Bijlage 3. Concept Ruimtelijke motivering Steegse Hout
Tekst van het document
de categorie solitaire bedrijvigheid. Hieronder vallen bedrijfslocaties buiten de bedrijventerreinen, langs wegen en linten. Hierbij gaat het om bedrijfslocaties in bijvoorbeeld de industrie, transport, handel en dienstverlening, buiten de bedrijventerreinen en dorpskernen. Op het perceel Abbekesdoel 22a te Bleskensgraaf zijn al jaren de bedrijven Nationale Bomenbank en Terra Nostra gevestigd. Deze bedrijven houden zich van oudsher bezig met kennisontwikkeling, onderzoek, de instandhouding, het beheer en de aanplant en verplant van (grote) bomen. Door de veranderende markt richten de bedrijven zich nu meer op kennisontwikkeling en specialistische boomzorg. Dit betekent dat het grootste deel van het terrein (ten zuiden van de wetering) zijn functie heeft verloren. Daarbij zijn het huidige terrein en de bedrijfsloodsen gedateerd. De werkprocessen kunnen niet meer optimaal worden voorbereid. De huidige bedrijfsloods (ca. 600 m2) blijft bestaan. Het plan is om een nieuwe bedrijfsloods te realiseren met een oppervlakte van ca. 510 m2, een goothoogte van 4,5 meter en een nokhoogte van 7,5 meter (geen onderdeel van deze aanvraag). De bedrijfsloodsen worden gebruikt voor opslag van machines.
Gezien de grote behoefte van de bedrijven Nationale Bomenbank en Terra Nostra naar een nieuwe bedrijfsruimte, dat voldoet aan de eisen in de huidige markt, is besloten om vooruitlopend op deze procedure een omgevingsvergunning aan vragen voor de bouw van de nieuwe bedrijfsloods. Conform het Beleidskader bedrijvigheid Molenlanden is het uitbreiden van de bebouwingsmogelijkheden binnen een bestaande bedrijfskavel mogelijk onder de volgende voorwaarden: • Een eenmalige uitbreiding van het bebouwingspercentage met 30% wordt overwogen, indien: • Onderbouwd is dat de uitbreiding aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van milieu, verkeer, vervoersbewegingen, landschap. Linten kenmerken zich door een afwisseling van bebouwing en openheid. Wanneer het vergroten van de bebouwingsmogelijkheden leidt tot een substantiële aantasting van openheid op dat deel van het lint, wordt niet meegewerkt. Bij het vergroten van de bebouwingsmogelijkheden zal tevens beoordeeld worden hoe de bebouwing en het bedrijfsperceel landschappelijk goed in te passen. • De uitbreiding niet leidt tot onevenredige milieu-uitstraling naar omliggende gevoelige percelen/bestemmingen. Het bouwvlak op het bedrijfsperceel heeft een oppervlakte van ca. 1,2 ha. Op het bedrijfsperceel staat een kantoor van ca. 260 m2 en een loods van 600 m2 (daarmee is slechts 7,16% van het bouwvlak bebouwd).
De nieuwe bedrijfsloods heeft een oppervlakte van ca. 510 m2 (daarmee is in de nieuwe situatie 11,42 % van het bouwvlak bebouwd). Met het plan wordt voorzien in de noodzakelijke inpandige opslagcapaciteit van het bedrijf vergroot (de werkprocessen kunnen niet meer optimaal worden voorbereid) en wordt een toekomstbestendige situatie gecreëerd voor de bedrijven. Het plan zal tevens niet leiden tot onevenredige milieu-uitstraling naar omliggende gevoelige percelen/bestemmingen. Het plan is getoetst aan het VNG-Handboek 34
Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) vallen de bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 2.0. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 30 meter. Binnen een straal van 30 meter zijn geen woningen of andere milieugevoelige gebouwen gelegen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de omgeving. Kortom, het plan voldoet aan de beleidslijn van het Beleidskader Bedrijvigheid.
3.5.3 Omgevingsvisie gemeente Molenlanden De gemeente Molenlanden is bezig met het ontwikkelen van een omgevingsvisie die de koers voor de toekomst van de gemeente bepaalt. De visie richt zich op de inrichting van de fysieke leefomgeving met een horizon tot 2040. In de ontwerpomgevingsvisie worden zes leidende ambities benoemd welke met elkaar een integrale blik op de toekomst vormen: 1. Levendige kernen met een eigen karakter; 2. Een gezonde, inclusieve en samenredzame samenleving; 3. Een vitaal en toekomstbestendig landelijk gebied: water en bodem sturend; 4. Een optimaal ondernemersklimaat voor passende bedrijvigheid; 5. Een klimaatrobuuste, circulaire en energieneutrale gemeente; 6. Een veilig en duurzaam bereikbare gemeente. Het plan sluit aan bij de omgevingsvisie van de gemeente Molenlanden. Het plan sluit aan bij de visie van de gemeente voor het creëren van een optimaal ondernemersklimaat voor passende bedrijvigheid. Met dit plan wordt een toekomstbestendige situatie gecreëerd voor Molenlandse en maatschappelijk betrokken bedrijven (maatschappelijke meerwaarde). Daarnaast wordt met het plan een maatschappelijke voorziening in de vorm van een zorginstelling (dagopvangcentrum) toegevoegd voor mensen met een verstandelijke beperking. De combinatie dagopvangcentrum is een maatschappelijke meerwaarde voor de gemeente Molenlanden.
