CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 – Bijlagen bij de bestemmingsplantoelichting Noordeloos, Noordzijde 103-104

Raadsvergadering 15 juli 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Noordeloos, Noordzijde 103-10424.065 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

1,50 1,50 1,50 1,50 1,50

36,4 36,4 36,2 36,2 35,9

31,9 32,0 31,7 31,6 31,3

26,9 26,9 26,7 26,6 26,3

w103-n_B u103-w_A w103-n_A

Achterhuis Noordzijde 103 (noordgevel) Uitbouw Noordzijde 103 (westgevel) Achterhuis Noordzijde 103 (noordgevel)

4,50 28,4 1,50 23,9 1,50 21,0

23,9 19,2 16,3

18,9 28,7 14,3 24,1 11,4 21,2

36,7 36,7 36,5 36,4 36,1

Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Adromi b.v.

17-11-2020 11:06:38

Bouwplan Noordzijde 103-104 te Noordeloos Rekenparameters Rapport: Model:

Adromi b.v.

Lijst van model eigenschappen Bouwplan Noordzijde 103/104 te Noordeloos - v00

Model eigenschap Omschrijving Verantwoordelijke Rekenmethode

Bouwplan Noordzijde 103/104 te Noordeloos - v00 ferdem #2|Wegverkeerslawaai|RMW-2012|

Aangemaakt door Laatst ingezien door Model aangemaakt met

ferdem op 3-11-2020 ferdem op 17-11-2020 Geomilieu V2020.1 rev 1

Dagperiode Avondperiode Nachtperiode Samengestelde periode Waarde Standaard maaiveldhoogte Rekenhoogte contouren Detailniveau toetspunt resultaten Detailniveau resultaten grids Zoekafstand [m] Max. reflectie afstand tot bron [m] Max. reflectie afstand tot ontvanger [m] Standaard bodemfactor Zichthoek [grd] Maximale reflectiediepte Reflectie in woonwijkschermen Geometrische uitbreiding Luchtdemping Luchtdemping [dB/km] Meteorologische correctie Waarde voor C0

07:00 - 19:00 19:00 - 23:00 23:00 - 07:00 Lden Gem(Dag, Avond + 5, Nacht + 10) 0 4 Bronresultaten Groepsresultaten ---0,50 2 1 Ja Volledige 3D analyse Conform standaard 0,00; 0,00; 1,00; 2,00; 4,00; 10,00; 23,00; 58,00 Conform standaard 3,50

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Adromi b.v.

17-11-2020 11:07:47

Bouwplan Noordzijde 103-104 te Noordeloos Rekenparameters Commentaar

Geomilieu V2020.1 rev 1 Licentiehouder: Adromi b.v.

Adromi b.v.

17-11-2020 11:07:47

VAN DEN HEUVEL ONTWIKKELING & BEHEER B.V. T.a.v. dhr. G. Kooijman Lekdijk 4 2967GB Langerak

Datum

13 november 2020 (revisie 02-12-2020)

Kenmerk

BE/2020/813/r

Uw kenmerk

Email d.d. 30-10-2020

Auteur(s)

ing. G. Fairhurst

Collegiale toets

ir. ing. K.J. Rebergen

Quickscan Wet natuurbescherming 103(A) en 104 te Noordeloos

Noordzijde

Aan de Noordzijde 103 Noordeloos is een woonperceel met een boerenwoning, aanbouw en loods (103 A) met de een bedrijfsbestemming gesitueerd. Op het perceel aan de Noordzijde 104 is een woning en een overkapping gelegen. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande loods en aanbouw deels te saneren en de boerenwoning gedeeltelijk te renoveren waarbij 4-5 dakramen worden geplaatst en inpandig wordt geïsoleerd. Het bestemmingsplan voorziet deels niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘bedrijf’ naar ‘wonen’. Hierbij zal het voorste deel van de boerenwoning (103) en de naastgelegen woning met overkapping (104) in de huidige staat behouden blijven. Echter zal hiervoor ook de bestemmingsplanwijziging gelden. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V.

begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland, Belangrijke weidevogelgebieden en/of de Strategische reservering natuur? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd?

• Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke? Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Noordzijde 103 en 104 te Noordeloos (figuur 1). Het betreft een perceel met een boerenwoning (nr. 103) met aanbouw en loods en een woning (nr. 104) met overkapping. Gezien aan de woning (nr. 104) en overkapping geen werkzaamheden zijn beoogd en er enkel een bestemmingplanwijziging plaatsvindt, welke niet van invloed is op beschermde natuurwaarde, zijn deze niet verder meegenomen in voorliggend onderzoek. De bebouwing op de planlocatie ziet er als volg uit: A. De loods is opgetrokken uit metalen damwandplaten en heeft een damwandplaten dak met aan de voor- en achterzijde zitten grote schuifdeuren. Aan de binnenzijde is een dakbeschot aanwezig; B. De aanbouw is verbonden aan de loods en boerenwoning en is opgetrokken uit kunststofplaten met een plat bitumendak en een houten boeiboord; C. De boerenwoning is opgetrokken uit stenen muren met een pannen zadeldak zonder dakgoot. Aan de binnenzijde is een dakbeschot aanwezig en een houten zolder. Het omliggende terrein bestaat voornamelijk uit een goed onderhouden tuin en een grasperceel met daaromheen beschoeide watergangen en een bomen rij van zwarte els. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door landelijkgebied en soortgelijke boerenwoningen met bijbehorende opstallen. Aan de noordzijde sluit de planlocatie aan op een weideveld en aan de zuidzijde stroomt de Noordeloos. Op circa 1,8 km ten oosten ligt de A27 en op circa 4,5 km ten noordwesten stroomt de Lek.

Figuur 1

2

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Noordzijde 103 en 104 te Noordeloos (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Op de voorgrond de boerenwoning (nr. 103) met daarachter de aanbouw en loods (nr. 103 A).

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het deels saneren van de loods en aanbouw en het renoveren en transformeren van de boerenwoning naar twee woningen. Hierbij wordt een deel van de woning inpandig gerenoveerd en er worden 4-5 dakramen aangebracht. De groenstructuren en de overige bebouwing blijven in de huidige staat behouden. De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘bedrijf’ naar ‘wonen’, daarnaast worden er twee woonkavels gerealiseerd. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •

saneren van loods en aanbouw: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 3

3

Visuele representatie van de beoogde situatie (Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V.).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 9 november 2020 en is uitgevoerd door ing. G. Fairhurst. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 15 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de verordening Ruimte van de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming ZuidHolland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ree

4

Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Vos Wezel Woelrat

Dwergspitsmuis Egel

Konijn Meerkikker

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.

Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). De planlocatie bestaat voor een groot deel uit verharding en bebouwing met aan de zuidzijde een voortuin en aan de noordzijde een grasperceel met daaromheen beschoeide sloten en een bomenrij van zwarte els. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: kleine brandnetel, liguster, paardenkastanje, schietwilg en zwarte els. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.

5

Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 3 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, damhert, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever en damhert. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Voor de bever en damhert is door het ontbreken van geschikt habitat en gezien de hoge mate van verharding en menselijke verstoring geen geschikt habitat aanwezig.

Derhalve kan aanwezigheid van deze soorten uitgesloten worden. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 3 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 20102020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011).

Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Dergelijke geschikte boomholte zijn niet aanwezig, daarnaast zijn er geen kapwerkzaamheden voorzien. Negatieve effecten op boombewonende vleermuizen kan uitgesloten worden. De te slopen en de te renoveren bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De loods is opgetrokken uit metalen damwandplaten met een damwandplaten dak. De aanbouw bestaat uit kunststofplaten met een plat bitumendak en boeiboord. De boeiboord sluit direct aan op de muren waardoor hier geen kieren aanwezig zijn die toegang kunnen bieden aan vleermuizen. De boerenwoning is opgetrokken uit stenenmuren zonder spouw en heeft een pannendak met dakbeschot.

Het dak aan het zuidelijke deel van het pand zal in de huidige staat behouden blijven, hier zijn tevens geen werkzaamheden beoogd.

