CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3.3 ER20220127v01_QS_Herinrichting_Entreezone_Kinderdijk_EcoresultBV-gecomprimeerd

Commissievergadering Wonen, Werken & Verkeer 5 april 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Stedenbouwkundigplan Entreegebied Kinderdijk11.671 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Zuid- Holland

Plangebied: Entreezone, Kinderdijk Opsteller(s): M.M. Bouwmeester

Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening Zuid- Holland. Colofon Plangebied

Entreezone, Kinderdijk

Opsteller(s)

M.M. Bouwmeester

Datum

8-2-2022

Versienummer

01

Rapportkenmerk

ER20220127v01

Aantal pagina’s

56

Opdrachtgever

Gemeente Molenlanden

Contactpersoon

T. Tessers

Kwaliteitscontrole

C. Fokker

Wijze van citeren

Bouwmeester, M.M., 2022. Quickscan. In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening Zuid- Holland. Plangebied: Entreezone, Kinderdijk. Kenmerk: ER20220127v01. Ecoresult B.V., Alblasserdam

Ecoresult B.V. Edisonweg 10- unit 320 2952 AD Alblasserdam 078 75 184 12 info@ecoresult.nl www.ecoresult.nl

© copyright Ecoresult B.V. 2022

2

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. Ecoresult B.V. kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.

Inhoudsopgave 1

2

3

4

5

6

Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doel 1.3 Onderzoeksmethodiek 1.4 Leeswijzer Toelichting onderzoekskader 2.1 Wet natuurbescherming 2.1.1 Bescherming van gebieden 2.1.2 Bescherming van soorten 2.1.3 Bescherming van houtopstanden 2.1.4 Omgevingsverordening Zuid-Holland Omschrijving plangebied 3.1 Algemeen 3.2 Beschrijving 3.2.1 Lekdijk 3.2.2 Entreezone 3.2.3 Ambachteneiland 3.2.4 Molenkade 3.2.5 Omgeving van plangebied 3.3 Geplande ingrepen 3.3.1 Omschrijving werkzaamheden 3.3.2 Werkplanning, werktijden en realisatieperiode 3.3.3 (Ontwerp)tekening Onderzoeksresultaten beschermde gebieden 4.1 Wet natuurbescherming

5 5 5 5 6 7 7 7 8 9 10 11 11 11 11 12 14 15 17 17 17 18 19 23 23

4.1.1 4.2

Natura 2000 Omgevingsverordening Zuid-Holland

23 25

4.2.1 4.2.2

Natuurnetwerk Nederland Belangrijk weidevogelgebied

25 26

4.2.3 Strategische reservering natuur Beschermde houtopstanden

26 27

5.1 5.2

Wet natuurbescherming Omgevingsvergunning

27 27

Onderzoeksresultaten beschermde soorten 6.1 Soorten Vogelrichtlijn

28 28

6.1.1 6.1.2

Bronnenonderzoek Verkennend veldonderzoek

28 28

6.1.3 6.2

Effectbeoordeling en toetsing Soorten Habitatrichtlijn

33 35

6.2.1 6.2.2 6.2.3

Bronnenonderzoek Verkennend veldonderzoek Effectbeoordeling en toetsing

35 35 39

3

6.3 Nationaal beschermde soorten 6.3.1 Bronnenonderzoek 6.3.2 Verkennend veldonderzoek 6.3.3 Effectbeoordeling en toetsing 6.4 Invasieve exoten 7 Conclusies en aanbevelingen 7.1 Algemeen 7.2 Beschermde gebieden 7.3 Beschermde soorten 7.4 Aanbevelingen 8 Geraadpleegde bronnen 8.1 Literatuur 8.2 Internet Bijlage 1 Foto-impressie plangebied

Ecoresult B.V. februari 2022

42 42 43 44 45 46 46 46 47 48 49 49 49 50

4

1

Inleiding

1.1

Aanleiding In opdracht van Gemeente Molenlanden heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: Entreezone, Kinderdijk. De aanleiding voor dit verzoek is de voorgenomen herinrichting en nieuwbouw binnen het plangebied (zie verder hoofdstuk 3.3). Deze voorgenomen ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Weten regelgeving voor flora, fauna en natuurgebieden kan hierdoor worden overtreden. Deze quickscan zoomt in op de (mogelijke) effecten door de activiteiten en op welke wijze gehandeld kan worden. Mochten de voorgenomen ontwikkelingen wijzigen dient voorliggend ecologisch onderzoek te worden geactualiseerd. De resultaten in voorliggende quickscan zijn drie jaar geldig.

1.2

Doel Door middel van een oriënterend bronnen- en veldonderzoek zal worden onderzocht of de voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot: • Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige soorten flora en fauna. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). • Een (significant) negatief effect op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). • Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige houtopstanden. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). • Een (significant) negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Of negatief effect op anderzijds beschermde natuurgebieden op provinciaal niveau (o.a. bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, belangrijke weidevogelgebieden en strategische reservering natuur). In het kader van de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

1.3

Onderzoeksmethodiek De quickscan komt tot stand door middel van een verkennend veldonderzoek en bureaustudie. • Het verkennend veldonderzoek is uitgevoerd op 27-01-2021 door M.M. Bouwmeester, ecologisch deskundige1 bij Ecoresult B.V. Het complete plangebied alsmede een zone rondom het plangebied is – daar waar nodig met hulp van een verrekijker en een zaklamp– onderzocht. • Ten behoeve van de bureaustudie is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd om een indruk te krijgen van de aanwezigheid van beschermde soorten rondom het plangebied tot een afstand van 5 kilometer tot het plangebied. De tabellen in hoofdstuk 6 zijn gebaseerd op waarnemingen uit de NDFF-database van de afgelopen 5 jaar in het weergeven grid (zie Figuur 1). Op basis van het bronnenonderzoek en de aanwezige habitats was een goede inschatting van de potenties en aan- of afwezigheid van de beschermde soorten te maken.

1

Voor een definitie van ecologisch deskundige wordt verwezen naar: https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarischondernemen/beschermde-planten-dieren-en-natuur/ruimtelijke-ingrepen/ontheffing-vrijstelling/ecologisch-deskundige

Ecoresult B.V. februari 2022

5

•

Voor het onderzoek naar beschermde natuurgebieden en houtopstanden is gebruik gemaakt van de online viewers die de provincie ter beschikking heeft gesteld. Hierdoor zal in deze quickscan altijd een actueel beeld worden weergegeven van gebiedsgrenzen, doelstelling etc.

Figuur 1: Grid waarbinnen NDFF-waarnemingen zijn gezocht. De rode cirkel geeft het plangebied weer. Bron: NDFF.

1.4

Leeswijzer In deze rapportage wordt allereerst het kader beschreven waaraan getoetst wordt. Vervolgens wordt het plangebied en de geplande activiteiten beschreven. Hierna worden per beschermingsregime de voor het plangebied relevante beschermde gebieden en beschermde soorten en houtopstanden beschreven en beoordeeld. In de conclusie worden de resultaten van dit oriënterend onderzoek samengevat en wordt (indien van toepassing) geadviseerd welk nader onderzoek noodzakelijk is. Afgesloten wordt met een bronvermelding en een fotobijlage van het oriënterend veldbezoek.

