Groepsreductie:

Voortman Ingenieurs, bouwfysica & akoestiek bijlage 3

Resultatentabel v2 wegverkeerslawaai 2030 LAeq totaalresultaten voor toetspunten (hoofdgroep) Nee

Naam Toetspunt

Omschrijving

Hoogte

Dag

Avond

Nacht

Lden

01_A 01_B 02_A 02_B 03_A

zuidgevel zuidgevel westgevel westgevel zuidgevel

1,50 4,50 1,50 4,50 1,50

59 59 56 56 56

55 55 52 52 52

50 49 47 46 47

60 59 56 56 56

03_B 04_A 04_B 05_A 05_B

zuidgevel westgevel westgevel noordgevel noordgevel

4,50 1,50 4,50 1,50 4,50

56 50 50 26 30

52 46 46 22 25

46 41 41 17 20

56 51 51 27 30

06_A 06_B 07_A 07_B 08_A

noordgevel noordgevel oostgevel oostgevel oostgevel

1,50 4,50 1,50 4,50 1,50

26 30 52 52 55

22 26 48 48 50

17 21 43 43 45

27 31 52 53 55

08_B

oostgevel

4,50

54

50

45

55

Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen

Geomilieu V5.10

11-11-2020 11:06:56

VAN DEN HEUVEL ONTWIKKELING & BEHEER B.V. T.a.v. dhr. Gerben Kooijman Lekdijk 44 2967 GB Langerak

Datum

14 januari 2019

Kenmerk

BE/2019/038

Uw kenmerk

Email d.d. 18 januari 2019

Auteur(s)

J.E. Soethout

Collegiale toets

K.J. Rebergen

Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan Slingelandseweg ong. te Giessenburg Aan de Slingelandseweg ong. (aangrenzend aan Slingelandseweg 5) te Giessenburg is een braakliggend terrein met schuur gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens alle bebouwing te saneren en de terreininrichting te verwijderen ten behoeve van een vrijstaande woning met tuin. Het vigerende bestemmingsbeleid voorziet niet in de ontwikkelingsmogelijkheid en dient derhalve te worden gewijzigd van agrarisch/tuin naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Van de Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Slingelandseweg ong. te Giessenburg en het betreft een braakliggend perceel met een schuur erop (figuur 1). De schuur dient als opslag en wordt in de beoogde ontwikkelingen gesaneerd ten behoeve van een nieuwbouwwoning (figuur 2). De schuur is opgebouwd uit een halfsteensmuur (zonder luchtspouw) en draagt een pannendak. Op het braakliggende perceel groeit lage vegetatie in de vorm van verschillende kruidachtige vaatplanten en grassen. De planlocatie grenst aan de zuidzijde aan de Slingelandseweg. Agrarische percelen begrenzen de planlocatie aan de noordzijde en buurwoningen begrenzen de oost- en westzijde van het perceel. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door lintbebouwing, agrarische percelen, watergangen en infrastructuur. Circa 50 m ten zuiden van de planlocatie ligt de watergang Giessen gesitueerd. De N216 ligt ten westen van de planlocatie op een afstand van 440 m gesitueerd. Ten noorden van de planlocatie ligt de N214 gesitueerd op een afstand van 1,6 km.

Figuur 1 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen de Slingelandseweg te Giessenburg (bron: arcgis.com).

Figuur 2 Situatieschets voor de Slingelandseweg ong. te Giessenburg (bron: Lagendijk Tuin- en Landschapsarchitecten)

2

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ingrepen betreffen de sloop van de huidige bebouwing en realisatie van een vrijstaande woning. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • saneren van de bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • vergraven terrein en egaliseren; graafwerkzaamheden en grondtransport; • terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.; • realisatie vrijstaande woning: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden; Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 4 februari 2019. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 1,5 Celsius en windkracht 3-4 (Bft.). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming (Wnb) drie voormalige wetten; de Floraen faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Bevoegdheden zijn met deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rusten voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming verdienen. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden. In deze gebieden

3

mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en lichtuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en bij negatieve effecten op alle soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10 eerste lid kan door bepaalde provincies vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Vos Wezel Woelrat

Dwergspitsmuis

Konijn

Egel

Meerkikker

Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedssfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt per definitie een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen op de planlocatie. Het plangebied en de directe omgeving ervan bestaat uit sterk beïnvloedde agrarische structuren en woonpercelen. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De vegetatie binnen het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit algemene onkruiden en aangeplante gecultiveerde en/of algemene inheemse vaatplanten. De aangetroffen vegetatie betreft onder andere: madelief, eiken spil, zwarte els, klein kruiskruid. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden.

