CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 – Bijlagen bij de bestemmingsplantoelichting Langerak, Lekdijk 1

Raadsvergadering 28 september 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Lekdijk 1, Langerak24.171 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ree Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Vos Wezel Woelrat

Dwergspitsmuis Egel

Konijn Meerkikker

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.

Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft:

6

a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming en tabel 1). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: raaigras, knotwilg, laurier, gewoon speenkruid, klimop, esdoorn, haagbeuk, eik, wilde peen, braam, kleefkruid, els en sierappel. Tussen de verharding groeit enkel Engels raaigras en onbeschermde vaatplanten. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen.

De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. De planlocatie is een perceel met bebouwing, verharding en onverharde grond met diverse bomen, struiken en kruidachtige vaatplanten. Er groeien onder andere bramen, wat duidt op een stikstofrijke bodem. Dit is ongunstig voor de meeste beschermde planten soorten. De aanwezigheid van een voormalige mest opslag duidt ook op een sterk geëutrofieerde bodem. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bever, bruine rat, bunzing, damhert, egel, haas, hermelijn, konijn, mol, ree, vos en wezel (Broekhuizen et al., 2016; NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever en damhert.

Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals in moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en els (zoogdiervereniging, 2019).

7

Op de planlocatie zijn geen geschikte omstandigheden aanwezig voor het voorkomen van de bever, noch zal het deel uitmaken van een essentiële migratieroute of foerageergebied. Negatieve effecten van de geplande werkzaamheden kunnen voor de bever wel/niet worden uitgesloten. Het damhert komt vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen, minder vaak in uitgestrekte naaldbossen. De soort heeft een voorkeur voor oudere bossen met een dichte onderbegroeiing. Belangrijk is dat er voldoende gras is. Ook komt hij voor in randzones bij open plekken, graslanden en akkerranden en in parkachtige bosgebieden (Zoogdiervereniging damhert, 2019). De planlocatie betreft een perceel met bebouwing, verharding, bomen/struiken, en een deel tuin met gras. Het voorkeurshabitat van damherten is niet aanwezig op de planlocatie zelf. Eromheen liggen gebieden, zoals weilanden, waar damherten mogelijk voor zouden kunnen komen. Er is vrij veel verstoring op de planlocatie en het is voor een groot deel omheind. Het zal geen deel uitmaken van essentieel habitat voor damherten. Significante negatieve effecten worden derhalve niet verwacht. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen.

De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren worden niet verwacht. Vleermuizen In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF 2010-2020). Tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen (als keutels, talg aanslag of mottenvleugels van prooiresten) van vleermuizen aangetroffen. Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd.

Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten aangetroffen welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Boom bewonende vleermuizen als watervleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis worden derhalve niet verwacht. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden.

De te slopen bebouwing betreft een half open schuur met wanden en daken van golfplaten zonder binnenmuur en dakbeschot. Wegens het ontbreken van geïsoleerde muren met spouw of geïsoleerde dak ruimte is het voor vleermuizen onmogelijk om in deze schuur een geschikte rust- of verblijfplaats te vinden. De twee te renoveren gebouwen betreffen het achterhuis van de woning en de opslagschuur. Het achterhuis heeft een spouwmuur, welke is gevuld met isolatiemateriaal. De buitenkant van de muur is bedekt met potdeksels die goed aansluiten. Het dak is van riet en sluit nauw aan op de gevels. De opslagschuur heeft houten muren zonder spouw en met een bakstenen basis. Het heeft een zadeldak van golfplaten met dakbeschot. De potentie voor vleermuizen is in beide gebouwen naar verwachting nihil. Bij beide gebouwen wordt er bovendien aan de buitenkant niks gewijzigd; de werkzaamheden betreffen wijzigen aan de binnenkant van de gebouwen. Er zullen

8

derhalve naar verwachting geen negatieve effecten zijn op gebouw bewonende vleermuizen, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Er zijn ook geen geschikte plekken aangetroffen voor de gewone grootoorvleermuis, zoals loshangende houten balken op zolders of boomholten. Hoewel het niet aannemelijk is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling worden deze naar verwachting hooguit in geringe mate aangetast, doordat er wat bomen en struiken zullen verdwijnen en er wat meer verstoring zal zijn. Echter, er wordt ook groen bij geplant en de planlocatie behoudt een groen karakter. Daarnaast is er ook voldoende alternatief leefgebied in de omgeving. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen.

Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën In de omgeving is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2010-2020). Voor de heikikker, kamsalamander en rugstreeppad geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De planlocatie is deels verhard en er is geen geschikt oppervlaktewater aanwezig. De planlocatie zal naar verwachting geen essentiële betekenis hebben voor beschermde amfibieën. Er worden derhalve geen negatieve effecten verwacht op de soortgroep. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie.

Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen In de omgeving is de aanwezigheid bekend van beschermde reptielensoorten niet bekend (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2010-2020). Reptielen worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden In de omgeving is de aanwezigheid bekend van de rivierrombout (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. De rivierrombout komt in Nederland vooral voor langs grote rivieren. Larven komen onder andere voor op zandige substraten in ondiepe, onbegroeide, stromingsluwe riviertrajecten, zoals achter stromingsluwe delen van kribben.

