Bijlage 4 Bijlagen bij de Toelichting
Tekst van het document
5
EV onderzoek herontwikkeling naast Minkeloos 28
van toepassing zijn voor deze locatie. Bij de toekomstige wetgeving zouden ook een brandaandachtsgebied of een eventueel explosieaandachtsgebied niet van toepassing zijn. De planlocatie ligt op meer dan 200 meter van de transportroute. Daarom is op voorhand duidelijk dat de bijdrage van het plan aan het groepsrisico verwaarloosbaar is en een berekening niet nodig is. Naast brandbare stoffen worden over de A27 ook toxische vloeistoffen en toxische gassen vervoerd. De planlocatie ligt binnen het effectgebied van een gifwolk als een toxische vloeistof (LT2) of een zeer toxisch gas (GT4) vrijkomt bij een ongeval op de snelweg. 3.2 Hogedruk aardgasleiding Op 430 meter ten noorden van de planlocatie ligt de hogedruk aardgasleiding A-555. Tabel 1 geeft een overzicht van deze leiding en zijn karakteristieken. tabel 1: buisleidingen in de omgeving van de planlocatie Naam A-555
Druk [bar] 66.2
Diameter [mm / “] 1067 mm / 42”
100% letaliteitsafstand [m] Circa 200 meter
1% letaliteits-afstand [m] 485
Voor hogedruk aardgasleidingen moet de 10-6 PR-contour binnen de belemmeringenstrook liggen. Deze strook is 5 meter vanaf het hart van de buisleiding. Ter plaatse van het plangebied wordt aan deze afstand voldaan. Wel ligt de planlocatie binnen de 1% letaliteitsafstand, zodat formeel voor de buisleiding de verandering van het groepsrisico moet worden bepaald. In de te beschouwen situatie is echter op voorhand duidelijk dat het groepsrisico laag is vanwege het lage aantal woningen in de omgeving van de locatie. In de toelichting op het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Giessenlanden heeft de gemeente destijds al geconcludeerd dat het groepsrisico ver onder de oriëntatiewaarde ligt (maximaal 0,00002 keer de oriëntatiewaarde). Op 430 meter van de planlocatie ligt de woning buiten de 100% letaliteitsafstand en ook buiten de house burning distance (235 meter vanaf de aardgasleiding). Bij een fakkelbrand zal een gebouw daarmee niet direct in brand geraken.
k:\doc\m\2022\041000\m2022041000n001v2.docx 24-05-2022
4. Aanzet tot verantwoording groepsrisico Voor de realisatie van een woning en schuur naast Minkeloos 28 in het buitengebied van Hoornaar wordt een ruimtelijke procedure doorlopen. De planlocatie ligt op meer dan 200 meter van de snelweg A27, zodat ten aanzien van deze risicobron een beperkte verantwoording volstaat. De planlocatie ligt buiten de 100% letaliteitsafstand van de buisleiding, zodat ook voor deze risicobron een beperkte verantwoording volstaat. Daarbij hoeft het bevoegd gezag volgens het Bevt respectievelijk het Bevb alleen in te gaan op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De veiligheidsregio (VRZHZ) heeft adviesrecht ten aanzien van beide criteria. 4.1 Bestrijdbaarheid Voor zowel een calamiteit op de A27 als een calamiteit bij de buisleiding A-555 geldt dat de bestrijdbaarheid niet verandert als gevolg van de functiewijziging. Beide risicobronnen zijn net zo goed bereikbaar als in de bestaande situatie. Ten aanzien van de buisleiding is bestrijden van een fakkel ter plaatse zonder meer geen optie vanwege de warmtebelasting. Een dergelijke brand is alleen te stoppen door de leiding af te sluiten en het gas dat zich al in de leiding bevond te laten opbranden.