Het plangebied is een braakliggend terrein. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. In de directe omgeving van de planlocaties zijn, is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, veldmuis, vos en woelrat (NDFF, 2000-2019). Alle vorengenoemde soorten zijn door de provincie vrijgesteld van bescherming, in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet

4

natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Voor de in de omgeving voorkomende soorten geldt een dergelijke vrijstelling. Veel grondgebonden zoogdieren prefereren een structuurrijke omgeving (vegetatie, macroreliëf, etc.) waarin voldoende rust en voedsel zijn gewaarborgd. De planlocatie betreft een braakliggend terrein met een schuur en ligt direct aan de doorgaande weg gesitueerd, waardoor verstoring door verkeer optreedt. Een structuurrijke omgeving van voldoende grootte en kwaliteit is niet aanwezig op de planlocatie of in de directe omgeving. De omgeving bestaat uit een monotoon beeld van weilanden omringd met kavelsloten, waarbij vegetatierijke structuren ontbreken. Tevens zijn er ten tijde van het veldbezoek geen sporen gevonden die duiden op de aanwezigheid van beschermde soorten. Verblijven van marterachtigen, waaronder de bunzing en hermelijn, gaan samen met prooiresten (leeggegeten eieren, huiden van kleine(re) zoogdieren, afgebeten veren etc.), nesten, pootafdrukken of loopsporen, uitwerpselen, latrines en andere geurmarkeringen. Bij de inspectie op en rondom de planlocatie zijn deze sporen niet aangetroffen. Mogelijk passeren soorten als de bunzing sporadisch het perceel. Echter is het plangebied ongeschikt als verblijfplaats of leefgebied voor deze marterachtigen door het ontbreken van vegetatierijke structuren en voldoende voedselbronnen.

Tijdens de veldinspectie zijn geen sporen of wissels op het perceel waargenomen. Bovendien geldt de vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen voor de bunzing en hermelijn. De planlocatie heeft hooguit een (beperkte) functie voor algemene/ opportunistische soorten waarvoor een vrijstelling geldt. Dit betreft met name mol, rat- en muisachtigen. Voor dergelijke soorten is in de directe omgeving voldoende geschikt leefgebied waar individuen zich naar toe kunnen begeven gedurende de roering die kan ontstaan tijdens werkzaamheden. Essentieel leefgebied en/of vaste rust- en/of verblijfplaatsen van beschermde zoogdieren zijn niet aanwezig en worden derhalve niet aangetast. Mits enkele maatregelen worden getroffen in het kader van de Algemene zorgplicht leidt de beoogde ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten voor beschermde zoogdieren. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011).

In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF, 2000-2019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd. Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig welke potentieel geschikt zijn als vaste rust- en/of verblijfplaats van boom bewonende vleermuizen, door het ontbreken van grote oude bomen en openingen. Het is derhalve uitgesloten dat de ontwikkeling leidt tot een afname van vaste rusten verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. De schuur is opgetrokken uit een halfsteensmuur zonder luchtspouw en draagt een zadeldak waarbij het dakbeschot ontbreekt. In de huidige staat van de bebouwing zijn er openingen aanwezig die naar het dak toe leiden en ontbreken specie in de gevel.

Door het ontbreken van een luchtspouw leiden de ontbrekende specie niet tot geschikte achterliggende ruimtes die door vleermuizen gebruikt kunnen worden als vaste rust- en/of verblijfplaats. Het ontbreken van het dakbeschot zorgt ervoor dat er ook geen geschikte vaste rust- en/of verblijfplaatsen aanwezig zijn in het dak. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De bebouwing is niet geïsoleerd, waardoor weersomstandigheden een invloed hebben op het

5

klimaat in de bebouwing. In de huidige staat van de bebouwing is het voorkomen van vleermuizen uit te sluiten. Hoewel het uit te sluiten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als onderdeel van het foerageergebied. Ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen worden deze gedeeltelijk aangetast. Echter wordt er in de beoogde ontwikkelingen een tuin gerealiseerd. Het is aannemelijk dat de daarvoor aangeplante vegetatie meer voedselbronnen zal bieden dan de huidige situatie van het braakliggende perceel. In de luwte van de gebouwen kunnen migratie en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Op de planlocatie zijn geen lijnvormige structuren aanwezige die een essentiële functie hebben met betrekking tot vlieg- en/of migratieroutes. De planlocatie vormt, gezien de overvloed aan vergelijkbaar of meer kwalitatief leefgebied, geen essentieel foerageergebied.