Imago’s worden aangetroffen in ruigtevegetaties in de directe nabijheid van de rivier. De waarnemingen van de soort zijn vooral gedaan in de omgeving van rivier de Lek. De planlocatie ligt op enige afstand van de rivier Lek en bevat niet het

9

voorkeurshabitat van de soort. Het is derhalve niet van betekenis voor de soort. Negatieve effecten op de soort zijn derhalve uitgesloten Er is op de planlocatie geen sprake van specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden, zoals zure vennetjes. Negatieve effecten op de soortgroep worden niet verwacht. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: kraai, koolmees, stormmeeuw, winterkoning, nest van witte kwikstaart, nest van ooievaar, huismus (bij bebouwing Lekdijk 2 en 3) Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek is een nest aangetroffen van een ooievaar in een boom op/langs de grens van de planlocatie. De ooievaar is een categorie 3 soort onder de Vogelrichtlijnen. Categorie 3 soorten zijn zeer honkvaste broeders of afhankelijk van bebouwing (geen kolonie). Het ooievaarsnest blijft behouden in de beoogde ontwikkeling. Het broedseizoen van de ooievaar vindt plaats tussen april en medio augustus. Binnen het broedseizoen zijn ooievaars gevoeliger voor verstoring dan buiten het broedseizoen. Na het broedseizoen migreert het grootste gedeelte van de ooievaars in Nederland richting Afrika, hoewel een steeds groter gedeelte ook in Nederland kan overwinteren.

Om verstoring in het broedseizoen te minimaliseren dienen de werkzaamheden in de periode september - maart plaats te vinden. Ooievaars kunnen na verloop van tijd wennen aan verstoring.

Figuur 4

Het ooievaars nest naast de opslagschuur (B). Deze zal behouden blijven. Er dienen maatregelen genomen te worden om verstoring van het nest te voorkomen.

Verder zijn er geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Op de planlocatie is naar verwachting geen sprake van essentieel functioneel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen de planlocatie geen functioneel leefgebied aanwezig.

10

De huismus leeft in de directe omgeving van mensen en maakt in de regel nesten in of tegen allerlei menselijke bebouwing; onder dakpannen tegen het isolerende bakbeschot, in neststenen en in kieren en gaten in muren. Ook zijn nesten te vinden achter regenpijpen bij al dan niet met klimop begroeide muren en in nestkasten (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Direct naast de planlocatie zijn waarnemingen gedaan van huismussen in 2019. De bebouwing op de planlocatie zelf is niet geschikt als nestlocatie voor huismussen. De half open schuur heeft geen dakbeschot; het achterhuis heeft een rieten dak en de opslagschuur heeft een voor huismussen ontoegankelijk golfplaten dak met dakbeschot. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie wordt derhalve niet verwacht. De beoogde ontwikkeling leidt tot beperkte aantasting van groene delen. Het resulteert echter naar verwachting niet in afname van essentieel leefgebied voor huismussen, gezien het gebied een groen karakter behoud en er geschikt habitat in de directe omgeving is. Van aantasting van functioneel leefgebied en nestlocaties van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017).

De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. De bebouwing op de planlocatie heeft ook voor gierzwaluwen geen geschikte invliegopeningen en potentiële nestlocaties. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) Er zijn in 2017 twee waarnemingen gedaan van boerenzwaluw direct naast de planlocatie. Op de planlocatie zelf zijn geen waarnemingen gedaan van boerenzwaluw nesten. De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. In de te saneren half open schuur is een nest van een witte kwikstaart (algemene broedvogelsoort) aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Voor de witte kwikstaart is dit april tot augustus.

Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

11

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 400 m en 3,4 km liggen Natura 2000-gebieden ‘Uiterwaarden Lek’, ‘Zouweboezem’, respectievelijk (figuur 5). Op een afstand van circa 100 en 700 m liggen de twee dichtstbijzijnde gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 6). Op een afstand van circa 570 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied (figuur 7). Op een afstand van circa 15 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (figuur 5). Er zijn karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie in de vorm van knotwilgen.

400 m

Figuur 5

12

3,4 km

De planlocatie ligt op een afstand van 400 m en 3,4 km tot de dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden ‘Uiterwaarden Lek’, ‘Zouweboezem’, respectievelijk (bron: nationaal Georegister PDOK).

100 m 700 m

Figuur 6

De planlocatie ligt op een afstand van circa 100 en 700 m tot het Natuurnetwerk Nederland horen (bron: https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer).

570 m 15,3 km

Figuur 7

13

De planlocatie ligt op een afstand van circa 570 m tot een Belangrijk weidevogelgebied De planlocatie ligt op een afstand van circa 15,3 km tot het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (bron: : https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in kwetsbare habitats binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot kwetsbare habitats binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ingreep betreft de sanering van een half open schuur en de renovatie en transformatie van een opslagschuur en een achterhuis tot woonruimte, bed & breakfast en een theetuin accommodatie met terras. Dit zal ten opzichte van de huidige situatie leiden tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.

Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke toename in stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • • •

Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.

Gezien er sprake is van voldoende afstand (400 m) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied; er in de gebruiksfase geen sprake is van een toename in stikstofemissie, en het beperkte projecteffect, wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in kwetsbare habitats binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

Beoordeling (c) houtopstanden Er vinden mogelijk kapwerkzaamheden plaats, welke zullen vallen onder type b (zie Wet Natuurbescherming – houtopstanden). Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten hebben vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

14

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van een nest van de beschermde ooievaar. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur. Er zijn wel karakteristieke landschapselementen aanwezig in de vorm van knotwilgen. Indien deze worden verwijderd, geldt een herplantingsplicht. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

-

-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

400 m

geen

n.v.t.

100 m

geen

n.v.t.

570 m

geen

n.v.t.

Strategische reservering natuur

15,3 km

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

ja

mogelijk

n.v.t.

ja

mogelijk

n.v.t.

Struiken Bomen

-

-

-

-

-

n

n

n

n

n

Geschikt habitat Andere soort

Belangrijk weidevogelgebied

-

n

-

Natuurnetwerk Nederland

-

+

-

n

-

+

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

Natura 2000

-

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

Insecten en andere ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Ten aanzien van het ooievaarsnest dienen hiervoor maatregelen genomen te worden. Werkzaamheden dienen zoveel mogelijk buiten het broedseizoen plaats te vinden. Het broedseizoen van de ooievaar loopt globaal van april – medio augustus. Werkzaamheden die trilling veroorzaken mogen binnen het broedseizoen van de soort niet binnen 50 meter vanaf het nest uitgevoerd worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient tevens rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

15

Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van het ooievaarsnest, en enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Lekdijk 1 te Langerak uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Te treffen maatregelen • Zoveel mogelijk buiten het broedseizoen van de ooievaar werken. Het broedseizoen loopt globaal van april-medio augustus. Werkzaamheden die trilling veroorzaken mogen binnen het broedseizoen van de soort niet binnen 50 meter vanaf het nest uitgevoerd worden. • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodem bewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

• De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

16

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

17

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. M. Poelman Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

18

Bijlage 1 Fotografische impressie

19

Figuur 1

De onverharde oprit aan de zuidkant van het perceel.