6
EV onderzoek herontwikkeling naast Minkeloos 28
Een groot deel van de incidenten rondom buisleidingen ontstaat door graaf- en grondroerderswerkzaamheden rondom de buisleiding. De kans op incidenten kan worden beperkt met afdekplaten, strikter toezicht op de werkzaamheden of preventief ontruimen van het gebied waar werkzaamheden plaatsvinden. 4.2 Zelfredzaamheid Het plan voorziet in de realisatie van één gezinswoning. Daarmee maakt het plan de aanwezigheid van een beperkt aantal personen mogelijk. Volwassen bewoners zijn zelfredzaam; eventuele kinderen kunnen zij bij een externe calamiteit inpandig in veiligheid brengen. 4.2.1 Zelfredzaamheid calamiteit A27
De enige vorm van gevaar die vanaf de snelweg tot de planlocatie reikt, is een gifwolk. Gezien de afstand tot de snelweg is het afdoende om naar binnen te vluchten en ramen en deuren te sluiten. Om de zelfredzaamheid te bevorderen is het, net als in de bestaande situatie en voor andere aanwezigen in de omgeving, belangrijk dat mensen op tijd gewaarschuwd worden door middel van een alarmsysteem. Volgens het Bouwbesluit moet mechanische ventilatie kunnen worden uitgeschakeld. 4.2.2 Zelfredzaamheid calamiteit buisleiding A-555
Bij een calamiteit aan de gasleiding kan een grote fakkelbrand ontstaan, waarbij veel warmtestraling vrijkomt. De planlocatie bevindt zich buiten de house burning distance, zodat de kans klein is dat de woning bij een fakkelbrand in brand geraakt. Daarmee kan men bij een calamiteit inpandig schuilen. Bovendien komt de schuur tussen de woning en de gasleiding te staan, zodat de woning bij een fakkelbrand grotendeels in de luwte van de schuur staat. Daarmee is de warmtebelasting lager dan in een onbebouwde omgeving.
k:\doc\m\2022\041000\m2022041000n001v2.docx 24-05-2022
4.3 Keuze te nemen maatregelen Rekening houdend met: • de beperkte omvang van het plan; • de kleine ongevalskans en het lage groepsrisico; • de grote afstand tot de risicobronnen en de ligging van zowel de woning als de schuur buiten de house burning distance; stellen we voor om geen aanvullende bouwkundige voorschriften voor de planlocatie op te nemen en ook geen extra maatregelen aan de risicobronnen te treffen.
7
EV onderzoek herontwikkeling naast Minkeloos 28
5. Conclusie Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. is betrokken bij de herontwikkeling van het terrein naast Minkeloos 28 nabij Hoornaar. Twee bestaande schuren worden gesloopt om op deze plaats een nieuwe woning en een kleinere schuur te plaatsen. Voor deze voorgenomen ontwikkeling moet het bestemmingsplan worden gewijzigd. Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. verzorgt de milieukundige onderzoeken voor deze planwijziging. DGMR heeft in opdracht van Van den Heuvel deze onderbouwing externe veiligheid opgesteld. In deze notitie beantwoorden wij de volgende vraag: Welke externe risicobronnen liggen in de omgeving van de planlocatie en hoe kan de gemeente Molenlanden het externe risico van deze risicobronnen verantwoorden?
Op 700 meter ten oosten van de planlocatie vindt transport van geklasseerde stoffen plaats over de A27 en op 430 meter ten noorden van de planlocatie ligt hogedruk aardgasleiding A-555. De planlocatie ligt binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen, waardoor bij wijziging van het bestemmingsplan voor beide risicobronnen een beperkte verantwoording van het groepsrisico is vereist, waarbij wordt ingegaan op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De veiligheidsregio (VRZHZ) heeft adviesrecht ten aanzien van deze criteria. De gemeente Molenlanden kan hiervoor de aanzet gebruiken zoals opgesteld in hoofdstuk 4 van deze notitie.
k:\doc\m\2022\041000\m2022041000n001v2.docx 24-05-2022
ing. M.H.M. (Michel) van Kesteren DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V.
