Bijlage 4 - Bijlagen bij de toelichting bestemmingsplan ‘Vertreklocatie gemeentehuis Hoornaar’
Tekst van het document
Uit de herziene handreiking PFOA huidende grond Zuid-Holland-Zuid (Dossier PFOA in bodem, kenmerk Z-18-330610, d.d. 1306-2018, geraadpleegd op 14 juni 2022, van https://www.ozhz.nl/dossiers/pfoa-in-de-bodem/) blijkt dat de onderzoekslocatie ten aanzien van PFOA in verwachtingszone 1 ligt. Uit de handreiking blijkt dat voor zone 0 en 1 ten behoeve van een omgevingsvergunning geen onderzoek naar de aanwezigheid van PFOA noodzakelijk is geacht.
2.5
Bodemopbouw en geo(hydro)logie
Geomorfologisch gezien ligt het plangebied op een ontgonnen veenvlakte. Ter plaatse wordt een waardveengrond op bosveen verwacht. De verwachte bodemopbouw van de onderzoekslocatie wordt schematisch weergegeven in tabel 2.2.
Pagina | 7
AM21617
Diepte [m-mv]
Lithostratigrafie
Lithologie
0 – 11,0
Holocene afzettingen
Complexe eenheid, bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand
11,0 -20,0
Formatie van Kreftenheye
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen
20,0 – 24,0
Formatie van Urk
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, weinig fijn zand en grind en een spoor klei, zandige klei en veen
Tabel 2.2: Geo(hydro)logische indeling (bron: Dinoloket identificatienummer B38G0304)
Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie bevindt zich op een hoogte van circa 0,5 meter -NAP. De stroming van het freatisch grondwater is noordelijk gericht en bevindt zich op een hoogte van circa 1,5 meter -NAP. De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied.
2.6
Beschrijving van de onderzoekslocatie
Op 9 juni 2022 is een veldinspectie uitgevoerd. Hierbij is gelet op het terreingebruik en de aanwezigheid van ondergrondse tanks, stookplaatsen, (half)verhardingslagen, ophogingen, storthopen, dempingen, afgravingen en asbestverdacht materiaal op het terrein. Een fotoreportage van de onderzoekslocatie is opgenomen in bijlage 2. De fotostandplaatsen zijn opgenomen op een situatietekening in bijlage 3. De onderzoekslocatie is in gebruik als gemeentehuis. Op de perceelsgrenzen van de onderzoekslocatie is een watergang aanwezig. Zuid- en noordwestelijk is een inrit en de parkeerplaatsen met een betonklinkerverharding aanwezig. Noordelijk is de locatie verhard met stelconplaten en is er een transformatorhuis aanwezig. Rondom de verhardingen zijn grasvelden en groenstroken aanwezig. Visueel zijn geen asbestverdachte dakbedekkingen of asbestverdacht materiaal op het terrein waargenomen. Er zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of bronnen van verontreinigingen. De onderzoekslocatie wordt aan de noordzijde begrensd door bebouwing aan de Schans (nummers 28 t/m 33), aan de oostzijde door bebouwing aan de Fazantstraat (nummers 1 t/m 19), aan de zuidzijde door bebouwing aan de Weide (nummers 2 en 4) en aan de westzijde door de Groeneweg.
2.7
Asbest
Uit het dossieronderzoek en de uitgevoerde veldinspectie is geen informatie naar voren gekomen dat ter plaatse van de onderzoekslocatie asbestverdachte activiteiten hebben plaatsgevonden.
2.8
Bodemkwaliteitskaart Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid
Uit de bodemkwaliteitskaart van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid blijkt dat voor de onderzoekslocatie de ontgravingsklasse ‘Achtergrondwaarde’ geldt voor zowel de boven- als ondergrond. Op de bodemfunctieklassenkaart heeft de locatie de functieklasse ‘Wonen’.
Pagina | 8
AM21617
2.9
Onderzoekshypothese
Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd. Wel dient rekening gehouden te worden met regionaal verhoogde achtergrondwaarden van zware metalen in het grondwater. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht (onverdacht). Omdat een puinbijmenging onder de bestrating niet uitgesloten kan worden gezien de bouwperiode in de jaren 1990, wordt wel geadviseerd om bij aantreffen hiervan ter plaatse minimaal een verkennend asbest in bodem onderzoek uit te voeren.
Pagina | 9
AM21617
3. ONDERZOEKSSTRATEGIE 3.1
Inleiding
Op basis van de verzamelde informatie uit het vooronderzoek (NEN 5725) en de gestelde onderzoekshypothese(n) voor de onderzoekslocatie, is een onderzoeksstrategie opgesteld conform de richtlijnen van de onderzoeksnorm NEN 5740 (BodemLandbodem; Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond) en NEN 5707 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond) van het Nederlands Normalisatie-Instituut.