Ecoresult B.V. februari 2022

6

2

Toelichting onderzoekskader

2.1

Wet natuurbescherming De Wet Natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van beschermde natuurgebieden (Natura 2000) en regelt de soortbescherming. De provincies zijn voor de Wet Natuurbescherming het bevoegd gezag en regelen tevens de vergunning en ontheffingen. De bescherming van de Wet Natuurbescherming is grofweg op te delen in 3 categorieën.

2.1.1

Bescherming van gebieden De Wnb richt zich met de bescherming van natuurgebieden uitsluitend op de Natura 2000-gebieden. De verschillende Natura 2000 gebieden zijn deels aangewezen voor specifieke Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en/of habitattypen. Invloeden (ook van buiten het Natura 2000 gebied) mogen deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Daarnaast mag de oppervlakte van het Natura 2000 gebied niet worden aangetast.

2.1.1.1

Toetsing stikstofemissies Natura 2000 Sinds 1 juli 2021 geldt een partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door een bij AMvB aan te wijzen activiteiten van de bouwsector. De vrijstelling geldt alleen voor tijdelijke stikstofemissies die tijdens de bouw- en aanlegfase veroorzaakt worden. De vrijstelling geldt niet voor structurele stikstofemissies als gevolg van een (veranderende) gebruiksfase of voor het delven van grondstoffen en de productie van bouwmaterialen. De vrijstelling omvat grofweg alle werkzaamheden die te maken hebben met sloopwerkzaamheden, werkzaamheden in het kader van bouwrijp maken, nieuwbouwwerkzaamheden en bijbehorende activiteiten en verkeersbewegingen. Tevens omvat de partiële vrijstelling onder andere ook werkzaamheden zoals baggerwerkzaamheden, aanleg van energievoorzieningen (zoals zonneparken) en de aanleg- en vervanging van wegen. Stikstofemissies als gevolg van de gebruiksfase zoals bewoning, gebruik van een utiliteitsgebouw of verkeer aantrekkende werking dienen wel getoetst te worden aan de Natura 2000 instandhoudingsdoelstellingen, al dan niet door middel van een AERIUS-berekening. De partiële vrijstelling komt mede tot stand door de verwachte emissiebeperkingen die gerealiseerd worden door bestaand beleid.

De emissiebeperkingen komen mede tot stand door veranderingen in de werkwijzen en door verplichtingen als gevolg van nieuwe maatregelen. Deze maatregelen omvatten onder andere: • Het treffen van adequate maatregelen in de bouwregelgeving tot het beperken van emissies, • Het inzetten op emissiearme aanbestedingen door rijksdiensten, • Het stimuleren van de aanschaf van emissievrij materiaal en van ombouw naar emissievrij of emissiearm materieel, • Het bevorderen van kennisontwikkeling en innovatie voor meer emissiearme bouw. Initiatiefnemers zijn als gevolg van de partiële vrijstelling verplicht om stikstofemissies te beperken bij de werkzaamheden. De genoemde verplichting gaat gelden voor werkzaamheden die op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving reeds vergunning- of meldingsplichtig zijn. In dit geval dient het bevoegd gezag voor de start van de werkzaamheden door de initiatiefnemer geïnformeerd te worden over de concrete invulling van deze verplichting. Men kan hierbij denken aan: • Emissievrij/emissiearme mobiele werktuigen, • Meer gebruik van prefab bouwmateriaal (zoals off-site productie),

Ecoresult B.V. februari 2022

7

• • •

2.1.2

Emissievrij materiaal, Emissiearme bouwconcepten en bouwlogistiek, Efficiëntere bouwprocessen en bouwlogistiek.

Bescherming van soorten De Wnb onderscheidt drie verschillende beschermingsregimes, met elk hun eigen verbodsbepalingen (zie tabel 1). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Het derde beschermingsregime betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau: de Nationaal beschermde soorten (in de wet aangeduid als “andere soorten”). Voor de soorten binnen dit beschermingsregime geldt een onderzoeksplicht, en bij negatieve effecten een ontheffingsplicht. De provincies kunnen aangeven of zij soorten uit deze lijst willen vrijstellen van ontheffingsplicht. Naar deze soorten is nader onderzoek of een ontheffing niet nodig, wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs van men verwacht kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen2.

2

Ministerie van Economische zaken (2016) Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen

Ecoresult B.V. februari 2022

8

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb

Beschermingsregime Nationaal beschermde soorten (andere soorten) § 3.3 Wnb

Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen

Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.

Art 3.5 lid 3 Niet van toepassing Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Art 3.1 lid 4 en lid 5 Art 3.5 lid 2 Niet van toepassing Het is verboden vogels opzettelijk Het is verboden dieren opzettelijk te te storen, tenzij de storing niet van verstoren. wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Niet van toepassing

Art 3.5 lid 5 Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. ontwortelen of te vernielen

Tabel 1: Soortenbescherming en verbodsbepalingen volgens de Wnb

2.1.3

Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden betreft voornamelijk een voortzetting van Boswet en richt zich op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Deze voorwaarden zijn tevens van kracht als het slechts een deel van de houtopstand groter dan 10 are of 20 bomen in een rij betreft. Het onderdeel beschermde houtopstanden heeft geen betrekking op: • Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, • Houtopstanden op erven of in tuinen, • Fruitbomen en windschermen om boomgaarden, • Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar, • Kweekgoed, • Uit populieren of wilgen bestaande: o Wegbeplantingen, o Beplantingen langs waterwegen, en o Eenrijige beplantingen langs landbouwgronden, • Het dunnen van een houtopstand,

Ecoresult B.V. februari 2022

9

•

2.1.4

Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o Ten minste eens per tien jaar worden geoogst, o Bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Omgevingsverordening Zuid-Holland In de provinciale Omgevingsverordening is vastgelegd welke gebieden vanuit Nederlandse wetgeving worden beschermd. Onderdeel van de beschermd gebieden in de Omgevingsverordening is het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het Natuurnetwerk Nederland betreft een netwerk aan gebieden en verbindingszones die tezamen één geheel vormen en de Nederlandse natuurgebieden verbinden. Het NNN is verankerd in de bestemmingsplannen waarin de regels uit de provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn verwerkt. Het ruimtelijke beleid voor het NNN kent het “nee, tenzij” principe wat inhoudt dat ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN niet zijn toegestaan tenzij deze geen schadelijke effecten op de aanwezige (natuur)waarden hebben. Deze waarden zijn vastgelegd als de “wezenlijke kenmerken en waarden” van het NNN. Elke provincie heeft zelf de regie over de invulling van deze kenmerken en waarden. In tegenstelling tot Natura 2000 is toetsing van externe effecten op de aanwezige kenmerken en waarden in de provincie Zuid- Holland niet van toepassing. Provincies zijn vrij dit nader in te vullen. Naast het NNN kunnen provincies gebieden planologisch beschermen. In de provincie Zuid- Holland betreft dit Belangrijk weidevogelgebieden en de Strategische Reservering Natuur.

In sommige provincies zijn deze gebieden vervlochten binnen het kader van het NNN en geldt hiervoor eenzelfde toetsingskader.