8
Quickscan Wet natuurbescherming Minkeloos ong. te Noordeloos Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2022-0588
Datum:
3 juni 2022, revisie 31 oktober 2022
Samensteller:
ir. ing. D. Bogers
Collegiale toets:
ir. ing. K.J. Rebergen
Opdrachtgever:
Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V.
Contactpersoon:
G. Kooijman
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2.1
Uitvoering onderzoek
7
2.2
Soortenbescherming
7
2.3
Gebiedsbescherming
8
2.4
Houtopstanden
9
3 Beoordeling
11
3.1
Soortenbescherming
11
3.2
Gebiedsbescherming
18
3.3
Houtopstanden
21
4 Samenvatting
22
4.1
Soortenbescherming
22
4.2
Gebiedsbescherming
22
4.3
Houtopstanden
22
5 Conclusie
23
5.1
Conclusie
23
5.2
Uitvoerbaarheid
23
5.3
Vervolgstappen
23
5.4
Te treffen maatregelen
24
1 Inleiding Naast Minkeloos 28 te Noordeloos is een agrarisch perceel met bebouwing gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens twee bestaande schuren op de planlocatie te slopen ten behoeve van een nieuwe woning en schuur. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen naast Minkeloos 28 te Noordeloos.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Minkeloos ong. te Noordeloos (figuur 1.2). De planlocatie bestaat uit twee schuren. De kleinere schuur (oost) is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een golfplaten zadeldak met dakbeschot (figuur 1.3). De grotere schuur is opgetrokken uit houten schroten, potdeksels en een golfplaten zadeldak deels voorzien van dakbeschot (figuur 1.3). Het perceel is deels verhard middels betonplaten. Rond de bebouwing zijn enkele wilde struiken aanwezig. In het zuidwesten van de planlocatie bevinden zich twee grote coniferen. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. In figuur 1.4 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Minkeloos ong. te Noordeloos. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door landelijk gebied met agrarische percelen, sloten en vrijstaande woningen. Circa 50 m ten oosten van de planlocatie ligt een uitloop van de watergang ‘Kleine Vliet’. De dichtstbijzijnde snelweg betreft de A27, gelegen op circa 700 m ten oosten van de planlocatie.
Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om twee schuren te slopen. Links: de grotere schuur (west); rechts: de kleinere schuur (oost).
5
Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving ten oosten van de planlocatie.
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van twee schuren en de realisatie van een nieuwe woning en schuur. De functie van het perceel dient te wijzigen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • eventueel kappen van bomen en rooien van struiken: kap- en rooiwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.5 Visuele representatie van Landschapsarchitecten).
de
beoogde
situatie
(bron:
Lagendijk
Tuin-
en
6
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 18 mei 2022 en is uitgevoerd door ir. ing. D. Bogers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 25 Celsius en windkracht 2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
7
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of
bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.
Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ree
Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker
Hermelijn
Vos
Bunzing
Huisspitsmuis
Wezel
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Woelrat
Dwergspitsmuis
Konijn
Egel
Meerkikker
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening.
8
Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuur en ecologische verbindingen, geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Mocht een ontwikkeling wel negatieve gevolgen hebben op de bovengenoemde aspecten, is deze ontwikkeling alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor dergelijke ontwikkelingen dient tevens een ontheffing voorhanden te zijn. In de provincie Zuid-Holland valt het Natuurnetwerk Nederland onder beschermingscategorie 1. Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit Provincie Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen met speciale bescherming van de ruimtelijke kwaliteit. Deze bescherming is opgedeeld in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2.