De ontwikkeling leidt niet tot significante aantasting of afname van het essentieel foerageergebied en essentiële vlieg/migratieroutes. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens de ontwikkeling dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast of de werkzaamheden dienen tussen zonsopkomst en zonsondergang plaats te vinden. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Het voorkomen van inheemse reptielen is niet bekend in deze regio. Tevens kan het voorkomen op de planlocatie worden uitgesloten aangezien deze over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Door het ontbreken van geschikt habitat is de aanwezigheid van reptielen op de planlocatie uitgesloten. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander en rugstreeppad (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 20002019).

Voor de heikikker en rugstreeppad geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën maken gedurende een jaarcyclus gebruik van twee typen habitat, het overwinteringshabitat en het voortplantings-/zomerhabitat. Het winterhabitat kan bestaan uit een scala aan vorstvrije plaatsen nabij bebouwing, in bossen, onder takenhopen, holen, sliblaag et cetera. Deze verblijfplaatsen worden ook wel het terrestrische habitat (land habitat) genoemd. Het voortplantingshabitat (aquatisch habitat) bestaat uit de aanwezigheid van al dan niet tijdelijke wateren met specifieke karakteristieken voor zeldzame, al dan niet beschermde, soorten. Het terrestrische habitat is bij voorkeur structuurrijk en ligt vaak in de directe omgeving van voortplantingswateren. Op de planlocatie is oppervlaktewater aanwezig, alleen zijn de oevers vrij stijl waardoor het voor amfibieën moeilijk is om het water te verlaten. Bovendien is de aanwezigheid van vissoorten in het water bekend. Vissen prederen de amfibieën larven, waardoor amfibieën visvrije wateren gebruiken als voortplantingswater. Het terrestrisch habitat ontbreekt ook op de planlocatie. Er zijn geen vegetatierijke structuren of vorstvrije plaatsen aanwezig. Derhalve kan het voorkomen van de beschermde heikikker worden uitgesloten.

Momenteel wordt het voorkomen van rugstreeppad op de planlocatie niet verwacht wegens het ontbreken van functioneel leefgebied in de vorm van vergraafbaar zand, ondiepe poeltjes of geschikte overwinteringslocaties. Desalniettemin kan de rugstreeppad opduiken wanneer zandige terreinen ontstaan tijdens graaf- en bouwwerkzaamheden (bijlage 2). De laatste waarneming van de rugstreeppad was in 2018 op een afstand van circa 900 m van de planlocatie. Om alle mogelijke effecten ten aanzien van de soort te voorkomen dienen er maatregelen getroffen te worden om vestiging van de rugstreeppad op de planlocatie te voorkomen.

6

Dergelijke maatregelen betreffen het tegengaan van het ontstaan van geschikt voortplantingswater (regenwaterplassen) en het voorkomen van vergraafbaar zand en langdurige materiaalopslag binnen het plangebied. Daarnaast kan door het plaatsen van schermen het plangebied ontoegankelijk gemaakt worden (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad 2017). Gedurende de ontwikkeling worden mogelijk incidenteel passerende of aanwezige (algemene) minder watergebonden amfibieën verstoord. Om overtreding van de Wet Natuurbescherming te voorkomen dient de Algemene Zorgplicht in acht te worden genomen. Significant negatieve effecten ten aanzien van amfibieën en reptielen zijn uitgesloten. Vissen In de omgeving is de aanwezigheid bekend van: baars, blankvoorn, brasem, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, kolblei, riviergrondel, ruisvoorn, snoek, tiendoornige stekelbaars, vetje en zeelt (Creemers & Van Delft, 2009; verspreidingsatlas NDFF 2000-2019). Voor de grote modderkruiper geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De andere soorten zijn niet beschermd onder de Wet natuurbescherming. De grote modderkruiper komt voor in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren, zoals sloten, vennen, plassen en oude afgesneden meanders (BIJ12 kennisdocument Grote modderkruiper, 2017).