Ecoresult B.V. februari 2022

10

3

Omschrijving plangebied

3.1

Algemeen Het plangebied voor deze quickscan omvat de entreezone van het UNESCO Werelderfgoed Kinderdijk, gelegen aan de Molenstraat en Molenkade Nederwaard, Kinderdijk, gemeente Molenlanden, provincie Zuid-Holland (zie Figuur 2).

Figuur 2: Ligging plangebied en het onderzochte gebied, voor regionale ligging zie kaartinzet rechtsboven (Bron: PDOK)

3.2

Beschrijving •

3.2.1

Het plangebied betreft de entreezone van UNESCO Werelderfgoed Kinderdijk Voor deze quickscan wordt het plangebied onderverdeeld in vier deelgebieden waar ingrijpende werkzaamheden plaatsvinden: De Lekdijk, de Entreezone, het Ambachteneiland en de Molenkade (zie Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.).

Lekdijk • •

• •

•

De zone Lekdijk bestaat uit de doorgaande weg de Molenstraat en het separate fietspad, gelegen op de Lekdijk. De enige bebouwing in deze zone betreft de Elshoutsluis. Een betonnen constructie door de Lekdijk welke het overtollige water uit de boezems loost in de Lek. Overige gebouwen zijn in de Lekdijkzone niet aanwezig. Langs de dijk en in de berm zijn gazons aanwezig. Aan de noordzijde van de dijk bevindt zich de rivier de Lek. Onderaan de dijk is een steenstort aanwezig met daarop een rietkraag. Deze was ten tijde van het veldbezoek kort gemaaid. Aan de noordzijde bevinden zich een drietal aanlegsteigers, waarvan één de halte van het driehoeksveer betreft.

Ecoresult B.V. februari 2022

11

•

3.2.2

Verlichting is aanwezig in de vorm van straatlantaarns.

Entreezone •

De Entreezone bestaat uit in totaal 12 opstallen die mogelijk binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden liggen (zie Figuur 4). o Panoramazaal met bouwjaar 19933. Dit pand is voornamelijk opgebouwd uit baksteen met open stootvoegen en een luchtspouw. Het dak is opgebouwd uit metalen golfplaten. Hemelwater wordt uitpandig afgevoerd d.m.v. kunststof regenpijpen. o Metalen zeecontainers, opgesteld achter de Panaromazaal. Datum van plaatsing onbekend. o Waardhuis met bouwjaar 19053. In dit pand is een restaurant gevestigd. Dit pand is opgebouwd uit baksteen zonder zichtbare openingen naar een eventuele luchtspouw. Het dak bestaat uit een dakpannen schilddak voorzien van diverse dakkapellen en dakramen. Langs de dakrand is een dakgootbekisting aanwezig met een houten sierlijst die op diverse plekken wijkt van de bakstenen gevel. Bij een groot deel van de ramen zijn houten vensterluiken aanwezig.

Figuur 3: Het plangebied en de vier deelgebieden waarbinnen de werkzaamheden worden uitgevoerd die in voorliggende quickscan worden beoordeeld. Kaartbron: PDOK

3

https://bagviewer.kadaster.nl

Ecoresult B.V. februari 2022

12

Figuur 4: De verschillende opstallen binnen deelgebied Entreezone. Kaartbron: PDOK

o

•

Een houten bijgebouw van het restaurant in het waardhuis, bouwjaar 19053. Dit pand is opgebouwd uit houten planken en heeft deels een zadeldak met dakpannen en deels een plat dak met grindbedekking. Langs de dakranden zijn houten boeidelen aanwezig. o Een open houten overkapping met plat dak met bitumen dakbedekking, bouwjaar onbekend. o Een schuur/bijgebouw met bouwjaar 20173. Dit pand bestaat uit houten rabatdelen met een zadeldak bedekt met dakpannen. o Een pand met twee woonhuizen aan de Molenstraat 232 en 234, met bouwjaar 19353. Dit pand is opgebouwd uit enkelsteens bakstenen muren en een mansardedak bedekt met dakpannen voorzien van enkele dakkapellen en dakramen. Bij de langsgevels is een dakgootbekisting aanwezig langs de dakranden bij de kopgevels een houten dakoverstek. o Een garage behorende bij het woonhuis, met bouwjaar 20063. Dit pand is opgebouwd uit betonplaten en houten betimmering en heeft een zadeldak met golfplaten van zwart kunststof. Aan de zuidgevel van de garage zijn een kleine houten vleermuiskast en een nestkastje voor kleine zangvogels aanwezig. o Een kleine kas behorende tot het woonhuis, met bouwjaar 20203. o Een halfopen schuur behorende tot het woonhuis, bouwjaar 19803. Opgebouwd uit een houten constructie met een zadeldak met bitumen dakbedekking. o Bakstenen trafohuisje aan de Molenstraat 230b, met bouwjaar 19603.

Dit heeft een plat dak met bitumen dakbedekking. o Een tweede bakstenen trafohuisje met bouwjaar 20203, ten oosten van de Panoramazaal. Dit huisje heeft en plat dag bedekt met dakgrind. Verder bestaat de entreezone uit diverse parkeerterreinen met asfalt- en klinkerbestrating.

Ecoresult B.V. februari 2022

13

• •

3.2.3

Verlichting is aanwezig in de vorm van straatlantaarns, armaturen en plaatselijke gevelverlichting. Ten zuiden en oosten van het woonhuis bevindt zich een tuin met veel groen in de vorm van sierplanten, gazons, hagen en kleine bomen. In de bomen zijn geen holtes of grote nesten aanwezig.

Ambachteneiland • • •

• • • • •

•

Het Ambachteneiland is een eiland omringd door polderwatergangen. Langs de westzijde loopt een smalle, geasfalteerde weg. Het Ambachteneiland is op te delen in twee delen, een noordelijk deel en een zuidelijk deel (zie Figuur 5). Op het noordelijk deel bevinden zich woonhuizen, bedrijfspanden en een opslag van de Stichting Werelderfgoed Kinderdijk. Op dit deel vinden geen werkzaamheden plaats en dit zal daarom verder buiten beschouwing worden gelaten. Het zuidelijk deel bestaat uit een werkterrein, grotendeels zonder verharding. Dit wordt voornamelijk gebruikt voor de opslag van diverse werktuigen en materialen. Op het noordelijk deel van dit terrein zijn o.a. enkele zeecontainers en andere (tijdelijke) opslagruimtes aanwezig, gemaakt van metaal of kunststof. Aan de noordoostzijde bevindt zich een gazon langs de watergang. Op het midden van het terrein bevinden zich diverse hopen snoei- en maaiafval van met name wilgentenen en riet. Ook is er een grondhoop aanwezig. Langs de oevers is beplanting aanwezig in de vorm van knotwilgen, struikgewas met o.a. braamstruiken en diverse jonge bomen. Op de meest zuidelijke punt van het eiland is gras en rietbeplanting aanwezig, welke ten tijde van het veldbezoek recent gemaaid was. In het noordelijk deel van het Ambachteneiland is verlichting aanwezig in de vorm van armaturen en plaatselijke gevelverlichting.

Op het zuidelijk deel is verlichting afwezig.