6

Het noordelijke deel van de woning, waar 4-5 dakramen geplaatst worden, heeft een verlaagd dak (± 1,5 m hoog) en een flauw schuin lopend talud. Er zijn een aantal scheefliggende of kapotte pannen aanwezig waardoor er enkele kleine openingen zijn. Echter zijn deze openingen zeer nauw waardoor de aanwezigheid van grotere vleermuizen als de laatvlieger uitgesloten kan worden. Daarnaast zijn de vliegroutes van en naar de openingen beperkt doordat het verlaagde deel van het dak en het flauwe talud deze belemmert en er een verhoogde kan op predatie is door bijvoorbeeld vogels (o.a. kraaiachtigen, meeuwen, maar ook zangvogels) en katten. Door het voorgenoemde en door de afwezigheid van andere geschikte in- en uitvliegopeningen welke naar het dak leiden, wordt de aanwezigheid van vleermuizen niet verwacht. Ondanks dat de aanwezigheid van vleermuizen niet verwacht wordt, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De te saneren loods en aanbouw maken hier geen onderdeel van uit. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling worden luwten die gebruikt kunnen worden als vliegroute dan ook niet aangetast. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden.

Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, heikikker, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker en rugstreeppad. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n.

lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De planlocatie is voor een groot deel verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Rondom het perceel lopen watergangen met voor een groot deel beschoeide oevers. Aan de watergangen zijn geen werkzaamheden beoogd. Daarnaast zijn er geen vorstvrije structuren aanwezig op de planlocatie waardoor er geen sprake is van aantasting van functioneel leefgebied van de heikikker of rugstreeppad. De rugstreeppad is echter een soort die op recent ontstane braakliggende (bouw) terreinen kan kolonisten in ondiepe plassen. Gezien de soort verschillende keren binnen 1 km is waargenomen kan kolonisatie niet uitgesloten worden. Derhalve wordt geadviseerd tijdens de werkzaamheden het terrein ongeschikt en/of ontoegankelijk te houden voor de rugstreeppad (Bijlage 3). Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 3 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2010-2020).

Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van verharding en menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten.

7

Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich een beschoeide sloot, hier zijn echter geen werkzaamheden aan beoogd. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn derhalve uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: platte schijfhoren (NDFF 2010-2020). Deze soort is sterk verbonden aan heldere wateren met een rijke watervegetatie van gele plomp of waterlelie. Echter, gezien er geen werkzaamheden zijn beoogd aan de watergangen, kunnen negatieve effecten op de soort derhalve uitgesloten worden. Op de planlocatie is tevens geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van (andere) beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: groene specht, kauw, koolmees, merel, meerkoet en spreeuw. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat.

1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied die vallen in de categorie 1 t/m 4 vogelsoorten'. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De loods en aanbouw zijn door het type bouwstructuur en materiaal per definitie ongeschikt voor nestlocaties van de huismus. De boerenwoning heeft een pannendak met op enkele plaats kapotte of scheefliggende pannen. Echter zijn deze openingen te klein voor de huismus om toegang te bieden tot een geschikte nestlocatie. Daarnaast door afwezigheid van een dakgoot en de aanwezigheid van een houten balk direct onder de eerste rij pannen, zijn er geen geschikte nestlocaties voor de huismus aanwezig in de bebouwing.

Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Door het type pannen dat op het dak gebruikt is, zijn er zeer kleine bollingen aanwezig die niet voldoende ruimte bieden voor een nestlocatie (minder dan 4,5 cm). Dit is voor een de gierzwaluw te weinig ruimte om eieren in te leggen en de jongen groot te laten brengen. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. In de bebouwing zijn openingen aanwezig die toegang kunnen bieden tot nest- of rustplaatsen voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Op de planlocatie is tevens door de hoge mate van verharding geen sprake van functioneel leefgebied van uilen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake.

8

Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

9

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 5,7 km ligt het Natura 2000gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ (figuur 4). Op een afstand van circa 2,3 km ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 5). Op een afstand van circa 320 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied (figuur 6). Op een afstand van circa 15 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (figuur 7). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep.

10

Figuur 4

De planlocatie ligt op een afstand van circa 5,7 km tot het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van circa 2,3 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.maps.arcgis.com).

Figuur 6

De planlocatie ligt op een afstand van circa 320 m tot een Belangrijk weidevogelgebied (bron: pzh.maps.arcgis.com).

Figuur 7

De planlocatie ligt op een afstand van circa 15 km tot het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen.

11

Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van de loods en aanbouw en de renovatie van de boerenwoning. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep niet tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien er sprake is van een grote afstand (5,7 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Het maken van een kapmelding in het kader van wet natuurbescherming is derhalve niet van toepassing.

12

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie geen mogelijk een essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Aerius-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Het maken van een kapmelding in het kader van wet natuurbescherming is derhalve niet van toepassing.