De soort is vooral tijdens de schemering en ’s nachts actief. Overdag houdt de grote modderkruiper zich schuil in dichte vegetatie of in de modder. De aanwezige sloot rondom de planlocatie bevat zeer geringe watervegetatie. Om effecten ten aanzien van migrerende grote modderkruipers te voorkomen, adviseert Blom Ecologie B.V. om de nieuw te realiseren watergang (aan de westzijde) eerst af te dammen. Bij afdammen wordt de watergang gegraven zonder dat deze in verbinding staat met de bestaande sloot door middel van een afdam. Hierdoor zal de grote modderkruiper geen kans krijgen om zich tijdens het afgraven naar deze nieuwe watergang te bewegen (figuur 3). Vervolgens zal er in de laatste fase de afdam worden verwijderd, waardoor de watergang geheel watervoerend zal worden gemaakt. Doordat er geen watergangen worden gedempt vindt er geen afname van functioneel leefgebied plaats. Het creëren van een extra watergang vergroot het functioneel leefgebied waardoor er geen overtreding op de Wet natuurbescherming plaatsvindt. Teneinde de verstoring voor de fauna te minimaliseren dient het werkterrein zo compact mogelijk en op een gunstige locatie te worden ingericht. De aan- en afvoerroutes dienen zoveel mogelijk via dezelfde en een zo kort mogelijke route gerangeerd te worden.

Figuur 3 Door de locatie van de nieuw te realiseren watergang eerst af te dammen (c.q. grond heel laten) kan de grote modderkruiper er niet naartoe migreren tijdens de werkzaamheden. Wanneer de watergang gerealiseerd is, wordt de afdam verwijderd (bron: arcgis.com). Mogelijk bestaat er een kans dat er geluids- en/of trillingseffecten optreden gedurende de werkzaamheden. Deze effecten kunnen bijvoorbeeld optreden bij eventuele heiwerkzaamheden en zijn over het algemeen van relatief korte duur. Tijdens deze werkzaamheden kunnen aanwezige vissen zich tijdelijk ophouden buiten de verstoringszone, waar ruim voldoende kwalitatief gelijkwaardig habitat aanwezig is. Bij de werkzaamheden om een gedeelte van de bestaande watergang te dempen, moet het water eerst vrij gewaard worden van vis. Dit om te

7

blijven voldoen aan de algemene zorgplicht. Gedurende de overige werkzaamheden worden er geen effecten verwacht. Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: koolmees, merel, kauw, pimpelmees, meerkoet, vink, roodborst en ekster. De planlocatie biedt mogelijk foerageergelegenheid voor de waargenomen soorten. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Op de planlocatie zijn geen (grote, oude) bomen met horsten, holtes en/of oude nesten aanwezig van of die geschikt zouden kunnen zijn voor roofvogels en uilen. De te slopen bebouwing biedt een enkele opening in de kopgevel (figuur 4). Deze kan mogelijk toegang bieden voor soorten die gebruik maken van bebouwing, zoals de kerkuil.

Echter zijn er geen krijtsporen waargenomen rondom de opening. Tevens zijn geen overige sporen van uilen of andere roofvogels aangetroffen op de planlocatie die duiden aanwezigheid dan wel functioneel gebruik (o.a. veren, uitwerpselen, braakballen, prooiresten en krijtsporen). De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als sperwer, ransuil en torenvalk kan uitgesloten worden. In de beoogde ontwikkelingen is er geen sprake van afname van essentieel leefgebied voor deze roofvogels/uilen. Dit aangezien in de omgeving voldoende gelijknamige of kwalitatief betere leefgebieden aanwezig zijn. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig.

Figuur 4 Opening aan de kopgevel van de schuur Tijdens het veldbezoek zijn er geen huismussen waargenomen. Huismussen zijn sterk verbonden aan de mens, ze nestelen graag op beschutte plekken onder daken. De onderste rij dakpannen van de schuur zijn toegankelijk. Daarbij stelt de huismus een aantal eisen aan zijn leefgebied. Zo moeten er genoeg voedselbronnen, groenblijvende hagen, drinkwater, grind/zand (voor stofbaden) aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De huismus is een standvogel en verblijft binnen enkele honderden meters van zijn broedplek. De verschillende habitateisen moeten dan ook binnen het bereik van de broedplaats aanwezig zijn. Op de planlocatie ontbreken voldoende groenblijvende hagen, zand/grind en voldoende voedselbronnen. Door het ontbreken van nest- en schuilgelegenheid (c.q. dakbeschot) voor de huismus, kan het voorkomen van nestlocaties van de huismus op de planlocatie derhalve uitgesloten worden. Bovendien zijn er in de omgeving geschiktere locaties aanwezig waar waarnemingen bekend zijn (NDFF, 2000-2010).