Beschermingscategorie 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een wijziging van de bestaande gebiedsidentiteit op structuurniveau, of welke leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 1 betreffen Natuurnetwerk Nederland en Beschermd grasland in de Bollenstreek. Beschermingscategorie 2 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 2 betreffen Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art. 4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; 9
g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
10
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, kleefkruid, kleine brandnetel, paardenbloem, speerdistel, stinkende gouwe en winterpostelein. Deze aangetroffen soorten duiden op een voedselrijke en sterk verstoorde bodem. De planlocatie is grotendeels bebouwd en verhard. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Op de planlocatie bevinden zich enkele struiken en zeer jonge bomen (o.a. es, gewone vlier en zomereik) en twee grote coniferen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de steenmarter geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De steenmarter wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes (Zoogdiervereniging steenmarter, 2021). De soort huist regelmatig in bebouwing. Alle bebouwing is grondig geïnspecteerd op sporen die duiden op de aanwezigheid van de steenmarter. Dergelijke sporen zijn niet aangetroffen. Eveneens zijn op de rest van het plangebied geen sporen zoals wissels, uitwerpselen of prooiresten van marterachtigen geconstateerd.
In de nabije omgeving van de planlocatie is voldoende alternatief leefgebied beschikbaar. Derhalve kan worden uitgesloten dat het plangebied een essentiële functie heeft voor de steenmarter. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
11
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. Zulke elementen zijn niet aangetroffen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen.
Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De kleinere schuur is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een golfplaten zadeldak met dakbeschot. De spouwruimte is voor vleermuizen toegankelijk via kieren langs kozijnen en het overstek (figuur 3.1). De grotere schuur is opgetrokken uit houten schroten, potdeksels en een golfplaten zadeldak, deels voorzien van dakbeschot. De wanden bestaan deels uit dubbele lagen houten platen met ruimte ertussen, welke voor vleermuizen geschikt is als verblijfplaats. Deze ruimte is voor vleermuizen toegankelijk middels openingen tussen de potdeksels (figuur 3.1). Hierdoor is het mogelijk dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in het wegnemen van vleermuisverblijfplaatsen.
Gebaseerd op de bekende verspreidingsgegevens, de ligging van de planlocatie (landelijk gebied) en de type bebouwing is potentie voor verblijfplaatsen van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (tabel 3.1). Om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels veldbezoeken in de periode april-september (zie H5.3).
Figuur 3.1 De te slopen schuren zijn voor vleermuizen toegankelijk via verschillende openingen. 12
Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De planlocatie bevat geen houtopstanden, oppervlaktewater of lijnvormige structuren. Derhalve is er geen sprake van essentiële foerageergebieden of vliegroutes. Tabel 3.1
Samenvatting van de beoordeling van verblijfplaatsen, essentiële vliegroute en foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten.
Vleermuissoort
Potentie
Onderbouwing
Gewone dwergvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing.
Ruige dwergvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing.
Laatvlieger
Ja
Geschikte openingen van voldoende grootte in bebouwing.
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Planlocatie ligt binnen landelijk gebied met weinig lichtverstoring. Geschikte openingen in bebouwing.
Meervleermuis
Nee
Afwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving en buiten bekende verspreiding
Watervleermuis
Nee
Geen geschikte verblijfplaatsen in bomen.
Rosse vleermuis
Nee
Geen geschikte verblijfplaatsen in bomen.
Tweekleurige vleermuis
Nee
Buiten bekende verspreiding en afwezigheid van zeer hoge bebouwing voor paarverblijfplaatsen.
Vleermuizen algemeen
Potentie
Onderbouwing
Massawinterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis) Essentiele vliegroute
Nee
Geen hoge bebouwing met bufferende vermogen.
Nee
Geen aantasting van lijnvormige structuren.
Essentieel foerageergebied
Nee
Geen aantasting van houtopstanden met struweel en oppervlaktewater
Tabel 3.2
Samenvatting van de potentie voor vleermuissoorten op de planlocatie.