3.2
Onderzoeksstrategie NEN 5740
Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de strategie ‘ONV’ uit de NEN 5740. In principe worden boringen willekeurig verspreid over de gehele onderzoekslocatie. Voor het vaststellen van de milieuhygiënische conditie van de bodem (grond en grondwater) van de onderzoekslocatie zal volgens onderstaande strategie veldwerk en monstername voor laboratoriumanalyse plaatsvinden. ONDERZOEKSNORM NEN 5740 'ONV' Aantal boringen
Aantal te onderzoeken (meng)monsters
oppervlakte (m²)
tot 0,5 m
èn tot 2 m
èn met peilbuis
bovengrond
ondergrond
grondwater
13.950
17
5
3
4
3
3
NEN-grond incl. lutos
NEN-grond incl. lutos
NEN-grondwater
Analysepakket
Tabel 3.1: Veldwerk, monstername en analysestrategie volgens NEN 5740 ‘ONV’ Uit elke boring worden monsters genomen in trajecten van ten hoogste 0,5 m.
Legenda bij tabel 3.1 m: meter beneden maaiveld lutos: lutum en organische stofgehalte De bovengrond en de ondergrond worden onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: • drogestof-bepaling • 9 zware metalen • 10 polycyclische aromatische koolwaterstof fen • 7 polychloorbifenylen (PCB) • minerale olie Tevens bepaalt het laboratorium het gehalte aan organische stof en lutumgehalte voor het vaststellen van een toetsingskader voor de lokale bodemkwaliteit. Het grondwater wordt onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: • 9 zware metalen • 8 vluchtige aromatische koolwaterstoffen (incl. naftaleen) • 21 vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen • minerale olie
Pagina | 10
AM21617
Vanwege het voorgenomen grondverzet voor de toekomstige woningbouw wordt de verdachte bovengrond aanvullend onderzocht op de aanwezigheid van PFAS. Voor het onderzoek naar PFAS zal onderzoek plaatsvinden volgens onderstaande boorstrategie afgeleid van de NEN 5740 VED-HO (homogeen verspreidt, diffuus belast). ONDERZOEKSNORM NEN 5740 'VED-HO' Aantal boringen oppervlakte
tot 0,5 m in de verdachte laag
èn boring met peilbuis 1
Aantal te onderzoeken (meng)monsters Grond (verdachte laag)
3.300 m2 (PFAS)
6
3
3 (PFAS)
grondwater --
Tabel 3.2: Veldwerk, monstername en analysestrategie volgens NEN 5740 “Diffuus belast, homogeen verdacht” 1) PFAS wordt ter plaatse in de bovengrond verwacht. Derhalve wordt geen grondwateronderzoek uitgevoerd. Deze peilbuizen worden vervangen door boringen doorgezet tot 0,5 m onder de verdachte laag.
De grond(meng)monsters worden onderzocht op de meest voorkomende PFAS-verbindingen zoals opgenomen in het Tijdelijk Handelingskader (28 stoffen uit advieslijst d.d. 12 juli 2019).
3.3
Onderzoeksstrategie NEN 5707
Voor het uitvoeren van een verkennend onderzoek naar asbest in bodem is uitgegaan van de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie.
De veldwerkzaamheden bestaan uit het uitvoeren van een maaiveldinspectie en het graven van
inspectiegaten. In principe worden de asbestgaten willekeurig verspreid over de onderzoekslocatie. Voor het vaststellen van een eventuele verontreiniging met asbest in de bodem zal volgens onderstaande strategie veldwerk en monstername voor laboratoriumanalyse plaatsvinden. Indien noodzakelijk blijkt bij de uitvoering, worden aanvullende (meng)monsters genomen. oppervlakte
Gaten tot 0,5 m (bovengrond)
Boringen tot ongeroerde
Aantal te analyseren
ondergrond
mengmonsters geroerde bodemlaag
13.950 m
17
8
4
Tabel 3.3: Onderzoeksopzet verkennend onderzoek asbest in bodem
Pagina | 11
AM21617
4. VELDWERKZAAMHEDEN 4.1
Algemeen
Conform de onderzoeksstrategie, zoals beschreven in hoofdstuk 3, is op de onderzoekslocatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Voor het traceren van de kabels en leidingen is voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden een KLIC melding verricht.
4.2
Grondbemonstering
Op 9 en 10 juni 2022 zijn de boringen geplaatst en asbestinspectiegaten gegraven conform protocol 2001 en 2018. Een deel van de asbestinspectiegaten en boringen zijn gecombineerd uitgevoerd. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door de heer H. van den Tillaar, erkend monsternemer in het kader van de BRL SIKB 2000 voor de protocollen 2001, 2002 en 2018 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. Assistentie is verleend door de heer L. de Graaff. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden is het maaiveld geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Tijdens de inspectie was het zonnig en helder weer. De asbestverdachte locatie is voor 40% braakliggend met minder dan 25% vegetatie, 40% verhard en voor 20% bebouwd. De inspectie efficiëntie van het onverharde terrein is ingeschat op 50-60%. Tijdens de inspectie zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Verdeeld over de locatie zijn in totaal 17 asbestinspectiegaten gegraven van minimaal 0,3 x 0,3 m tot 0,5 m-mv. De boringen voor het verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) zijn verricht met behulp van de Edelmanboor (ø 7 of 10 cm). Gebaseerd op de diepte en stroming van het freatisch grondwater zijn drie boringen afgewerkt met een peilbuis (zie tabel 4.2). Deze zijn geplaatst, ter plaatse van boorpunt 03, 14 en 23.