8

De beoogde ontwikkelingen niet leiden tot aantasting van groene blijvende structuren en resulteren niet in afname van functioneel leefgebied. Van aantasting van functioneel leefgebied en nestlocaties van de huismus is derhalve geen sprake De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. Het ontbreken van de dakbedekking, en dus geen geschikte kruipruimtes, zorgt ervoor dat er geen potentiële nestlocaties aanwezig zijn. Daarbij bevat de bebouwing slechts één geschikt invliegopening, wat voor een kolonie broedende soort te weinig is. Daarnaast ligt de planlocatie in een landelijk gebied waarbij het voorkomen van de gierzwaluw vrij zeldzaam is. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in het voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten.

De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 6,0 km ligt het Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid. Overige natura 2000-gebieden in de omgeving zijn op grotere afstand gelegen (figuur 5). De planlocatie ligt op een afstand van circa 340 m ten noordoosten van het een ecologische verbinding van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 6). Een ecologische verbindingszone is een verbinding tussen natuurgebieden (met nieuwe of herstelde natuur) die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland.

Hierdoor wordt de migratie van planten en dieren mogelijk gemaakt tussen natuurgebieden.

Figuur 5 De planlocatie ligt op een afstand van 6,0 km tot het Natura 2000-gebied De Wilck (bron: pzh.b3p.nl).

9

Figuur 6 De planlocatie ligt op een afstand van circa 340 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.b3p.nl). De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van de huidige bebouwing (opslagschuur) en de realisatie van een nieuwbouwwoning, wat leidt tot een zeer beperkte verkeerstoename. De werkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke en beperkte toename in stikstofdepositie (projecteffect). In de toekomst zal in geval van nieuwbouw sprake zijn van een relatief lage(re) uitstoot (hogere isolatiewaarden en een hoogrenderende stookinstallatie aan de nieuwste bouweisen moeten voldoen). Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Echter leert de ervaring dat het projecteffect bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats dat de stikstofdepositie onder de drempelwaarde van 0,05 mol/hectare blijft. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Op basis van de Europese vogel- en habitatrichtlijn geldt voor projecten en andere handelingen de verplichting om aan te tonen dat er geen significant effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie.

De algemene richtlijn hiervoor is dat voor ieder project of handeling, middels de rekentool Aerius, een berekening gemaakt dient te worden om aan te tonen of er wel of geen sprake is van een meldings- of vergunning plichtige stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats. Of er sprake kan zijn van overschrijding van de drempelwaarde is afhankelijk van een aantal factoren. Vaak betreft dit een combinatie van de kwetsbaarheid van een gebied, de terreinomstandigheden, ligging van het project en overheersende windrichting. Ondanks dat er geen effecten verwacht worden kan het, ten behoeve van een feitelijke rekenkundige onderbouwing, door het bevoegd gezag wenselijk worden geacht een Aerius berekening uit te voeren. Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunning plichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming.

Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunning plichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;

10

g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Op de planlocatie zijn enkele houtopstanden (beschreven onder b) aanwezig. In de beoogde ontwikkelingen worden deze bomen waarschijnlijk gekapt. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet melding- en/of vergunning plichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming. Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

11

Conclusies Samenvatting In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen bebouwing heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

-

-

+/-

+/-

-

+

n

n

n

-

-

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat andere soort

+

+/-

Soort specifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek/ Aerius

Natura 2000

6,0 km

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

340 m

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding/ vergunning

Struiken

nee

nee

n.v.t.

Bomen

ja

ja

n.v.t.

n

-

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

vleermuizen

- = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)

zoogdieren

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. Legenda

vaatplanten

Tabel 3

+/-

n

n

Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Bij de realisatie van de nieuwe watergang dient rekening gehouden te worden met de grote modderkruiper. Hiervoor dient de watergang door middel van afdammen gegraven te worden. Tevens dient er tijdens de uitvoering rekening gehouden te worden met het ontstaan van potentieel leefgebied, en daarmee de kans op vestiging van de rugstreeppad op de planlocatie. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Conclusie Het saneren van de schuur, ten behoeve van een nieuwbouwwoning, aan de Slingelandseweg ong. te Giessenburg is uitvoerbaar zoals is bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro), mits rekening wordt gehouden met maatregelen ten aanzien van de grote modderkruiper en de rugstreeppad.