Vleermuissoort
Zomer
Kraam
Paar
Massawinter
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Ruige dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Laatvlieger
Ja
Ja
Ja
Nee
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2012-2022). Voor de heikikker en rugstreeppad geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De heikikker is in de regel erg kritisch ten aanzien van zijn leefgebied. De soort maakt gebruik van drie habitattypen welke op korte afstand van elkaar dienen te liggen: ondiep, relatief zuur, zonbeschenen en voedselarm voortplantingswater; vochtige plekken in schraal, ruig gebied zoals heide, hoogveen, laagveen en natuurlijk grasland voor in de actieve periode en vochtvrije plaatsen voor overwintering. In de Alblasserwaard lijkt de soort gezien de vele waarnemingen in agrarische gebieden echter minder kritisch te zijn. De planlocatie betreft een vrijwel volledig bebouwd en verhard terrein met weinig (ruige) vegetatie en een redelijke hoeveelheid menselijke verstoring. Tevens is er op de planlocatie geen oppervlaktewater aanwezig. Er zijn derhalve geen habitatonderdelen aanwezig welke gebruikt worden door de heikikker. De aanwezigheid van de soort op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden.
13
De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bevat bij voorkeur geen vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). Momenteel wordt het voorkomen van rugstreeppad op de planlocatie niet verwacht wegens het ontbreken van functioneel leefgebied in de vorm van vergraafbaar zand, ondiepe poeltjes of geschikte overwinteringslocaties. Echter kan de soort de planlocatie koloniseren tijdens de graaf- en bouwwerkzaamheden. De soort is in 2021 namelijk waargenomen op circa 330 m afstand van de planlocatie (NDFF 2012-2022). Conform het Kennisdocument Rugstreeppad (2017) dienen derhalve aanvullende maatregelen getroffen te worden. Om kolonisatie van de soort te voorkomen dient de planlocatie tijdens de werkzaamheden ongeschikt of ontoegankelijk gehouden te worden (zie H5.4 en bijlage 3). Amfibieën leven zowel in een aquatische als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen.
Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie is verhard en wordt redelijk intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Tevens is er op de planlocatie geen oppervlaktewater aanwezig. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën, indien rekening wordt gehouden met enkele maatregelen ten aanzien van de rugstreeppad, geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten.
Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2012-2022). De grote modderkruiper prefereert ondiepe wateren met een dikke modderlaag en uitbundige waterplantengroei. Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater. Er is ten aanzien van de grote modderkruiper en andere vissen derhalve geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de platte schijfhoren (NDFF 2012-2022). De platte schijfhoren is een zoetwaterslak met een voorkeurshabitat van voedselrijk, stilstaand water met begroeiing van waterplanten, voornamelijk gele plomp en waterlelie. Wegens het ontbreken van oppervlaktewater op de planlocatie kan de aanwezigheid van de platte schijfhoren op de planlocatie uitgesloten worden. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden.
Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. 14
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: huismus, kauw, steenuil, vink en zwarte kraai. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De schuren zijn beide opgetrokken uit een golfplaten zadeldak, deels voorzien van dakbeschot. De ruimte tussen de golfplaten en het dakbeschot is voor huismussen toegankelijk vanaf de buitenzijde van de schuren (figuur 3.2). Aan de binnenzijde van de grote schuur is op de spantconstructie nestmateriaal aangetroffen wat mogelijk afkomstig is van huismussen (figuur 3.2).
Tijdens het veldbezoek zijn rond en op de woning op korte afstand van de planlocatie meerdere huismussen waargenomen. Deze periode betreft het voortplantingsseizoen van de huismus, waarin de broedparen in de buurt blijven van hun nest met jongen. Om het aantal actieve en bezette huismusnesten vast te stellen, dient voorafgaand aan de sloop van de schuren een aanvullend onderzoek naar huismussen uitgevoerd te worden (H5.3).
Figuur 3.2 Foto’s boven: onder de golfplaten van de kleine schuur is ruimte beschikbaar die potentiële nestlocaties voor huismussen vormen. Foto’s onder: aan de binnenzijde van de grote schuur is nestmateriaal aangetroffen wat mogelijk afkomstig is van huismussen. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn.