De bovenkant van het peilbuisfilters is onder de aangetroffen grondwaterstand geplaatst. Tijdens de installatie van de peilbuizen is geen werkwater gebruikt. Zie bijlage 3 voor de situering van de geplaatste asbestinspectiegaten en boringen op een situatietekening. Het uitkomende materiaal is voorbehandeld (manueel gezeefd) en visueel geïnspecteerd op het voorkomen van asbestverdachte materialen. In het uitgegraven materiaal van alle asbestinspectiegaten zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. Het opgeboorde bodemmateriaal is volgens de classificatienorm voor onverharde bodems (NEN 5104) beoordeeld. Daarnaast is vastgesteld in hoeverre het opgeboorde materiaal mogelijke aanwijzingen biedt voor de aanwezigheid van visueel zichtbare verontreiniging. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de bodemopbouw heeft laagsgewijze bemonstering plaatsgevonden. De uitkomende grond en alle zintuiglijk waargenomen bijzonderheden zijn per boring beschreven in de profielbeschrijvingen (zie bijlage 4). In tabel 4.1 zijn de boringen beschreven waarin zintuiglijk afwijkingen zijn geconstateerd. Pagina | 12
AM21617
Boring
Diepte boring (m -mv) 1,00
01
Traject (m -mv) 0,00 - 0,25
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden
Zand
matig puinhoudend, zwak baksteenhoudend
0,25 - 0,50
Zand
matig puinhoudend, zwak baksteenhoudend,
02
1,00
0,30 - 0,50
sterk puinhoudend
05
1,00
0,00 - 0,50
Klei
sporen puin
08
1,00
0,25 - 0,50
Zand
zwak puinhoudend, sporen baksteen,
09
1,00
0,00 - 0,30
Klei
sporen puin
17
0,70
0,35 - 0,50
Zand
sporen baksteen,
0,50 - 0,70
Zand
matig puinhoudend, sterk baksteenhoudend, boring gestaakt op harde laag
18
1,00
0,00 - 0,50
Klei
sporen puin, sporen baksteen
23
3,40
0,30 - 0,50
Zand
sterk puinhoudend, sporen baksteen,
0,50 - 0,60
Zand
sterk puinhoudend, sporen baksteen
Tabel 4.1: Overzicht zintuiglijke afwijkingen
4.3
Grondwatermonstername
De peilbuizen zijn een week na plaatsing op 17 juni 2022 bemonsterd conform protocol 2002 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. De bemonstering is uitgevoerd door erkend veldwerker van Aeres Milieu, de heer H. van den Tillaar. Voorafgaand aan de bemonstering is de grondwaterstand opgenomen en zijn de zuurgraad (pH) en het elektrischegeleidingsvermogen (Ec) van het grondwater bepaald. Deze waarden waren constant bij monstername. De geleidbaarheid is gecorrigeerd voor de grondwatertemperatuur. De geleiding is een maat voor de concentratie aan opgeloste stoffen in het water, terwijl de pH de zuurgraad van het water aangeeft (pH<7: zuur, pH = 7: neutraal, pH>7: basisch). De grondwatermonsters zijn in het veld, voor zover noodzakelijk gefiltreerd en geconserveerd. De in het veld gemeten parameters zijn in tabel 4.2 samengevat. Peilbuis 03
Filterdiepte (m-mv.) 1,25 - 2,25
Grondwaterstand (m-mv.) 0,90
pH (-)
Ec (µS/cm)
6,6
1008
Troebelheid (NTU) 434
14
1,70 - 2,70
1,00
6,7
1018
628
23
2,40 - 3,40
0,70
6,9
1195
652
Tabel 4.2: Resultaten veldmetingen tijdens grondwatermonstername
De meetresultaten voor de gehalten pH en Ec wijken niet af van natuurlijk of regionaal voorkomende waarden. In het grondwater uit alle peilbuizen is sprake van een verhoogde troebelheid (>10 NTU). Een verhoogde troebelheid kan in sommige gevallen leiden tot een overschatting van de gehalten aan organische parameters in het grondwater. Bij het voorliggende onderzoek is geen enkele organische parameter matig of sterk verhoogd. De eventuele overschatting van de gehalten als gevolg van een verhoogde troebelheid heeft geen gevolgen voor de interpretatie van de onderzoeksgegevens en de conclusies van dit rapport. Aanvullend onderzoek naar de verhoogde troebelheid is daarom niet uitgevoerd.