+/-

+/-

-

-

-

-

+/-

-

+/-

n

n

n

n

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

insecten en ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

+

+/-

n

n

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat Andere soort

-

+/-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

5,7 km

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

2,3 km

geen

n.v.t.

Belangrijk weidevogelgebied

320 m

geen

n.v.t.

Strategische reservering natuur

15 km

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

ja

nee

n.v.t.

Bomen

ja

nee

n.v.t.

n

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie

13

De ontwikkeling, het saneren van de loods en aanbouw en het renoveren van de boerenwoning, aan de Noordzijde 103 en 104 te Noordeloos is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen De beoogde ontwikkeling resulteert niet in negatieve effecten op beschermde natuurwaarde. Derhalve is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden.

Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

14

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Bufo calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

15

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ing. G. Fairhurst Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

16

Bijlage 1 Fotografische impressie

17

Figuur 1

De boerenwoning met aanbouw.

Figuur 2

De bomenrij van zwarte els aan de noordzijde van de planlocatie.

18

Figuur 3

De loods.

Figuur 4

De zuidzijde van de woning blijft in de huidige staat behouden.

Bijlage 2 Rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).

Figuur 1

Determinatie kenmerken van de rugstreeppad.

Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een sein voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van aan- of afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017).

19

Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden. Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is.

Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Voorkomen kolonisatie Doordat de rugstreeppad een typische pioniersoort is en een dynamische omgeving met vergraafbare grond prefereert, kan snel spontane kolonisatie van de soort in een braakliggend gebied of bouwterrein ontstaan. Om kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen. Deze maatregelen bestaan uit het ongeschikt dan wel ontoegankelijk houden van het plangebied. Het ongeschikt houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat zo min mogelijk vergraafbaar zand gebruikt of opgeslagen wordt binnen het bouwterrein. Bij het bouwrijp maken van het perceel dient het zand direct geëgaliseerd te worden. De aanleg van een zanddepot moet voorkomen worden. In de voorjaars- en zomerperiode zorgen dat er geen kleine poelen ontstaan waar rugstreeppadden eieren kunnen leggen. Diepe rijsporen van machines kunnen al voldoende diep zijn als voortplantingswater voor rugstreeppadden (figuur 2).

Figuur 2

20

Bij hevige regenval kunnen ontstane geulen gevuld worden met water. Deze tijdelijke poelen zijn uitermate geschikt voor de rugstreeppad. Het ontstaan van deze geulen dient te allen tijde voorkomen te worden.

In de najaar- en winterperiode moet gezorgd worden dat er geen overwintering van rugstreeppadden kan optreden. Voldoende vergraafbaar zand (zanddepot) kan gebruikt worden voor overwintering. Ook stenenstapels, houtstapels of andere vorstvrije structuren (onder een bouwkeet bijvoorbeeld) kunnen gebruikt worden voor overwintering. Dergelijke structuren dienen weggehaald te worden buiten de overwinteringsperiode van de soort. Het ontoegankelijk houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat voorzieningen worden geplaatst waardoor rugstreeppadden het plangebied niet kunnen bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (figuur 3). De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.

Figuur 3

21

Een incorrect geplaatst amfibiescherm (links). Een correct geplaatst amfibiescherm (rechts). Deze dienen minimaal 10 cm ingegraven te zijn.

Verkennend bodemonderzoek en asbest in grond onderzoek Noordzijde 103-104 te Noordeloos

B.V. Verkennend bodemonderzoek en asbest in grond Adromi Reeweg 146 3343 AP Hendrik-Ido-Ambacht onderzoek

Noordzijde 103-104 te Noordeloos

T 078 – 684 55 55 F 078 – 684 55 59 algemeen@adromi.nl www.adromi.nl K.v.K. 230.825.46 te Rotterdam BTW: 8050.63.286.B.01 IBAN: NL75RABO0385477481

Kenmerk:

B202015/2001

Status: Datum:

Definitief 23-12-2020

Auteur:

Mevrouw ing. L. Kruse

Verkennend bodemonderzoek en asbest in grond onderzoe Noordzijde 103-104 te Noordeloos

Inhoudsopgave 1.

Inleiding................................................................................................................................................................... 5

2.

Vooronderzoek ....................................................................................................................................................... 6 2.1.

3.

2.1.1.

Voormalig bodemgebruik .................................................................................................................... 6

2.1.2.

Huidig bodemgebruik .......................................................................................................................... 7

2.1.3.