Ecoresult B.V. februari 2022

14

Figuur 5: De zoneverdeling binnen deelgebied Ambachteneiland. Kaartbron: PDOK

3.2.4

Molenkade •

• • • • • • • • •

De Molenkade betreft de weg die vanaf de entreezone naar het zuiden loopt en vervolgens overgaat in een fiets-/wandelpad tussen de Nieuwe Waterschap en de Groote- of Achterwaterschap. Ook de Molenkade is op te delen in vier onderdelen: de entree, het bezoekerscentrum, het gescheiden fiets-/wandelpad en het gecombineerde fiets-/wandelpad (zie Figuur 6). De entree betreft een met asfalt verharde toegangsweg vanaf de entreezone, langs het J.U. Smitgemaal tot het bezoekerscentrum. Ter hoogte van het bezoekerscentrum eindigt de autoweg in een parkeerterrein en loopt naar het zuiden over in het fiets-/wandelpad. Net ten noorden van het J.U. Smitgemaal zijn tevens enkele parkeerplaatsen aanwezig. Aan weerszijden van de parkeerplaats bevinden zich enkele kleine sierbomen, zonder zichtbare holtes of scheuren. Ten oosten is een brede rietkraag aanwezig, welke ten tijde van het veldbezoek grotendeels recent gemaaid was. Langs de westzijde van het parkeerterrein voor het bezoekerscentrum is een rij knotwilgen aanwezig langs de oever. Ter hoogte van het bezoekerscentrum bevindt zich ten westen een aanlegsteiger voor boten. Het bezoekerscentrum met bouwjaar 20193 is gebouwd op palen boven het water langs de oostelijke oever en is volledig opgetrokken uit metaal en glas.

Ten zuiden van het bezoekerscentrum zijn een gescheiden fietspad en wandelpad aanwezig, met daartussen een berm met grassen.

Ecoresult B.V. februari 2022

15

• •

•

Zowel aan de west- als oostzijde bevindt zich een brede rietkraag langs de oevers van de watergangen. Verder naar het zuiden gaat het wandelpad over in het fietspad tot een gecombineerd fiets-/wandelpad, waardoor hier aan de westzijde een nog bredere rietkraag loopt. Bij de entree van de Molenkade is verlichting aanwezig in de vorm van straatlantaarns. Verlichting is afwezig langs het fiets- en wandelpad.

Figuur 6: De verschillende onderdelen van deelgebied Entreezone. Kaartbron: PDOK

Ecoresult B.V. februari 2022

16

3.2.5

Omgeving van plangebied • •

• •

Ten noorden van het plangebied bevindt zich een dijk met een doorgaande weg. Verder ten noorden bevindt zich de aanlegsteiger van de Waterbus en de rivier de Lek. Ten westen, zuiden en oosten van het plangebied bevinden zich natuurterreinen, behorende tot Natura-2000 gebied Boezems Kinderdijk. Dit betreft o.a. diverse watergangen, riet- en graslanden en moerasgebieden. Ten westen van de Entreezone zijn diverse woonhuizen en bijbehorende tuinen aanwezig. De gebouwen hebben in de meeste gevallen een dakpannen dak en bakstenen buitenmuren. Verder bevinden zich in de tuinen verschillende houten schuren.

3.3

Geplande ingrepen

3.3.1

Omschrijving werkzaamheden

3.3.1.1

Lekdijk De werkzaamheden betreffen: • Het herinrichten van de verkeerssituatie op de Lekdijk. • Vernieuwen van de aanlegsteiger van het Driehoeksveer. • De nieuwe aanlegsteiger wordt voorzien van een tweede verbinding met de Entreezone.

3.3.1.2

Entreezone • De sloop van de Panoramazaal, het woonhuis en bijbehorende opstallen. • De sloop van de bijgebouwen en overkapping van het Waardhuis. • Het waardhuis zelf blijft behouden. • De bouw van een nieuw ontvangstgebouw op de locatie van de Panoramazaal • De bouw van een nieuw horecagebouw op de locatie van de huidige bijgebouwen van het Waardhuis. • De bouw van een nieuwe schuur met kantoorruimte en fietsenstalling op de locatie van het woonhuis. • Het herinrichten van de infrastructuur van de entree.

3.3.1.3

Ambachteneiland • Het realiseren van een nieuwe kantoorruimte en opslagruimte in het noordelijk deel van de zuidzone van het ambachteneiland. • Het realiseren van een rietsnijder experience op één van drie mogelijke locaties op het ambachteneiland, met een pontje naar de Molenkade.

3.3.1.4

Molenkade • Herindeling van de entree van de molenkade • Functieverandering van het bezoekerscentrum • Aanleg van een verbreed terras voor het bezoekerscentrum. • Het doortrekken van het gescheiden wandelpad naar het zuiden tot aan de brug naar de Blokweerschekade

Ecoresult B.V. februari 2022

17

3.3.2

Werkplanning, werktijden en realisatieperiode Een gedetailleerde planning is nog niet beschikbaar. Een doorlooptijd van de werkzaamheden is nog niet bekend. Het voornemen is de werkzaamheden te starten in 2025. De planning is deels afhankelijk van de conclusies uit voorliggende rapportage.

Ecoresult B.V. februari 2022

18

3.3.3

(Ontwerp)tekening

Figuur 7: huidige situatie van het plangebied en de opstallen van de Stichting Werelderfgoed Kinderdijk (SWEK). Bron: opdrachtgever

Figuur 8: Ontwerptekening van de nieuwe situatie van het plangebied. Bron: opdrachtgever

Ecoresult B.V. februari 2022

19

Figuur 9: impressie van de nieuwe situatie aan de Lekdijk en de Entreezone. Bron: opdrachtgever.

Ecoresult B.V. februari 2022

20

Figuur 10: detail van de beoogde nieuwe situatie van de Entreezone. Bron: opdrachtgever.

Figuur 11: Detail van de beoogde nieuwbouw op het Ambachteneiland. Bron: opdrachtgever.

Ecoresult B.V. februari 2022

21

Figuur 12: Impressie van de drie mogelijke locaties van de rietsnijder experience op het Ambachteneiland. Bron: opdrachtgever.

Figuur 13: Detail van de beoogde plannen voor de herindeling ter hoogte van het bezoekerscentrum. Bron: opdrachtgever.

Ecoresult B.V. februari 2022

22

4

Onderzoeksresultaten beschermde gebieden

4.1

Wet natuurbescherming

4.1.1

Natura 2000

4.1.1.1

Stikstof Het plangebied is gedeeltelijk gelegen in Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk (zie Figuur 14). De deelgebieden Entreezone en Ambachteneiland grenzen aan dit gebied en het zuidelijk deel van de Molenkade is onderdeel van dit Natura-2000 gebied. Dit gebied heeft geen stikstofgevoelige habitats. Op grotere afstand liggen Donkse Laagten (ca. 7 km), Oude Maas (ca. 8 km) en De Biesbosch (ca. 10 km). De Biesbosch is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats. Dit gebied bevindt zich op 10,0 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. De sloop- en aanlegfase van deze ontwikkelingen vallen onder de partiële vrijstelling zoals benoemd staat in paragraaf 2.1.1.1. Een nadere toetsing is voor de aanlegfase op het component stikstofdepositie niet nodig. In de gebruiksfase zal er uit gegaan worden van gasvrije bebouwing (geen stikstofdepositie als gevolg van gasverbranding in het gebouw zelf), maar zal er door een veranderend gebruik van het plangebied mogelijk een verkeer aantrekkende werking optreden. De herinrichting van de Entreezone zal mogelijk leiden tot een grotere toestroom van toeristen met een verhoogde stikstofdepositie op het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied de Biesbosch tot gevolg. Een nadere beoordeling middels de AERIUS-berekening is derhalve nodig.

