CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Toelichting bij bestemmingsplan Hoornaar Dorpsweg 64

Raadsvergadering 1 juni 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Dorpsweg 64, Hoornaar16.693 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting bestemmingsplan ‘Hoornaar, Dorpsweg 64’

Toelichting bestemmingsplan ‘Hoornaar, Dorpsweg 64’

Identificatiecode NL.IMRO.1978.BPdorpsweg64HNR-VG01 Planstatus Vastgesteld Datum 01-06-2021

1

Inhoudsopgave 1 INLEIDING .............................................................................................................2 1.1 Aanleiding ........................................................................................................2 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ..................................................................3 1.3 Vigerend bestemmingsplan .............................................................................3 1.4 Leeswijzer ........................................................................................................4 2 BESTAANDE SITUATIE ........................................................................................5 2.1 Algemeen ........................................................................................................5 2.2 Ruimtelijke structuur ........................................................................................5 2.2.1 Ontstaansgeschiedenis, bebouwingsstructuren en -typologieën .............5 2.2.2 Huidig gebruik ...........................................................................................6 3 PLANBESCHRIJVING ...........................................................................................7 3.1 Plan..................................................................................................................7 3.1.1 Dijkverleggingsplan

..................................................................................8 3.2 Verkeer en parkeren ..................................................................................... 12 3.3 Beeldkwaliteit ................................................................................................ 13 3.4 Duurzaamheid .............................................................................................. 15 4 BELEIDSKADER ................................................................................................ 16 4.1 Rijksbeleid .................................................................................................... 16 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ..................................... 16 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ........................... 16 4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) .......................................................... 17 4.2 Provinciaal beleid ......................................................................................... 18 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland ................................................................ 18 4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland .................................................... 20 4.3 Regionaal Beleid ..........................................................................................

22 4.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ ........................ 22 4.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden ....................... 23 4.4 Gemeentelijk beleid ...................................................................................... 24 4.4.1 Omgevingsvisie Giessenlanden ............................................................ 24 4.4.2 Woonvisie Buitengewoon Wonen .......................................................... 25 4.4.3 Bestemmingsplan ‘Dorpskern Hoornaar’ ............................................... 25 4.4.4 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ ................................. 26 4.5 Conclusie ...................................................................................................... 27 5 ONDERZOEK/VERANTWOORDING ................................................................. 28 5.1 Geluid ........................................................................................................... 28 5.2 Bedrijven en milieuzonering ......................................................................... 29 5.3 Bodem .......................................................................................................... 31 5.4 Archeologie ...................................................................................................

33 5.5 Watertoets .................................................................................................... 36

5.5.1 Dijkverleggingsplan ................................................................................ 42 5.6 Flora en fauna ............................................................................................... 49 5.7 Luchtkwaliteit ................................................................................................ 53 5.8 Externe veiligheid ......................................................................................... 55 5.9 Kabels en leidingen ...................................................................................... 58 5.10 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r) ..................................................... 59 6 JURIDISCHE PLANOPZET ................................................................................ 60 6.1 Inleiding ........................................................................................................ 60 6.2 Systematiek van de regels ........................................................................... 60 6.3 Bestemmingen .............................................................................................. 60 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ............................................................. 62 7.1 Exploitatie .....................................................................................................

62 8 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID................................................... 63 8.1 Vooroverleg .................................................................................................. 63 8.2 Inspraak ........................................................................................................ 63 8.3 Zienswijzen ................................................................................................... 64 Bijlage 1

2 3 4 5 6 7 8

9

Omschrijving Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Verkennend bodemonderzoek Verkennend asbestbodemonderzoek Digitale watertoets Ecologisch onderzoek Archeologisch onderzoek Overdrachtstekening Landschappelijk inpassingsplan + beplantingsplan Dijkverleggingsplan (incl. geotechnisch advies)

Auteur Voortman Ingenieurs

Referentie R-JVO/1189

Datum 20-07-2017

Bakker Milieuadviezen Linge Milieu bv

BM/23105-2017

Aug. 2017

17-2148

02-10-2017

Waterschap Rivierenland Blom Ecologie

20170724-815711 BE/2017/308/r

24-07-2017

ADC Archeoprojecten

Rapport 4424

17-05-2018

Adcim B.V. Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten

20170176-D91 LTL21030

03-07-2020 05-09-2019

Adcim B.V.

20170176-D-WA001

20-10-2020

28-08-2017

1

1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Op het perceel Dorpsweg 64 te Hoornaar was jarenlang een paardenstoeterij gevestigd. Inmiddels zijn de bedrijfsactiviteiten beëindigd en hebben de bedrijfsgebouwen hun actieve functie verloren. De bedrijfsgebouwen verkeren thans in een slechte staat van onderhoud. Het plan is om de bedrijfsbebouwing te saneren en in ruil daarvoor twee vrijstaande woningen te realiseren. Ten behoeve van het plan zal de huidige waterkering/kade worden verlegd. De kade met daarop een wandelpad zal ten zuidoosten van de kavels/vrijstaande woningen komen te liggen en worden aangesloten op het bestaande wandelpad. In overleg met het waterschap Rivierenland is een dijkverleggingsplan opgesteld. Het plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskern Hoornaar’ (vastgesteld op 26 januari 2012). Het perceel Dorpsweg 64 heeft in het vigerend bestemmingsplan de bestemmingen ‘Bedrijf - Paardenhouderij’ en ‘Tuin’. Op deze gronden is het niet toegestaan om burgerwoningen te realiseren. Het plan is middels een principeverzoek voorgelegd aan de voormalige gemeente Giessenlanden. In een schriftelijke reactie heeft de voormalige gemeente Giessenlanden aangegeven in principe medewerking te verlenen aan het plan. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen.