Toekomstig bodemgebruik .................................................................................................................. 8

2.2.

Bodemopbouw en geohydrologie ................................................................................................................ 8

2.3.

Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit ....................................................................................... 8

2.3.1.

Bodemkwaliteitskaart Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid .............................................................. 8

2.3.2.

Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken ........................................................................................... 8

2.3.3.

Archeologie Gemeente Molenlanden ................................................................................................. 9

2.3.4.

Explosieven ........................................................................................................................................... 9

2.4.

Financieel / juridisch ..................................................................................................................................... 9

2.5.

Conclusie en hypothese ................................................................................................................................ 9

Onderzoeksstrategie ............................................................................................................................................10 3.1.

4.

5.

6.

Locatiegegevens ............................................................................................................................................ 6

Onderzoeksopzet ........................................................................................................................................10

Resultaten .............................................................................................................................................................11 4.1.

Veldwerk ......................................................................................................................................................11

4.2.

Laboratoriumonderzoek .............................................................................................................................11

4.2.1.

Resultaten grond ................................................................................................................................12

4.2.2.

Resultaten grondwater ......................................................................................................................13

4.3.

Bespreking resultaten .................................................................................................................................13

4.4.

Overweging resultaten ................................................................................................................................13

4.5.

Afwijkingen ..................................................................................................................................................14

Resultaten verkennend asbest-in-grondonderzoek ...........................................................................................15 5.1.

Onderzoeksstrategie ...................................................................................................................................15

5.2.

Veldwerk ......................................................................................................................................................15

5.3.

Maaiveldinspectie .......................................................................................................................................16

5.4.

Laboratoriumonderzoek .............................................................................................................................16

5.5.

Analyseresultaten fijne fractie (< 20 mm) bovengrond ............................................................................16

5.6.

Interpretatie van de resultaten ..................................................................................................................17

5.7.

Afwijkingen ..................................................................................................................................................17

Conclusies en aanbevelingen ...............................................................................................................................18 6.1.

Conclusies ....................................................................................................................................................18

6.2.

Aanbevelingen .............................................................................................................................................19

Adromi B.V.

B202015/2001

Pagina 3 van 24

Verkennend bodemonderzoek en asbest in grond onderzoe Noordzijde 103-104 te Noordeloos

Bijlagen 1 2 3 4 5 6 7

Kadastrale gegevens Overzichtstekening met boorpunten Boorprofielbeschrijvingen en verantwoording veldwerk Toetsingstabellen Analysecertificaten Foto-overzicht Historische gegevens

Adromi B.V.

B202015/2001

Pagina 4 van 24

Verkennend bodemonderzoek en asbest in grond onderzoe Noordzijde 103-104 te Noordeloos

1.

Inleiding

Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. heeft opdracht gegeven aan Adromi B.V. (hierna ook: Adromi) voor de uitvoering van een verkennend bodemonderzoek gebaseerd op de NEN 5740:2009+A1:2016 nl (hierna: NEN 5740+A1) in combinatie met een verkennend asbest-ingrondonderzoek conform de NEN 5707+C2:2017 nl (hierna: NEN 5707+C2), voor de locatie Noordzijde 103-104 te Noordeloos. De aanleiding van het verkennend bodemonderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging van bedrijf naar wonen met tuin. Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is: - Vaststellen of concentraties van de vermoede verontreinigende stof in de grond en het freatische grondwater boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden worden aangetroffen (strategie verdacht, VED-HE-NL). De doelstelling van het verkennend asbest-in-grondonderzoek is: - Nagaan met een relatief geringe onderzoeksinspanning of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest terecht is en (indien sprake is van de aanwezigheid van puin in de grond) een indicatieve uitspraak doen over het asbestgehalte in de bodem. Ook indien voor een locatie geen verdenking op de aanwezigheid van asbest bestaat, kunnen er situaties zijn waarin het gewenst is deze hypothese door onderzoek te bevestigen. Het onderzoek is onafhankelijk uitgevoerd. Adromi B.V.

is geen eigenaar van de onderzoekslocatie en financieel niet gelieerd aan de opdrachtgever. Het onderzoek is met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opgestelde normen en richtlijnen uitgevoerd. Hierbij wordt opgemerkt dat een bodemonderzoek slechts bestaat uit een steekproef waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses worden uitgevoerd. Daarom kan niet geheel uitgesloten worden dat er op de locatie een verontreiniging aanwezig is als die bij dit onderzoek niet is aangetroffen. Adromi B.V. acht zich niet aansprakelijk voor eventueel hieruit voortvloeiende (financiële) schade.