Pagina | 13
AM21617
5. LABORATORIUMONDERZOEK 5.1
Algemeen
De analyses zijn uitgevoerd door het onderzoekslaboratorium van Eurofins Analytico B.V. te Barneveld. Eurofins Analytico B.V. is geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie gestelde criteria voor Testlaboratoria conform ISO/IEC 17025, waar verdere conservering en (voor)behandeling van de monsters plaats heeft gevonden.
5.2
Grondmengmonsters asbest (fijne fractie)
Van de uitgezeefde fijne fractie (<20 mm) zijn in het veld grondmengmonsters samengesteld van minimaal 10 kg. De mengmonsters zijn genomen door per asbestinspectie gat evenredige grepen van de gezeefde grond te nemen. In tabel 5.1 is de samenstelling van de mengmonsters weergegeven. Mengmonster
Inspectie gat
Traject (m-mv.)
Visuele waarnemingen (%>20 mm)
ABM1
ABG01
0 – 0,5
Matig puinhoudend, zwak baksteenhoudend (10%)
Asbestverdacht materiaal (fractie > 20 mm) aangetroffen Nee
ABG02
0,3 – 0,5
Sterk puinhoudend (30%)
Nee
ABG08
0,25 – 0,5
Zwak puinhoudend en sporen baksteen (10%)
Nee
ABG03
0 – 0,5
Geen bijzonderheden (0%)
Nee
ABG04
0 – 0,5
Geen bijzonderheden (0%)
Nee
ABG07
0 – 0,5
Geen bijzonderheden (0%)
Nee
ABG10
0 – 0,5
Geen bijzonderheden (0%)
Nee
ABG12
0 – 0,5
Geen bijzonderheden (0%)
Nee
ABG14
0,05 – 0,5
Geen bijzonderheden (0%)
Nee
ABG15
0,05 – 0,5
Geen bijzonderheden (0%)
Nee
ABG16
0 – 0,5
Geen bijzonderheden (0%)
Nee
ABG18
0 – 0,5
Sporen puin, baksteen en keramiek (1-5%)
Nee
ABG17
0,08 – 0,5
Sporen baksteen (1%)
Nee
ABG21
0,08 – 0,5
Geen bijzonderheden (0%)
Nee
ABG25
0 – 0,5
Geen bijzonderheden (0%)
Nee
ABG23
0,3 – 0,5
Sterk puinhoudend, sporen baksteen (25%)
Nee
ABM2
ABM3
ABM4
ABM5
ABM6
Geselecteerd voor analyse
Ja
Nee
Nee
Ja
Ja
Ja
Tabel 5.1: Schema grond(meng)monsters fijne fractie asbest
In de grove fractie van de uitkomende bodem is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Van de onderzochte grondmengmonsters is de berekende concentratie bepaald door sommatie van de asbestconcentratie in de grond (mg/kg d.s.) en de bijdrage van de materiaalmonsters uit het inspectiegat (mg/kg d.s. voor het geschouwd volume). Zie bijlage 6 voor het analyserapport.
Pagina | 14
AM21617
Monster
Visuele waarneming
Vastgestelde hoeveelheid asbest
grove fractie [mg/kg d.s.]
fijne fractie [mg/kg d.s.]
serpentijn
amfibool
serpentijn
amfibool
Indicatieve asbestconcentratie [mg/kg d.s.kg]
ABM1
Bijmengingen met baksteen en puin
n.a.
n.a.
36 **koord
16 **koord
51
ABM4
Spoor puin, baksteen en keramiek
n.a.
n.a.
< 0,4
0,0
< 0,4
ABM5
Sporen baksteen
n.a.
n.a.
< 0,6
0,0
< 0,6
ABM6
Sterk puinhoudend, sporen baksteen
n.a.
n.a.
< 0,3
0,0
< 0,3
Tabel 5.2: Analysemonsters grondmonsters fijne fractie n.a. = niet aangetroffen/aangetoond * = hechtgebonden
** = niet hechtgebonden
In grondmengmonster ABM1 is een matig verhoogde asbestconcentratie van 51 mg/kg d.s aangetoond. In de overige onderzochte mengmonsters ABM4, ABM5 en ABM6 zijn geen verhoogde asbestconcentraties aangetoond. De asbestconcentratie in ABM1 overschrijdt net de helft van de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. waardoor formeel een nader onderzoek asbest in grond noodzakelijk geacht wordt om de ernst en omvang vast te stellen.