3.5.4 Omgevingsplan gemeente Molenlanden Per 1 januari 2024 is vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet het Omgevingsplan gemeente Molenlanden in werking getreden. Het Omgevingsplan betreft een vooraf door het rijk opgesteld omgevingsplan dat ook wel bekend staat als ‘de bruidsschat’ en is voor iedere gemeente identiek bij inwerktreding. Op dit moment is de gemeente Molenlanden bezig met het opstellen van een eigen omgevingsplan. De planning is dat dit omgevingsplan in 2030 wordt vastgesteld. Tot die tijd gelden de bestemmingsplannen en de bruidsschat als één omgevingsplan. In paragraaf 1.3 is het vigerend bestemmingsplan uiteengezet.
35
4.
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader De wetgeving rond de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in Afdeling 16.4. Milieueffectrapportage van de Omgevingswet (artikel 16.34 Omgevingswet). Artikel 16.34. (reikwijdte, bevoegd gezag plan-mer) 1. Deze paragraaf gaat over de milieueffectrapportage voor plannen en programma’s als bedoeld in artikel 2, onder a, van de smb-richtlijn, waarvan de vaststelling is geregeld in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen en waarin het voor de vaststelling van die plannen en programma’s bevoegde bestuursorgaan en de procedure voor de opstelling ervan is vastgelegd. 2. In deze paragraaf wordt onder een plan of programma in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Onder de Omgevingswet geldt een plan-mer-plicht wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een mer-(beoordelings) plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het plan-mer brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving.
Hiermee draagt het plan-mer ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan gevallen genoemd waarvoor een merplicht (kolom 2) of een mer-beoordelingsplicht (kolom 3) geldt. Indien het plan valt binnen kolom 2, dan dient direct een milieueffectrapportage opgesteld te worden, omdat het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Voor projecten die vallen binnen kolom 3 is op voorhand nog niet duidelijk dat het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Daarom dient het project eerst beoordeeld te worden aan de hand van de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn. Indien uit de beoordeling blijkt dat het project voorziet in negatieve milieueffecten, dan geldt alsnog de verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Als uit de beoordeling blijkt dat het project niet voorziet in milieueffecten, dan is een milieueffectrapportage niet nodig. Onderzoek Het plangebied betreft een bestaande bedrijfslocatie waar de bedrijven Nationale Bomenbank en Terra Nostra zijn gevestigd. Het plan is om het terrein (de voormalige bomenkwekerij) ten zuiden van de wetering aan te passen naar een multifunctionele groene omgeving met daarin de functies werken, zorg, wonen en natuur gecombineerd.
De nieuwe functies (een zorginstelling en drie vrijstaande woningen) zijn kleinschalig van aard en worden op een passende wijze in het bos ingepast. Het plan betreft daarmee geen ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (J11). Ook valt het plan niet onder andere categorieën die zijn genoemd in kolom 1 van bijlage
36
V bij het Omgevingsbesluit. Derhalve geldt er geen mer-(beoordelings)plicht voor dit plan. Conclusie Er geldt geen mer-(beoordelings)plicht voor dit plan. Verder blijkt ook dat het plan niet zal voorzien in significante negatieve effecten op het milieu zoals omschreven in artikel 16.34 lid 2 Omgevingswet.
37
4.2 Verkeer en vervoer Beleidskader Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd. Verder dient rekening te worden gehouden met bestaand beleid. Nota Parkeernormen Molenlanden 2020 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'. Dit parkeerbeleid is gebaseerd op de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018). In het CROW-beleid wordt uitgegaan van een bandbreedte van een minimale tot een maximale parkeernorm. In de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020' wordt uitgegaan van het gemiddelde. Onderzoek Ontsluiting plangebied Het plangebied wordt in de bestaande situatie ontsloten via één in- en uitrit op de Abbekesdoel en één in- en uitrit op de Wijngaardseweg. De verkeersituatie aan de Abbekesdoel blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Voor de zorginstelling wordt een nieuwe in- en uitrit (dam) gerealiseerd op de Wijngaardseweg. Daarnaast wordt de bestaande in- en uitrit op de Wijngaardseweg verplaatst ten behoeve van de ontsluiting van de nieuwe woningen. De Nationale Bomenbank en Terra Nostra worden overeenkomstig de bestaande situatie ontsloten via het Abbekesdoel. De verkeerstromen voor wonen, zorg en de bedrijven zijn daarmee gescheiden.
Bereikbaarheid De locatie heeft een goede bereikbaarheid voor zowel de auto, fiets als openbaar vervoer. In de nabijheid van het perceel Abbekesdoel 22a is een bushalte gelegen. De Abbekesdoel kan aangemerkt worden als de hoofdverkeersstroom nabij de locatie waar verkeer zich langs de Graafstroom voortbeweegt en de kernen Oud Alblas en Bleskensgraaf met elkaar verbindt. De Wijngaardseweg verbindt de N214 met de Abbekesdoel en zorgt voor een ontsluiting voor ondermeer lokaal verkeer waaronder ook veel fietsers. Verkeersgeneratie Om er zeker van te zijn dat het plan niet leidt tot negatieve effecten op de verkeersafwikkeling en verkeerveiligheid in het gebied is de extra verkeersgeneratie van het plan berekend. Voor de vaststelling van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van het CROW (publicatie 744 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’). Voor het plan uitgegaan van de gemiddelde kencijfers gelegen in het ‘buitengebied’ van een ‘niet stedelijk’ gebied.