Per 1 januari 2019 is de gemeente Giessenlanden gefuseerd met de gemeente Molenwaard tot de gemeente Molenlanden. De gemeente Molenlanden heeft aangegeven nog altijd bereid te zijn medewerking te verlenen aan het plan. Het voorliggende bestemmingsplan wordt voortgezet door de gemeente Molenlanden.

2

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied wordt aan de noord- en westzijde begrensd door de Giessen, een perceelsgrens met het naastgelegen perceel Dorpsweg 62-I te Hoornaar en agrarisch grasland langs de Giessen (waterbergingsgebied). Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan het agrarisch grasland. Verder wordt het plangebied aan de oostzijde begrensd door een perceelsgrens met het naastgelegen perceel Dorpsweg 65/65a te Hoornaar en een waterplas.

Afbeelding 1: Begrenzing plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan Bestemmingsplan ‘Dorpskern Hoornaar’ Het noordelijke deel van het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Dorpskern Hoornaar’ (vastgesteld op 26 januari 2012). Het plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskern Hoornaar’. Het perceel Dorpsweg 64 heeft de bestemmingen ‘Bedrijf - Paardenhouderij’ en ‘Tuin’. Op deze gronden is het niet toegestaan om burgerwoningen te realiseren. Bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ Het zuidwestelijke deel van het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ (vastgesteld op 3 november 2015). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is dit deel meegenomen in dit bestemmingsplan om de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ en de gebiedsaanduidingen ‘vrijwaringszones – dijk – 1’ van de nieuwe waterkering aan te laten sluiten op de bestaande waterkering.

3

1.4 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven: -

Hoofdstuk 2: Bestaande situatie; Hoofdstuk 3: Planbeschrijving; Hoofdstuk 4: Beleidskaders; Hoofdstuk 5: Onderzoek/verantwoording; Hoofdstuk 6: Juridische planopzet; Hoofdstuk 7: Economische uitvoerbaarheid; Hoofdstuk 8: Overleg en zienswijzen.

4

2 BESTAANDE SITUATIE 2.1 Algemeen De kern Hoornaar is één van de kernen van de gemeente Molenlanden. De gemeente is 1 januari 2019 ontstaan als gevolg van een fusie van de gemeenten Giessenlanden en Molenwaard. De gemeente behoort tot de provincie Zuid-Holland.

2.2 Ruimtelijke structuur 2.2.1 Ontstaansgeschiedenis, bebouwingsstructuren en -typologieën Kenmerkend voor de kern van Hoornaar is de ligging van de oude kern op de verschillende donken in het gebied. Deze donken zijn ontstaan aan het einde van de laatste ijstijd doordat zand uit drooggevallen rivierbeddingen door de wind werd afgezet in de luwtegebieden van de rivier. De eerste bebouwing op de huidige locatie van Hoornaar dateert uit het jaar 642 (in dit jaar werd de kerk gesticht). Men besloot rond deze tijd voor het uitgestrekte natte veengebied van de Alblasserwaard in te trekken. Daarbij kwamen de in het veen zichtbare donken en stroomruggen het eerst voor permanente bewoning in aanmerking. De Hervormde kerk van Hoornaar staat op het hoogste deel van één van de donken. Halverwege de 19de eeuw concentreerde de woonbebouwing zich voornamelijk rond de kerk en aan weerszijden van de Dorpsweg tussen de Oudendijk en de Lutjeswaardsemiddenweg. Langs de Lage Giessen kwam ook al verspreid woonbebouwing voor. De verschillende hoge langgerekte donken in het huidige gebied van Hoornaar hebben ertoe geleid dat er sprake is van een sterke concentratie aan bebouwing op de hogere gronden (dicht bebouwingspatroon). Langs de Lage en Hoge Giessen is daarentegen sprake van een meer open bebouwingslint, bestaande uit een afwisseling van monumentale panden en nieuwere vrijstaande bebouwing.

In de vorige eeuw is de kern Hoornaar uitgebreid in zuidelijke richting. De overgang van de oude dorpskern naar het nieuwe dorpsgebied wordt gevormd door het riviertje de Kromme Giessen met daaraan gelegen het bebouwingslint van de Lage en Hoge Giessen. De verschillende watergangen aan weerszijden van de Kromme Giesen en het bebouwingslint zorgen voor een groene overgangszone tussen de oude kern en het nieuwe dorpsgebied van Hoornaar. Het plangebied is gelegen aan de rand van de dorpskern Hoornaar. Het plangebied is gelegen in de tweede lijn van historische lintbebouwing langs de Dorpsweg. Langs de Dorpsweg ziet men een verdichting aan bebouwing. De lintbebouwing kenmerkt zich door een verscheidenheid aan functies (woningen en bedrijvigheid door elkaar) en de afwisseling van (grotere) cultuurhistorisch waardevolle (woon) boerderijen, vervangende vrijstaande nieuwbouwwoningen en (kleinere) geschakelde (arbeiders)huizen. Kenmerkend voor de lintbebouwing langs de Dorpsweg is de positionering van de woningen. De woningen zijn doorgaans op korte afstand van de Dorpsweg gelegen. Ter plaatse van het plangebied is echter sprake van een unieke situatie, waarbij de bebouwing verder van de Dorpsweg is gelegen (in de tweede lijn). De bebouwing langs de Dorpsweg, zowel de traditionele bebouwing als de latere nieuwbouw, heeft overwegend een traditionele landelijke uitstraling.