Figuur 2

Verhard plein ten oosten van de opslagschuur.

20

Figuur 3

Ooievaarsnest ten zuidwesten van de opslagschuur.

Figuur 4

Zwembad

21

Figuur 5

Fruitbomen (sierappel)

Figuur 6

Voormalig mest opslag met rommel en houtstapel.

Figuur 7

De tuin aan de oostkant van het perceel.

Figuur 8 Rommelhoeken en houtstapels.

Figuur 9 weilanden ten zuiden van de planlocatie.

22

1 1.

INLEIDING EN DOELSTELLING In opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling en Beheer BV is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een deel van het perceel Lekdijk 1 te Langerak, kadastraal bekend gemeente Langerak, sectie E, nummer 474. Het doel van het onderzoek is vast te stellen of de grond en/of het grondwater ter plaatse van het onderzoeksterrein verontreinigingen bevatten welke een belemmering of beperking zouden kunnen vormen bij de voorgenomen herontwikkeling van het terrein. Het doel is om het zuidelijke deel van de boerderij, dat reeds gebruikt wordt voor bewoning, te renoveren en te verbouwen tot 2 wooneenheden en om de grote stal op de zuidwesthoek van het terrein te verbouwen tot gastenverblijf, hobbyruimte en theetuin. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de terreinsituatie van de onderzoekslocatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de uitgevoerde werkzaamheden. Hoofdstuk 4 geeft de resultaten van het onderzoek weer. In hoofdstuk 5 zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen. NB: Bakker Milieuadviezen heeft het bodemonderzoek uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 2000 conform de onderliggende protocollen 2001 en 2002. Middels ondertekening van onderhavig rapport wordt verklaard dat er geen sprake is van eigendom van het te onderzoeken onroerend goed en tevens dat het bodemonderzoek onpartijdig en onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd.

De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door O. Bakker.

2.

ACHTERGRONDINFORMATIE.

2.1

Terreinsituatie. De onderzoekslocatie ligt ten zuiden van de Lekdijk en ten westen van de Langesteinseweg. De plaats van de locatie ten opzichte van de omgeving is op bijlage 1 weergegeven. De oppervlakte van het onderzochte terreindeel bedraagt ca 3000 m2. Het oostelijke terreindeel behoort niet tot het herontwikkelingsterrein en blijft gehandhaafd als in de huidige staat als bosachtige tuin. Voor historische informatie zijn de opdrachtgever, TOPO-tijdreis, Bodemloket.nl, de initiatiefnemer (dhr. Rosman) en de website Omgeingsrapportage ZHZ geraadpleegd. Terreinbeschrijving. Op het te onderzoeken perceelsdeel staan een oude boerderij en een grote stal, die reeds lang niet meer als zodanig wordt gebruikt. Ten westen van de woonboerderij ligt een erf bestaande uit grind op puin. Ten westen en ten zuiden van de grote stal ligt grotendeels een betonvloer, die her en der wel scheuren vertoont. Ten westen van de grote stal ligt een enkele meters brede onverharde groenstrook met volwassen bomen. In de stal die in gebruik is voor de stalling van enkele oude auto's ligt een betonvloer. De eigenaar (dhr. Rosman) heeft aangegeven dat deze stal bijna geheel voorzien is van gierkelders. Hiermee was het dus niet mogelijk om inpandig te boren. Bij de terreininspectie zijn geen bodemverdachte kenmerken waargenomen (geen brandplekken, morsingen, verzakkingen, afvaldump of zwerfasbest).

Huidig gebruik. De boerderij wordt nu reeds in zijn geheel gebruikt voor woondoeleinden. Echter het is de bedoeling om het zuidelijke deel (2/3 van het geheel) geheel te renoveren en aan te passen voor 2 wooneenheden.

V.O. Lekdijk 1, Langerak

Bakker Milieuadviezen

2 Voormalig gebruik. Op TOPO-tijdreis is te zien dat er vroeger ten oosten van de stal sprake was van grasland. Er is op het terrein geen sprake geweest van een boomgaard of kassen. Om deze reden was de bovengrond niet verdacht op OCB. De stal is naar schatting tot de jaren '80 gebruikt als koeienstal. Calamiteiten. Geen gegevens van bekend. Ophogingen/dempingen/stort. Zoals vermeld ligt er op de oprit danwel het erf ten oosten van de woonboerderij een grind/puinlaag. Dit is geen gecertificeerd puin en om deze reden is deze laag in het onderzoek apart onderzocht op asbest Op basis van TOPO-tijdreis (niet heel duidelijk) ligt er mogelijk in het verlengde van de sloot op het zuidelijk aangrenzende perceel een gedempte sloot. Om deze reden zijn hiervoor 3 extra boringen verricht ter verificatie. Boven- en ondergrondse tanks. Op het te onderzoeken terreindeel en op aangrenzende terreinen is geen sprake geweest van boven- of ondergrondse olie-opslag. Omgeving. Ten zuiden en ten westen ligt grasland en zoals vermeld is en blijft het oostelijke deel van onderhavig perceel een parkachtige of bosachtige tuin. Bodemonderzoeken locatie en omgeving. Op het terrein is volgens de geraadpleegde bronnen niet eerder bodemonderzoek uitgevoerd. Op het westelijk aangrenzende perceel is volgens Bodemloket.nl wel eerder een bodemonderzoek bekend.