5.3
Grond(meng)monsters NEN 5740 pakket
In het laboratorium zijn voor het chemisch onderzoek van de grondmonsters uit de boven- en ondergrond al dan niet mengmonsters samengesteld volgens onderstaande tabel. De keuze voor het samenstellen van deelmonsters tot een mengmonster of het analyseren van individuele monsters is gebaseerd op de zintuiglijke waarnemingen in het veld en op de onderzoeksstrategie. In mengmonster MM1 is per abuis tevens een niet vormgegeven bouwstof (boring 2) ingezet als bodem. Op de foto van ABG02 in bijlage 4 is deze bodemlaag (2de laag) zichtbaar. Analysemonster M1
Traject (m -mv) 0,00 - 0,25
Deelmonsters 01 (0,00 - 0,25)
Analysepakket Standaardpakket grond incl. lutum en organische stof
MM2
0,25 - 0,50
01 (0,25 - 0,50) 02 (0,30 - 0,50)
Standaardpakket grond incl. lutum en organische stof
08 (0,25 - 0,50) 23 (0,30 - 0,50) MM3
0,00 - 0,50
05 (0,00 - 0,50) 09 (0,00 - 0,30)
Standaardpakket grond incl. lutum en organische stof
18 (0,00 - 0,50) MM4
0,00 - 0,50
03 (0,00 - 0,20) 04 (0,00 - 0,50)
Standaardpakket grond incl. lutum en organische stof
06 (0,00 - 0,50) 10 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,50) 16 (0,00 - 0,50) 19 (0,00 - 0,50) 20 (0,00 - 0,50) 22 (0,00 - 0,50) MM5
0,50 - 2,00
01 (0,50 - 1,00) 02 (0,70 - 1,00)
Standaardpakket grond incl. lutum en organische stof
03 (0,75 - 1,00) 05 (0,50 - 1,00) 14 (1,00 - 1,50) 23 (1,50 - 2,00) MM6
0,50 - 1,40
02 (0,50 - 0,70) 08 (0,50 - 1,00)
Standaardpakket grond incl. lutum en organische stof
09 (0,70 - 1,00) 11 (0,50 - 1,00) 14 (0,75 - 1,00) 18 (0,50 - 1,00) 23 (0,90 - 1,40)
Pagina | 15
AM21617
Analysemonster MM7
Traject (m -mv) 0,50 - 1,00
Deelmonsters 03 (0,50 - 0,75) 14 (0,60 - 0,75)
Analysepakket Standaardpakket grond incl. lutum en organische stof
15 (0,80 - 1,00) 25 (0,50 - 1,00) MMP1
0,05 - 0,50
14 (0,05 - 0,50) 15 (0,05 - 0,50)
PFAS (28) Handelingskader
17 (0,08 - 0,35) 23 (0,08 - 0,30) MMP2
0,00 - 0,50
03 (0,00 - 0,20) 04 (0,00 - 0,50)
PFAS (28) Handelingskader
07 (0,00 - 0,50) 09 (0,00 - 0,30) MMP3
0,00 - 0,50
16 (0,00 - 0,50) 20 (0,00 - 0,50)
PFAS (28) Handelingskader
22 (0,00 - 0,50) 24 (0,00 - 0,50) Tabel 5.3: samenstelling analysemonsters en analysepakket
De analyseresultaten van de grond(meng)monsters worden in de volgende tabel samengevat, waarbij door middel van onderstaande sterrencodering de mate van verontreiniging is aangegeven. *
Het gehalte is groter dan de achtergrondwaarde en kleiner dan of gelijk aan de het gemiddelde van de achtergronden interventiewaarde;
**
het gehalte is groter dan het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde;
***
het gehalte is groter dan de interventiewaarde.
In de Regeling bodemkwaliteit (RBK) is vastgelegd dat de toetsing altijd moet plaatsvinden door het gevonden gehalte in een monster eerst te corrigeren met het lutum en organisch stof gehalte (=berekende concentratie) en vervolgens te vergelijken met de grenswaarden van de Regeling Bodemkwaliteit. Ten aanzien van PFAS is getoetst tegenover de gehanteerde waarden zoals opgenomen in het Tijdelijk Handelingskader, versie december 2021. In de kolommen zijn alleen die stoffen vermeld waarvan de analyseresultaten na toetsing hoger zijn dan de bijbehorende achtergrondwaarde voor duurzame bodemkwaliteit. Zie bijlage 7 voor de toetsingstabellen en het analyserapport. (Meng)monster M1
MM2
MM3
Traject (m -mv) 0,00 - 0,25
0,25 - 0,50
0,00 - 0,50
Zintuiglijke waarnemingen Matig puinhoudend, zwak