De gebruikte bouwmaterialen zijn bij zowel de traditionele bebouwing als de latere nieuwbouw overwegend traditioneel. De gebruikte kleuren zijn ingetogen en in harmonie met het omliggende landschap.

5

2.2.2 Huidig gebruik Op het perceel Dorpsweg 64 te Hoornaar was jarenlang een paardenstoeterij gevestigd. Inmiddels zijn de bedrijfsactiviteiten beëindigd en hebben de bedrijfsgebouwen hun actieve functie verloren. De bedrijfsgebouwen en bijbehorende paardenbak en tredmolen verkeren thans in een slechte staat van onderhoud.

Afbeelding 2: Bestaande situatie

Afbeelding 3: Bestaande stal

Afbeelding 4: Bestaande tredmolen

6

3 PLANBESCHRIJVING 3.1 Plan Op het perceel Dorpsweg 64 te Hoornaar was jarenlang een paardenstoeterij gevestigd. Inmiddels zijn de bedrijfsactiviteiten beëindigd en hebben de bedrijfsgebouwen hun actieve functie verloren. De bedrijfsgebouwen verkeren thans in een slechte staat van onderhoud. De initiatiefnemer is voornemens de stal (ca. 1400 m2), de tredmolen (ca. 250 m2), de buitenrijbak (ca. 850 m2), de agrarische schuur (ca. 70 m2), de mestopslag (ca. 40 m2), de opslag fundering (ca. 35 m2) en de overige overtollige terreinverharding (ca. 1000 m2) te saneren. In ruil daarvoor wil men twee vrijstaande woningen c.q. bouwkavels realiseren. De woningen worden vormgegeven als één bouwlaag zonder kap of één bouwlaag met kap (maximale goothoogte van 4 meter). Per woning mag 150 m2 aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden gerealiseerd. Wat betreft de overige maatvoering wordt aangesloten bij de regels voor de bestemming ‘Wonen’ in het vigerend bestemmingsplan ‘Dorpskern Hoornaar’.

Stal (ca. 1400 m2)

Agrarische schuur (ca. 70 m2)

Mestopslag (ca. 40 m2) Fundering opslag (ca. 35 m2)

Tredmolen (ca. 250 m2) Paardenbak (ca. 850 m2) Afbeelding 5: Overzicht te slopen bedrijfsgebouwen

Afbeelding 6: Nieuwe situatie 7

3.1.1 Dijkverleggingsplan Als onderdeel van het plan wordt de bestaande waterkering/kade verlegd. De kade met daarop het wandelpad zal ten zuidoosten van de kavels/vrijstaande woningen komen te liggen en worden aangesloten op het bestaande wandelpad ten zuidwesten van de geplande woningen. In overleg met het waterschap Rivierenland is een dijkverleggingsplan opgesteld. Het dijkverleggingsplan en de geotechnische uitwerking is toegevoegd in de bijlage van het bestemmingpslan.

Afbeelding 7: Bestaande waterkering

Afbeelding 8: Nieuwe waterkering

8

Ter bescherming van de waterkering wordt op de verbeelding van het bestemmingsplan ter plaatse van de kernzone van de nieuwe waterkering de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Op basis van de Barro (2012) wordt voor de beschermingszones van de nieuwe waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk - 1’ opgenomen. Deze dubbelbestemming en gebiedsaanduidingen beschermen de waterkering door de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming te beperken. De nieuwe woningen (incl. evt. kelders) worden gerealiseerd buiten de kern- en beschermingszone van de waterkering en boven het profiel van vrije ruimte (Pvvr). In het kader van de veiligheid (beheer van de waterkering) is hiermee sprake van een verbeterde situatie. De bestaande paardenstal is thans op de waterkering gebouwd en daarmee in de kern- en beschermingszone van de waterkering gelegen. De nieuwe waterkering voldoet aan de uitgangspunten van het Waterschap Rivierenland voor beheer en onderhoud van waterkeringen. De gronden van de nieuwe waterkering worden in eigendom overgedragen aan het Waterschap Rivierenland. Het Waterschap Rivierenland ondervindt geen belemmeringen wat betreft het toekomstig beheer van de waterkering. Groot onderhoud van de waterkering wordt uitgevoerd door het waterschap.

Het dagelijks beheer en onderhoud zal uitgevoerd worden door de eigenaren van de omliggende woonpercelen.