38
Tabel 1: Verkeersgeneratie Categorie
Bestaande situatie Vrijstaande woning (Abbekesdoel 22) Kantoor Nationale Bomenbank (kantoor zonder baliefunctie) Bedrijfsloods (Bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief)
Nieuwe situatie Vrijstaande woningen (incl. woning Abbekesdoel 22) Kantoor Nationale Bomenbank (kantoor zonder baliefunctie) Bestaande bedrijfsloods (Bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief) Nieuwe bedrijfsloods (Bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief) Groene kas (dagbesteding cliënten) (Commerciële dienstverlening) Dagopvangcentrum*
Aantal / VoertuigBVO bewegingen per woning / per 100 m2 BVO
Verkeersgeneratie
1
8,2
8,2
260
8,75
22,8
600
4,8
28,8
Subtotaal (afgerond)
60 verkeersbewegingen
4
8,2
32,8
260
8,75
22,8
600
4,8
28,8
510
4,8
24,5
225
16,55
37,3
Subtotaal (afgerond)
12,0* 158 verkeersbewegingen
Verschil (afgerond)
Toename van 98 verkeersbewegingen
* De CROW-publicatie bevat geen categorie dagopvang. De CROW bevat wel een categorie ‘kinderdagverblijf’, maar een gemiddeld kengetal van 37,4 verkeersbewegingen per 100 m2 BVO is niet reëel voor deze zorginstelling. Voor de dagopvang is een inschatting gemaakt van de verwachte verkeersgeneratie. In de ochtend of begin middag worden de cliënten van en naar de zorginstelling voor de dagbesteding gebracht en in de namiddag weer opgehaald. Gezien de grootte van de groepen (max. 30 personen) betekent dit circa 6 taxibusjes of personenauto’s in zowel de ochtend (rond 8-9 uur en in de namiddag (rond 16-17 uur). De groene kas kan incidenteel tot extra verkeersbewegingen van voornamelijk autoverkeer leiden. Dit zal afhangen van extra werk gerelateerde bijeenkomsten van de Nationale bomenbank en Terra Nostra. Hiervoor zal gebruik gemaakt worden van de Wijngaardseweg. De extra verkeersgeneratie van dit plan is dermate laag dat het 39
niet aannemelijk is dat de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid buitenproportioneel wordt benadeeld als gevolg van dit plan. De Wijngaardseweg kan de extra verkeersbewegingen van deze kleinschalige ontwikkeling op een goede en veilige manier afhandelen. Daarnaast zullen de in- en uitritten op de Wijngaardseweg zodanig worden ingericht dat er sprake is van een overzichtelijke situatie waarbij auto’s elkaar kunnen passeren. Parkeren Voor de parkeerberekening is gebruik gemaakt van het gemeentelijk parkeerbeleid zoals vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'. In de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020' wordt uitgegaan van het gemiddelde. Het plangebied is gelegen in het gebiedstype ‘buitengebied’ van een ‘niet stedelijk gebied’. Tabel 2: Parkeerberekening Categorie
Bestaande situatie Vrijstaande woning (Abbekesdoel 22) Kantoor Nationale Bomenbank (kantoor zonder baliefunctie) Bedrijfsloods (Bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief) Nieuwe situatie Vrijstaande woningen (incl. woning Abbekesdoel 22) Kantoor Nationale Bomenbank (kantoor zonder baliefunctie) Bestaande bedrijfsloods (Bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief) Nieuwe bedrijfsloods (Bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief) Groene kas (dagbesteding cliënten) (Commerciële dienstverlening) Dagopvangcentrum* (Kinderdagverblijf)
Aantal / BVO
Parkeernorm per woning / per 100 m2 BVO
Parkeerbehoefte
1
2,4
2,4
260
2,6
6,8
600
1,1
6,6
Subtotaal (afgerond)
16 parkeerplaatsen
4
2,4
9,6
260
2,6
6,8
600
1,1
6,6
510
1,1
5,6
225
3,6
8,1
375
1,5
5,7
Subtotaal (afgerond)
43 parkeerplaatsen
Verschil (afgerond)
Toename van 27 parkeerplaatsen
40
Parkeeroplossing Het parkeren wordt volledig opgelost op eigen terrein. Aan de noordzijde van het perceel Abbekesdoel 22a (nabij het kantoor) is een parkeerterrein gelegen dat ruimte biedt voor het parkeren van 10 auto’s (zie afbeelding 15). Verder worden op eigen terrein, nabij de bedrijfsloodsen en het dagopvangcentrum in totaal 49 parkeerplaatsen gerealiseerd. Tot slot, hebben alle vrijstaande woningen, inclusief de bestaande woning Abbekesdoel 22, de mogelijkheid tot het parkeren van minimaal 3 auto’s op eigen terrein. Hiermee wordt voorzien in totaal 12 parkeerplaatsen. Het plan voorziet met de realisatie van in totaal 71 parkeerplaatsen ruimschoots aan de parkeerbehoefte. Het plan voldoet aan het gemeentelijk parkeerbeleid.
Afbeelding 15: Parkeerterrein noordzijde
41
4.3 Water Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW014. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -2,28 m NAP en een winterpeil van -2,33 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil van drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter.