12

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.

• Ten behoeve van de grote modderkruiper dient de nieuwe watergang door middel van afdammen gerealiseerd te worden. Hierbij wordt de verbinding met de bestaande watergang pas gemaakt, wanneer de te realiseren watergang afgegraven is. Dit om mogelijk migratie van de grote modderkruiper tijdens de werkzaamheden te voorkomen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

13

Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie.

KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

14

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.

Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ing. J.E. Soethout

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

15

Bijlage 1 Fotografische impressie

Figuur 1 De planlocatie is gelegen de Slingelandseweg ong. te Giessenburg.

Figuur 2 Het plangebied betreft een braakliggend perceel met een schuur. De initiatiefnemer is voornemens de bebouwing te saneren ten behoeve van een woning.

16

Figuur 3 Het perceel wordt begrensd door watergangen.

17

Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).

Gedrag De rugstreeppad is een typische pionierssoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen Het geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. Het voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.

Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor het winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locaties specifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017).

18

1 1.

INLEIDING EN DOELSTELLING In opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling en Beheer BV is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een perceel aan de Slingelandseweg te Giessenburg, kadastraal bekend sectie K, nummer 70. Het perceel ligt ten westen van de woning met adresnummer 5. Het doel van het onderzoek is vast te stellen of de grond en/of het grondwater ter plaatse van het onderzoeksterrein verontreinigingen bevatten welke een belemmering of beperking zouden kunnen vormen bij de voorgenomen herontwikkeling van het terrein. De huidige schuur zal worden gesloopt ten behoeve van de nieuwbouw van een woning centraal op het perceel. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de terreinsituatie van de onderzoekslocatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de uitgevoerde werkzaamheden. Hoofdstuk 4 geeft de resultaten van het onderzoek weer. In hoofdstuk 5 zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen. NB: Bakker Milieuadviezen heeft het bodemonderzoek uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 2000 conform de onderliggende protocollen 2001 en 2002. Middels ondertekening van onderhavig rapport wordt verklaard dat er geen sprake is van eigendom van het te onderzoeken onroerend goed en tevens dat het bodemonderzoek onpartijdig en onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door O. Bakker.

2.

ACHTERGRONDINFORMATIE.

2.1

Terreinsituatie. De onderzoekslocatie is gelegen aan de noordzijde van de Slingelandseweg. De plaats van de locatie ten opzichte van de omgeving is op bijlage 1 weergegeven. De oppervlakte van het kadastrale perceel is ca 560 m2. Langs de noordelijke perceelsgrens maakt echter naar schatting een strook van 1.5 m breed deel uit van de noordelijk aangrenzende watergang. Dit geldt ook voor de oostelijke perceelsgrens. Dit betekent dat het droge deel van het terrein minder dan 500 m2 is. Voor historische informatie zijn de opdrachtgever, de eigenaar, de websites TOPO-tijdreis en Bodemloket.nl en het eigen bodemonderzoeksarhief geraadpleegd. Uit eigen archief zijn 3 onderzoeken bekend in de nabije omgeving. Terreinbeschrijving. Op het terrein staat op de zuidwesthoek een stenen schuur van 10 * 8 meter. De schuur dateert naar schatting van de jaren `30. Tussen de weg en de schuur ligt bestrating en voor het overige is er sprake van onverhard, met gras begroeid terrein. Bij de terreininspectie zijn geen waarnemingen gedaan die zouden kunnen wijzen op een bodemverontreiniging (geen morsvlekken, brandplekken, verzakkingen of zwerfasbest e.d). Huidig gebruik. Geen concreet gebruik. Het perceel is in eigendom van de bewoners van woning 24 aan de overzijde van de weg. Voormalig gebruik. Er is nooit sprake geweest van bewoning.