Afbeelding 9: Kern- en beschermingszone nieuwe waterkering

9

Afbeelding 10: Profielen nieuwe waterkering met Pvvr (gele stippellijn)

10

Afbeelding 11: Toekomstige eigendomssituatie (overdrachtstekening)

Maatschappelijk belang dijkverlegging De maatschappelijke argumenten, welke als basis liggen aan de voorgenomen dijkverlegging zijn: 1. Sanering van de bestaande, leegstaande en verpauperde stoeterij zorgt voor aanzienlijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; 2. Sanering van de bestaande bebouwing, welke deels in de kernzone van de waterkering is gelegen zorgt voor een verbetering van de waterveiligheid; 3. De verlegging van de waterkering, noodzakelijk voor de realisatie van de compensatiewoningen, zorgt voor een ruimtelijk beter in te richten situatie. De waterkering ligt niet in de achtertuin, maar wordt gecombineerd met de toegangsweg; 4. Combinatie van de waterkering met het wandelpad en de toegangsweg naar de woningen maakt de toekomstige situatie voor beheer en onderhoud optimaal. 5. Het openbaar maken van het wandelpad betekent een meerwaarde voor de recreant (recreatief medegebruik van het landschap). Het wandelpad loopt nu over privégronden en is daarmee niet heel duidelijk/uitnodigend voor recreanten.

11

3.2 Verkeer en parkeren Verkeer Het perceel Dorpsweg 64 te Hoornaar wordt thans ontsloten via de Dorpsweg. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. De bestaande toegangsweg zal worden doorgetrokken. De technische inrichting van de weg en de aansluiting op de Dorpsweg is nader uitgewerkt in het dijkverleggingsplan (zie bijlage). Beide woonkavels krijgen ieder een eigen in- en uitrit op deze toegangsweg. Om de erfuitstraling zoveel mogelijk te benadrukken worden verkeerskundige elementen zoals zwart glad asfalt, scheiden van verkeerssoorten en witte belijning en bebording vermeden. Door de uitstraling van een straatje/erf zal de snelheid laag blijven. Ter plaatse van inritten is gelegenheid om te passeren. Tegenover de inritten kan met een strook grasbetontegels in de berm een beperkte parkeergelegenheid gemaakt worden. Ook incidenteel passeren is hierop mogelijk.

Afbeelding 12: Ontsluiting twee vrijstaande woningen

Parkeren Voor de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'. Dit parkeerbeleid is gebaseerd op de CROWpublicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018). In het CROW-beleid wordt uitgegaan van een bandbreedte van een minimale tot een maximale parkeernorm. In de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020' wordt uitgegaan van het gemiddelde. De gemeente Molenlanden valt qua stedelijkheidsgraad in zijn geheel in de categorie ‘niet stedelijk’. Het plangebied is gelegen in het gebiedstype ‘buitengebied’. Het plan gaat uit van de nieuwbouw van twee vrijstaande woningen. Uitgaande van het type ‘koop, vrijstaand’ liggend in ‘rest bebouwde kom’ stelt de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020' een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning (waarvan 0,3 parkeerplaats voor bezoekers). Dit resulteert in een parkeerbehoefte van 5 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte dient volledig op eigen terrein te worden opgelost. Op beide ruime woonkavels is voldoende ruimte voor het parkeren van 3 auto’s. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde parkeernorm.

12

3.3 Beeldkwaliteit Het plan heeft met de sanering van de bestaande verouderde bedrijfsbebouwing (incl. terreinverharding) en de woningbouw een aanzienlijke verandering tot gevolg. Gezien de ligging van het plangebied in de historische lintbebouwing is het vanuit ruimtelijk kwaliteitsoogpunt wenselijk dat de nieuwe invulling van het plangebied past binnen het gebied. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en om te komen tot een optimale ruimtelijke kwaliteitswinst is een beeldkwaliteitsparagraaf opgesteld en is aan Bureau Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten gevraagd een landschappelijk inrichtings- en beplantingsplan op te stellen. Het inrichtingsen beplantingsplan is toegevoegd in de bijlage. Het doel hiervan is om ongewenste situaties te voorkomen. Daarnaast biedt het een handsvat voor het bevoegd gezag om te komen tot een verantwoorde en gewenste invulling van het plangebied. Gebiedsomschrijving Het plangebied is gelegen in de tweede lijn van historische lintbebouwing langs de Dorpsweg aan de Giessen. De lintbebouwing langs de Dorpsweg kenmerkt zich door een afwisseling van (grotere) historische (woon)boerderijen, vervangende vrijstaande nieuwbouwwoningen en (kleinere) geschakelde (arbeiders)woningen.

De hoofdgebouwen zijn overwegend opgebouwd uit bakstenen gevels met een steenachtige dakbedekking of riet als dakbedekking en hebben daarmee een landelijke en traditionele uitstraling. Overwegend zijn er zadeldaken toegepast of een afgeleide hiervan (bijv. wolfseind.) De gebruikte kleuren voor o.a. gevelstenen, overstekken, kozijnen, deuren zijn over het algemeen ingetogen en in harmonie met het omliggende landschap. In de historische lintbebouwing ziet men ingetogen architectonische detailleringen aan de gevels (o.a. sierlijke metselverbanden, rollagen, raamluiken en/of uitbouwen waaronder erkers). Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen hebben een rechthoekige opbouw met een heldere of eenduidige kapvorm. Deze bouwwerken zijn achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw gepositioneerd. De aan- en uitbouwen bouwen of bijgebouwen zijn overwegend opgetrokken uit baksteen of potdekselwerk en hebben doorgaans een donkerdere kleur dan de hoofd- gebouwen en hebben daarmee een ondergeschikte uitstraling in relatie tot het hoofdgebouw. Het plangebied betreft in het kader van de bebouwingsstructuur een unieke situatie. De bebouwing is in tegenstelling tot het gros van de bebouwing niet direct aan de weg gelegen. Het plangebied heeft thans een verouderde en bedrijfsmatige uitstraling.