Afbeelding 16: Uitsnede kaart peilgebieden
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3
42
waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. • Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2 respectievelijk 500 m2; • Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht. Voor het plan is een verhardingsbalans opgesteld. Gezien in het gebied ten noorden van de wetering geen fysieke wijzigingen plaatsvinden (uitsluitend juridisch-planologische wijzigingen) is dit deel van het plangebied buiten de verhardingsbalans gelaten. Tabel 3: Verhardingsbalans Onderdeel Bestaande situatie Bebouwing (bedrijfsloods) Buitenterrein en overige verharding Groen Water Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Bebouwing bestaand (bedrijfsloods) Dagopvangcentrum en groene kas Bouwkavels (45% van 11.717 m2)* Verharding bedrijf (incl. pad kwekerij) Verharding dagopvang Verharding ontsluiting zorg Verharding ontsluiting woningen Parkeerplaatsen bedrijf Parkeerplaatsen zorg Groen Water Totaal nieuwe situatie
Oppervlakte
Percentage
Meetellend verhard oppervlak
600 5.500
100 100
600 5.500
62.500 6.400 75.000
0 0
0 0 6.100
600
100
600
600
100
600
5.273
100
5.273
4.400
100
4.400
890 923 3.236
100 100 100
890 923 3.236
456 206 48.130 8.200 75.000
50 50 0 0
228 103 0 0 16.253
Verschil
+ 10.153
* Wanneer er nog geen exacte bouwplannen liggen hanteert waterschap Rivierenland voor bouwkavels met vrijstaande woningen de vuistregel dat 70% zal worden verhard. Gezien hier sprake is van kavels met daarop natuurwoningen, waarbij de bestaande bomen zoveel mogelijk behouden zullen blijven, is dit percentage niet reëel. Voor de verhardingsbalans is uitgegaan van een verhardingspercentage van 45%.
43
Het plan resulteert in een totale toename aan verharding met 10.153 m2. Op basis hiervan is het realiseren van watercompensatie noodzakelijk. De benodigde waterberging bedraagt 10.153 m2 * 0,0436 m3/ha = 442,67 m3. Uitgaande van een toegestane peilstijging van 0,20 m is er een toename aan wateroppervlak van 2.213 m2 benodigd. Voor de realisatie van de watercompensatie is een watervergunning van het waterschap Rivierenland benodigd. Om aan de watercompensatieplicht te voldoen worden nieuwe watergangen gerealiseerd (met een breedte tussen 3 en 5 meter). Daarnaast worden drie waterpoelen gerealiseerd op het perceel ten westen van de Bomenbank en een plasdrasgebied aan de noordzijde van het plangebied (zie afbeelding 17). In aanvulling hierop zullen bestaande watergangen op het terrein waar de waterpoelen en natuur wordt gerealiseerd worden verbreed. Dit zal in het kader van de watervergunning nader worden uitgewerkt. Hiermee wordt voorzien in voldoende watercompensatie.
Plasdrasgebied
Waterpoelen
Afbeelding 17: Nieuwe situatie (bron: Landschaps- en beheerplan Brons +partners i.s.m. Bongers architecten, uitvergroot in bijlage)
Watergangen Aan de noord- en zuidzijde van het plangebied is een primaire watergang gelegen (de weteringen). Verder liggen er in het plangebied een secundaire en diverse tertiaire watergangen. Middels dit plan worden geen bestaande watergangen gedempt. Daarnaast wordt er geen bebouwing of verharding gerealiseerd in de beschermingszones van de primaire watergangen. Voor het plan zal in het plangebied nieuw oppervlaktewater worden gegraven, bestaande uit nieuwe watergangen en een drietal waterpoelen. Hiermee wordt voldaan aan de watercompensatieplicht. Dit zal in het kader van de watervergunning nader worden uitgewerkt door een civieltechnisch bureau. Op 23 mei 2024 is het plan voorbesproken met mevr. Gejas-Josten van het waterschap Rivierenland. In het overleg is gesproken over de te realiseren dammen/ inritten op de Wijngaardseweg (voorzien van een duiker). In de nieuwe situatie is er sprake van twee inritten op de Wijngaardseweg. De dammen/inritten zijn akkoord
44
voor autoverkeer <15 ton en kunnen via de gemeente Molenlanden worden aangevraagd.
Afbeelding 18: Uitsnede digitale legger
Waterkering Het noordelijk deel van het plangebied is gelegen in de beschermingszone van een regionale waterkering. In het noordelijk deel van het plangebied (ten noorden van de wetering) vinden geen fysieke werkzaamheden plaats (uitsluitend juridischplanologische wijzigingen). Het plan heeft daarmee geen nadelige effecten voor het onderhoud en de instandhouding van de waterkering. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Door Adcim B.V. is een rioleringsplan opgesteld voor het plan. Het rioleringsplan is toegevoegd in de bijlage. 45
Voor het HWA-stelsel is het afvoerend oppervlak volledig verantwoordelijk voor de hydraulische belasting. Een nauwkeurige bepaling hiervan draagt bij aan een realistische benadering van de werkelijkheid bij het modelleren van het HWA-stelsel. Het hemelwater dient zo veel mogelijk oppervlakkig af te stromen richting de watergangen. In het noordelijke deel van het plangebied is echter een hemelwaterstelsel noodzakelijk om de afwatering te bevorderen. In de delen van het plangebied waar geen HWA-stelsel is aangegeven, wordt verwacht dat het regenwater dat op de weg valt, naar de omliggende groengebieden zal stromen. De gebouwen en het bestaande verharde buitenterrein bevinden zich allemaal dicht bij de watergangen, waardoor het eenvoudig is om het water direct naar het oppervlaktewater te leiden. Het bestaande verharde terrein watert af op een lijngoot naar de aangrenzende watergang. De grasoppervlakten behoeven geen aanvullende maatregelen, aangezien het regenwater hier in de bodem zal infiltreren en/of oppervlakkig zal afstromen richting de watergangen. In het bestaande plangebied is er geen DWA-productie. Door de realisatie van de nieuwe woningen zal er een toename van de DWA-productie plaatsvinden. De berging in het nieuwe stelsel bedraagt ca. 16,66 m³, wat voldoende is voor ongeveer 48 uur berging bij een DWA productie van 8,35 m³/24 uur.