Hierbij zijn geen noemenswaardige verontreinigingen aangtroffen gezien de kleurcode paars (voldoende onderzocht, geen consequenties). Op 100 meter ten zuidoosten heeft Bakker Milieu in april 2019 aan de Langesteinseweg een bodemonderzoek verricht, waarbij de bodem geschikt bleek voor de bouw van een woning. Hypothese. Op grond van de verkregen informatie is voor dit onderzoek de strategie uit paragraaf 5.6 (VED-HE) van de NEN 5740 aangehouden. Bij deze strategie wordt de bovengrond in een mengmonster extra onderzocht t.o.v. een onverdachte locatie. Tevens mogen mengmonsters van de bovengrond uit maximaal 4 deelmonsters worden samengesteld. Zoals vermeld zijn er drie boringen verricht om te bepalen of er al dan niet een gedempte sloot ligt op circa 10 meter ten oosten van de stal.

V.O. Lekdijk 1, Langerak

Bakker Milieuadviezen

3 Aandachtspunt PFAS. Onderhavige locatie is niet echt verdacht op de aanwezigheid van significant bovengemiddelde PFASgehalten. Zekerheidshalve is wel een analyse op PFAS uitgevoerd. 2.2

Bodemopbouw en geohydrologische situatie. Informatie over de bovenste 1.20 meter van de ongeroerde bodem ter plaatse is verkregen via de geologische kaart van Nederland. Het bodemtype valt onder de zogenoemde Westlandformatie, welke hier wordt gekarakteriseerd door overwegend kleiige bodemsoorten op een kleiige maar ook zandige ondergrond. De grondwaterstromingsrichting wordt hier met name bepaald door de drainerende maar ook stuwende werking van aangrenzende sloten en De Lek aan de noordzijde van de Lekdijk. Hiermee is de stromingrichting niet eenduidig.

3.

ONDERZOEKSOPZET.

3.1

Algemeen. Het onderzoek is opgezet volgens de NEN 5740+A1, paragraaf 5.1 en 5.6, "Onderzoeksstrategie voor verkennend onderzoek" (Nederlands Normalisatie-Instituut, april 2016). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de BRL SIKB 2000 en de onderliggende protocollen 2001 en 2002.

3.2

Veldwerkzaamheden. Op 21 januari 2020 zijn op de onderzoekslocatie de veldwerkzaamheden verricht. Voor het boren is een Edelmanboor gebruikt. De locaties van de boringen en de peilbuis zijn weergegeven in bijlage 2. Er zijn 17 boringen verricht. Boring 1 is uitgevoerd tot 3 m-mv en is voorzien van een peilbuis. De boringen 2, 6, 12, 15, 16 en 17 zijn 1.5 a 2 m diep uitgevoerd. De overige boringen zijn uitgevoerd tot 0.5 a 0.8 mmv. De uitkomende grond is zintuiglijk onderzocht op de aanwezigheid van eventuele verontreinigingen en beschreven. De beschrijvingen van de boorprofielen zijn opgenomen in bijlage 3.

3.3

Laboratoriumonderzoek De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters zijn uitgevoerd in het geaccrediteerde laboratorium AL-west. Grond. Van de grondmonsters zijn 5 mengmonsters samengesteld. De samenstelling ervan, het betreffende terreindeel en de bijbehorende resultaten staan beschreven in paragraaf 4.2. Deze 5 mengmonsters zijn geanalyseerd op het standaard analysepakket (NEN 5740) voor grondmonsters. Dit pakket omvat de volgende parameters: Zware metalen: Barium, Cobalt, Molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel en zink. De meeste metalen komen van nature reeds in lage concentraties in de bodem voor en worden daarbij niet aangemerkt als een verontreiniging. Verontreinigingen met zware metalen kunnen onder andere worden aangetroffen op terreinen van bedrijven waar met metaaloplossingen (bijv. galvanische bedrijven) en metaalpigmenten (keramische industrie) wordt gewerkt en voorts op

V.O. Lekdijk 1, Langerak

Bakker Milieuadviezen

4

-

-

stookplaatsen, in sintelverhardingen en in combinatie met puin in de bodem. In stedelijke gebieden blijkt vaak sprake van een diffuse (niet zeer sterke maar over een groot gebied verspreide) verontreiniging met zware metalen, voornamelijk lood en in mindere mate koper en zink; Polychloorbifenylen (PCB). Minerale olie. Minerale olie is een verzamelnaam voor de verschillende soorten aardolieprodukten zoals benzine, gasolie en petroleum. Minerale olie kan als verontreiniging worden aangetroffen bij tankstations, ondergrondse opslagtanks e.d.; Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Polycyclische aromatische koolwaterstoffen is een verzamelnaam voor teerachtige produkten welke bestaan uit twee of meer aromatische ringen. Verontreinigingen met polycyclische aromaten kunnen worden aangetroffen op voormalige gasfabrieksterreinen, bij asfaltmolens, op stookplaatsen, in combinatie met verontreinigingen met aardolieprodukten en bij aanwezigheid van kooldeeltjes, sintels en asfalt in de grond. Diffuse verontreinigingen met polycyclische aromaten tengevolge van depositie vanuit de lucht komen eveneens voor. Voor onderzoek naar bodemverontreiniging met polycyclische aromaten worden bepaalde stoffen geanalyseerd. De zogenaamd VROM-reeks welke is opgenomen in het toetsingskader uit de Leidraad Bodembescherming omvat 10 stoffen (10 PAK van VROM).

Grondwater. Het grondwater is geanalyseerd op het standaardpakket voor grondwater. Dit pakket bestaat uit de volgende parameters: benzeen, tolueen, ethylbenzeen,xyleen, naftaleen en styreen; vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (13); cobalt, barium, molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel, zink; minerale olie; tribroommethaan en dichloorpropanen(1,1-1,2-1,3).

V.O. Lekdijk 1, Langerak

Bakker Milieuadviezen

5 4.