15
Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. De bebouwing op de planlocatie bevat slechts een zeer beperkte hoeveelheid openingen van voldoende grootte voor de gierzwaluw. De aanvliegroute voor deze openingen is niet ideaal wegens het vrij lage karakter van de schuren. De planlocatie is daarnaast gelegen in landelijk gebied. Er is in de directe omgeving van de schuren geen andere bebouwing aanwezig. Gezien de gierzwaluw een koloniebroeder is, en er derhalve voldoende andere geschikte nestlocaties beschikbaar dienen te zijn in de omgeving, kan de aanwezigheid van nestlocaties van de soort op de planlocatie uitgesloten worden. Tijdens het veldbezoek is in de conifeer in het zuidwesten van de planlocatie een steenuil waargenomen. Er zijn meerdere waarnemingen bekend van steenuilen op de bebouwing van de planlocatie (NDFF 2012-2022). In de bebouwing, onder de conifeer en op de rest van de planlocatie zijn echter geen sporen van de langdurige aanwezigheid van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Derhalve is er geen sprake van aantasting van rust- of nestlocaties van uilen. Op de planlocatie is tevens geen sprake van essentieel leefgebied van uilen. De planlocatie is gelegen in landelijk gebied met voldoende alternatief leefgebied.
In de conifeer in het zuidwesten van de planlocatie is een groot roofvogelnest (vermoedelijk buizerd) waargenomen (figuur 3.3). Het is onduidelijk of het nest actief is. Er zijn vrij recentelijk (na 2019) meerdere bomen, welke aangrenzend waren aan de huidige coniferen, verwijdert. Mogelijk is het roofvogelnest hierdoor ongeschikt geworden of verlaten. Naast de conifeer is een dode houtduif aangetroffen. Dit zijn mogelijk prooiresten van roofvogels. Het is echter ook mogelijk dat dit een individu betreft wat is gesneuveld ten gevolge van de uitgevoerde kapwerkzaamheden. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep wordt de conifeer met het nest mogelijk gekapt. Indien de coniferen binnen de beoogde ruimtelijke ingreep gekapt worden, dient middels een aanvullend onderzoek naar roofvogels vastgesteld te worden of er sprake is van (het verwijderen van) een actief roofvogel nest (zie H5.4). Indien er geen sprake is van het kappen van de coniferen, dient rekening gehouden te worden met enkele maatregelen om verstoring van het nest te voorkomen (zie H5.3). Sloop- en bouwwerkzaamheden binnen 75 meter van het roofvogelnest in de conifeer in het zuidwesten van de planlocatie dienen, conform de natuurkalender broedvogels, buiten de kwetsbare periode (begin maart – eind augustus) uitgevoerd te worden. Uitvoering dient derhalve plaats te vinden tussen begin september en eind februari.
Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leefgebied van roofvogels. De planlocatie is gelegen in landelijk gebied met voldoende alternatief leefgebied.
Figuur 3.3 In de conifeer in het zuidwesten van de planlocatie is een roofvogelnest aangetroffen.
16
Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn op/in de bebouwing meerdere nesten aangetroffen van onder andere winterkoning en duiven (figuur 3.4). Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen.
Figuur 3.4 Op de planlocatie zijn meerdere vogelnesten aangetroffen.
17
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 3,5 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ (figuur 3.5).
Figuur 3.5 De planlocatie ligt op een afstand van circa 3,5 km tot het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een nieuwe vrijstaande woning. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a).
De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.
18
Gezien er sprake is van een grote afstand (3,5 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS-Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek). Op een afstand van circa 1,9 km ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.6). De planlocatie is niet gelegen in de (buurt van de) Bollenstreek. Op een afstand van circa 18 km ligt de Groene buffer (geen kaartweergave). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.6 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,9 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl). De planlocatie is gelegen in Belangrijk weidevogelgebied (figuur 3.7). Conform de Omgevingsverordening Zuid-Holland (in werking per 15 maart 2022) zijn ontwikkelingen binnen het belangrijk weidevogelgebied slechts mogelijk indien er geen sprake is van een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het weidevogelgebied. Binnen het belangrijk weidevogelgebied dienen de volgende kwaliteiten gewaarborgd te worden: • De hoge weidevogeldichtheden of de potentie daarvoor; • De factoren die de hoge weidevogeldichtheden mogelijk maken zoals het graslandgebruik, de waterhuishouding met relatief hoge grondwaterstanden, de landschapsstructuur en de rust van het gebied.