In het plangebied wordt een ledigingsgemaal geïnstalleerd met een belasting van 0,84 m³/uur en een minimale capaciteit van 1,68 m³/uur, waarbij een standaard mini-gemaal met een capaciteit van 8 m³/h gebruikt zal worden. De persleiding HDPE Ø63mm kan 11,23 m³/uur verwerken, wat voldoende is voor toekomstige uitbreidingen. Wegbeheer Het plangebied wordt in de bestaande situatie ontsloten via één in- en uitrit op de Abbekesdoel en één in- en uitrit op de Wijngaardseweg. De verkeersituatie aan de Abbekesdoel blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Voor de zorginstelling wordt een nieuwe in- en uitrit (dam) gerealiseerd op de Wijngaardseweg. Daarnaast wordt de bestaande in- en uitrit op de Wijngaardseweg verplaatst ten behoeve van de ontsluiting van de nieuwe woningen. De Nationale Bomenbank en Terra Nostra worden overeenkomstig de bestaande situatie ontsloten via het Abbekesdoel. De verkeerstromen voor wonen, zorg en de bedrijven zijn daarmee gescheiden. Op 23 mei 2024 is het plan voorbesproken met mevr. Gejas-Josten van het waterschap Rivierenland. In het overleg is gesproken over de te realiseren dammen/ inritten op de Wijngaardseweg (voorzien van een duiker). In de nieuwe situatie is er sprake van twee inritten op de Wijngaardseweg. De dammen/inritten zijn akkoord voor autoverkeer <15 ton en kunnen via de gemeente Molenlanden worden aangevraagd.
Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.
46
4.4 Geluid Beleidskader Op grond van paragraaf 22.3.4 Omgevingswet en paragraaf 3.5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet rekening worden gehouden met geluid dat door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en locaties wordt afgewenteld. Daarom moet rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele activiteiten, activiteiten op een industrieterrein en de geluiduitstraling door wegen en spoorwegen. Als geluidgevoelige gebouwen zijn woon-, onderwijsen gezondheidsfuncties en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang aangewezen. Hieronder vallen niet alleen gebouwen die al gebouwd zijn, maar ook gebouwen die nog niet aanwezig zijn maar wel planologisch zijn toegestaan. Ten aanzien van wegverkeerslawaai richt de instructieregel zich op wegen waarop de intensiteit van het wegverkeer gemiddeld over een jaar, groter is dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Onderzoek Het plan voorziet in de nieuwbouw van drie vrijstaande woningen en een dagopvangcentrum (zorg). Door Adromi is een akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage. Uit de berekeningsresultaten voor het aspect wegverkeerslawaai volgt dat ten gevolge van de omliggende waterschapswegen onder de standaardwaarde Lden van 53 dB gebleven wordt. Met dit onderzoek is aangetoond dat met de ontwikkeling sprake zal zijn van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.
Het aspect geluid staat de realisatie van het bouwplan dan ook niet in de weg. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.
47
4.5 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 2.1 van de Omgevingswet moeten bij een ruimtelijke procedure een veilige en gezonde fysieke leefomgeving geborgd worden. Op grond van paragraaf 2.2.1.1, de artikelen 5.50 en 5.51, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de daarin opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin op grond van het omgevingsplan de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt, of voorzien wordt in activiteiten die een toename in de verkeersintensiteiten veroorzaken. In onderstaande tabel zijn de omgevingswaarden opgenomen. Tabel 4: Omgevingswaarden luchtkwaliteit (artikel 5.50 lid 2 Bkl) Artikel Bkl Stof Toetsing van Grenswaarde 2.4 lid 1 sub b Stikstofdioxide (NO2) kalenderjaar40 µg/m3 gemiddelde 2.5 lid 1 sub a Fijnstof (PM10) 24Max.
35 keer per jaar uurgemiddelde meer dan 50 µg/m³ 2.5 lid 1 sub b Fijnstof (PM10) kalenderjaar40 µg/m³ gemiddelde Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) het volgende overzicht voor het monitoringsjaar 2022 (x: 112791 y: 431418): • Een stikstofconcentratie van 15,09 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 16,70 µg/m3 PM10; Op basis van bovenstaande kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan alle grenswaarden wordt voldaan. Niet in betekenende mate (NIBM) Een toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2μg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (bkl). Dit plan is zeer kleinschalig van schaal en aard, waardoor gesteld kan worden dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Bkl is daardoor geen toetsing nodig. Conclusie Het plan ondervindt ten aanzien van aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen.
48
4.6 Geur Beleidskader De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het plangebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het plangebied, optreedt. In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau aanvaardbaar is. In deze instructieregels zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties, het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moeten voldoen. In het Bkl worden geurgevoelige gebouwen beschermd tegen onevenredige geurhinder. Als geurgevoelige gebouwen zijn woon-, onderwijs- en gezondheidsfuncties en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang aangewezen. Delen van een gebouw waar deze functies niet zijn toegelaten, worden niet aangemerkt als geurgevoelig. Onderzoek Het plan voorziet in de nieuwbouw van drie vrijstaande woningen en een dagopvangcentrum (zorg). Dit betreffen geurgevoelige functies. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen geur uitstotende functies, zoals waterzuiveringsinstallaties of agrarische bedrijven aanwezig.