Het landschap in de directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich door de grote openheid en de gaafheid van de slagenverkaveling in combinatie met het omliggende slotenpatroon. Ten westen van het plangebied is een karakteristiek dichtbegroeid stuk bos gelegen. Beeldkwaliteit- en landschappelijk inrichtingsplan Vanuit beeldkwaliteitsoogpunt is het wenselijk dat bij de nieuwe inrichting van het plangebied en de uitwerking van de vrijstaande woningen wordt aangesloten bij de directe omgeving. Ter plaatse is sprake van een unieke situatie waarbij de bebouwing in tweede bebouwingslijn ligt. Ter plaatse van de bestaande stal zullen twee vrijstaande woningen/ruime woonkavels worden gerealiseerd. De woningen worden vormgegeven als één bouwlaag zonder kap of één bouwlaag met kap (maximale goothoogte van 4 meter). De woningen worden opgebouwd uit bakstenen gevels met een steenachtige dakbedekking of riet als dakbedekking en hebben daarmee een landelijke en traditionele uitstraling. De woningen worden bedekt met een zadeldak of een afgeleide hiervan (bijv. wolfseind.). De gebruikte kleuren voor o.a. gevelstenen, overstekken, kozijnen, deuren zijn over het algemeen ingetogen en in harmonie met het omliggende landschap. De woningen zijn gericht naar de Giessen. Voor de woningen wordt gebruik gemaakt van natuurlijke streekeigen bouwmaterialen.

De aan-, uit- en bijgebouwen of overkappingen worden gerealiseerd achter de voorgevellijn van de woningen en hebben een ondergeschikte uitstraling in relatie tot de woning.

13

In het plan worden de aanwezige landschappelijke elementen gewaarborgd dan wel versterkt. Naast dat de volledige bedrijfsbebouwing wordt gesaneerd wordt de aanwezige overtollige terreinverharding verwijderd. Rondom de woningen wordt zoveel mogelijk openheid gecreëerd. De bosschage ten westen van het plangebied blijft gehandhaafd. De woonpercelen en het omliggende openbaar gebied worden conform het door bureau Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten opgestelde landschappelijk inrichtings- en beplantingsplan op een passende en verantwoorde wijze landschappelijk ingericht middels gebiedseigen beplanting, waaronder hoogstamfruitbomen of knotwilgen. Wat betreft de erfafscheidingen dient gekozen te worden voor groene hagen van gebiedseigen soorten zoals veldesdoorn of liguster. Voor de uitvoering van het landschappelijk inrichtings- en beplantingsplan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland. De afdeling vergunningen van het Waterschap Rivierenland zal beoordelen of dat het plan past binnen het beleid van het waterschap Rivierenland.

Afbeelding 13: Landschappelijk inrichtings- en beplantingsplan 14

Afbeelding 14: Referentiebeelden woningen

3.4 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om duurzaam te bouwen. Het plan is om de bouwlocaties als kavels te verkopen. De twee vrijstaande woningen worden gasloos gebouwd (er wordt geen gasaansluiting aangelegd). De woningen worden landschappelijk ingepast, waarbij de kavels een groen karakter hebben. Bij de bouw van de woningen wordt rekening gehouden met de duurzaamheidsdoelen van de gemeente Molenlanden. In het kader van duurzaam bouwen moet men denken aan gevelkozijnen als geïsoleerd thermokozijn met triple beglazing, ventilatiesystemen, PV zonnepanelen, thermische schil van de woning, warmtebronnen, en luchtdichtheid.

15

4 BELEIDSKADER 4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Het Rijk streeft naar een Nederland dat concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Dit wil zij doen met een krachtige aanpak, die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig om deze nieuwe aanpak vorm te geven. Daarnaast geven nieuwe politieke accenten, veranderende omstandigheden zoals een economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen aanleiding voor herziening van het rijksbeleid. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders.

Afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los. Het Rijk geeft aan dat landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten identiteit geven aan een gebied en culturele voorzieningen en cultureel erfgoed bovendien van groeiend belang zijn voor de concurrentiekracht van Nederland. In de nieuwe structuurvisie is aangegeven dat het Rijk verantwoordelijk blijft voor het cultureel en natuurlijk UNESCO Werelderfgoed (inclusief de voorlopige lijst), kenmerkende stads- en dorpsgezichten, rijksmonumenten en het maritieme erfgoed. Het beleid ten aanzien van landschap is echter niet langer een Rijksverantwoordelijkheid en laat het Rijk over aan de provincies. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen.

Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.

16

4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmings- plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Inmiddels biedt jurisprudentie een beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt.

In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het begrip woningbouwlocatie is in deze definitie niet nader gedefinieerd. De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS: 2014:3929). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI: NL:RVS:2013: 2471). Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL: RVS: 2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3). In het plan worden per saldo twee wooneenheden toegevoegd.

Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.