19
Figuur 3.7 De planlocatie is gelegen in Belangrijk weidevogelgebied (bron: www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl). De planlocatie betreft een relatief klein oppervlakte waar slechts sprake is van een kleinschalige ontwikkeling. Het plangebied is in de huidige situatie vrijwel volledig bebouwd en verhard. Derhalve is er geen sprake van geschikt leefgebied voor weidevogels. Op en rond de planlocatie zijn geen broedgevallen van weidevogels bekend (NDFF 2012-2022). Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling (sloop van twee schuren en de realisatie van een nieuwe woning en schuur) gaat derhalve geen potentieel leefgebied voor weidevogels verloren. Er is geen sprake van (significante) aantasting van de kwaliteit “hoge weidevogeldichtheden of de potentie daarvoor”. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep wordt, conform de inrichtingsschets door Lagendijk Tuin- en Landschapsarchitecten, een aanzienlijk deel verharding (circa 660 m2) omgevormd tot grasland. Derhalve zal de ontwikkeling resulteren in een positieve bijdrage aan hoge weidevogeldichtheden of de potentie daarvoor. Op de planlocatie is in de huidige situatie geen sprake van (grootschalige) graslandpercelen welke kunnen dienen als leefgebied voor weidevogels. De factor graslandgebruik is derhalve niet van toepassing op de planlocatie, waardoor er geen sprake van (significante aantasting van) deze factor.
Om hoge weidevogeldichtheden te waarborgen wordt geadviseerd het grasland dat zal ontstaand ten gevolge van de omvorming van verharding op een weidevogelvriendelijke manier te beheren (i.e. weinig bemesten, extensief maaien, beperken van gebruik chemische bestrijdingsmiddelen en het in acht nemen van de rustperiode). De grondwaterstand binnen en rond de planlocatie is relatief hoog en min of meer gelijk (www.dinoloket.nl). Binnen de beoogde ontwikkeling zijn geen werkzaamheden voorzien aan watergangen, zoals het dempen van bestaande watergangen of het graven van nieuwe watergangen. Tevens zijn er geen werkzaamheden voorzien zoals substantiële ophoging van het terrein. Derhalve zijn significante effecten ten aanzien van de grondwaterstand uitgesloten. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep zal mogelijk aanplant plaatsvinden van een streekeigen haag, een bomenlaan langs de oprit in het oosten van de planlocatie en een nieuwe erfboom (inrichtingsschets door Lagendijk Tuin- en Landschapsarchitecten). In het gehele plan bestaat de visie om een landelijke uitstraling te creëren, wat aansluit op de gehele landschapsstructuur. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep gaan geen open gebieden verloren. Wegens het kleinschalige karakter van de ontwikkeling en inpassing in het bestaande landschap, zijn significante effecten ten aanzien van de landschapsstructuur uitgesloten.
20
Ten aanzien van de rust van het gebied resulteert de sloop van de twee schuren en bouw van de nieuwe woning en schuur mogelijk in enige effecten. Deze zijn, mits rekening gehouden wordt met enkele maatregelen, niet significant van aard. De sloop- en bouwwerkzaamheden zijn van tijdelijke aard en dienen uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli; H5.4). Werkzaamheden kunnen derhalve, ten aanzien van weidevogels, uitgevoerd worden tussen augustus en medio maart. Derhalve is er geen sprake van significante aantasting van rust in het gebied ten aanzien van weidevogels. De woonactiviteiten in de toekomstige gebruiksfase leiden niet tot significant meer aantasting van rust in vergelijking tot de huidige situatie, waarbij ook sprake is van regelmatige verkeersbewegingen en betreding van de bebouwing. Bij activiteiten in en rond een vrijstaande, landelijk gelegen woning is over het algemeen geen sprake van verstoringen van dermate grote aard dat deze de rust in het gebied significant aantasten. Tevens zal de aanplant van een haag rond het erf een bufferende werking hebben op de omgeving. Derhalve zal de rust van het gebied ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep niet significant aangetast worden.