Daarnaast zijn de bedrijfsactiviteiten op de locatie in de nieuwe situatie niet geuruitstotend. De bedrijven houden zich bezig met kennisontwikkeling en specialistische boomzorg. Het uitvoeren van een geuronderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geur geen belemmeringen.
49
4.7 Bodem Beleidskader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl instructieregels opgenomen voor het aspect bodem. De regels bepalen voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: • landbouw/natuur; • wonen; • industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Deze niveaus zijn opgenomen in bijlage Vb van het Bkl. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen is voor het totaalplan door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage van deze ruimtelijke motivering. Op grond van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit in algemene zin geen belemmering of beperking voor de bestemming wonen. Gezien het gehalte aan PFOA dient afvoer van grond voorkomen te worden. Derhalve dient er gewerkt te worden met een gesloten grondbalans.
Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan.
50
4.8 Milieuzonering Beleidskader De Omgevingswet bepaalt dat overheden bij het vaststellen van ruimtelijke plannen moeten aantonen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies op locaties. Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een richtafstand aan tot woningen of andere 'milieugevoelige' functies. Onderzoek Het plan voorziet in de drie vrijstaande woningen en een dagopvangcentrum (zorg). Hiermee is sprake van het toevoegen van milieugevoelige functies. Verder wordt de bedrijfswoning Abbekesdoel 22 gewijzigd naar een burgerwoning en wordt het huidige kantoorpand van de Nationale Bomenbank bestemd als kantoor. In de omgeving van deze milieugevoelige functies zijn uitsluitend de bedrijfsactiviteiten van de Nationale Bomenbank en Terra Nostra relevant. Deze bedrijven houden zich bezig met kennisontwikkeling en specialistische boomzorg. De bedrijfsloodsen op het terrein worden gebruikt voor opslag van machines. Het aansluitend terrein betreft een bomendepot.
De nieuw te bouwen ‘groene kas’ onderdeel van de zorginstelling. In de kas komt een aan de zorg gebonden kleinschalige winkel- en horecafunctie (die als doel hebben om cliënten een nuttige dagbesteding te bieden). De bedrijfsactiviteiten kunnen conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) worden geschaard in milieucategorie 2.0, waarbij de groene kas kan worden geschaard in milieucategorie 1.0. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 30 en 10 meter. De drie vrijstaande woningen en het dagopvangcentrum (zorg) vallen buiten de gestelde richtafstanden. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect milieuzonering geen belemmeringen.
51
4.9 Omgevingsveiligheid (externe veiligheid) Beleidskader De Omgevingswet is in vier AMvB’s uitgewerkt: 1. Omgevingsbesluit; 2. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); 3. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); 4. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Bij het beschouwen van omgevingsveiligheid/externe veiligheid bij ruimtelijke plannen is zonder meer het Bkl van toepassing. Het Bal en het Bbl kunnen aanvullend ook van toepassing zijn. Het Bkl: kwaliteitseisen Het Bkl stelt vergelijkbare eisen als het voormalige Bevi, Bevt en Bevb. Dit betekent dat rekening moet worden gehouden met risicobronnen, waarbij plannen moeten voldoen aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Deze grenswaarde staat voor de meeste activiteiten voorgeschreven in het Bal, maar moet voor een aantal activiteiten rekenkundig worden bepaald. Daarnaast moet het bevoegd gezag rekening houden met de kans op 10 of meer slachtoffers (groepsrisico), maar hoeft deze kans niet per se kwantitatief te worden bepaald. Als hulpmiddel bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden straks drie typen aandachtsgebieden: • Brandaandachtsgebied (BAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 is.
Voor de nabijgelegen Betuweroute en snelweg A15 geldt een brandaandachtsgebied van 30 meter. Langs deze twee transportroutes, met relatief hoge vervoersintensiteiten, wordt het BAG van rechtswege omgezet in een brandvoorschriftengebied. • Explosieaandachtsgebied (EAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: a. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is; b. een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is. • Gifwolkaandachtsgebied (GAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling. Het gifwolkaandachtsgebied wordt bij bedrijven per milieubelastende activiteit bepaald en wordt begrensd op maximaal 1.500 meter. Mogelijk gaat op termijn voor het spoor een GAG gelden; dit GAG wordt 300 meter. Het Bbl: eventuele maatregelen met betrekking tot Omgevingsveiligheid Het Bbl schrijft de bouwkundige maatregelen voor die gelden in een brandvoorschriftengebied en in een explosievoorschriftengebied. • Voor brandaandachtsgebieden zijn de maatregelen gericht op de beperking van brandoverslag door aanstraling en op vluchtmogelijkheden: a.
Een uitwendige scheidingsconstructie heeft een brandwerendheid van minstens 60 minuten; 52
•
•
b. de aan de buitenlucht grenzende zijde voldoet aan brandklasse A2; c. het dak is bedekt met constructiematerialen die voldoen aan brandklasse A2; d. vluchtmogelijkheden van de bron af; e. het gebouw moet voldoen aan een bepaalde sterkte in geval van brand. Voor een explosieaandachtsgebied geldt artikel 4.96 Bbl. Dit betekent dat in een explosievoorschriftengebied gelegen beglazing zodanig moet worden uitgevoerd, dat bij een explosie letsel door scherfwerking wordt voorkomen. Voor gifwolkaandachtsgebieden geldt geen voorschriftengebied en gelden dus ook geen specifieke voorschriften. Wel geldt, net als in het Bouwbesluit, het algemene voorschrift dat mechanische ventilatie moet kunnen worden uitgeschakeld.
Het Bal: activiteiten Het Bal beschrijft de voorschriften voor milieubelastende activiteiten. Met betrekking tot het plaatsgebonden risico staan voor activiteiten met een omgevingsrisico, zoals opgenomen in bijlage VII van het Bkl, afstanden opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Binnen deze afstand zijn (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare terreinen niet toegestaan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare terreinen geldt deze afstand als een richtwaarde. Onderzoek Voor het inventariseren van externe veiligheidsbronnen in de omgeving van het plangebied is de Atlas voor de Leefomgeving geraadpleegd. Milieubelastende activiteiten Uit de kaart Veilige Omgeving van de Atlas van de Leefomgeving blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen invloedssferen van (bedrijfs)activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante transportroutes aanwezig. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect omgevingsveiligheid / externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
53
4.10 Archeologie en cultureel erfgoed Beleidskader In paragraaf 5.1.5.5 en specifiek artikel 5.130 van het Bkl zijn regels opgenomen ten aanzien van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed wordt in een plan rekening gehouden met de bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde (archeologische) monumenten. Daarnaast is in het Bkl opgenomen dat het gebruik van monumenten wordt bevorderd en archeologische monumenten in stand gehouden moeten blijven, bij voorkeur in situ. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Onderzoek Archeologie Door ADC Archeoprojecten is medio 2018 een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. ADC ArcheoProjecten adviseert om het terrein vrij te geven. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de gemeente Molenlanden en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Cultureel erfgoed Het plan is om de locatie Abbekesdoel 22a, ook wel ‘Steegse Hout’ genoemd, aan te passen naar een multifunctionele groene omgeving met daarin de functies werken, zorg, wonen en natuur. De nieuwe functies zullen aansluiten bij de bestaande groene identiteit van deze plek en deze waar nodig versterken. De bestaande verkaveling- en groenstructuren van deze unieke locatie in het cultuurhistorisch waardevolle veenweidelandschap worden niet gewijzigd. Er worden geen cultuurhistorische waarden aangetast.
54
Afbeelding 19: Uitsnede archeologische verwachtingskaart
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen. Mocht tijdens de werkzaamheden archeologische vondsten aan het licht komen, dan ontstaat de plicht om deze vondsten te melden bij de gemeente Molenlanden en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). 55
4.11 Natuur Beleidskader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Onderzoek Soortenbescherming Door het ecologisch bureau Maasarend, Praktisch in ecologie, is een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage van de ruimtelijke motivering. Uit de ecologische quickscan blijkt dat er ten aanzien van soortenbescherming geen aanvullend onderzoek noodzakelijk is.
Onderstaande maatregelen tijdens de werkzaamheden zijn altijd geldend: • Vanuit de Zorgplicht is het een eis om voorzichtig te handelen met alle voorkomende flora en fauna; • Indien, ondanks zorgvuldig handelen, er schade lijkt te ontstaan aan beschermde flora en fauna, wordt er direct contact opgenomen met een ter zake deskundig ecoloog; • Om bodem bewonende dieren de mogelijkheid te geven een nieuw leefgebied te vinden, wordt er gefaseerd gewerkt bij de verwijdering van vegetatie, stobben en bodemmateriaal; • Dieren krijgen de rust en kans om zich te verplaatsen, indien zij worden aangetroffen tijdens werkzaamheden; • Werkzaamheden worden uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang. Verlichting dient vleermuisvriendelijk te zijn om verstoring te voorkomen zoals: UV-vrije verlichting, beperkte hoogte lichtmasten, convergerende en naar beneden gerichte verlichting en geen sterk bundellicht; • Vestiging van Rugstreeppad voorkomen door puinhopen te verwijderen, rijsporen en plasvorming te voorkomen. Daarnaast is het mogelijk een scherm in te graven rondom het plangebied. Deze dient 10 cm te worden ingegraven en verder bovengronds een hoogte van 50 cm te hebben; • Er wordt rekening gehouden met broedvogels en het broedseizoen van 15 maart tot en met 15 augustus. Werkzaamheden worden gestart voor of na het broedseizoen.
Ook buiten deze datumgrenzen dient men alert te blijven op de aanwezigheid van broedende vogels.
56
Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het meest dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Donkse Laagte. Dit gebied is gelegen op ongeveer 1.500 meter van het plangebied. Donkse Laagte heeft geen aanwijzing voor een habitattype. Er is geen nader onderzoek nodig naar effecten op de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van geluidshinder, verstoring door trillingen, lichthinder, versnippering van leefgebied en oppervlakteverlies. Hiervoor is de afstand tot een Natura 2000-gebied te groot, omdat dit in hoofdzaak interne effecten betreft.
Afbeelding 20: Plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden
Het plangebied is niet gelegen binnen gronden behorende tot het Natuur Netwerk Nederland (NNN). De dichtstbijzijnde gronden behorende tot het NNN, zijn gelegen op ruim 1 kilometer van het plangebied. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen NNNgebieden zijn niet toegestaan, tenzij kan worden aangetoond dat er geen negatieve effecten optreden op de wezenlijke waarden van het Natuurnetwerk. Dit kan door middel van een zogeheten “Nee, tenzij” toets. Doordat het plangebied niet gelegen is binnen NNN-gebied, is nader onderzoek naar de effecten op de wezenlijke waarden binnen deze gebiedsdelen niet noodzakelijk.