17

4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Per 1 april is het Omgevingsbeleid in werking getreden. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.

Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) dient de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen en dient het plan te voldoen aan het provinciaal beleid voor ruimtelijke kwaliteit.

Stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten BSD dienen eerst door Provinciale Staten worden afgewogen en worden op de kaart ‘woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen’ (ook wel genoemd: ‘3 ha kaart’) gezet. Het plangebied valt buiten het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Het plangebied is kleiner dan 3 hectare. Het plan betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (kleinschalige ontwikkeling), waardoor toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet vereist dan wel noodzakelijk is. Het plangebied betreft een voormalige paardenstoeterij. Inmiddels zijn de activiteiten beëindigd en hebben de bedrijfsgebouwen hun actieve functie verloren. Middels het plan krijgt de voormalige bedrijfslocatie een nieuwe passende invulling in de vorm van twee ruime woonkavels. Verpaupering van de bedrijfsbebouwing en daarmee aantasting van het karakteristieke slagenlandschap wordt daarmee voorkomen. De woonpercelen en het openbaar terrein worden op een passende en verantwoorde wijze landschappelijk ingericht. 18

Verbeteren ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Het plangebied heeft thans een verouderde, versteende en bedrijfsmatige uitstraling. Met de sloop van de verouderde bedrijfsbebouwing, de verwijdering van de overtollige verharding en de nieuwbouw van twee vrijstaande woningen is sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

Om een optimale ruimtelijke kwaliteitswinst te bereiken is door een landschapsarchitect een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, waarmee de woonpercelen en het openbaar terrein op een passende en verantwoorde wijze landschappelijk wordt ingericht. De nieuwe woningen worden op een passende wijze vormgegeven (een landelijke en traditionele uitstraling). Tenslotte zorgt het plan ervoor dat langdurige leegstand, verdere verpaupering van de bedrijfsbebouwing en daarmee aantasting van de ruimtelijke kwaliteit wordt voorkomen. Ten behoeve van het plan zal de huidige waterkering/kade worden verlegd. De kade met daarop een wandelpad zal ten zuidoosten van de kavels/vrijstaande woningen komen te liggen en worden aangesloten op het bestaande wandelpad. De sanering van de bestaande bebouwing, welke deels in de kernzone van de waterkering is gelegen zorgt voor een verbetering van de waterveiligheid. De verlegging van de waterkering zorgt voor een ruimtelijk beter in te richten situatie. De waterkering ligt niet in de achtertuin, maar wordt gecombineerd met de toegangsweg. De combinatie van de waterkering met het wandelpad en de toegangsweg naar de woningen maakt de toekomstige situatie voor beheer en onderhoud optimaal. Het openbaar maken van het wandelpad betekent een meerwaarde voor de recreant (recreatief medegebruik van het landschap).

Kwaliteitskaart De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. In de Omgevingsvisie heeft de provincie de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen vastgelegd op de kwaliteitskaart. Het plangebied is gelegen in de gebieden ‘veenweidelandschap’ en ‘linten’. Veenweidelandschap De ruimtelijke structuur in het veenweidegebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veenweidelandschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veenweidelandschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders;

19

•

Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.

Linten Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. Het plan sluit aan bij de kwaliteitskaart en de richtpunten voor ontwikkelingen in de gebieden ‘veenweidelandschap’ en ‘linten’. Voor de inrichting van het plangebied is door een landschapsarchitect een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (paragraaf 3.3.3). 4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie is de Omgevingsverordening in werking getreden.

Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b.

Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: • Zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en • Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c. Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: • Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en

20

•

tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen.

Het plan kan worden geschaard binnen de categorie ‘inpassen’. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de schaal en aard van het gebied. Middels het plan is sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit (paragraaf 4.2.1) en tevens wordt aantasting van de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van langdurige leegstand en/of verdere verpaupering van de bedrijfsbebouwing voorkomen. Het plan sluit aan bij de kwaliteitskaart en de richtpunten voor ontwikkelingen in de gebieden ‘veenweidelandschap’ en ‘linten’. Stedelijke ontwikkelingen (Ladder voor duurzame verstedelijking) In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling bestaande uit twee wooneenheden in een bestaand bebouwingslint buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Op basis hiervan is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk. De twee woningen zijn regionaal afgestemd.

21

4.3 Regionaal Beleid 4.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, zijn niet in gebruik zijnde bedrijfspercelen niet wenselijk. Middels het plan wordt verpaupering van de voormalige bedrijfslocatie voorkomen. De woonpercelen en het openbaar terrein worden op een passende en verantwoorde wijze landschappelijk ingericht, waarbij o.a. de openheid van het landschap als uitgangspunt zijn genomen.

De nieuwe woningen wordt op een passende wijze vormgegeven en landschappelijk ingepast. Ten behoeve van het plan zal de huidige waterkering/kade worden verlegd. De kade met daarop een wandelpad zal ten zuidoosten van de kavels/vrijstaande woningen komen te liggen en worden aangesloten op het bestaande wandelpad. De sanering van de bestaande bebouwing, welke deels in de kernzone van de waterkering is gelegen zorgt voor een verbetering van de waterveiligheid. De verlegging van de waterkering zorgt voor een ruimtelijk beter in te richten situatie. De waterkering ligt niet in de achtertuin, maar wordt gecombineerd met de toegangsweg. De combinatie van de waterkering met het wandelpad en de toegangsweg naar de woningen maakt de toekomstige situatie voor beheer en onderhoud optimaal. Het openbaar maken van het wandelpad betekent een meerwaarde voor de recreant (recreatief medegebruik van het landschap). Het plan draagt bij de versterking van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van het landschap en is daarmee in overeenstemming met het regionaal beleid.

22

4.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied en een dynamische stedelijke zone. Elke gemeente en kern heeft kwaliteiten en weet sommige groepen te binden, maar andere weer minder. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Door een jaarlijkse woonmonitor worden bereikte resultaten en de planning voor volgende jaren geregistreerd. In de actualisatie van de woonvisie zijn de afspraken rond het afstemmen opgenomen. Daarbij is gebruik gemaakt van de jongste demografische cijfers van de provincie Zuid-Holland. Van belang is dat er voldoende flexibel geprogrammeerd wordt.

Ook is besloten gebruik te blijven maken van de benadering waarbij woonmilieus en mentality milieus als handreiking gebruikt worden. We sturen niet in exacte aantallen op de samenstelling van programma’s. In plaats daarvan hanteren we een kwalitatieve leidraad, die gemeenten helpt om lokaal de juiste keuzes te maken, in overleg met ontwikkelende partijen. Voor het woondorp Hoornaar geldt dat voor het realiseren van 5 wooneenheden (of minder), mits de totale groei van het aantal wooneenheden in Hoornaar niet groter is dan 0,7% van de totale woningvoorraad in de planperiode 2010-2020 geen regionale afstemming noodzakelijk is. Wel dienen de woningen te worden gemeld en worden meegenomen in de jaarlijkse monitor. De gemeente dient te waken over een goede spreiding van deze plannen in de tijd. In het plan worden per saldo twee wooneenheden toegevoegd aan de woningvoorraad van Hoornaar. De groei van het aantal wooneenheden in de kern Hoornaar is groter dan 0,7% van de totale woningvoorraad in de planperiode 20102020. Voor plannen in een woonkern waarbij de groei van de woningvoorraad is gelegen tussen de 0,8% en de 1,5% geldt dat uitsluitend een melding in het regionaal overleg voldoende is. De twee woningen zijn regionaal afgestemd en opgenomen in de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 20202030.

23

4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Omgevingsvisie Giessenlanden Op 14 december 2017 is de Omgevingsvisie Giessenlanden vastgesteld. De Omgevingsvisie heeft de formele status van een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1 Wet ruimtelijke ordening. Dit document bevat de visie van de gemeente voor de komende jaren. De visie geeft aan waar bestaande kwaliteiten liggen en waar ruimte ligt voor nieuwe ontwikkelingen (behoud bestaande omgevingswaarden en –kwaliteiten en versterken identiteit) en op welke wijze het gemeentebestuur als partner, bij wil en bij kan dragen aan plannen en wensen van inwoners en ondernemers, passend bij de visie. De gemeente heeft acht omgevingskwaliteiten geformuleerd: 1. Wij koesteren, versterken en stimuleren de identiteit van onze dorpen en hun ommeland. Dit door o.a. te bewaken dat het karakter van ieder dorp behouden blijft. 2. De ondergrond, cultuurhistorie en ontstaansgeschiedenis van een dorp en zijn ommeland dragen in belangrijke mate bij aan de huidige kwaliteit, karakteristiek en identiteit van dat dorp. Deze aspecten zijn een belangrijk vertrekpunt bij toekomstige ontwikkelingen. 3. Zorgvuldig ruimtegebruik is uitgangspunt. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij de huidige en toekomstige vraag; 4. De kwaliteiten van de onderlinge samenhang tussen de dorpen, het landschap en het water worden beschermd, benut en versterkt. 5.

De fysieke leefomgeving van de dorpen dient niet alleen functioneel te zijn, maar ook kwaliteit te bieden in beleving, veilig te zijn en bij te dragen aan de gezondheid van haar inwoners. 6. Wij stimuleren duurzame maatregelen welke een positieve bijdrage leveren aan het milieu. 7. Wij bieden ruimte aan innovatie, zolang deze geen afbreuk doet aan de overige omgevingskwaliteiten. 8. Wij behouden het evenwicht tussen een doeltreffende waterhuishouding en het karakteristieke slagenlandschap. Het landschap dankt haar karakteristiek mede aan het water en staat daar tegelijkertijd door onder druk. Het plan betreft een organische ontwikkeling langs de Dorpsweg. Bij de uitwerking en maatvoering van de nieuwe vrijstaande woningen is aangesloten bij de cultuurhistorische bebouwing in het lint (landelijke en traditionele uitstraling). De woonpercelen en het openbaar terrein worden op een passende en verantwoorde wijze landschappelijk ingericht. Een landschapsarchitect heeft voor het plangebied een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. De cultuurhistorische waarde van het gebied is daarmee gewaarborgd. De dijkverlegging zorgt voor een verbetering van de waterveiligheid en een ruimtelijk beter in te richten situatie. De combinatie van de waterkering met het wandelpad en de toegangsweg naar de woningen maakt de toekomstige situatie voor beheer en onderhoud optimaal.