Initiatiefnemers zijn als gevolg van de partiële vrijstelling verplicht om stikstofemissies te beperken bij de werkzaamheden. In dit geval dient het bevoegd gezag voor de start van de werkzaamheden door de initiatiefnemer geïnformeerd te worden over de concrete invulling van deze verplichting. Ecoresult B.V. kan u adviseren over concrete maatregelen om invulling te geven aan deze verplichting.

4.1.1.2

Overige verstoringsvormen Het plangebied is gelegen op de grens van en gedeeltelijk binnen het Natura 2000-gebied Kinderdijk. Deelgebieden Entreezone en Ambachteneiland grenzen direct aan het natura 2000-gebied en het zuidelijk deel van de Molenkade is gelegen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied. Dit Natura 2000-gebied met een oppervlakte van ca. 332 ha omvat boezems bestaande uit open water, riet- en zeggenmoerassen, ruigten, grienden, struwelen en boezemkaden, alsmede polders bestaande uit wei- en hooilanden, doorsneden door sloten. Boezems Kinderdijk is belangrijk broedgebied voor vogels van rietmoeras, zoals snor en purperreiger en van soorten van geïnundeerde kruidenvegetaties zoals porseleinhoen. Ook is het belangrijk overwinteringsgebied voor niet- broedvogels als smient, krakeend en slobeend. Tevens is het van belang als broedgebied van zwarte stern. Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk is niet aangewezen voor habitattypen, maar wel voor de broedvogelsoorten purperreiger, porseleinhoen, zwarte stern en snor en de niet-broedvogelsoorten smient, krakeend en slobeend (zie Figuur 16).

Gezien de ligging van het plangebied direct grenzend aan en deels binnen het Natura 2000-gebied, is een Voortoets noodzakelijk om mogelijke effecten van de werkzaamheden in de deelgebieden Entreezone, Ambachteneiland en Molenkade te toetsen aan de instandhoudingsdoelstelling van de (niet-) broedvogels waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Negatieve effecten als gevolg van verstoringsvormen zoals geluid, trillingen, verlichting, mechanische effecten of menselijke aanwezigheid zijn niet op voorhand uit te sluiten.

Ecoresult B.V. februari 2022

23

Figuur 14: Ligging van het plangebied ten opzichte van het nabijgelegen Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk. Kaartbron: PDOK.

Figuur 15: Detail van de ligging van het plangebied en de deelgebieden ten opzichte van Natura2000gebied Boezems Kinderdijk. Kaartbron: PDOK

Ecoresult B.V. februari 2022

24

Figuur 16: Habitattypen, habitatsoorten en vogels waarvoor Boezems Kinderdijk is aangewezen als Natura 2000-gebied.

4.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

4.2.1

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is gedeeltelijk gelegen in Boezems Kinderdijk, onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)4, zie Figuur 17. De werkzaamheden in deelgebied Entreezone vinden niet plaats binnen het NNN. Omdat in de provincie Zuid-Holland geen rekening gehouden hoeft te worden met externe effecten op NNN-gebied is aanvullend onderzoek of een vergunning voor de werkzaamheden in dit deelgebied niet nodig. Een deel van de werkzaamheden in deelgebieden Lekdijk (vernieuwing aanlegsteiger Driehoeksveer), Ambachteneiland (de oversteek van Rietsnijder experience naar Molenkade) en Molenkade (het doortrekken van het separaat wandelpad) vindt plaats binnen de begrenzing van het NNN. De Molenkade valt binnen de Ambitiekaart en heeft beheertype N05.03 Veenmoeras aangewezen5. Met het doortrekken van het wandelpad zal een deel van dit gebied worden weggenomen. Hierdoor is mogelijk sprake van een (tijdelijke) negatieve impact op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN-gebied. Nader onderzoek in de vorm van een “Nee, tenzij”-toets is noodzakelijk en mogelijk dient een vergunning in het kader van de Omgevingsverordening ZuidHolland te worden aangevraagd.

4

https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=698b578f8bf34f5ab624e1f2ae687199& extent=33428.9852%2C415026.1883%2C131473.1813%2C477053.1124%2C28992 5 https://atlas.zuid-holland.nl/GeoWeb56/index.html?viewer=Natuurbeheerplan

Ecoresult B.V. februari 2022

25

Figuur 17: Ligging plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland. Bron: https://pzh.maps.arcgis.com.

4.2.2

Belangrijk weidevogelgebied Het plangebied is niet gelegen in een Belangrijk weidevogelgebied. Diverse polders tussen Alblasserdam en Nieuw-Lekkerland, op een afstand van ten minste 1,3 km ten oosten van het plangebied, zijn bestemd als ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op bovengenoemd gebied. Nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk.

4.2.3

Strategische reservering natuur Dichtstbijzijnde gebieden die aangewezen zijn voor Strategische reservering natuur betreft de Grooteof Achterwaterschap, tussen de Kortlandsche kade en de Zijdeweg, op een afstand van ten minste 2,0 kilometer ten oosten van het plangebied. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op bovengenoemd gebied. Nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt niet overtreden.

Ecoresult B.V. februari 2022

26

5

Beschermde houtopstanden

5.1

Wet natuurbescherming Het plangebied bevindt zich deels binnen en deels buiten de bebouwde kom van Kinderdijk (zie Figuur 18). Er is bij de beoogde werkzaamheden geen sprake van het kappen van houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen, daardoor is de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet van toepassing.

5.2

Omgevingsvergunning Wellicht is voor het verwijderen van enkele bomen wel een omgevingsvergunning activiteit kappen van de gemeente nodig. In de bomenverordening van uw gemeente ligt vast voor welke houtopstanden deze vergunning nodig is.

Figuur 18: Ligging van het plangebied ten opzichte van de bebouwde kom van Kinderdijk. Kaartbron: PDOK.

Ecoresult B.V. februari 2022

27

6

Onderzoeksresultaten beschermde soorten

6.1

Soorten Vogelrichtlijn

6.1.1

Bronnenonderzoek

6.1.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna Soort

Beschermingscategorie

Boomvalk

Categorie 4

Buizerd

Categorie 4

Gierzwaluw

Categorie 2

Grote gele kwikstaart

Categorie 3

Havik

Categorie 4

Huismus

Categorie 2

Kerkuil

Categorie 3

Ooievaar

Categorie 3

Ransuil

Categorie 4

Roek

Categorie 2

Slechtvalk

Categorie 3

Sperwer

Categorie 4

Steenuil

Categorie 1

Categorie 1: Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen ook buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. Categorie 2: Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van

bebouwing. Categorie 3: Nesten van vogels (niet-koloniebroeders), die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of

afhankelijk van bebouwing. Categorie 4: Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.

Tabel 2: Waargenomen vogels met jaarrond beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF geraadpleegd op 13-01-2021

6.1.2

Verkennend veldonderzoek

6.1.2.1

Jaarrond beschermde nesten Een deel van het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen. Voor zowel huismus als gierzwaluw zijn mogelijkheden in de bebouwing in de Entreezone om vaste rust en verblijfplaatsen te herbergen. De bebouwing met pannendaken zijn geschikt voor zowel huismus en gierzwaluw. Huismus kan tot broeden komen onder de pannendaken van het woonhuis, onder de golfplaten van de garage en de pannendaken van het waardhuis en de bijgebouwen behorend bij het waardhuis, m.u.v. de overkapping met plat dak (zie Figuur 20). Tijdens het veldbezoek werden geen huismussen waargenomen maar waarnemingen van huismussen in de directe omgeving zijn bekend. Ook de kantpannen op de kopgevels en mogelijk ruimtes bij dakkapellen en loodflappen bij deze gebouwen bieden geschikte ruimtes. Ook gierzwaluw

Ecoresult B.V. februari 2022

28

kan op deze plekken geschikte nestplaatsen vinden. Ook het woonhuis in het noordelijk deel van het Ambachteneiland is geschikt voor deze soorten. Omliggende woningen met dakpannen daken zijn tevens geschikt voor deze soorten.

Figuur 19: De ruimte tussen de golfplaten en het dakbeschot van de garage van het woonhuis is geschikt als nestplaats van huismus. Foto: M.M. Bouwmeester | Ecoresult B.V.

Ecoresult B.V. februari 2022

29

Figuur 20: De geschiktheid van de bebouwing binnen deelgebied Entreezone voor huismus en/of gierzwaluw. kaartbron: PDOK

Functioneel leefgebied voor huismus is aanwezig binnen en grenzend aan het plangebied. De groene tuinen van de woonhuizen bieden mogelijk essentieel functioneel leefgebied in de vorm van schuilslaap en foerageerplaatsen.

Ecoresult B.V. februari 2022

30

Figuur 21: Potentieel essentieel functioneel leefgebied van huismus in de tuinen van het woonhuis in de Entreezone. Foto: M.M. Bouwmeester | Ecoresult B.V.

Voor uilensoorten zoals kerkuil en steenuil herbergt het plangebied geen geschikte broedplaatsen (geen steenuil- en kerkuilnestkasten aanwezig, veel verstoring door toeristische activiteiten). Voor oehoe en ooievaar zijn geen geschikte plekken in het plangebied aanwezig. Nestkasten, nestpalen en ooievaarsnesten zijn afwezig binnen het plangebied. In de tuin van het woonhuis op het noordelijk deel van het Ambachteneiland, waar geen werkzaamheden plaats zullen vinden, bevindt zich een nestpaal voor ooievaar. Deze is echter zichtbaar niet in gebruik (geen nestmateriaal aanwezig). Voor slechtvalk is het plangebied ongeschikt. De bebouwing is voor deze soort te laag en er bevinden zich in het plangebied geen nestkasten gericht op deze soort. Nestplaatsen van grote gele kwikstaart bevinden zich vaak onder bruggetjes of duikers nabij snelstromende watergangen. In 2020 is er voor het eerst een waarneming verricht van een broedpaar in stedelijk gebied, in de sluismuur van de Parksluis in Rotterdam6. De kademuren en bruggen in de entreezone bevatten geen geschikte richels of nissen voor grote gele kwikstaart om een nest te herbergen. Een incidenteel foeragerende vogel in het plangebied kan niet worden uitgesloten.

6

de Boer, R., Bakker, G., Elzerman, S., & De Baerdemaeker, A. (2020). Broedgeval van grote gele kwikstaart in hartje Rotterdam. Straatgras, 32(1), 6-9.

Ecoresult B.V. februari 2022

31

Figuur 22: Nestpaal voor ooievaar in de tuin van het woonhuis op het noordelijk deel van het Ambachteneiland te zien is dat deze geen nestmateriaal bevat en dus (nog) niet in gebruik is door ooievaar. Op de achtergrond is te zien dat er momenteel werkzaamheden plaatsvinden aan het J.U. Smitgemaal. Foto: M.M. Bouwmeester.

Binnen de begrenzing van het plangebied zijn geen grote bomen of bosschages aanwezig. Wel zijn er diverse kleine bomen en struiken aanwezig. Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn in de bomen binnen en direct rondom het plangebied geen nesten waargenomen die kunnen dienen als vaste rusten verblijfplaats van vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. Mede op basis hiervan kan aanwezigheid van soorten als ransuil, boomvalk, buizerd, havik, sperwer en roek worden uitgesloten. 6.1.2.2

Niet jaarrond beschermde nesten Het plangebied is geschikt voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten, zoals de spreeuw en eventueel boomkruiper, koolmees en pimpelmees. Er zijn geschikte invliegmogelijkheden onder de daken, maar ook nestkasten aan gevels en schuren voor deze soorten (zogenaamde Categorie 5soorten). De directe omgeving van het plangebied is geschikt voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten zoals ekster.

6.1.2.3

Algemene broedvogels Het plangebied en directe omgeving is geschikt als voortplantingsplaats voor andere algemene broedvogels, zoals kauw, houtduif, Turkse tortel en merel. Algemene vogels kunnen ook tot broeden komen in bijvoorbeeld de hagen en bomen in de tuinen van de woonhuizen binnen het plangebied.

Ecoresult B.V. februari 2022

32

6.1.3

Effectbeoordeling en toetsing

6.1.3.1

Jaarrond beschermde nesten Potentieel geschikte voortplantingsplaatsen of vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van soorten met jaarrond beschermde nesten in bebouwing zijn in het plangebied aanwezig. Gierzwaluw en huismus kunnen in de daken van de bebouwing in de Entreezone tot broeden komen. Ook het woonhuis in het noordelijk deel van het Ambachteneiland is geschikt voor deze soorten. Hier vinden echter geen werkzaamheden plaats. Door de voorgenomen herinrichting van de Entreezone kunnen permanente schadelijke effecten optreden op eventueel aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van huismus en gierzwaluw. Verbodsbepalingen Art. 3.1 lid 2 (zie Tabel 1) van de Wnb kunnen worden overtreden. Nader veldonderzoek is daardoor nodig om te bepalen of: • Of voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van huismus in het plangebied aanwezig zijn. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode 1 april – 15 mei (2 veldonderzoeken) of 4 bezoeken tussen 20 maart en 20 juni. De tussenliggende tijd tussen de veldonderzoeken is minimaal 10 dagen. De aanpak voor het nader veldonderzoek is conform de eisen7 die het bevoegd gezag hieraan stelt.

Indien vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verbodsbepaling overtredende werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk. • Of voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van gierzwaluw in het plangebied aanwezig zijn. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode 1 juni – 15 juli. Totaal zijn 3 veldonderzoeken nodig. De tussenliggende tijd tussen de veldonderzoeken is minimaal 10 dagen. De aanpak voor het nader veldonderzoek is conform de eisen8 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn dient een ontheffing in bezit te zijn voordat met verbodsbepaling overtredende werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn voor de start van het volgende broedseizoen (mei t/m juli). Een ontheffingsaanvraag wordt op hoofdlijn getoetst aan de volgende criteria: • Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie).