Gezien de schuur of voormalige stal op het terrein zullen er in het verleden agrarische activiteiten hebben plaatsgevonden. Op TOPO-tijdreis is te zien dat het stuk grond

V.O. Slingelandseweg K 70, Giessenburg

Bakker Milieuadviezen

2 in het verleden meer open water betrof, ofwel mogelijk moerassig was. Deze informatie is lopende het onderzoek ook doorgegeven door de eigenaar aan de opdrachtgever. Calamiteiten. Geen gegevens van bekend. Ophogingen/dempingen/stort. Zeer waarschijnlijk heeft er in het verleden ophoging of demping plaatsgevonden met grond van elders om van het vroegere moerassige terrein een bruikbaar stuk grond te maken. De kwaliteit van de gebruikte grond is uiteraard niet bekend en onderhavig onderzoek dient dit uit te wijzen. Boven- en ondergrondse tanks. Op het terrein is geen sprake geweest van boven- of ondergrondse olie-opslag. Omgeving. Het perceel ligt aan een oude weg met bebouwing van vooral woningen en oude boederijen. Ten westen bevindt zich een woonboerderij (nr 5), ten oosten ligt een sloot en vervolgens het bedrijfspand van een zonnepanelenbedrijf. Ten zuiden van de weg bevindt zich een zeer oude woonboerderij met adresnummer 24. Bodemonderzoeken locatie en omgeving. Uit eigen archief zijn bodemonderzoek bekend op de adressen Slingelandseweg 7 (80 m ten oosten), 24 (overzijde weg) en 28 (80 m ten zuidoosten). Op Slingelandseweg 7 waren geen bijzonderheden. Op de beide andere adressen bevatte de bodem duidelijke verhogingen aan diverse metalen en PAK, zoals gebruikelijk het geval is op percelen in zeer oude lintbebouwingszones. Hypothese.

Op grond van de verkregen informatie is in dit onderzoek qua onderzoeksinspanning uitgegaan van een locatie waar in ieder geval sprake is van de gebruikelijke gangbare lichte tot matige verontreinigingen. Om deze reden is vooraf reeds besloten om de bovengrond op het relatief kleine perceel in twee mengmonsters te onderzoeken (maximaal 3 deelmonsters). Aandachtspunt PFOA. In juni 2018 heeft de Omgevingsdienst ZHZ met een nieuwe handreiking vereist dat de bodem binnen een bepaalde zone (zone 2 en 3) in hoofdzakelijk de Alblasserwaard extra onderzocht moet worden op de stof Perfluoroctaanzuur (afgekort PFOA) en andere Perfluorverbindingen. Deze stoffen zijn decennialang uitgestoten door een chemisch bedrijf uit Dordrecht. De stof(fen) zijn via de lucht aantoonbaar in de bodem terechtgekomen in een tamelijk groot gebied. Onderhavige locatie ligt in zone 2. Om deze reden is de grond extra onderzocht op deze stoffen. 2.2

Bodemopbouw en geohydrologische situatie. Informatie over de bovenste 1.20 meter van de ongeroerde bodem ter plaatse is verkregen via de

V.O. Slingelandseweg K 70, Giessenburg

Bakker Milieuadviezen

3 geologische kaart van Nederland. Het bodemtype valt onder de zogenoemde poldervaaggronden, welke worden gekarakteriseerd door humeuze klei op een venige ondergrond. De grondwaterstromingsrichting wordt hier met name bepaald door de drainerende en/of stuwende werking van de direct aangrenzende watergang. Daarmee is de stromingrichting niet eenduidig.

3.

ONDERZOEKSOPZET.

3.1

Algemeen. Het onderzoek is opgezet volgens de NEN 5740+A1 (april 2016), paragraaf 5.1, "Onderzoeksstrategie voor verkennend onderzoek" (Nederlands Normalisatie-Instituut). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de BRL SIKB 2000 en de onderliggende protocollen VKB 2001 en 2002.

3.2

Veldwerkzaamheden. Op 30 januari 2019 zijn op de onderzoekslocatie de veldwerkzaamheden verricht. Voor het boren is een Edelmanboor gebruikt. De locaties van de boringen en de peilbuis zijn weergegeven in bijlage 2. Er zijn 6 boringen verricht. Boring 1 is uitgevoerd tot 2.4 m-mv en voorzien van een peilbuis. Boring 2 is 1.8 m diep en de overige boringen zijn uitgevoerd tot 0.5 m-mv. De uitkomende grond is zintuiglijk onderzocht op de aanwezigheid van eventuele verontreinigingen en beschreven. De beschrijvingen van de boorprofielen zijn opgenomen in bijlage 3.

3.3

Laboratoriumonderzoek De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters zijn uitgevoerd in het geaccrediteerde laboratorium AL-west. Grond. Van de grondmonsters zijn 3 mengmonsters samengesteld. De samenstelling ervan, het betreffende terreindeel en de bijbehorende resultaten staan beschreven in paragraaf 4.2. De 3 mengmonsters zijn geanalyseerd op het standaard analysepakket (NEN 5740) voor grondmonsters. Dit pakket omvat de volgende parameters: Zware metalen: Barium, Cobalt, Molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel en zink. De meeste metalen komen van nature reeds in lage concentraties in de bodem voor en worden daarbij niet aangemerkt als een verontreiniging. Verontreinigingen met zware metalen kunnen onder andere worden aangetroffen op terreinen van bedrijven waar met metaaloplossingen (bijv. galvanische bedrijven) en metaalpigmenten (keramische industrie) wordt gewerkt en voorts op stookplaatsen, in sintelverhardingen en in combinatie met puin in de bodem. In stedelijke gebieden blijkt vaak sprake van een diffuse (niet zeer sterke maar over een groot gebied verspreide) verontreiniging met zware metalen, voornamelijk lood en in mindere mate koper en zink; Polychloorbifenylen (PCB). Minerale olie. Minerale olie is een verzamelnaam voor de verschillende soorten aardolieprodukten zoals benzine, gasolie en petroleum.

Minerale olie kan als verontreiniging worden aangetroffen bij tankstations, ondergrondse opslagtanks e.d.; Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Polycyclische aromatische koolwaterstoffen is een verzamelnaam voor teerachtige produkten welke bestaan uit twee of meer aromatische ringen. Verontreinigingen met polycyclische aromaten kunnen worden aangetroffen op voormalige gasfabrieksterreinen, bij asfaltmolens, op stookplaatsen, in combinatie met

V.O. Slingelandseweg K 70, Giessenburg

Bakker Milieuadviezen

4 verontreinigingen met aardolieprodukten en bij aanwezigheid van kooldeeltjes, sintels en asfalt in de grond. Diffuse verontreinigingen met polycyclische aromaten tengevolge van depositie vanuit de lucht komen eveneens voor. Voor onderzoek naar bodemverontreiniging met polycyclische aromaten worden bepaalde stoffen geanalyseerd. De zogenaamd VROM-reeks welke is opgenomen in het toetsingskader uit de Leidraad Bodembescherming omvat 10 stoffen (10 PAK van VROM). Grondwater. Het grondwater is geanalyseerd op het standaardpakket voor grondwater. Dit pakket bestaat uit de volgende parameters: benzeen, tolueen, ethylbenzeen,xyleen, naftaleen en styreen; vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (13); cobalt, barium, molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel, zink; minerale olie; tribroommethaan en dichloorpropanen(1,1-1,2-1,3).

V.O. Slingelandseweg K 70, Giessenburg

Bakker Milieuadviezen

5 4.

ONDERZOEKSRESULTATEN

4.1

Bodemopbouw en veldwaarnemingen. Uit de boorbeschrijvingen (bijlage 3) blijkt dat de bodem bestaat uit een toplaag van geroerde matig humeuze matig zandige klei. Daaronder wordt sterk zandige geroerde klei aangetroffen. Bij boring 1 gaat deze laag op 1.1 m-mv over in blauwgrijze klei en vanaf 1.6 m-mv wordt veen aangetroffen. Bij boring 2 bestaat de bodem tot 1.6 m-mv uit geroerde sterk zandige humeuze klei, ofwel hier wordt de blauwgrijze klei niet aangetroffen. Duidelijk is aangetoond dat hier geen sprake is van een origineel profiel, ofwel de voorinformatie dat de voormalige moerassige grond hier is opgehoogd met grond van elders lijkt juist te zijn. Vanwege de puinbijmengingen is onderzoek verricht naar asbest in de bodem. Hiervoor is het erkende bedrijf Adcim BV ingeschakeld. De veldwerkrapportage van Adcim is opgenomen als bijlage 6 van onderhavig rapport. Op de datum van grondwatermonstername (15 febr. 2019) werd grondwater op 0.95 m-mv aangetroffen. De overige veldwaarnemingen staan in bijlage 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=c6e68e31-9cf8-4381-9af4-b6026cd976a2