Het openbaar maken van het wandelpad betekent een meerwaarde voor de recreant (recreatief medegebruik van het landschap). Het plan is een passende ontwikkeling in het gebied. Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie Giessenlanden.

24

4.4.2 Woonvisie Buitengewoon Wonen In juni 2016 heeft de voormalige gemeente Giessenlanden de woonvisie ‘Buitengewoon Wonen’ vastgesteld. De doelstelling van de woonvisie is om te komen tot een passend woningaanbod binnen een aantrekkelijk woongebied. Inwoners moeten binnen hun mogelijkheden zoveel mogelijk hun woonwensen kunnen realiseren. In het gemeentelijk woonbeleid staan de volgende thema’s centraal: 1. Het faciliteren van initiatieven; 2. Aandacht voor kwaliteit, duurzaamheid en toekomstbestendigheid; 3. Het bevorderen van doorstroming. Het plan betreft de realisatie van twee burgerwoningen. Het plan is daarmee kleinschalig van aard. Het plan betreft een kwalitatieve toevoeging aan de woningvoorraad van de gemeente Molenlanden. Het plan draagt bij aan het streven van de gemeente Molenlanden om de doorstroming op de woningmarkt te bevorderen. Doorstroming is essentieel voor een gezonde woningmarkt. De geplande woningen kunnen worden geschaard in het duurdere prijssegment, waarmee doorstroming in de bestaande bouw wordt gestimuleerd. Gezien de ligging van het plangebied aan de Giessen en de actuele verkoopcijfers is naar verwachting voldoende vraag naar de woningen. 4.4.3 Bestemmingsplan ‘Dorpskern Hoornaar’ Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Dorpskern Hoornaar’ ( vastgesteld op 26 januari 2012).

Het plangebied heeft de enkelbestemmingen: • Tuin; • Bedrijf – Paardenhouderij; • Wonen; Met de dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie – 3; • Waarde – Archeologie – 4’ • Waterstaat – Waterbergingsgebied; • Waterstaat – Waterkering; En de aanduidingen: • Maximale goothoogte (m): 4; • Maximaal aantal wooneenheden: 1 • Bouwvlak.

Afbeelding 15: Uitsnede bestemmingsplan 'Dorpskern Hoornaar'

Het voorgenomen plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskern Hoornaar’. Het perceel Dorpsweg 64 heeft de bestemmingen ‘Bedrijf Paardenhouderij’ en ‘Tuin’. Op deze gronden is het niet toegestaan om burgerwoningen te realiseren.

25

4.4.4 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ Het zuidwestelijke deel van het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ (vastgesteld op 3 november 2015). Het plangebied heeft de enkelbestemming: • Natuur. Met de dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie – 4’ • Waterstaat – Waterbergingsgebied; • Waterstaat – Waterkering; En de aanduiding: • Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk;

Afbeelding 16: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ en de gebiedsaanduidingen ‘vrijwaringszones – dijk – 1’ van de nieuwe waterkering aangesloten op de bestaande waterkering.

26

4.5 Conclusie Op basis van hoofdstuk 4 ‘Beleidskaders’ kan worden geconcludeerd dat: • • •

• • •

• • •

Er is sprake van strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskern Hoornaar’; Het plan betreft geen nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’, waardoor toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet vereist dan wel noodzakelijk is; Het plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit (forse afname verharding). Tevens wordt langdurige leegstand en verdere verpaupering van de bedrijfsbebouwing en daarmee aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen. De woningen zijn regionaal gemeld. De woningen worden meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030. De sanering van de bestaande bebouwing, welke deels in de kernzone van de waterkering is gelegen zorgt voor een verbetering van de waterveiligheid; De verlegging van de waterkering, noodzakelijk voor de realisatie van de (compensatie)woningen, zorgt voor een ruimtelijk beter in te richten situatie. De waterkering ligt niet in de achtertuin, maar wordt gecombineerd met de toegangsweg; De combinatie van de waterkering met het wandelpad en de toegangsweg naar de woningen maakt de toekomstige situatie voor beheer en onderhoud optimaal. Het openbaar maken van het wandelpad betekent een meerwaarde voor de recreant (recreatief medegebruik van het landschap). Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders.

27

5 ONDERZOEK/VERANTWOORDING 5.1 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein en kan dus buiten beschouwing worden gelaten. Onderzoek Het plan betreft de nieuwbouw van twee nieuwe vrijstaande woningen.

In het kader van de Wgh is hiermee sprake van toevoeging van nieuwe geluidsgevoelige objecten en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Om de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai op de woning in kaart te brengen is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: •

• •

‘De berekende geluidbelasting op de woningen ten gevolge van de Dorpsweg, Grotewaard, Smoutjesweg en Overslingeland ten hoogste respectievelijk 33, 32, 19 en 34 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is (ruimschoots) lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer. De berekende gecumuleerde geluidbelasting op de woningen ten gevolge van alle wegen ten hoogste 37 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; Alle gevels van de woningen zijn geluidluw, zodat zonder meer aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.

Voor de woningen in het plangebied hoeven geen hogere waarden te worden vastgesteld. Voor de woningen hoeft geen aanvullend onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd te worden om de karakteristieke geluidwering van de gevel te bepalen en te toetsen aan de wettelijke eisen uit het Bouwbesluit.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai geen belemmeringen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=42381f3d-8215-4645-9b8d-986419370976