• •

Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie). Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving. Dit kan worden voorkomen door het treffen van voldoende mitigerende/compenserende maatregelen.

De Lekdijk, het zuidelijk deel van het Ambachteneiland en de Molenkade zijn ongeschikt voor huismus en gierzwaluw. Het gehele plangebied is voor overige soorten met jaarrond beschermde nesten ongeschikt.

7 8

https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006-Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf

Ecoresult B.V. februari 2022

33

6.1.3.2

Niet jaarrond beschermde nesten Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen vogels met niet-jaarrond beschermde nesten. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor Categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. • Schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord.

Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk.

6.1.3.3

Algemene vogels Het plangebied en de directe omgeving van het plangebied is potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels. Nesten van algemene vogels vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van de wet. Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn onder andere te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus), of een inspectie te laten uitvoeren door een ecologisch deskundige.

Ecoresult B.V. februari 2022

34

6.2

Soorten Habitatrichtlijn

6.2.1

Bronnenonderzoek

6.2.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna Soort

Soortgroep

Gewone dwergvleermuis

Zoogdieren - Vleermuizen

Gewone grootoorvleermuis

Zoogdieren - Vleermuizen

Dwergvleermuis spec.

Zoogdieren - Vleermuizen

Laatvlieger

Zoogdieren - Vleermuizen

Meervleermuis

Zoogdieren - Vleermuizen

Rosse vleermuis

Zoogdieren - Vleermuizen

Ruige dwergvleermuis

Zoogdieren - Vleermuizen

Watervleermuis

Zoogdieren - Vleermuizen

Bever

Zoogdieren – Overige zoogdieren

Noordse woelmuis

Zoogdieren – Overige zoogdieren

Heikikker

Amfibieën

Kamsalamander

Amfibieën

Poelkikker

Amfibieën

Rugstreeppad

Amfibieën

Muurhagedis

Reptielen

Groene glazenmaker

Libellen

Gevlekte witsnuitlibel

Libellen

Rivierrombout

Libellen

Sierlijke witsnuitlibel

Libellen

Platte schijfhoren

Weekdieren

Zeggekorfslak

Weekdieren

Tabel 3: Waargenomen Habitatrichtlijnsoorten binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF, geraadpleegd 13-01-2021

6.2.2

Verkennend veldonderzoek

6.2.2.1

Vleermuizen De bebouwing binnen het plangebied biedt potentie voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. Vrijwel alle bebouwing in het plangebied bevat meerdere gaten en kieren zoals open stootvoegen, toegankelijke dilatatievoegen, ruimtes tussen gevels en dakgoten en ruimtes tussen gevels en kantpannen welke toegang geven tot de luchtspouw of de ruimte onder het dak waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. Uitsluitend de overkapping achter het restaurant, de schuur van het woonhuis, de kas, de zeecontainers en de twee trafohuisjes zijn ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen (zie Figuur 23). De verwachte soorten zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis. Het

Ecoresult B.V. februari 2022

35

plangebied kan voor deze soorten potentieel een functie hebben als zomer-, kraam- en paar- en winterverblijfplaatsen (zie Tabel 4). Het laatste verblijftype (winterverblijfplaats) geldt voor enkele solitaire dieren. Massawinterverblijfplaatsen zijn in het plangebied uitgesloten door beperkte omvang, geringe hoogte en laag temperatuurregulerend vermogen van de bebouwing. Tweekleurige vleermuis wordt op basis van verspreidingsgegevens en zijn zeldzame karakter redelijkerwijs niet verwacht in het plangebied. De soort wordt in Nederland voornamelijk in het late najaar (oktober-december), dat is het paar- en overwinteringsseizoen, aangetroffen. Deze soort lijkt een voorkeur te hebben voor hoogbouw als paarverblijfplaats. Dergelijke bebouwing is in het plangebied niet aanwezig. De bebouwing rondom het plangebied is eveneens potentieel geschikt voor de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in ruimtes onder dakpannen daken en open stootvoegen die toegang bieden tot de luchtspouw. De bomen in het plangebied en in de achtertuinen zijn ongeschikt voor boombewonende vleermuizen zoals ruige dwergvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis. De bomen zijn te klein en bevatten geen holten of scheuren welke door deze soorten gebruikt kunnen worden als vaste rust- en verblijfplaats.

Het plangebied en de directe omgeving kan functioneren als leefgebied bestaande uit vliegroutes9 en foerageergebied voor vleermuizen. Met name de rivier de Lek en de waterschappen die door- en langs het plangebied lopen kunnen dienen als vliegrouten en/of foerageergebied van bovengenoemde vleermuissoorten. Binnen het plangebied is derhalve mogelijk essentieel functioneel leefgebied aanwezig.

9 Een vliegroute is essentieel wanneer er geen goede alternatieve vliegroute is om vanuit de verblijfplaats het betreffende foerageergebied te bereiken dan wel dat er wel een alternatieve vliegroute is, maar het gebruik hiervan kost vergeleken met de originele vliegroute te veel energie (te ver omvliegen of te onbeschut). Een foerageergebied is van essentieel belang voor het functioneren van de verblijfplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om de eventuele aantasting ervan op te vangen.

Ecoresult B.V. februari 2022

36

Essentiele vliegroute

Essentieel foerageergebied

Massawinterverblijfplaats

Winterverblijfplaats

Paarverblijfplaats

Kraamverblijfplaats

Zomerverblijfplaats

Soort

Figuur 23: Geschiktheid van de bebouwing binnen deelgebied Entreezone voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Kaartbron: PDOK

Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis

Tabel 4: Soorten welke verwacht worden en bijbehorende functies.

6.2.2.2

Overige zoogdieren Bever komt voor in grote waterrijke gebieden met bosschages en wordt veelvuldig waargenomen in de wateren en natuurgebieden rondom het plangebied. Binnen de deelgebieden met beoogde werkzaamheden zijn echter geen indicaties van burchten, holen of andere vaste rust- of verblijfplaatsen aangetroffen. Een enkel passerend dier op het Ambachteneiland of langs de Molenkade kan niet worden uitgesloten. Noordse woelmuis komt voor in hoge vegetaties met vooral grasachtige planten, in o.a. rietland en moeras. Binnen Natura 2000 gebied Boezems Kinderdijk is een populatie van deze soort bekend ten zuidoosten van het plangebied. Noordse woelmuis is een goede zwemmer en kan gemakkelijk (schier)eilandjes bereiken. Aanwezigheid in het plangebied is dan ook

Ecoresult B.V. februari 2022

37

niet op voorhand uit te sluiten. De soort kan voorkomen in de rietkragen langs de Molenkade en op het zuidelijke punt van het Ambachteneiliand, welke matig geschikt zijn voor noordse woelmuis. 6.2.2.3

Amfibieën en reptielen Het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van heikikker, poelkikker en rugstreeppad. Geschikt voortplantingswater is aanwezig binnen het plangebied. De smalle watergangen op het zuidelijk deel van het Ambachteneiland zijn met name geschikt voor deze amfibieënsoorten. Ook kunnen zij overwinteren in de hopen snoei- en maaiafval alsmede de grondhopen die op het Ambachteneiland aanwezig zijn. De Alblasserwaard valt binnen het verspreidingsgebied van heikikker, poelkikker en rugstreeppad en er zijn diverse waarnemingen van de soorten bekend in de polders in- en rondom het Natura-2000 gebied waarbinnen het plangebied is gelegen. Aanwezigheid van deze amfibieënsoorten is dus op voorhand niet uit te sluiten. De waarnemingen van kamsalamander in de omgeving van het plangebied betreffen waarnemingen van geïsoleerde uitgezette populaties in Riderkerk en de Krimpenerwaard, beiden aan de overzijde van een grote rivier (respectievelijk de Noord en de Lek). Door deze barrière is het plangebied onmogelijk te bereiken voor deze soort en kan aanwezigheid op voorhand worden uitgesloten. Muurhagedis is een enkele keer waargenomen in een achtertuin in Alblasserdam. Dit betreft een uitgezet individu. Muurhagedis komt van nature in Nederland alleen voor in Maastricht en omgeving.

Aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied is op voorhand uitgesloten.

6.2.2.4

Dagvlinders en libellen Libellen als groene glazenmaker, gevlekte witsnuitlibel en sierlijke witsnuitlibel zijn gebonden aan stilstaande wateren met krabbenscheervelden, grote moerasgebieden met een gevarieerde (drijvende) watervegetatie en schone, vegetatierijke vennen, plassen en dode rivierarmen. Hoewel de wateren inen rondom het plangebied in theorie geschikt habitat vormen voor deze libellensoorten, zijn er geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van het plangebied. Gevlekte- en sierlijke witsnuitlibel zijn bekend uit het Reyerpark in Ridderkerk, op 3,7 km ten westen van het plangebied. Groene glazenmaker komt voor op ten minste 3,7 km ten noorden van het plangebied in de Krimpenerwaard. Vanwege de grote afstand tot bekende populaties en het gebrek aan waarnemingen in de directe omgeving van het plangebied kan aanwezigheid van deze libellensoorten op voorhand worden uitgesloten. Rivierrombout komt voor in de omgeving van het plangebied. Het larvenhabitat van deze soort bestaat uit zandige substraten in ondiepe, onbegroeide, stromingsluwe riviertrajecten. Uitsluipen wordt vooral op en langs zandstrandjes tussen kribvakken waargenomen. Dit habitat is in het plangebied afwezig. De oever van de Lek wordt hier gevormd door steenstort. Op basis van het ontbreken van geschikt habitat kunnen voortplantingsplaatsen van rivierrombout in het plangebied worden uitgesloten.

6.2.2.5

Overige Habitatrichtlijn soorten Zeggekorfslak is een soort die voorkomt in de omgeving van het plangebied. Deze soort wordt meestal aangetroffen in oeverzones en moerassen, met name op zeggesoorten als moeraszegge, pluimzegge en liesgras, maar komt ook voor op riet. De rietkragen langs de Molenkade vormen geschikt habitat voor deze soort en aanwezigheid is dan ook niet op voorhand uit te sluiten. Ook platte schijfhoren is bekend voor te komen in de ondiepe poldersloten in de Alblasserwaard en komt voor schone, ondiepe wateren met een rijke (draadalg)vegetatie. Aanwezigheid in de watergangen in- en rondom het plangebied, met

Ecoresult B.V. februari 2022

38

name de smallere sloten aan de zuidkant van het Ambachteneiland, kan niet op voorhand worden uitgesloten.

6.2.3

Effectbeoordeling en toetsing

6.2.3.1

Vleermuizen Aanwezigheid van vleermuizen in gebouwen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis) is in deelgebied Entreezone binnen het plangebied niet uit te sluiten. Deze soorten kunnen verblijfplaatsen in de spouw of het dak van een aantal panden in dit deelgebied. De werkzaamheden (sloop en nieuwbouw) kunnen invloed hebben op mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Nader onderzoek is nodig in de periode 15 mei tot 15 juli middels 3 bezoeken en tussen 15 augustus en 15 september middels 2 bezoeken om te bepalen of: • Voortplantingsplaatsen en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en/of meervleermuis aanwezig zijn binnen en grenzend aan het plangebied. De tussenliggende tijd tussen de veldonderzoeken is minimaal 20 dagen. De aanpak voor het nader veldonderzoek is conform de eisen10 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn en de verblijfplaatsen door de werkzaamheden niet kunnen worden ontzien dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verstorende werkzaamheden kan worden gestart.

Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Per vleermuissoort en per functie kunnen andere gewenningsperioden gelden. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Een ontheffingsaanvraag wordt op hoofdlijn getoetst aan de volgende criteria: • Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie). • Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie). • Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving. Dit kan worden voorkomen door het treffen van voldoende mitigerende/compenserende maatregelen.

10

Vleermuisprotocol 2021

Ecoresult B.V. februari 2022

39

2 bezoeken

2 bezoeken

Kleine dwergvleermuis

2 bezoeken

2 bezoeken

Ruige dwergvleermuis

2 bezoeken

December

November

Oktober

September

Augustus

Juli

Juni

Mei

April

Maart

Februari

Januari Gewone dwergvleermuis

2 bezoeken

Laatvlieger

2 bezoeken

2 bezoeken

Meervleermuis

2 bezoeken

2 bezoeken

Zomerverblijfplaatsen Zomer-/kraamverblijfplaatsen Paarverblijfplaatsen/zwermplaatsen

Tabel 5: Onderzoeksperiode vleermuizen.

6.2.3.2

Overige zoogdieren Vaste rust- en verblijfplaatsen van bever zijn in het plangebied niet aanwezig. Een enkel passerend dier is niet uit te sluiten. Beschermd leefgebied van bever gaat met de ingreep niet verloren, waardoor nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag voor bever niet noodzakelijk is. Aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van noordse woelmuis op de zuidelijke punt van het Ambachteneiland en in de rietkraag langs de Molenkade is niet op voorhand uit te sluiten. Met de werkzaamheden kan leefgebied van noordse woelmuis worden weggenomen. Bij het realiseren van optie 3 voor het Ambachteneiland, met de rietsnijder experience op de zuidelijke punt van het Ambachteneiland, evenals bij het aanleggen van een separaat wandelpad langs de Molenkade gaat geschikt leefgebied verloren. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Nader onderzoek is daarom noodzakelijk om te bepalen of: •

•

Voortplantingsplaatsen en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van Noordse woelmuis aanwezig zijn binnen het plangebied. Dit onderzoek moet worden uitgevoerd in de periode 1 augustus - 1 november om aan- of afwezigheid van noordse woelmuis vast te stellen. In deze periode zijn de dichtheden aan muizen het hoogst. Nader onderzoek dient in deze periode te worden uitgevoerd door middel van life- traps gedurende één week. Het aantal raaien met life-traps die geplaatst dienen te worden dient nader uitgezocht te worden. Onderzoek buiten deze periode is mogelijk maar hierbij is de trefkans lager en dient de onderzoeksmethodiek aangepast te worden. Er dient dan gedurende 1,5 week gevangen te worden om de trefkans te verhogen. Indien vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn en de verblijfplaatsen door de werkzaamheden niet kunnen worden ontzien dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verstorende werkzaamheden kan worden gestart.

Ecoresult B.V. februari 2022

40

Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het realiseren van vervangend leefgebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=4a372fd6-6b96-442c-9f0a-9439e3158c63