57
Afbeelding 21: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Stikstofdepositie Het is niet toegestaan om activiteiten te verrichten, die negatieve effecten veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen binnen Natura 2000 gebieden. Binnen 25 kilometer van het plangebied zijn stikstofgevoelige habitattypen aanwezig in Natura 2000-gebieden. Het is niet toegestaan om activiteiten te verrichten, die negatieve effecten veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen binnen Natura 2000 gebieden. Door Van den Heuvel Milieuadvies is voor het plan middels de AERIUS Calculator een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage van de ruimtelijke motivering. Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling tijdens de aanleg- en gebruiksfase niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha /j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het plan is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft natuur geen belemmeringen.
58
4.12 Trillingen Beleidskader In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl zijn regels opgenomen voor het aspect trillingen. De paragraaf is van toepassing op het toelaten van activiteiten (anders dan wonen) die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw of een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit (anders dan wonen). Dit geldt echter niet voor locaties op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, tijdelijke gebouwen, activiteiten die hoofdzakelijk in de openbare ruimte plaatsvinden, evenemententerreinen en verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder mogen de continue trillingen (trilling die ten opzichte van de grootste trillingstijd gedurende een lange tijd aanwezig is) door een activiteit in trillinggevoelige ruimten niet hoger zijn dan 0,1 Vmax. Als daar niet aan kan worden voldaan, mag de trillingssterkte niet hoger zijn dan de volgende waarden in onderstaande tabel.
Tabel 5: Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimte als niet kan worden voldaan aan Vmax 0,1 Soort Waarden 07:00 – 23:00 uur 23:00 – 07:00 uur Trillingssterkte Vmax 0,4 0,2 Trillingssterkte Vper 0,05 0,05 Onderzoek Het bestaande werkverkeer van de bedrijven zal nagenoeg gelijk blijven en bestaat bovendien niet uit zwaar vrachtverkeer. Het plan voorziet niet in activiteiten die continue trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw of een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit in de omgeving. Het uitvoeren van een trillingsonderzoek kan derhalve achterwege blijven. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect trillingen geen belemmeringen.
59
5.
Financiële haalbaarheid
Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de financiële haalbaarheid van het plan voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemers, welke aangeven dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Kostenverhaal Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Deze worden verrekend via de leges. In de legesverordening van de gemeente Molenlanden is een legesbedrag opgenomen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat het plan financieel haalbaar is.
60
6.
Participatie en overleg
6.1 Participatie De gemeente Molenlanden heeft een lijst met gevallen vastgesteld waarbij participatie verplicht is voorafgaand aan het indienen van een vergunningsaanvraag. Conform het participatiebeleid is er voor het plan participatie noodzakelijk. Informatieavond De initiatiefnemer heeft op woensdag 10 april 2024 een informatieavond georganiseerd in het kantoor van de Nationale Bomenbank. De omwonenden zijn middels een persoonlijke brief uitgenodigd voor de informatieavond. De initiatiefnemer en Brons Partners Landschapsarchitecten hebben het totaalplan toegelicht. De omwonenden is gevraagd naar hun mening, ervaringen en ideeën over het plan. Tevens hebben de aanwezigen de mogelijkheid gekregen om hun vragen en opmerkingen in te vullen op een reactieformulier. De avond is in een positieve sfeer verlopen. De omwonenden hebben via de reactieformulieren vragen gesteld en/of opmerkingen gemaakt m.b.t. thema’s: groen- en verkavelingsstructuur, verkeer, horecafunctie, zorggebouw, woningen, nieuwe loods en het uitzicht van omwonenden. Wat betreft de nieuwe bedrijfsloods zijn er vragen gesteld met betrekking tot de zichtbaarheid en hoogte van de nieuwe bedrijfsloods. De opmerkingen worden waar mogelijk meegenomen in de nadere (technische) uitwerking van het bouwplan. De omwonenden met opmerkingen/vragen over het plan zullen een persoonlijke terugkoppeling ontvangen.
De omwonenden ontvangen het verslag en worden per email op de hoogte gehouden. Op 4 november 2024 is per email een update verstuurd van de status van de planvorming. Daarbij is aangegeven dat omwonenden worden uitgenodigd om een afspraak te maken om de plannen in te zien. Naar aanleiding daarvan hebben met 4 omwonenden gesprekken plaatsgevonden en is het plan aangepast waarmee de bezwaren en zorgen zijn weggenomen.
6.2 Advies gemeenteraad De gemeente Molenlanden heeft een lijst met gevallen vastgesteld waarbij advies van de gemeenteraad nodig is voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Conform het beleid is er voor het plan een advies van de gemeenteraad noodzakelijk.
6.3 Bestuurlijk vooroverleg In het kader van het bestuurlijk vooroverleg wordt het plan opgestuurd naar de bestuurlijke overlegpartners, waaronder de Provincie Zuid-Holland en het Waterschap Rivierenland.
61
7. Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties Het bevoegd gezag mag een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2, Bkl). Deze abstract geformuleerde en beleidsvrije taak vormt, zoals ook in de memorie van toelichting van de Omgevingswet toegelicht, een voortzetting van het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wet ruimtelijke ordening, maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving. Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstuk 4, 5 en 6) en is het plan getoetst aan de diverse beleidskader (zie hoofdstuk 3). Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plan voldoet aan de diverse beleidskaders en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functie aan de locatie.
62