Adromi B.V.

B202015/2001

Pagina 5 van 24

Verkennend bodemonderzoek en asbest in grond onderzoe Noordzijde 103-104 te Noordeloos

2.

Vooronderzoek

Voorafgaand aan het verkennend bodemonderzoek is een vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 nl (hierna ook: NEN 5725). Ten behoeve van het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: − −

− − − − − − − −

Informatie van de opdrachtgever; Informatie van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid betreffende reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op en in de nabije omgeving van de onderzoekslocatie, eventuele aanwezigheid van brandstoftank(s), ophooglagen, maar ook de bodemkwaliteitskaart en overige relevante informatie; Bodemloket (www.bodemloket.nl); Topografische kaart (www.topotijdreis.nl); Risicokaart (www.risicokaart.nl); Ruimtelijke plannen (www.ruimtelijkeplannen.nl); Luchtfoto’s (Google Earth); Grondwaterkaart van Nederland (www.dinoloket.nl); Archeologische waardenkaart en explosievenkaart; Kadaster.

De aanleiding voor het vooronderzoek is gebaseerd op aanleiding A uit de NEN 5725:2017 nl: − Het opstellen van een hypothese over de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. Op 12 november 2020 is door mevrouw L. Kruse ter plaatse van de onderzoekslocatie een terreinverkenning uitgevoerd. In de volgende paragrafen worden de resultaten van het vooronderzoek beschreven. Een foto-overzicht van de locatie is opgenomen in bijlage 6. 2.1. Locatiegegevens Volgens informatie van de opdrachtgever betreft het de locatie Noordzijde 103 en 104 te Noordeloos. De locatie is gelegen in kadastrale gemeente Noordeloos, sectie C, percelen 929 (1.844 m2) en 210 (1.400 m2). De te onderzoeken locatie is deels gelegen in de percelen 210 en 929 (huidige bestemming bedrijf) en heeft een oppervlakte van circa 1.200 m2 (aaneengesloten). Rondom de woonboerderijen is onderzoek niet benodigd, dit deel heeft reeds bestemming wonen. De kadastrale kaart van de locatie is weergegeven in bijlage 1. 2.1.1. Voormalig bodemgebruik De locatie is gelegen in poldergebied en is van oudsher agrarisch gebied. Het dorp Noordeloos is gelegen in de gemeente Molenlanden. Gemeente Molenlanden is in 2019 ontstaan uit een fusie van de gemeenten Molenwaard en Giessenlanden. Noordeloos is vernoemd naar een gelijknamig veenriviertje dat door het dorp loopt.

De historische kaarten zijn op de volgende pagina weergegeven met daarop rood omlijnd de onderzoekslocatie.

Adromi B.V.

B202015/2001

Pagina 6 van 24

Verkennend bodemonderzoek en asbest in grond onderzoe Noordzijde 103-104 te Noordeloos

Kaart 1815

kaart 1850

Kaart 1950

Kaart 1970

Kaart 2019 Er zijn voor zover bekend geen sloten en boven- of ondergrondse tanks op de locatie aanwezig (geweest). 2.1.2. Huidig bodemgebruik De te onderzoeken locatie betreft een loods, schuur en kantoor. Het noordelijke deel van de loods is rond 1995 aangebouwd. Er is voor zover bekend geen sprake van bodembedreigende activiteiten. De omgevingsrapportage van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid is opgevraagd, zie bijlage 7.

Adromi B.V.

B202015/2001

Pagina 7 van 24

Verkennend bodemonderzoek en asbest in grond onderzoe Noordzijde 103-104 te Noordeloos

2.1.3. Toekomstig bodemgebruik Op de locatie zullen het kantoor en alleen het zuidelijke deel van de loods worden gesloopt, maar de schuur zal worden behouden. 2.2. Bodemopbouw en geohydrologie De navolgende informatie is ontleend aan de website voor Data- en Informatie van de Nederlandse Ondergrond, genaamd het DINOloket (www.dinoloket.nl). Tabel 1: Regionale bodemopbouw en geohydrologie Diepte (m-NAP)

Geohydrologische samenstelling

-1,0 – -9

Deklaag

-9 – -20

1e watervoerend pakket

-20 – -39

Scheidende laag

-39 – -52

2e watervoerend pakket

Bodemkundige samenstelling Holocene afzettingen: afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand. Formatie van Kreftenheye: zandige klei en klei met weinig veen, fijn en midden zand en een spoor grof zand. Formatie van Sterksel: grof en midden zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei. Formatie van Waalre: zandige klei, klei en midden zand, met weinig veen, fijn en grof zand en een spoor grind.

Het freatisch grondwater bevindt zich op een diepte van circa 0,50 meter minus maaiveld. De stromingsrichting van het freatische grondwater is vermoedelijk zuidoostelijk gericht. De stromingsrichting van het eerste watervoerende pakket is regionaal oostelijk gericht. Voor het gebied waarbinnen de onderzoekslocatie ligt, is sprake van kwel. De onderzoekslocatie valt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. 2.3. Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit Tijdens de terreinverkenning zijn op de locatie geen aanvullende verdachte deellocaties waargenomen. Tevens zijn geen ophogingen, verzakkingen, brandplekken en/of asbestverdacht materiaal aangetroffen. 2.3.1. Bodemkwaliteitskaart Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid De bodemfunctieklasse is AW2000 en de boven- en ondergrond zijn gelegen in kwaliteitsklasse AW2000 (bron: Interactieve bodemkwaliteitskaart Zuid-Holland Zuid 2015 via www.ozhz.nl). 2.3.2. Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken Via de opdrachtgever is een eerder uitgevoerd bodemonderzoek aangeleverd. Het betreft het volgende onderzoek: - Verkennend bodemonderzoek ten behoeve van Noordzijde 103 te Noordeloos, Inpijn-Blokpoel, kenmerk MA-0603, d.d. 27 maart 1995. Het onderzoek is uitgevoerd voor de uitbreiding van de

Adromi B.V.

B202015/2001

Pagina 8 van 24

Verkennend bodemonderzoek en asbest in grond onderzoe Noordzijde 103-104 te Noordeloos

loods. De boven- en ondergrond is niet verontreinigd met zware metalen, PAK en minerale olie. Het gehalte EOX is in de toplaag iets verhoogd aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met zink, tolueen en xylenen. Er is geen belemmering voor de voorgenomen aanbouw ter plaatse van de loods. 2.3.3. Archeologie Gemeente Molenlanden Voor de gemeente Molenlanden is geen archeologische beleidskaart en/of waardenkaart aanwezig. 2.3.4. Explosieven Voor de onderzoekslocatie is geen kaart met niet-gesprongen conventionele explosieven beschikbaar. 2.4. Financieel / juridisch Op de locatie hebben voor zover bekend geen calamiteiten plaatsgevonden. De kadastrale gegevens zijn opgenomen in bijlage 1. 2.5. Conclusie en hypothese Het bodemonderzoek voor de gehele locatie zal worden gebaseerd op de NEN 5740+A1 waarbij de strategie verdacht (VED-HE-NL) zal worden gehanteerd op basis van het vooronderzoek, met name de resultaten van het eerder uitgevoerde bodemonderzoek in 1995 ter plaatse van de loods. In hoofdstuk 3 wordt de onderzoeksstrategie van het verkennend bodemonderzoek verder beschreven. Tegelijkertijd met het verkennend bodemonderzoek is een asbest-in-grondonderzoek uitgevoerd. In hoofdstuk 5 wordt dit onderzoek verder beschreven.

Adromi B.V.

B202015/2001

Pagina 9 van 24

Verkennend bodemonderzoek en asbest in grond onderzoe Noordzijde 103-104 te Noordeloos

3.

Onderzoeksstrategie

3.1. Onderzoeksopzet Voor de onderzoeklocatie zal de onderzoeksstrategie verdacht (VED-HE-NL) worden gehanteerd welke is gebaseerd op de NEN 5740+A1. In onderstaande tabel staan de te plaatsen boringen en uit te voeren chemische analyses weergegeven. Tabel 2. Onderzoeksstrategie verdacht (VED-HE-NL) Oppervlakte Veldwerkzaamheden boringen en locatie peilbuis tot 50 tot 200 boring met 1.000-1.500 m2 cm-mv cm-mv peilbuis onderzoekslocatie 7 1 1 (ca. 1.200 m2)

Chemische analyses grond (verdachte laag)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=85b38b32-b6ba-43ff-b13e-957b1f56dd98