Verhoogde component Zink
Berekende concentratie [mg/kg d.s.] en toetsing 233,2 *
baksteenhoudend
PAK (10-VROM)
1,688
*
Bijmengingen met baksteen en puin
Kobalt
16,17
*
Nikkel
192,5
***
Minerale olie
348,1
*
Som PCB
0,0337
*
PAK (10-VROM)
0,35
*
Nikkel
41,67
*
Bijmengingen met baksteen, puin en keramiek
MM4
0,00 - 0,50
Geen bijzonderheden / bijmengingen
Minerale olie
355,6
*
MM5
0,50 - 2,00
Geen bijzonderheden / bijmengingen
Molybdeen
1,8
*
Nikkel
42
*
MM6
0,50 - 1,40
Geen bijzonderheden / bijmengingen
PAK (10-VROM)
1,941
*
MM7
0,50 - 1,00
Geen bijzonderheden / bijmengingen
Molybdeen
3,5
*
MMP1
0,05 - 0,50
Geen bijzonderheden / bijmengingen
-
-
Pagina | 16
AM21617
(Meng)monster
Zintuiglijke waarnemingen
MMP2
Traject (m -mv) 0,00 - 0,50
Sporen puin
Verhoogde component Som PFOA
Berekende concentratie [mg/kg d.s.] en toetsing 4,3 *
MMP3
0,00 - 0,50
Geen bijzonderheden / bijmengingen
Som PFOA
5,8
*
Tabel 5.4: Toetsingsresultaten van de grond(meng)monsters
Uit de analyseresultaten blijkt dat grondmonster MM1 (dieptetraject 0,00 – 0,25 m-mv.) licht verhoogd is met zink en PAK. Mengmonster MM2 (dieptetraject 0,25 – 0,50 m-mv.) is sterk verhoogd met nikkel en licht verhoogd met kobalt, minerale olie, som PCB en PAK. Grondmengmonster MM3 (dieptetraject 0,00 – 0,50 m-mv.) is licht verhoogd met nikkel. Grondmengmonster MM4 (dieptetraject 0,00 – 0,50 m-mv.) is licht verhoogd met minerale olie. Grondmengmonster MM5 (dieptetraject 0,50 – 2,00 m-mv.) is licht verhoogd met molybdeen en nikkel. Grondmengmonster MM6 (dieptetraject 0,50 – 1,40 m-mv.) is licht verhoogd met PAK. Grondmengmonster MM7 (dieptetraject 0,50 – 1,00 m-mv.) is licht verhoogd met molybdeen.
Ten aanzien van PFAS is grondmengmonster MMP2 en MMP3 (dieptetraject 0,00 – 0,50 m-mv.) licht verhoogd met som PFOA. Naar aanleiding van het gemeten sterk verhoogde gehalte aan is nikkel, in overleg met de opdrachtgever, besloten om de deelmonsters (4 monsters) waaruit mengmonster MM2 is samengesteld separaat te analyseren op het voorkomen aan nikkel. De analyseresultaten van de grondmonsters worden in de volgende tabel samengevat. In de kolommen zijn alleen die stoffen vermeld waarvan de analyseresultaten na toetsing hoger zijn dan de bijbehorende achtergrondwaarde voor duurzame bodemkwaliteit. Zie bijlage 7 voor de toetsingstabellen en het analyserapport. Monster
Zintuiglijke waarnemingen
01-2
Traject (m -mv) 0,25 – 0,50
Matig puin- en baksteenhoudend
Verhoogde component -
Berekende concentratie [mg/kg d.s.] en toetsing -
02-2
0,30 – 0,50
Sterk puinhoudend
Nikkel
108,1
***
08-2
0,25 – 0,50
Zwak puinhoudend, sporen baksteen
Nikkel
36,3
*
23-2
0,30 – 0,50
Sterk puinhoudend, sporen baksteen
Nikkel
50,0
*
Tabel 5.5: Toetsingsresultaten uitsplitsing mengmonster MM2
Uit de analyseresultaten blijkt dat het monster 02-2 (dieptetraject 0,30 – 0,50 m-mv.) sterk verhoogd is met nikkel. Grondmonster 08-2 (dieptetraject 0,25 – 0,50 m-mv.) en 23-2 (dieptetraject 0,30 – 0,50 m-mv.) zijn licht verhoogd met nikkel. In grondmonster 01-2 is geen verhoging met nikkel ten opzichte van de (berekende) achtergrondwaarde aangetoond.
Abusievelijk is in mengmonster MM2 de bodemlaag van 0,3-0,5 m-mv van boring 02 welke beoordeeld is als niet vormgegeven bouwstof opgemengd. Deze sterke verhoging met nikkel betreft derhalve geen bodem waardoor er geen aanleiding is voor het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.
Zware metalen bezitten een geringe mobiliteit in de bodem en hechten zich met name aan slib- en kleideeltjes. Zware metalen komen van nature in bepaalde concentraties in de bodem voor. Deze concentraties kunnen verhoogd voorkomen in het stedelijk milieu. De afgifte vindt onder andere plaats door dakpannen, dakgoten, kabels en leidingen, verkeer en afval. Ook depositie van zware metalen op de bodem door industriële activiteiten is een mogelijke oorzaak van verhoogde concentraties. Tot de bedrijfsactiviteiten die verontreiniging van de bodem met zware metalen kunnen veroorzaken worden onder andere gerekend galvanische bedrijven, grafische industrie, sloperijen en metaalbewerkende industrie. Pagina | 17
AM21617
De afkorting PAK staat voor Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen. Het gaat hierbij om een verbindingsklasse van meer dan 200 stoffen, die bestaan uit twee of meer aan elkaar verbonden benzeenringen. Ze ontstaan met name bij verbrandingsprocessen, en kunnen dus zowel een synthetische als een natuurlijke oorsprong hebben. PAK’s ontstaan o.a. door onvolledige verbranding van minerale olie zoals die ook in het verkeer plaatsvindt. Ze worden tevens gevormd bij het proces van droge destillatie van steenkool, zoals die bij gas- en cokesfabrieken werd toegepast. Daarnaast kunnen ze worden aangetroffen bij de vervaardiging en verwerking van rubber, kunststoffen, verf, lakken, minerale olie en teerproducten. In de chemische grondstoffenindustrie dienen ze als tussenproducten bij verschillende syntheses, bijvoorbeeld van verfstoffen en farmaceutica. De belangrijkste PAK-verbindingen in steenkoolteer zijn naftaleen, chryseen, fenanthreen en fluorantheen. Alle zijn praktisch onoplosbaar in water, niet vluchtig en persistent (niet afbreekbaar). PCB (Polychloorbifenylen) zijn geen natuurlijk voorkomende stoffen. De aanwezigheid van PCB in het milieu is met name het gevolg van industriële productie en het gebruik van PCB van ongeveer 1930 tot 1980.
PCB werden gebruikt als hydraulischeof warmtegeleidingsvloeistoffen, smeermiddelen en als weekmakers in producten zoals verf en koolstofvrij kopieerpapier. Sedert 1985 is de verkoop en het toepassen van PCB in Nederland verboden.
PFAS staat voor Poly- en perfluoralkylstoffen. Deze stofgroep bestaat uit ruim 6.000 stoffen. Hiertoe behoren onder meer de stoffen perfluoroctaanzuur (PFOA), perfluoroctaansulfonaat (PFOS) en HFPO-DA (GenX). PFAS zijn stabiele, sterke koolstoffluroideverbindingen die door mensen zijn gemaakt vanwege hun specifieke eigenschappen, zoals brandwerend-, vuil- en waterafstotendheid.
Hierdoor worden ze al decennia gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. PFAS worden gebruikt in/bij:
5.4
•
Brandblus-schuimen
•
Verchromen (om verdampen bij verchromen te onderdrukken)
•
Productie van Teflon (PTFE)
•
In diverse (consumenten)producten en coatings
•
Olie- en waterafstotende coatings van papier, textiel, tapijten, pannen en dergelijke
•
Kleurstoffen/inkt, was/wax en polijstmiddelen, lijm, smeermiddelen
•
Fastfood verpakkingen
•
Schoonmaakmiddelen
•
Cosmetica, waaronder shampoos en handcrème
•
Hydraulische vloeistoffen
•
Bestrijdingsmiddelen
•
Producten waarvan we het nog niet weten.
Grondwatermonsters
De analyseresultaten van de grondwatermonsters worden in de volgende tabel samengevat, waarbij door middel van onderstaande sterrencodering de mate van verontreiniging is aangegeven.
Pagina | 18
AM21617
*
Het gehalte is groter dan of gelijk aan de streefwaarde (of de detectiegrens, indien deze hoger is) en kleiner dan of gelijk aan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde;
**
het gehalte is groter dan het gemiddelde van de streef- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde;
***
het gehalte is groter dan de interventiewaarde.
In de kolommen zijn alleen die stoffen vermeld waarvan de analyseresultaten na toetsing hoger zijn dan de bijbehorende streefwaarde voor duurzame bodemkwaliteit. Zie bijlage 8 voor de toetsingstabellen en het analyserapport.
Peilbuis
Filtertraject [m-mv] 1,25 - 2,25
03
14
1,70 - 2,70
23
2,40 - 3,40
Grondwaterstand [m-mv.]
Verhoogde component
Gemeten concentratie [µg/l] en toetsing
0,90
Barium
240
*
Nikkel
22
*
Xylenen
1,51
*
Barium
340
**
Xylenen
1,31
*
Barium
320
*
Xylenen
0,63
*
1,00
0,70
Tabel 5.6: Toetsingsresultaten van de grondwatermonsters
Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater afkomstig uit peilbuizen 03 en 23 licht verhoogd is met barium en xylenen. Het grondwater uit peilbuis 14 is matig verhoogd met barium en licht verhoogd met xylenen. Voorts is in het grondwater uit peilbuis 03 een lichte verhoging met nikkel aangetoond. De verhoogde gehalten worden waarschijnlijk gedeeltelijk van buiten de onderzoekslocatie aangevoerd. Op de locatie zijn geen verontreinigingsbronnen aan te wijzen die in relatie zouden kunnen staan met de verhoogd aangetroffen gehalten. De lichte verhogingen met xylenen of nikkel zijn op basis van het vooronderzoek en de zintuigelijke bevindingen tijdens de veldwerkzaamheden niet te verklaren. Verhoogde gehalten aan barium zijn vaak van natuurlijke oorsprong en fluctueren ook met de tijd.
5.5
Toetsing van de gestelde hypothese
Geconcludeerd kan worden dat de berekende concentraties in de grond in tegenspraak zijn met de vooraf geformuleerde hypothese dat de locatie als onverdacht beschouwd kan worden. Plaatselijk zijn in de bovengrond na uitsplitsing lichte verhogingen met zink, PAK, kobalt, nikkel, minerale olie, som PCB en PAK aangetoond. In de ondergrond is plaatselijk een lichte verhoging met molybdeen, nikkel en PAK aangetoond. De gemeten concentraties liggen ruim beneden de tussenwaarde (= het gemiddelde van de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden voor grond).Ter plaatse van de niet vormgegeven bouwstof sterke puinbijmenging van boring 02 (0,3-0,5 m-mv) is (indicatief) een sterke verhoging met nikkel aangetoond. Het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek is niet noodzakelijk. Uit het onderzoek naar PFAS blijkt dat de onverharde bovengrond zoals verwacht plaatselijk licht verhoogd is met som PFOA.
Pagina | 19
AM21617
Ten aanzien van asbest in de bodem wordt de vooraf opgestelde hypothese dat de locatie onverdacht is niet bevestigd. Bij het verkennend onderzoek is in grondmengmonster ABM1 (ABG01, ABG02 en ABG08 noordelijk op het perceel) is in de fijne fractie een verhoogd gehalte asbest van 51 mg/kg d.s. aangetoond. In de overige onderzochte asbestmonsters (ABM4, ABM5 en ABM6) zijn geen verhoogde gehalten aan asbest aangetroffen. De verhoging overschrijdt net de helft van de interventiewaarde waardoor formeel het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in grond noodzakelijk geacht wordt om de ernst en omvang vast te stellen. Geconcludeerd kan worden dat de gemeten concentraties in het grondwater in overeenstemming zijn met de vooraf opgestelde hypothese dat de locatie onverdacht is rekening houdend met lokaal verhoogde achtergrondwaarden. Verhoogde gehalten aan barium zijn vaak van natuurlijke oorsprong en kunnen sterk fluctueren met de tijd. Het uitvoeren van een aanvullend of nader grondwateronderzoek is gelet op het aangetroffen componenten en de gemeten concentraties niet noodzakelijk geacht.
Pagina | 20
AM21617
6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn in de bovengrond plaatselijk bijmengingen met baksteen en puin in diverse gradaties waargenomen. Ter plaatse van boring 2 is in de bovengrond een funderingslaag aangetroffen. Asbest Bij het uitkomende bodemmateriaal zijn in de grove fractie van de uitkomende bodem geen asbestverdachte materialen waargenomen. Uit analyse van mengmonster ABM1 (ABG02, ABG02, ABG08 noordelijk op het perceel) blijkt dat net de helft van de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. overschreden wordt. Om de ernst en omvang vast te stellen, wordt geadviseerd om een nader asbest in bodem onderzoek uit te voeren. Bodem Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met zink, kobalt, nikkel, PAK, som PCB en minerale olie. Uit het onderzoek naar PFAS blijkt dat de onverharde bovengrond licht verhoogd is met som PFOA. De ondergrond is plaatselijk licht verhoogd met molybdeen, nikkel en PAK. In het freatisch grondwater zijn verhogingen met barium, plaatselijk nikkel en xylenen aangetoond. Plaatselijk is een matige verhoging met barium gemeten. Verhoogde concentraties aan barium zijn vaak van natuurlijk oorsprong en kunnen sterk fluctueren met de tijd.
Een periodieke herbemonstering en analyse van het grondwater kan hierover eventueel meer uitsluitsel geven. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt plaatselijk (noordelijk terreindeel) mogelijk een belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Om vast te stellen of ter plaatse sprake is van een geval van asbest in bodem verontreiniging, dient een nader asbest in bodem onderzoek middels sleuven uitgevoerd te worden.
Dit onderzoek dient plaats te vinden voorafgaand aan de planrealisatie en/of toekomstige grondwerkzaamheden. Het uitvoeren van grondroerende activiteiten (graven of andere grondbewerking) vanwege de aangetoonde verontreiniging met asbest is ter plaatse en in de directe omgeving niet toegestaan zonder instemming van de bevoegde overheid.
Opgemerkt wordt dat asbestverontreinigingen vaak door menselijk handelen veroorzaakt worden en daardoor vaak heterogeen verspreid zijn in de bodem. Dit wil zeggen dat de aan‐ of afwezigheid van asbest per kubieke meter kan verschillen. Het bereiken van resultaat in dit onderzoek is derhalve niet uitsluitend afhankelijk van de inspanning en ervaring van het onderzoeksbureau, maar ook van factoren die buiten onze invloedsfeer vallen. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt van de onderzoekslocatie, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit, lokale Nota Bodembeheer en het Tijdelijk Handelingskader PFAS van toepassing.
Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.
Pagina | 21
AM21617
aeres milieu
Bijlage 1 Topografische en kadastrale overzichtskaart
AM21617