ONDERZOEKSRESULTATEN

4.1

Bodemopbouw en veldwaarnemingen. Uit de boorbeschrijvingen (bijlage 3) blijkt dat de bovengrond algemeen bestaat uit matig humeuze zwakzandige klei. De bodem bevat geen noemenswaadige bijmengingen. In de ondergrond van boring 1 wordt tot 2.2 m-mv klei aangetroffen en vervolgens grijs matig fijn zand tot 3.1 m-mv. Bij de boringen 15 t/m 17 ter verificatie van al dan niet een slootdemping zijn geen duidelijke kenmerken waargenomen van een demping Bij de boringen ten oosten van de boerderij is een grind/puinlaag van 20 a 25 cm aangetroffen. Deze laag is apart onderzocht op asbest. Hiervoor is het erkende bedrijf Adcim BV ingeschakeld. De veldwerkrapportage van Adcim is opgenomen als bijlage 6 van onderhavig rapport. Op de datum van grondwatermonstername werd grondwater op 1.60 m-mv aangetroffen. De overige veldwaarnemingen staan in bijlage 3.

4.2

Analyseresultaten De analyserapporten zijn opgenomen als bijlage 4. Voor de beoordeling van de analyseresultaten wordt gebruik gemaakt van onderstaande normen: Achtergrondwaarde AW 2000 (streefwaarden voor water). Deze waarde geeft het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Dit komt overeen met het niveau waarbij de functionele eigenschappen, die de bodem voor mens, dier en plant heeft, zijn veiliggesteld. Interventiewaarde: Deze waarde geeft het verontreinigingsniveau aan waarboven sprake kan zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierbij is sprake van een zodanige bodemverontreiniging, dat de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant kunnen verminderen. De interventiewaarden zijn gebaseerd op een uitgebreide studie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), naar zowel de humaan- als ecotoxicologische effecten van bodemverontreinigende stoffen. Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging indien in meer dan 25 m3 grond of in meer dan 100 m3 grondwater sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde door een of meer parameters. Tussenwaarde: Voor de waarde voor nader onderzoek, de tussenwaarde genaamd, wordt het gemiddelde van de AW 2000 en de interventiewaarde gehanteerd.

De genoemde waarden zijn voor een aantal stoffen afhankelijk gesteld van de percentages lutum en organische stof van de grond. De berekening van deze waarden is opgenomen in bijlage 5. In het hierna volgende overzicht staan per geanalyseerd monster de overschrijdingen van de toetsingswaarden als volgt weergegeven:

V.O. Lekdijk 1, Langerak

Bakker Milieuadviezen

6 > AW >T >I

overschrijding achtergrondwaarde AW 2000 (lichte verontreiniging); overschrijding tussenwaarde (matige verontreiniging); overschrijding interventiewaarde (ernstige verontreiniging).

Grond. Mengmonster

Bodemlaag

Gehalte > AW

Gehalte > T

Gehalte > I

1+2+9+10

bovengrond ten oosten van grote stal

-

-

-

4 t/m 7

bovengrond ten westen van stal

-

-

-

11+13+14

bovengrond (deels onder puinlaag erf)

PAK

-

-

1.3+6.2+6.3+12.3

ondergrond klei 0.5-1.5 m-mv

-

-

-

16.4+17.4

Kleiige ondergrond mogelijke slootdemping

PAK

-

-

Grondwater peilbuis 1 In het grondwater is onderstaande overschrijding aangetroffen. Parameter

Barium

Gehalte in ug/l 240

*

streefwaarde

Tussenwaarde

50

340

Interventiewaarde

625

Resultaten onderzoek PFAS De resultaten van de twee meest relevante stoffen uit de lijst van 28 PFAS-stoffen zijn: PFOA 0.79 ug/kgds PFOS 0.39 ug/kgds Overige PFAS-stoffen maximaal 0.2 ug/kgds.

V.O. Lekdijk 1, Langerak

Bakker Milieuadviezen

7 4.3 Asbestonderzoek (uitgevoerd door Adcim BV). Naar aanleiding van de aangetroffen grind/puinlaag op het erf naast de boerderij is aan een daartoe bevoegd onderzoeksbureau opdracht gegeven om een asbestonderzoek uit te voeren. Hierover het volgende: NB: Voor de onder de erkenning BRL SIKB 2018 (onderzoek asbest in bodem) vallende werkzaamheden is de firma Adcim BV ingeschakeld. Dit bedrijf beschikt over de erkenning voor het protocol 2018. De betreffende monsternemer (dhr. M. Visser) is geregistreerd bij Bodemplus. De laboratoriumanalyses zijn uitbesteed aan het daarvoor erkende laboratorium AL-West. Voor de rapportage inclusief toetsing geldt geen erkenningsplicht. Deze werkzaamheden zijn verricht door O. Bakker van Bakker Milieuadviezen. Hieronder volgt een kort verslag. Voor uitgebreide informatie wordt verwezen naar bijlage 6, waarin de veldwerkformulieren van Adcim zijn opgenomen. Uitgevoerde werkzaamheden. Op 31 januari 2020 zijn de veldwerkzaamheden uitgevoerd. Op basis van de oppervlakte van het terreindeel met de grind/puinverharding (< 500 m2), zijn 3 inspectiegaten gegraven. Bij de inspectie op asbest is het bemonsterde materiaal uitgespreid op folie met een hark. Vervolgens is gekeken naar de aanwezigheid van visueel waarneembare asbestverdachte materialen. Deze zijn niet aangetroffen. Laboratoriumanalyses.

Een verzamelmonster van uitgegraven monstermateriaal is ter analyse naar AL-West verzonden. Het verzamelmonster bestond uit monstermateriaal dat gezeefd is over 20 mm. In het verzamelmonster is een asbestgehalte van 8.4 mg/kgds aangetroffen. Dit gehalte ligt ruim onder de Interventiewaarde van 100 mg/kgds.

V.O. Lekdijk 1, Langerak

Bakker Milieuadviezen

8 5.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN.

Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: -

De bovengrond ten oosten van de grote stal was tamelijk ongeroerd en bevatte geen noemenswaardige bijmengingen. Deze grond blijkt geheel schoon voor alle parameters uit het NEN-5740-pakket; Deze grond is extra onderzocht op PFAS en gesteld kan worden dat deze stoffen in tamelijk lage gehalten zijn aangetroffen (PFOA 0.79 en PFOS 0.39 ug/kgds).

-

De bovengrond ten westen van de grote stal was ongeroerd en blijkt geheel schoon voor alle parameters uit het NEN-5740-pakket;

-

De bovengrond onder de grind/puinlaag ter plaatse van het erf ten oosten van de boerderij bevat alleen een lichte verhoging aan PAK;

-

De ongeroerde matig humeuze kleiige ondergrond is geheel schoon voor alle parameters uit het NEN-5740pakket;

-

Ter verificatie of er al dan niet een gedempte sloot ligt in het verlengde van de sloot op het zuidelijke aangrenzende perceel, zijn 3 extra boringen verricht. Hierbij zijn geen duidelijke of verdachte dempingskenmerken waargenomen. Desondanks is een mengmonster van de ondergrond uit de boringen 16 en 17 onderzocht en deze grond bevat alleen een licht verhoogd PAK-gehalte;

-

In het grondwater is alleen barium in een gehalte boven de streefwaarde aangetroffen. Dit is een gangbare, niet relevante overschrijding.

-

De grind/puinlaag op het erf naast de boerderij bevat een asbestgehalte van 8.4 mg/kgds (alleen chrystotiel/witte asbest). Dit gehalte ligt onder de interventiewaarde van 100 mg/kgds en heeft geen consequenties.

Op grond van de verkregen analyseresultaten kan gesteld worden dat de bodemkwaliteit geen enkele belemmering vormt voor de herontwikkeling van het onderzochte terreindeel voor recreatieve doeleinden en voor woonbestemming.

V.O. Lekdijk 1, Langerak

Bakker Milieuadviezen

Uittreksel Kadastrale Kaart

L

Uw referentie: lekdijk1

jk di k e 301 786

814

6

1a

14

t ei n ges

1

Lan

813

boerderij

2

eg sew

tuin

13 11

810

7

12 15

474

sleufsilo

beton et 6 stal m 8 gierstal te verbouwen tot 1 s r lde e b&b + theetuin k 5

10

4 beton 3

Bijlage 2: situatietekening V.O. Lekdijk 1, Langerak 1 : 1000

Bakker Milieuadviezen BM 2608-2020 Get. A.F. Bakker

N

bostuin

9

16

809

Boring 0.5-0.8 m-mv Boring 1.5-2.0 m-mv Peilbuis

787

mogelijk gedempte sloot

812

2

17

300

grasland

Bijlage 3

Boorstaten

Boring:

1

Boring:

GWS: Opmerking:

170 pH 7,3 Ec 80 mS/m 32 NTU

GWS: Opmerking:

0 -10

0 1

beton Klei, zwak zandig, matig humeus, donkerbruin

50

2

0 -10

0 2 50

-60

beton Klei, zwak zandig, matig humeus, roodbruin

1,2 -100

100

Klei, zwak siltig, blauwgrijs

1,3 150 1,4 200 -220

Zand, matig fijn, zwak siltig, blauwgrijs

250

300 -320

Boring:

3

Boring:

GWS: Opmerking:

4

GWS: Opmerking:

0 -12 -25

0 3

50

-70

beton Zand, matig grof, zwak siltig, lichtbruin

0

0

Klei, zwak zandig, matig humeus, donkerbruin

4 -50

50

Klei, zwak zandig, matig humeus, donkerbruin

Boring:

5

Boring:

GWS: Opmerking:

GWS: Opmerking:

0

0

Klei, zwak zandig, matig humeus, donkerbruin

5 50

6

-50

0

0

Klei, zwak zandig, matig humeus, donkerbruin

6 50 6,2 -100

100

Klei, zwak siltig, matig humeus, roodbruin

6,3 150

Projectcode: 2608_

Lekdijk 1 Langerak

-150

Bijlage 3

Boorstaten

Boring:

7

Boring:

GWS: Opmerking:

GWS: Opmerking:

0

0

Klei, zwak siltig, matig humeus, donkerbruin

7 -50

50

Boring:

9

Boring:

tegel Zand, matig grof, zwak siltig, lichtbruin

8 -60

Klei, zwak siltig, matig humeus, donkerbruin

10

GWS: Opmerking:

0

0

Klei, zwak zandig, matig humeus, donkerbruin

9 -50

50

0

0

11

Klei, zwak zandig, matig humeus, donkerbruin

10 -50

50

Boring:

GWS: Opmerking:

12

GWS: Opmerking:

0

50

0 -6 -15

0

50

GWS: Opmerking:

Boring:

8

0 -8

klinker

-25

Zand, matig grof, zwak siltig, grijs

11 -70

Klei, zwak siltig, matig humeus, blauwgrijs

0

0

Klei, zwak zandig, matig humeus, donkerbruin

12 50 12,2 100 -120

150

Klei, matig zandig, zwak humeus, grijsbruin

12,3 -180

Projectcode: 2608_

Lekdijk 1 Langerak

Bijlage 3

Boorstaten

Boring:

13

Boring:

GWS: Opmerking:

GWS: Opmerking:

0 -15 -25

0

grind puin

13

50

-70

Boring:

Klei, zwak siltig, matig humeus, zwak koolhoudend, grijsbruin

15

puin

14

50

grind

-70

Klei, zwak siltig, matig humeus, zwak koolhoudend, grijsbruin

16

GWS: Opmerking:

0 -10

0 15

beton Klei, matig zandig, matig humeus, donkerbruin

50

0

0 -10

50

-60

15,2 Klei, zwak siltig, matig humeus, zwak puinhoudend, blauwgrijs

15,3 -150

150

Zand, matig fijn, zwak siltig, oranjegeel

15,4 -200

200

GWS: Opmerking:

0

50 -100

100

Klei, matig zandig, sterk humeus, donkerbruin

17,3 150 17,4 -200

Projectcode: 2608_

Klei, zwak siltig, matig humeus, blauwgrijs

100 16,3 150

Lekdijk 1 Langerak

-160

16,4 200

17

0

Klei, zwak siltig, matig humeus, donkerbruin 16,2

-100

100

200

0 -15 -25

0

Boring:

GWS: Opmerking:

Boring:

14

-190

Klei, zwak siltig, matig humeus, donkergrijs

-210

Zand, matig fijn, kleiïg, blauwgrijs

Bijlage 4 Analyserapporten

AL-West B.V. - AL-West B.V. Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108

Toetsingsinstellingen Versie Toetsingsmethode

2.0.0 Beoordeling kwaliteit van grond volgens Wbb [T.12]

De toetsing is uitgevoerd volgens de vigerende wetgeving waarbij gebruik gemaakt is van de BOTOVA webservice (zie https://www.BOTOVA-service.nl/) Opdracht Opdrachtnummer Laboratorium Matrix Project Datum binnenkomst Rapportagedatum CRM

914869 AL-West B.V. Vaste stoffen 2608 Lekdijk 1 Langerak 22.01.2020 29.01.2020 Dhr. Henk Berenpas

AL-West B.V. - AL-West B.V. Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108

Monster Analysenummer Monsteromschrijving Datum monstername Monstersoort Versie

584027 MIX: 1+ 2+ 9+ 10 22.01.2020 Bodem / Eluaat 1

Gehanteerde waarden voor dit monster Humus (%) Lutum (%)

6,1 13

Resultaat voor dit monster Toetsingsresultaat

Parameter IJzer (Fe2O3) Fractie < 2 µm Cadmium (Cd) Kwik (Hg) Barium (Ba) Kobalt (Co) Zink (Zn) Nikkel (Ni) Molybdeen (Mo) Lood (Pb) Koper (Cu) Indeno-(1,2,3c,d)pyreen Chryseen Fenanthreen Benzo(a)anthraceen Benzo(k)fluorantheen Benzo(ghi)peryleen Anthraceen Benzo-(a)-Pyreen Fluorantheen Naftaleen Koolwaterstoffractie C10-C40 Koolwaterstoffractie C10-C12 Koolwaterstoffractie C12-C16 Koolwaterstoffractie C16-C20 Koolwaterstoffractie C20-C24 Koolwaterstoffractie C24-C28 Koolwaterstoffractie C28-C32 Koolwaterstoffractie C32-C36 Koolwaterstoffractie C36-C40 PCB 28 PCB 52 PCB 101 PCB 118 PCB 138 PCB 153 PCB 180 Perfluorbutaanzuur (PFBA) Perfluorpentaanzuur (PFPeA) Perfluorhexaanzuur (PFHxA) Perfluorheptaanzuur (PFHpA) Perfluornonaanzuur (PFNA)

Gemeten waarde Gemeten waarde

Voldoet aan Achtergrondwaarde

Resultaat

Eenheid

Resultaat BOTOVA(G_standaard) eenheid 3,5 % 13 % 0,33 mg/kg 0,13 mg/kg 131 mg/kg 12,3 mg/kg 108 mg/kg 27,4 mg/kg 1,05 mg/kg 36,9 mg/kg 25,9 mg/kg 0,15 mg/kg

Toetsing

IRW

<5 13 0,26 0,11 80 7,7 76 18 < 1,5 30 19 0,15

% Ds % Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds

0,13 0,19 0,14 0,08 0,095 < 0,05 0,14 0,28 < 0,05 < 35

mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds

0,13 0,19 0,14 0,08 0,095 0,035 0,14 0,28 0,035 40,2

mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg

<3

mg/kg Ds

3,44

mg/kg

N

<3

mg/kg Ds

3,44

mg/kg

N

<4

mg/kg Ds

4,59

mg/kg

N

<5

mg/kg Ds

5,74

mg/kg

N

<5

mg/kg Ds

5,74

mg/kg

N

<5

mg/kg Ds

5,74

mg/kg

N

<5

mg/kg Ds

5,74

mg/kg

N

<5

mg/kg Ds

5,74

mg/kg

N

< 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,1

mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds µg/kg Ds

1,15 1,15 1,15 1,15 1,15 1,15 1,15 0,07

ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg

N N N N N N N N

< 0,1

µg/kg Ds

0,07

ug/kg

N

0,2

µg/kg Ds

0,2

ug/kg

N

0,1

µg/kg Ds

0,1

ug/kg

N

0,2

µg/kg Ds

0,2

ug/kg

N

<= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde

<= Achtergrondwaarde

N N N N N N N N N N N N N N N N N N N N N N

AW

I

T-index

Toets oordeel

0,6 0,15

13 36

-1 -1

<= AW <= AW

15 140 35 1,5 50 40

190 720 100 190 530 190

-1 -1 -1 -1 -1 -1

<= AW <= AW <= AW <= AW <= AW <= AW

190

5000

-1

<= AW

AL-West B.V. - AL-West B.V. Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108

Perfluordecaanzuur 0,1 µg/kg Ds (PFDA) Perfluorundecaanzuur 0,1 µg/kg Ds (PFUnDA) Perfluordodecaanzuur < 0,1 µg/kg Ds (PFDoA) Perfluortridecaanzuur < 0,1 µg/kg Ds (PFTrDA) Perfluortetradecaanzuur < 0,1 µg/kg Ds (PFTeDA) Perfluorhexadecaanzuur < 0,1 µg/kg Ds (PFHxDA) Perfluoroctadecaanzuur < 0,1 µg/kg Ds (PFODA) Perfluorbutaansulfonzuur < 0,1 µg/kg Ds (PFBs) Perfluorpentaansulfonzuur < 0,1 µg/kg Ds (PFPeS) Perfluorhexaansulfonzuur < 0,1 µg/kg Ds (PFHxS) Perfluorheptaansulfonzuur < 0,1 µg/kg Ds (PFHpS) Perfluordecaansulfonzuur < 0,1 µg/kg Ds (PFDS) 1H,1H,2H,2H< 0,1 µg/kg Ds perfluorhexaansulfonzuur (4:2 FTS) 1H,1H,2H,2H< 0,1 µg/kg Ds Perfluoroctaansulfonzuur (6:2 FTS) 1H,1H,2H,2H< 0,1 µg/kg Ds Perfluordecaansulfonzuur (8:2 FTS) 1H,1H,2H,2H< 0,1 µg/kg Ds Perfluordodecaansulfonzuur (10:2 FTS) Perfluoroctaansulfonamide < 0,1 µg/kg Ds (PFOSA) N< 0,1 µg/kg Ds Methylperfluoroctaansulfonamide (N-MeFOSA) N< 0,1 µg/kg Ds Methylperfluoroctaansulfonamideazijnzuur (N-MeFOSAA) N< 0,1 µg/kg Ds Ethylperfluoroctaansulfonamideazijnzuur (N-EtFOSAA) 8:2 < 0,1 µg/kg Ds Polyfluoralkylfosfaat diester (8:2 diPAP) Perfluoroctaanzuur 0,72 µg/kg Ds lineair (PFOA) Perfluoroctaanzuur < 0,1 µg/kg Ds vertakt (PFOA) Som 0,79 µg/kg Ds Perfluoroctaanzuur (PFOA) (factor 0,7) Perfluoroctaansulfonzuur 0,32 µg/kg Ds lineair (PFOS) Perfluoroctaansulfonzuur < 0,1 µg/kg Ds vertakt (PFOS) Som 0,39 µg/kg Ds

Perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) 0,7F som 7 polychloorbifenylen PCB28, 52, 101, 118, 138, 153, 180 som 10 polyaromatische koolwaterstoffen (VROM)

0,1

ug/kg

N

0,1

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,72

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,79

ug/kg

N

0,32

ug/kg

N

0,07

ug/kg

N

0,39

ug/kg

N

8,03

ug/kg

<= Achtergrondwaarde

N

20

1000

-1

<= AW

1,27

mg/kg

<= Achtergrondwaarde

N

1,5

40

-1

<= AW

AL-West B.V. - AL-West B.V. Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108

Monster Analysenummer Monsteromschrijving Datum monstername Monstersoort Versie

584028 MIX: 4+ 5+ 6+ 7 22.01.2020 Bodem / Eluaat 1

Gehanteerde waarden voor dit monster Humus (%) Lutum (%)

10,7 18

Resultaat voor dit monster Toetsingsresultaat

Parameter IJzer (Fe2O3) Fractie < 2 µm Cadmium (Cd) Kwik (Hg) Barium (Ba) Kobalt (Co) Zink (Zn) Nikkel (Ni) Molybdeen (Mo) Lood (Pb) Koper (Cu) Indeno-(1,2,3c,d)pyreen Chryseen Fenanthreen Benzo(a)anthraceen Benzo(k)fluorantheen Benzo(ghi)peryleen Anthraceen Benzo-(a)-Pyreen Fluorantheen Naftaleen Koolwaterstoffractie C10-C40 Koolwaterstoffractie C10-C12 Koolwaterstoffractie C12-C16 Koolwaterstoffractie C16-C20 Koolwaterstoffractie C20-C24 Koolwaterstoffractie C24-C28 Koolwaterstoffractie C28-C32 Koolwaterstoffractie C32-C36 Koolwaterstoffractie C36-C40 PCB 28 PCB 52 PCB 101 PCB 118 PCB 138 PCB 153 PCB 180 som 7 polychloorbifenylen PCB28, 52, 101, 118, 138, 153, 180 som 10 polyaromatische koolwaterstoffen (VROM)

Gemeten waarde Gemeten waarde

Voldoet aan Achtergrondwaarde

Resultaat

Eenheid

Resultaat BOTOVA(G_standaard) eenheid 3,5 % 18 % 0,43 mg/kg 0,097 mg/kg 129 mg/kg 11 mg/kg 128 mg/kg 30 mg/kg 1,05 mg/kg 46,4 mg/kg 33,5 mg/kg 0,1 mg/kg

Toetsing

IRW

<5 18 0,41 0,09 100 8,6 110 24 < 1,5 43 30 0,11

% Ds % Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds

0,17 0,11 0,1 < 0,05 0,087 < 0,05 < 0,05 0,5 < 0,05 77

mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds

0,16 0,1 0,093 0,033 0,081 0,033 0,033 0,47 0,033 72

mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg

<3

mg/kg Ds

1,96

mg/kg

N

<3

mg/kg Ds

1,96

mg/kg

N

<4

mg/kg Ds

2,62

mg/kg

N

10

mg/kg Ds

9,35

mg/kg

N

24

mg/kg Ds

22,4

mg/kg

N

17

mg/kg Ds

15,9

mg/kg

N

17

mg/kg Ds

15,9

mg/kg

N

<5

mg/kg Ds

3,27

mg/kg

N

< 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001

mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds

0,65 0,65 0,65 0,65 0,65 0,65 0,65 4,58

ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg

1,14

mg/kg

<= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde

N N N N N N N N N N N N

AW

I

T-index

Toets oordeel

0,6 0,15

13 36

-1 -1

<= AW <= AW

15 140 35 1,5 50 40

190 720 100 190 530 190

-1 -1 -1 -1 -1 -1

<= AW <= AW <= AW <= AW <= AW <= AW

190

5000

-1

<= AW

<= Achtergrondwaarde

N N N N N N N N

20

1000

-1

<= AW

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=7bf5ee31-85ad-42f8-bd0b-c5519eb6b8c5