De kwaliteit ‘de factoren die de hoge weidevogeldichtheden mogelijk maken zoals het graslandgebruik, de waterhuishouding met relatief hoge grondwaterstanden, de landschapsstructuur en de rust van het gebied’ wordt binnen de beoogde ruimtelijke ingreep niet significant aangetast. Gezien de kwaliteiten voor het belangrijk weidevogelgebied binnen de beoogde ruimtelijke ingreep gewaarborgd worden, is de ontwikkeling uitvoerbaar in het kader van de provinciale regelgeving. Conform de kwaliteitskaart (laag van de cultuur- en natuurlandschappen) is de planlocatie gelegen in veen(weide)landschap (bron: www.gebiedsprofielen.zuid-holland.nl). Binnen veen(weide)landschap vormen 'veenputten’, ‘houtwal en houtsingel, elzensingel’, ‘struweelhaag’, ‘knotboom’, ‘hakhoutbosje’, ‘griendje’, ‘hoogstamboomgaard’, ‘rietzoom en klein rietperceel’ en ‘bloemdijk’ karakteristieke landschapselementen (bron: Compensatie natuur, recreatie en landschap Zuid-Holland, 2013). Binnen de planlocatie zijn de voorgenoemde landschapselementen, met uitzondering op enkele knotbomen in het weiland ten oosten van de te slopen schuren, niet aanwezig. De knotwilgen (welke binnen de beoogde ruimtelijke ingreep hoogstwaarschijnlijk behouden blijven) staan binnen het agrarisch bouwvlak en vallen derhalve buiten de compensatieplicht (Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland 2013).
Er zijn er op de planlocatie derhalve geen karakteristieke landschapselementen aanwezig die weggenomen worden of gecompenseerd dienen te worden ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Het is echter wenselijk dat de knotbomen behouden blijven of, indien deze verwijderd worden, gecompenseerd worden.
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
21
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: vleermuizen en huismus. Indien de coniferen in het zuidwesten van de planlocatie gekapt worden, dient tevens een aanvullend onderzoek naar roofvogels uitgevoerd te worden. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming. *Een aanvullend onderzoek naar roofvogels is enkel noodzakelijk wanneer de coniferen in het zuidwesten van de planlocatie gekapt worden.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Mogelijke functie planlocatie
art. 3.5
Ja
Verblijfplaatsen
art. 3.1 art. 3.1
Ja Ja*
Nestlocaties en leefgebied Nestlocatie
Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Huismus Roofvogels (Buizerd) Vogels (Algemeen en cat. 5)
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. De planlocatie is gelegen in belangrijk weidevogelgebied. Op voorhand kan worden uitgesloten dat de beoogde ruimtelijke ontwikkeling resulteert in een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het weidevogelgebied. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Belangrijk weidevogelgebied Groene buffer
3,5 km 1,9 km 18 km
Geen Geen Geen Geen
N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
22
5 Conclusie 5.1
Conclusie De sloop van twee schuren en de realisatie van een nieuwe woning en schuur aan de Minkeloos ong. te Noordeloos is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen, kolonisatie door rugstreeppadden en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen en huismus (soortenbescherming). Afhankelijk van de uit te voeren werkzaamheden dient tevens een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden voor roofvogels. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd).
Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
5.3 Vervolgstappen • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei, conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen drie rondes in het voorjaar en twee rondes in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 3.1 en 3.2 uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute. • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient, indien de coniferen in het zuidwesten van de planlocatie gekapt worden, aanvullend onderzoek naar roofvogels uitgevoerd te worden. Aanvullend onderzoek naar de buizerd wordt uitgevoerd middels minimaal 2 en maximaal 4 veldbezoeken in de periode maart t/m half mei met een tussenperiode van minimaal 10 dagen, conform het kennisdocument Buizerd.
23
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden.