Bijlage 3 Toelichting bij bestemmingsplan Hoornaar Dorpsweg 64
Tekst van het document
28
5.2 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.
Tabel 1: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan betreft de nieuwbouw van twee vrijstaande woningen. De volledige bestemming ‘Bedrijf – Paardenhouderij’ wordt wegbestemd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is gekeken naar de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende functies als gevolg van de nieuwbouw van de woningen. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Tabel 2: Omliggende bedrijven Adres Functie Lutjeswaardsemiddenweg 2
Natuurbad (openlucht zwembad)
Richtafstand conform VNG 200 meter
Werkelijke afstand 315 meter
De zwemplas is gelegen op circa 120 meter van de geplande woningen. De ligweide/strand, het feitelijke (geluidsproducerende) recreatiegebied is gelegen aan de zuidoostkant van de plas. Het geluid wordt geproduceerd door de bezoekers/recreanten. De ligweide/strand is gelegen op > 300 meter van het plangebied. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde richtafstand. Bovendien kan gesteld worden dat het natuurbad/zwemplas kleinschaliger van aard is dan een buitenzwembad zoals bedoeld in het VNG-Handboek.
29
Natuurbad (zwembad): 315 meter
Afbeelding 17: Omliggende bedrijven/milieubelastende activiteiten
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Op basis hiervan kan worden gesteld dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de betreffende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. De omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) heeft het hoofdstuk ‘Bedrijven en milieuzonering’ beoordeeld en akkoord bevonden. Met betrekking tot het natuurbad geeft de OZHZ de volgende toelichting: Het natuurbad/zwemplas De Donk is op een afstand van 120 m vanaf de nieuwe woningen gelegen. Deze afstand is kleiner dan de richtafstand van 200 m voor een buitenzwembad. Echter, de geluidshinder van een buitenzwembad wordt met name veroorzaakt door de recreanten op de ligwei en in dit geval het open water dat grenst aan deze ligwei. De ligwei ligt op grotere afstand dan 200 m vanaf de nieuwe woningen, waardoor geen noemenswaardige hinder behoeft te worden verwacht.
Daarnaast zijn de nieuwe woningen niet of nauwelijks dichter bij deze waterplas/ligwei gelegen dan de bestaande woningen waardoor deze nieuwe woningen de bedrijfsvoering van het natuurbad niet extra zullen belemmeren Ook zal het natuurbad maar een beperkte tijd in het jaar gebruikt worden.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
30
5.3 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) en door Linge Milieu B.V. een asbestbodemonderzoek (NEN 5707) uitgevoerd. Verkennend bodemonderzoek De conclusies uit het verkennend bodemonderzoek luiden: • ‘Zintuiglijk zijn in de toplaag (en in de ondergrond) van de bodem ter plaatse geen bijmengingen aangetroffen. Ter plaatse van de gemepte slootjes (die er overigens slechts 5 a 10 jaar hebben gelegen) is de bodem zoals verwacht geroerd, maar zintuiglijk ook onverdacht. Er was geen aanleiding voor de uitvoering van onderzoek naar asbest.
Omdat het perceel pas in 1997 gebouwd is, is het feitelijk al uitgesloten dat er asbest in het pand verwerkt is. Voorheen was er ter plaatse niets anders dan een agrarisch gebruik; • De bovengrond is in 3 mengmonsters onderzocht (2 zavelige mengmonsters en 1 kleiig mengmonster en deze 3 mengmonsters waren volledig schoon van de parameters uit het NEN 5740-pakket; • De kleiige ondergrond is geheel schoon voor de parameters uit het NEN 5740-pakket; • In de kleiig venige ondergrond is alleen molybdeen in minimale mate boven de AW 2000 aangetroffen; • In de slootdempingsgrond is PAK licht verhoogd aangetroffen. Dit heeft geen consequenties; • De bovengrond en ondergrond op de locatie waar enkele jaren een bovengrondse olietank in een lekbak onder een overkapping stond waren zintuiglijk geheel schoon voor olie. Analytisch is dit bevestigd in de bovengrond. Het grondwater uit de nabij geplaatste peilbuis 1 was ook schoon voor minerale olie. • In het grondwater overschrijden de gehalten aan barium, molybdeen en naftaleen de streefwaarden. Voor barium is dit een gangbare, niet relevante overschrijding. De verwaarloosbare overschrijding voor naftaleen wordt beschouwd als een laboratoriumonnauwkeurigheid. Aanbevelingen Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen enkele belemmering of beperking voor de voorgenomen bouw van twee woningen na sloop van de manege.
NB: de bovengrond onder de manege is niet onderzocht vanwege de aanwezige dikke betonvloer en de daarop aanwezige strooisellaag. Gezien bovenbeschreven resultaten (nagenoeg schone grond) is er geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de bodem onder het pand een significant andere of mindere kwaliteit heeft dan nu reeds rondom is bepaald. Om deze reden wordt onderzoek van de toplaag na de sloop dan ook niet nodig geacht. Alleen bij zintuiglijk afwijkende grond zou dit wel overwogen kunnen worden.’
31
Asbestbodemonderzoek De conclusies uit het asbestbodemonderzoek luiden: ‘De bodem ter plaatse bestaat uit klei, overgaand in veen op 1.0 á 1.5 m-mv. Rond het pand is de bovengrond zandig en geroerd. In de meeste inspectiegaten zijn sporen van puin waargenomen, tot een diepte van 0.5 m-mv. Dit bestaat geheel uit steenachtig, onverdacht materiaal zoals baksteen. A. Asbest kleiner dan 20 mm Analytisch is door het lab geen asbest kleiner dan 20 mm aangetoond in de drie mengmonsters van de grond. B. Asbest groter dan 20 mm Visueel is nergens asbest waargenomen. C. Conclusie asbest In de grond ter plaatse van de twee gedempte sloten en de overige bovengrond rond de opstallen is asbest niet aantoonbaar. Bij de ontwikkeling van het terrein hoeft dus geen rekening gehouden te worden met eventueel asbest in de grond. Bevoegd gezag bij de beoordeling van de resultaten van het onderzoek is Omgevingsdienst ZHZ, namens Gemeente Molenlanden. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bodemkwaliteit geen belemmeringen.
32
5.4 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat: • Het plangebied betreft deels een terrein met een zeer hoge verwachting. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 50 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Het plangebied is deels gelegen op gronden met hoge verwachting aan of nabij het oppervlak. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Plangebied
Afbeelding 18: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
33
Door ADC ArcheoProjecten is een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusies van dit onderzoek luiden: •
‘Wat is de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van de ondergrond in het plangebied? Uit het booronderzoek blijkt dat de diepere ondergrond van het plangebied uit rivierduinafzettingen (Laagpakket van Delwijnen, Formatie van Boxtel) en oeverafzettingen van de Giessen (Formatie van Echteld) bestaat. Deze afzettingen worden afgedekt door een 150 tot 225 cm dik pakket komafzettingen bestaande uit matig siltige klei en zwak tot sterk kleiig bosveen (respectievelijk Formatie van Echteld en Formatie van Nieuwkoop). Dit pakket wordt op zijn beurt afgedekt door een 55 tot 125 cm dik pakket omgewerkte en deels opgebrachte klei met daarin zandbrokken en resten baksteen en puin. Er zijn geen lagen aangetroffen die te interpreteren zijn als een dijkophoging.
•
In hoeverre is deze opbouw nog intact? Het bovenste deel van de komafzettingen is omgewerkt bij de aanleg van de bebouwing en de inrichting van het terrein. Het overige deel van het bodemprofiel is intact.
•
Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? De top van de rivierduinafzettingen worden beschouwd als een potentieel archeologisch niveau.
•
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP? Deze bevinden zich op 235 tot 290 cm –mv (circa 2,60 tot 3,20 m –NAP).
•
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? In het (sub)recent omgewerkte en ten deel opgebrachte pakket zijn fragmenten bouwpuin aangetroffen. Dit materiaal is vermoedelijk van elders afkomstig en wordt evenwel niet beschouwd als een archeologische indicator.
•
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De verwachting voor de periode Meso- en Neolithicum en Bronstijd dient te worden gehandhaafd. De verwachting voor de periode IJzertijd/Romeinse tijd dient naar laag te worden bijgesteld. De lage verwachting voor de periode Middeleeuwen en Nieuwe tijd dient te worden gehandhaafd.
•
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Indien de bodemingrepen (behoudens het aanbrengen van heipalen) niet dieper reiken dan 200 cm –mv worden geen (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd. Deze ondergrens is inclusief een veiligheidsmarge van circa 35 cm.
•
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Dit is afhankelijk van de funderingsconstructies van de op te richten woningen en de eventuele aanleg van kelders. Deze gegevens zijn momenteel niet beschikbaar.
34
Aanbeveling Indien de bodemingrepen (behoudens het aanbrengen van heipalen) niet dieper reiken dan 200 cm –mv worden geen (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd. Deze dieptegrens is inclusief een veiligheidsmarge van circa 35 cm. Onder deze voorwaarde adviseert ADC ArcheoProjecten adviseert om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Bij bodemingrepen dieper dan 200 cm –mv of in geval van een hoge dichtheid aan heipalen wordt aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht.’ Conclusie Het plan ondervindt wat betreft archeologie geen belemmeringen indien niet dieper wordt gegraven dan 2 meter beneden het huidige maaiveld. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. Ter bescherming van de archeologische waarden worden de dubbelbestemmingen ‘Waarde –Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie – 4’ uit het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskern Hoornaar’ overgenomen in het bestemmingsplan.
35
5.5 Watertoets Beleidskader Het Waterschap Rivierenland is de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.
Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en B-watergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Ook voor werkzaamheden in de nabijheid van waterkeringen en in boezemgebieden gelden bepalingen uit de Keur. Werkzaamheden binnen de kern- en beschermingszones zijn vergunningsen/of meldingsplichtig. Watergangen In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen (zie afbeelding 19). De bouw- en sloopwerkzaamheden zullen plaatsvinden buiten de beschermingszones van de nabijgelegen A-watergangen.
Als gevolg van de dijkverlegging wordt een deel van een watergang gedempt. Dit wordt één op één gecompenseerd. Voor de demp- en graafwerkzaamheden dient een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland te worden aangevraagd. Op de Legger Wateren is ten zuidwesten van het plangebied een C-watergang gelegen. In de praktijk is deze watergang al geruime tijd niet meer aanwezig. De gronden betreffen thans een bebost gebied.
36
A-watergang: 000777 (Giessen)
C-watergang: 048367
A-watergang: 000730
Afbeelding 19: Uitsnede Legger Wateren
Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (Dossiercode 20170321-915711). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Het plangebied is enerzijds gelegen binnen het peilgebied OVW019. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,46 m NAP en een winterpeil van -1,56 m NAP. Anderzijds is het plangebied gelegen binnen het peilgebied OVW020. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,67 m NAP en een winterpeil van -1,77 m NAP. Een klein deel van het plangebied is gelegen in het boezemgebied van de Giessen. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
Plangebied
Afbeelding 20: Uitsnede Peilgebiedenkaart
37
Waterberging en -compensatie Boezemgebied Het plangebied is voor een deel gelegen in het boezemgebied van de Giessen. Activiteiten in boezemgebieden zijn vergunningsplichtig. Boezemgebieden zijn de gebieden in de Alblasserwaard die liggen tussen de boezemkades. De Giessen behoort tot de Boezem van de Overwaard en heeft een boezempeil (streefpeil) van -0,75 m NAP en een maalpeil (maximumpeil) van -0,25 m NAP. De bebouwing dient ten minste 0,25 m boven het maximumpeil te staan, dus dat is op 0 m NAPhoogte. Voor boezemgebieden geldt een volumecompensatieplicht. Eventuele ophogingen en andere wijzigingen beneden het niveau van 0 m NAP dienen gecompenseerd te worden. In dit stadium is het plan, waaronder de geplande woningen, nog niet definitief uitgewerkt. De woningen worden minimaal op leggerhoogte van de waterkering gerealiseerd (minimaal 0 m NAP). De nieuwe bebouwing worden gerealiseerd op de huidige waterkering. Wanneer blijkt dat het plangebied moet worden opgehoogd, en daarmee sprake is van een ophoging beneden het niveau van 0 m NAP, zal het aantal kuubs die door de ophoging beneden NAP hoogte worden aangebracht worden gecompenseerd aan de oever van de Giessen ter plaatse van het plangebied. Ter bescherming van het boezemgebied wordt de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterbergingsgebied’ opgenomen in het bestemmingsplan.
De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ ligt tot de kernzone van de nieuwe waterkering. Naast een volumecompensatieplicht geldt voor boezemgebieden ook een compensatieplicht voor toename aan verhard oppervlak. Voor het boezemgebied is een aparte verhardingsbalans opgesteld (zie tabel 3). In de huidige situatie wordt het hemelwater dat op de stal (paardenstoeterij) en een deel van de omliggende terreinverharding valt geloosd op de Giessen (op het boezemgebied). In de nieuwe situatie worden de nieuwe woonpercelen in het boezemgebied gerealiseerd. Een deel van het hemelwater dat de ontsluitingsweg valt, zal tevens op de boezem worden geloosd. Tabel 3: Oppervlaktebalans boezemgebied Bestaande situatie Stal paardenstoeterij Overige terreinverharding paardenstoeterij (50% van totale verharding) Totaal bestaande situatie
Oppervlakte (m2) 1.400 m2 500 m2 1.900 m2
Nieuwe situatie Nieuwe woning (kavel 1) incl. aan- en uitbouwen Nieuwe woning (kavel 1) incl. aan- en uitbouwen Erfverharding kavel 1 (20% van 2018 m2) Erfverharding kavel 2 (20% van 2318 m2) Ontsluitingsweg (incl. wandelpad) (50% van totale verharding) Totaal nieuwe situatie Verschil
275 m2 275 m2 404 m2 464 m2 550 m2
1.968 m2 68 m toename 2
38
Het plan resulteert in het boezemgebied in een kleine toename aan verharding. De toename aan verhard oppervlak valt binnen de eenmalige vrijstelling voor particulieren, waardoor watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn. De afdeling vergunningen van het waterschap Rivierenland beoordeelt of dat gebruik kan worden gemaakt van de particulier vrijstelling. Poldergebied Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de vuistregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1500 m2. Voor het poldergebied is tevens een verhardingsbalans opgesteld (zie tabel 4).
Tabel 4: Oppervlaktebalans poldergebied Bestaande situatie Agrarische schuur Mestopslag Fundering opslag Ontsluitingsweg (incl. wandelpad) Overige terreinverharding paardenstoeterij (50% van totale verharding) Woning Dorpsweg 64 (incl. aanbouwen) Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Ontsluitingsweg (incl. wandelpad) (50% van totale verharding) Woning Dorpsweg 64 (incl. aanbouwen) Totaal nieuwe situatie Verschil
Oppervlakte (m2) 70 m2 40 m2 35 m2 750 m2 500 m2 750 m2 2.145 m2
550 m2 750 m2 1.300 m2 2 845 m afname
Het plan resulteert in het poldergebied in een afname aan verharding. Op basis hiervan zijn watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk. De paardenbak en de tredmolen zijn niet meegenomen in de oppervlaktebalans, omdat het uitsluitend een houten omranding met zand betreft (waterdoorlatend). Watercompensatie Als gevolg van de dijkverlegging wordt er 34 m2 aan oppervlaktewater gedempt van het aangrenzende polderwater. Tevens wordt er 66 m2 water gedempt in het peilgebied/boezemgebied van de Giessen. Deze hoeveelheid dient buitendijks gecompenseerd te worden. Het dempen van het oppervlaktewater dient voor 100% gecompenseerd te worden. Het Waterschap Rivierenland geeft aan dat watercompensatie kan worden gerealiseerd door het verbreden van watergangen of het realiseren van nieuw oppervlaktewater, mits dit in directe verbinding staat met het polderpeil. Om aan de watercompensatieplicht wordt buitendijk 66 m2 en binnendijks 34 m2 aan oppervlaktewater gegraven (zie afbeelding 21). De tekening is uitvergroot toegevoegd in de bijlage van het dijkverleggingsplan (tekening 20170176-D30).
39
Watercompensatie buitendijks (66 m2)
Watercompensatie binnendijks (34 m2)
Afbeelding 21: Watercompensatie
Hemelwater- en vuilwaterafvoer Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Waterkering Het plangebied is gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een waterkering. De waterkering en de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de kade zijn door de verordening Keur beschermd. In principe geldt dat er geen bebouwing op de waterkering aanwezig mag zijn.
Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. Veelal betekent dit dat de ontwikkeling buiten het profiel van vrije ruimte (pvvr) moet blijven. Activiteiten in de beschermingszone van een waterkering zijn vergunningsplichtig.
40
Afbeelding 22: Uitsnede Legger Waterkeringen
41
5.5.1 Dijkverleggingsplan De beoogde bouwlocatie van de twee vrijstaande woningen ligt thans op een waterkering. Voor het plan dient de bestaande waterkering/kade te worden verlegd. De kade met daarop het wandelpad zal ten zuidoosten van de kavels/ vrijstaande woningen komen te liggen en worden aangesloten op het bestaande wandelpad ten zuidwesten van de geplande woningen. Voor het verleggen van de waterkering dient een watervergunning te worden aangevraagd. In overleg met het waterschap Rivierenland is een dijkverleggingsplan opgesteld. Het dijkverleggingsplan en het geotechnisch rapport is toegevoegd in de bijlage van dit bestemmingsplan.
Afbeelding 23: Bestaande waterkering
42
Afbeelding 24: Nieuwe waterkering
Ter bescherming van de waterkering wordt op de verbeelding van het bestemmingsplan ter plaatse van de kernzone van de nieuwe waterkering de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Op basis van de Barro (2012) wordt voor de beschermingszones van de nieuwe waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - dijk 1’ opgenomen. Deze dubbelbestemming en gebiedsaanduidingen beschermen de waterkering door de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming te beperken. Conform de regelgeving van het waterschap Rivierenland, de verordening ‘de Keur’, is het in het kader van de instandhouding van de stabiliteit van waterkering en daarmee de veiligheid niet toegestaan om binnen de kernzone van een waterkering nieuwe bebouwing te realiseren. De nieuwe woningen (incl. evt. kelders) worden gerealiseerd buiten de kern- en beschermingszone van de waterkering en boven het voorgestelde profiel van vrije ruimte (Pvvr). In het kader van de veiligheid (beheer van de waterkering) is hiermee sprake van een verbeterde situatie. De bestaande paardenstal is bovenop de waterkering gebouwd en daarmee in de kern- en beschermingszone van de huidige waterkering gelegen. De nieuwe waterkering voldoet aan de uitgangspunten van het Waterschap Rivierenland voor beheer en onderhoud van waterkeringen.
De gronden van de nieuwe waterkering worden in eigendom overgedragen aan het Waterschap Rivierenland. Het Waterschap Rivierenland ondervindt geen belemmeringen wat betreft het toekomstig beheer van de waterkering. Groot onderhoud van de waterkering wordt uitgevoerd door het waterschap. Het dagelijks beheer en onderhoud zal uitgevoerd worden door de eigenaren van de omliggende woonpercelen.
43
Afbeelding 25: Kern- en beschermingszone nieuwe waterkering
44
Afbeelding 26: Profielen nieuwe waterkering met Pvvr (gele stippellijn)
45
Afbeelding 27: Toekomstige eigendomssituatie (overdrachtstekening)
Maatschappelijk belang dijkverlegging De maatschappelijke argumenten, welke als basis liggen aan de voorgenomen dijkverlegging zijn: 1. Sanering van de bestaande, leegstaande en verpauperde stoeterij zorgt voor aanzienlijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; 2. Sanering van de bestaande bebouwing, welke deels in de kernzone van de waterkering is gelegen zorgt voor een verbetering van de waterveiligheid; 3. De verlegging van de waterkering, noodzakelijk voor de realisatie van de compensatiewoningen, zorgt voor een ruimtelijk beter in te richten situatie. De waterkering ligt niet in de achtertuin, maar wordt gecombineerd met de toegangsweg; 4. Combinatie van de waterkering met het wandelpad en de toegangsweg naar de woningen maakt de toekomstige situatie voor beheer en onderhoud optimaal. 5. Het wandelpad betekent een meerwaarde voor de recreant (recreatief medegebruik van het landschap).
46
Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard. Het uitgangspunt is dat de toegangsweg een openbare weg wordt. De toegangsweg/wandelpad (incl. berm) komt in eigendom en beheer bij het Waterschap Rivierenland. Hierbij gaat het om de verantwoordelijkheid voor beheer en onderhoud, verkeersveiligheid en bereikbaarheid. De nieuwe woningen krijgen een eigen in- en uitrit op de toegangsweg. Wat betreft de weginrichting en in- en uitritten dient te worden voldaan aan de regels van het waterschap Rivierenland. Bij de weginrichting is rekening gehouden met de rijcurves van grote voertuigen (zie afbeelding 28-30). De vuilniswagen zal de toegangsweg niet in gaan (afvalcontainers worden aan de Dorpsweg aangeboden). De toegangsweg, het wandelpad en in- en uitritten dienen meegenomen te worden in de aanvraag van de watervergunning.
Afbeelding 28: Rijcurve brandweerauto
Afbeelding 29: Rijcurve vrachtauto met aanhanger
47
Afbeelding 30: Rijcurve tractor met aanhanger
Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor het verleggen van de waterkering, de graaf- en dempwerkzaamheden (compensatie) en de bouw- en sloopwerkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd. In overleg met het waterschap Rivierenland is een dijkverleggingsplan opgesteld. Het dijkverleggingsplan en het geotechnisch rapport is toegevoegd in de bijlage van het bestemmingpslan.
48
5.6 Flora en fauna Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Het plan betreft de sloop van de bestaande bedrijfsbebouwing en de nieuwbouw van twee vrijstaande woningen. Hiermee is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor.
Het plangebied heeft aannemelijk geen essentiële betekenis voor soorten die behoren tot het beschermingsregime habitatrichtlijnsoorten, vogelrichtlijnsoorten of overige soorten. Gedurende de bouwwerkzaamheden kan rugstreeppad de planlocatie bevolken. In de dode bomen op de locatie zijn vleermuisverblijven te verwachten. Vleermuizen maken mogelijk gebruik van de locatie tijdens het foerageren en migreren. De locatie maakt onderdeel uit van het leefgebied van algemene amfibieën, vissen en zoogdieren. De vegetatie en oeverzones op de planlocatie zijn geschikt als nestlocatie voor algemene broedvogels. Tijdens de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van rugstreeppad, vleermuizen, algemene vissen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wnb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging (vrijstellingsbesluit). Het saneren van de bedrijfsbebouwing aan de Dorpsweg 64 te Hoornaar ten behoeve van twee woningen is uitvoerbaar conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht).
• Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De dode bomen met holtes langs de Giessen ten noorden van het bosschage dienen behouden te worden. Tevens de planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig 49
•
•
licht, lichtbundel nederwaarts, geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Het terrein wordt ongeschikt gehouden voor rugstreeppadden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd natuurmonument, Wetland of Nationaal Park.
Afbeelding 31: Plangebied in relatie tot Natura 2000-gebieden
Het plangebied is deels gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland.
Afbeelding 32: Plangebied in relatie tot Natuurnetwerk Nederland (NNN) 50
Conform artikel 2.3.2 VR 2014, lid 1 zijn er bestemmingen toegestaan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. De beoogde ontwikkellocaties van de woningen bevinden zich geheel buiten de grenzen van het Natuurnetwerk Nederland. Echter worden werkzaamheden binnen de grenzen van het Natuurnetwerk Nederland verricht. De werkzaamheden betreffen de verlegging van een wandelpad en de aanleg van een agrarisch uitpad. Onderstaand wordt per toetsingsaspect toegelicht of er sprake is van aantasting bij de realisatie van de paden: 1. Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem, inclusief de vereiste omgevingsfactoren (zoals donkerte, bodem, water en milieu): Het verleggen van een wandelpad en de aanleg van een agrarisch uitpad leiden niet tot een wezenlijk ander gebruik van de planlocatie. Binnen het Natuurnetwerk Nederland treden in de nieuwe situatie geen veranderingen op ten opzichte van huidige situatie. Het wandelpad en het agrarische uitpad worden dermate weinig gebruikt dat van barrièrevorming en aantasting van ecologische waarden geen sprake is. De bodem, het water en overige milieufactoren worden in de boogde situatie niet anders beïnvloedt dan in de bestaande situatie.
Mits in de beoogde situatie geen sprake is van een toename van (buiten)verlichting of uitstraling van licht naar de directe omgeving treden er geen effecten op voor de bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem. 2. De robuustheid en aaneen geslotenheid van het Natuurnetwerk Nederland De ontwikkeling binnen de grenzen van het Natuurnetwerk Nederland betreft de realisatie van een agrarisch uitpad en het verleggen van een wandelpad. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van bestaande migratieroutes, foerageergebieden en/of andere relevante functies voor deze soorten. Er vinden geen veranderingen plaats die de aaneen geslotenheid van het gebied aantasten. 3. De aanwezigheid van bijzondere soorten In voorliggende rapportage is het voorkomen en/of afwezigheid van bijzondere soorten alsmede de effecten van de beoogde ingreep hierop beschreven. De gebruiksfase leidt niet tot aantasting van beschermde soorten (waarvoor geen vrijstelling geldt) en hun leefgebied. Voor vleermuizen en broedvogels dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. 4. De verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen Een potentiële verbindingsfunctie van een locatie heeft te maken met regelmatige verplaatsingen via vaste routes en met verbindingen tussen leefgebieden.
Bijvoorbeeld tussen voedsel- en rustgebieden of migratieroutes om hun leefgebied te vergroten. Het plangebied wordt omgeven door veenweidegebied. Belangrijke verbindingsfuncties tussen verschillende ecotopen worden niet onderbroken door de beoogde ontwikkeling. Het plangebied heeft geen functie als verbindingsgebied en overige functies worden niet aangetast door de beoogde ontwikkelingen. 5. Behoud van oppervlakte De voorgenomen ingreep betreft de verlegging en aanleg van paden. Er wordt geen bebouwing gerealiseerd binnen het Natuurnetwerk Nederland en leidt niet tot een afname van oppervlakte of afname van de huidige kwalitatieve waarde van het gebied als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland.
51
6. Behoud van samenhang Het behoud van samenhang komt sterk overeen met de aspecten van de verbindingsfunctie, robuustheid en aaneen geslotenheid. Zoals besproken bij de toetsingsaspecten 1, 2 en 4 kan een effect op de samenhang worden uitgesloten. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In dit plan is er sprake van wegbestemmen van een bedrijfslocatie (paardenstoeterij) ten behoeve van de realisatie van 2 nieuwbouwwoningen. De potentiële stikstofdepositie dat nu bij recht is toegestaan op deze locatie (conform de regels voor de bestemming ‘Bedrijf’ in het vigerend bestemmingsplan) is vele mate groter dan de stikstofdepositie van 2 nieuwbouwwoningen. Middels de bestemmingsplanwijziging wordt deze potentiële stikstofdepositie uitgesloten. Nieuwbouw dient te voldoen aan strenge milieuregels. De nieuwe woningen dienen te voldoen aan het vigerend bouwbesluit en zijn zeer goed geïsoleerd en voorzien van energiezuinige CV-ketels of alternatieve bronnen van verwarming met een lage uitstoot. De nieuwe woningen worden gasloos.
Gelet de schaal en grootte van het plan (realisatie van slechts 2 woningen), de emissie omlaag gaat (het wegbestemmen van een bedrijfslocatie in combinatie met de huidige strenge milieueisen voor nieuwbouwwoningen), de aanwezige infrastructuur/ bebouwing in de omgeving van de omliggende natuurgebieden kunnen nadelige effecten voor gevoelige habitats als gevolg van het plan, en de aanleg daarvan, worden uitgesloten. Er is geen sprake van stikstofdepositie in kwetsbare habitats. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen, mits aan de in ecologisch rapport gestelde maatregelen wordt voldaan.
52
5.7 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 5: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) 24-uurgemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 μg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 μg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Max 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3 25 μg/m3
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied is de NSL-monitoring (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) relevant. In het NSL werken de Rijksoverheid en decentrale overheden samen om te zorgen dat Nederland overal tijdig aan de grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide voldoet. In het NSL-monitoring (2018) worden de volgende achtergrondconcentraties voor het plangebied gegeven: • Een stikstofconcentratie van 17,8 μg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie tussen 18,2 μg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie tussen 11,1 μg/m3 PM2,5; Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit niet in betekende mate vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM) en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de Grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
53
Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan
54
5.8 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR= 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. In de volgende beleidsdocumenten zijn de risiconormen opgenomen die relevant zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit besluit zijn de risiconormen voor risicovolle inrichtingen weergegeven ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. • Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten van een ongeval. • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In dit besluit zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en binnenwater opgenomen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevb zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen opgenomen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. • Vuurwerkbesluit. In dit besluit zijn voor de opslag van consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk veiligheidsafstanden vastgesteld. • Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik.
Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Het Activiteitenbesluit milieubeheer: In dit besluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations en gasdrukmeet- en regelstations.
55
Om vast te stellen of er risicobronnen zijn die voor de ontwikkeling van het plangebied mogelijk relevant zijn, wordt onderzoek of: • Het plangebied risicobronnen toelaat en/of; • Het plangebied beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten toestaat. Indien antwoord op de eerste vraag ja is, wordt ook vastgesteld of: • De risicobron(nen) onder één van de besluiten of circulaires val(t)(len) en/of; • Het invloedsgebied of veiligheidsafstand van de risicobron over (beperkt) kwetsbare objecten is gelegen. Indien het antwoord op de tweede vraag ja is, wordt vervolgens vastgesteld of: • De risicobron(nen) in de omgeving van het plangebied onder één van de relevante besluiten of circulaires val(t)(len) voor externe veiligheid en/of; • Het invloedsgebied of de veiligheidsafstand over het plangebied valt. Onderzoek Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvinden.
290 meter
Plangebied
Afbeelding 33: Uitsnede Risicokaart
Invloed transport gevaarlijke stoffen, Buisleidingen Volgens de risicokaart bevindt zich ten noordwesten van het plangebied een buisleiding gelegen. Deze buisleiding betreft een gas-transportleiding (NEN 3650leiding) van de Nederlandse Gasunie. De betreffende gasleiding is 66,2 bar en 42 inch. De gasleiding heeft geen plaatsgebonden risicoafstand. Het invloedsgebied van de gasleiding bedraagt 490 meter. De afstand van de aardgastransportleiding tot het plangebied bedraagt circa 290 meter, waarmee het plangebied ruim binnen het invloedsgebied valt. Omdat door deze ontwikkeling het groepsrisico niet zal toenemen en het groepsrisico lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde dient op grond van artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Er hoeft niet te worden ingegaan op maatregelen aan de buisleiding of het plan en ook niet op alternatieven voor het plan. Wel moeten de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval aan bod komen en ook de zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied van de buisleiding worden beschreven.
56
Als gevolg van een ongeval bij een hogedruk aardgasleiding kan een fakkel ontstaan. De warmtestraling die daarbij vrijkomt is zodanig intens dat schuilen, vluchten en bestrijden niet mogelijk is en het afsluiten van de gasleiding is de enige mogelijke maatregel. Dit effectgebied betreft 190 meter voor een dergelijke gasleiding (A-555). Buiten dit gebied is een zone waarbij men bij calamiteiten, vooral uitpandig kans op brandwonden loopt en waar gebouwen in brand kunnen vliegen. Het plangebied is gelegen buiten het effectgebied van 190 meter. Bij een calamiteit (fakkel) zijn de bewoners beschermd in hun woning. Het plangebied is via de toegangsweg goed bereikbaar voor hulpverleningsdiensten (o.a. brandweer). De bewoners kunnen via deze ontsluitingsweg tevens spoedig vluchten. Invloed transport gevaarlijke stoffen, wegverkeer Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen transportroutes waarvan bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Invloed transport gevaarlijke stoffen, spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen. Invloed transport gevaarlijke stoffen, vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
57
5.9 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving daarvan zijn naast de in hoofdstuk 5.8 beschreven aardgasleiding geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
58
5.10 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling bestaande uit 2 woningen. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling op een bestaand bebouwd perceel in de lintbebouwing langs de Dorpsweg te Hoornaar.
Middels het plan krijgt een voormalige bedrijfslocatie een nieuwe invulling. Er vinden op de locatie geen productiewerkzaamheden plaats. Er is geen sprake van de productie van afvalstoffen, anders dan regulier huisafval. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen/bedrijven zullen er geen bedrijfsactiviteiten meer plaatsvinden. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd natuurmonument, Wetland of Nationaal Park. Er wordt geen bebouwing gerealiseerd binnen het Natuurnetwerk Nederland en het plan leidt niet tot een afname van de oppervlakte of de huidige kwalitatieve waarde van het Natuurnetwerk Nederland. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de bestemmingsplanwijziging zal het aantal verkeersbewegingen afnemen ten opzichte van de huidige juridisch-planologische situatie (paardenstoeterij). Middels de bestemmingsplanwijziging worden deze bedrijfsactiviteiten en daaraan gerelateerde verkeersbewegingen uitgesloten. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. Conclusie Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r.
heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de voorgaande hoofdstukken zijn de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer.
59
6 JURIDISCHE PLANOPZET 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Hoornaar, Dorpsweg 64’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan ‘Hoornaar, Dorpsweg 64’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Hoornaar, Dorpsweg 64’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskern Hoornaar’. De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
6.3 Bestemmingen Tuin Rondom de woonbestemmingsvlakken is de bestemming ‘Tuin’ opgenomen. Ter plaatse van de bestemming ‘Tuin’ zijn de bebouwingsmogelijkheden beperkt. Aan de waterzijde wordt de functieaanduiding ‘specifieke vorm van tuin – boothuis’ opgenomen welke het mogelijk maakt om aan de Giessen een boothuis te realiseren. Wonen Ter plaatse van de woonkavels wordt de bestemming ‘Wonen’ opgenomen. Op deze gronden wordt een bouwvlak met de maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 2’ opgenomen. De woningen dienen te worden gebouwd binnen het bouwvlak. Het bestaande bouwvlak met de maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1’ ter plaatse van de woning Dorpsweg 64 blijft ongewijzigd. Ter plaatse wordt de specifieke bouwaanduiding – 1’ toegevoegd. Verkeer – Verblijfsgebied Ter plaatse van de toegangsweg wordt de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ opgenomen. Waterstaat – Waterbergingsgebied De voor ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de aldaar voorkomende andere bestemming(en), primair bestemd voor handhaving en ontwikkeling van de waterbergende functie van boezemlanden. Waterstaat - Waterkering Ter bescherming van de waterkering wordt ter plaatse van de kernzone van de nieuwe waterkering (kade) de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen.
Ter plaatse van de beschermingszones van de nieuwe waterkering wordt de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk - 1’ gelegd.
60
Waarde – Archeologie – 3 en 4 De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 3' en 'Waarde - Archeologie - 4' zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Natuur Ter bescherming van de natuur- en landschapswaarden blijft de bestemming ‘Natuur’ op de westzijde van het plangebied behouden.
61
7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 7.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is er een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
62
8 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
8.1 Vooroverleg In het kader van het vooroverleg als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 is het voorontwerp-bestemmingsplan tevens toegestuurd aan de overlegpartners. Tijdens de terinzagelegging is er één overlegreactie van het waterschap Rivierenland ingediend. In de periode heeft daarna op meerdere momenten afstemming/overleg plaatsgevonden met het waterschap Rivierenland. De overlegreactie heeft in hoofdlijnen geleid tot de volgende aanpassingen: Bestemmingsplan: • De regels en verbeelding van het bestemmingsplan zijn aangepast: ▪ Het plangebied is opgerekt ten behoeve van het vastleggen van de beschermingszones van de nieuwe waterkering (vrijwaringszone – dijk – 1). ▪ De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ is aangesloten op de huidige waterkering aan de zuidzijde van het plangebied. ▪ Gezien het plangebied wordt opgerekt, is de bestemming ‘Natuur’ toegevoegd. • Het hoofdstuk 5.5 ‘Watertoets van de toelichting is aangevuld/gewijzigd. Dijkverleggingsplan en geotechnisch advies: • De inhoud van het dijkverleggingsplan is aangepast conform de notitie van Waternet. • De profielen van de nieuwe waterkering zijn aangepast. • Het nutstracé is ingetekend in de profielen. • Er is een NEN 99997-1 check gedaan. • Er is een tweede profiel toegevoegd aan de zettingsanalyse. • Er is een stabiliteitsberekening toegevoegd.