CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2c Toelichting

Raadsvergadering 28 mei 2024, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 5a. Bestemmingsplan Bleskensgraaf, Abbekesdoel 7012.616 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Vanaf 2015

Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Uit het oogpunt van de luchtkwaliteitseisen zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

35

4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.

Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan voorziet in de sanering van een bedrijfslocatie en de realisatie van een twee-onder-een-kapper naast een bestaande (bedrijfs)woning. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient getoetst te worden of dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen en/of dat omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de omgeving van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, gezien er sprake is van een bebouwingslint in het buitengebied waarbij er en afwisseling is van burgerwoningen en (agrarische) bedrijven. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor gemengde gebieden mogen één afstandstrap worden verlaagd ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. Naast de VNG heeft de gemeente Molenlanden de ‘Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020’ vastgesteld.

Middels deze verordening kunnen de minimale afstanden van een veehouderij tot een geurgevoelig object (een woning) worden gereduceerd naar 25 meter buiten de bebouwde kom. 36

In de directe omgeving van het plangebied zijn twee agrarische bedrijven gelegen (zie onderstaande afbeelding). Conform de ‘Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020’ geldt voor een agrarisch bedrijf een richtafstand van 25 meter buiten de bebouwde kom. De woningen liggen op ca. 105 meter afstand van beide agrarische bedrijven waardoor hier ruimschoots aan wordt voldaan. Daarnaast is er in de directe omgeving van het plangebied een watergemaal gelegen. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. De woningen liggen op ca. 40 meter afstand. Er wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-Handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Gezien het verwijderen van de bedrijfsbestemming/transportbedrijf kan zelfs worden geconcludeerd dat er sprake is van een verbetering van het woon- en leefklimaat in de directe omgeving. Agrarisch bedrijf op 105m Agrarisch bedrijf op 105m

Watergemaal op 40m

Afbeelding 14: Afstand bedrijven- en milieuhinder

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen

37

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Volgens de risicokaart (zie onderstaande afbeelding) bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied enkele zaken die van belang zijn in het kader van de externe veiligheid. Daarom is aan DGMR gevraagd om het plan ten opzichte van deze zaken te beoordelen. Hiervan is een notitie opgesteld welke is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting.

Afbeelding 15: Uitsnede risicokaart

38

De conclusie uit deze beoordeling is als volgt: ‘In de omgeving van de planlocatie bevinden zich een LPG-tankstation, twee bedrijven met een propaantank en het gascompressorstation Wijngaarden. Op 540 tot 560 meter van de planlocatie liggen drie hogedruk aardgasleidingen. De afstand tot de bedrijven en tot twee van de drie buisleidingen is zodanig dat deze geen extern risico vormen voor de planlocatie. Wel ligt de planlocatie net binnen het invloedsgebied van hogedruk aardgasleiding A-803 en is een beperkte verantwoording van het groepsrisico van deze hogedruk aardgasleiding vereist.’ Ten behoeve van de verantwoording van het groepsrisico heeft DGMR een aanzet gedaan in de notitie in de bijlage: ‘Bestrijdbaarheid De buisleidingen liggen alle op zodanige afstand van de planlocatie dat de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van een calamiteit hierdoor niet veranderen. Voor een fakkelbrand aan een hogedruk aardgasleiding is bestrijding echter niet mogelijk vanwege de hitte in de omgeving van de ongevalslocatie. De fakkelbrand kan alleen worden gestopt door de gasleiding op afstand af te sluiten. Zelfredzaamheid Een fakkelbrand verloopt in twee fasen: een eerste fase van circa 20 seconden met zeer hevige warmtestraling en een tweede stabiele fase met een minder intense warmtestraling.

Op 540 meter van de leiding is een warmtestraling in de eerste fase van circa 15 kW/m2 te verwachten. In de stabiele fase neemt deze straling af tot circa 8 kW/m2. Bij deze warmtebelasting is - zeker vanwege de korte duur van de eerste fase - geen brandoverslag te verwachten. Bij een dergelijke calamiteit kan men dus inpandig schuilen. Voor de bestaande woning, die het ‘dichtst’ bij de buisleiding staat merken wij aanvullend op dat de gevels en daken van moeilijk brandbaar materiaal zijn gemaakt: dit gebouw heeft stenen muren en een pannendak. Daarnaast is aan de westelijke gevel een parkeergarage. Afweging maatregelen Met het ingaan van de Omgevingswet komt de planlocatie binnen het brandaandachtsgebied te liggen van hogedruk aardgasleiding A-803. Omdat geen sprake is van een zeer kwetsbaar object zijn brandwerende maatregelen niet verplicht en moet de gemeente een afweging maken of deze maatregelen nodig zijn.

Ermee rekening houdend dat: • de kans klein is dat nabij de planlocatie een fakkelbrand ontstaat; • de warmtebelasting van een fakkelbrand op deze afstand van de buisleiding zodanig is afgenomen dat ook met zonder brandwerende maatregelen geen secundaire brand zal ontstaan, stellen we voor geen aanvullende bouwvoorschriften te verplichten voor de planlocatie.’ Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

39

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Het plan voorziet niet in ongewenste werkzaamheden voor planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen en waterleidingen. Op enige afstand is een bovengrondse hoogspanningslijn gelegen. Het betreft de lijn KrimpenGeertruidenberg (3) (380kV). In verband met draadbreuk, elektrische ontlading en ijzelafzetting wordt een zoneringsafstand van 2 x 38 meter uit het hart van de leiding gehanteerd waarin uitsluitend gebouwen ten dienste van de leidingen zijn toegestaan. Het plangebied valt ver buiten de belemmeringenzone en is gelegen op geruime afstand van deze hoogspanningsleiding.

180 m

Afbeelding 16: Uitsnede kaart Bovengrondse hoogspanningslijnen met indicatieve magneetveldzone

Voor de bovengrondse hoogspanningslijn Krimpen-Geertruidenberg geldt een indicatieve magneetveldzone van 110 meter aan weerszijden van de hoogspanningslijn. De magneetveldzone wordt gerekend over de grond vanuit het hart van de hoogspanningslijn. Het plangebied is gelegen op ruim 180 meter vanuit het hart van de hoogspanningslijn, waarmee gesteld kan worden dat het plangebied ruim buiten de indicatieve magneetveldzone van de hoogspanningslijn is gelegen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

40

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming (Wnb) toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Om de invloed van het plan op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlagen. Onderstaand zijn de resultaten uit het onderzoek uiteengezet. Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden.

Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.

41

•

•

•

•

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De (graaf)werkzaamheden ten behoeve van de te realiseren watergangen dienen uitgevoerd te worden buiten de kwetsbare periode van de heikikker. De werkzaamheden dienen buiten de periode 15 februari tot en met 31 juli uitgevoerd te worden. De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen.

42

4.9 Stikstofdepositie Beleidskader Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Onderzoek Op basis van het beoordelingskader van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid kan worden geconcludeerd dat de voorgestelde ontwikkeling niet zal leiden tot stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar op stikstofgevoelige Natura 2000gebieden, voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Het plangebied is op ca. 6 km gelegen van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied de Biesbosch. Conform het beoordelingskader geldt de grenswaarde van 3,5 km. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie. Conclusie Het aspect stikstofdepositie vormt dus geen belemmering voor het plan.

43

4.10 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het nieuwe beoogde gebruik is door Adcim een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het bodemonderzoek is toegevoegd in de bijlagen. Op basis van het bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: •

•

• • •

‘In de bovengrond is met name in de bovengrond van de tuin en plantvakken een zwakke bijmenging van metselpuin waargenomen. In verband hiermee is een asbestbodemonderzoek uitgevoerd op dit terreingedeelte. Onder de klinkerverharding is een funderingslaag aanwezig tot een diepte variërend tussen de 1,00 en 3,50m-mv bestaande uit hoogovenslakken, menggranulaat en een puinfundering met grind, baksteen, asfalt, hout en bijmenging met klei en zand. Het betreft geen grond >50% bodemvreemde materialen. In de ondergrond onder de funderingslaag is geen bijmenging van bodemvreemd materiaal aanwezig. Diverse boringen zijn verschillende dieptes gestuit op waarschijnlijk oude funderingslagen. Tijdens de uitvoering van het onderzoek zijn geen zintuigelijke waarnemingen gedaan aan de uitkomende grond die een aanwijzing zouden kunnen vormen voor bodemverontreiniging.

Uit de analyseresultaten blijkt het volgende: • De ondergrond onder de verharding en (puin)funderingslagen is licht tot matig verontreinigd met verschillende zware metalen en PAK. Naar aanleiding van de aangetroffen matige verontreiniging zijn de deelmonsters van het betreffende mengmonster afzonderlijk geanalyseerd. Uit de resultaten blijkt dat ter plaatse van boring 4 (230-280 cm-mv) een sterke loodverontreiniging aanwezig is en ter plaatse van boring 11 (120-220cm-mv) een matige PAK verontreiniging en een sterke verontreiniging met koper, nikkel, lood en zink. • De bovengrond met een zwakke bijmenging aan baksteen is niet verontreinigd. • De bovengrond met een zwakke bijmenging aan metselpuin is licht verontreinigd met verschillende zware metalen, PAK en PCB en sterk verontreinigd met zink. Naar aanleiding van de aangetroffen sterke verontreiniging zijn de deelmonsters van het betreffende mengmonster 44

• • •

afzonderlijk geanalyseerd. Uit de resultaten blijkt dat ter plaatse van boring 14 in de bovengrond een sterke zinkverontreiniging is aangetroffen en ter plaatse van boring 15 en 18 een matige zinkverontreiniging. Deze verontreinigingen zijn gelegen aan de zuidzijde van het woonhuis. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel en lood en sterk verontreinigd met zink. In de grond in de drupzone van het asbestverdachte dak is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. In de bovengrond met een zwakke bijmenging aan metselpuin is in één van de mengmonster, in de groenstroken tussen Abbekesdoel en de bebouwing, analytisch asbest aangetoond met een gehalte van 53 mg/kg ds, het betreft enkele kleine asbestplaatjes (cement, vlakke plaat met hechgebonden chrysotiel grootte <20mm).’

Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw moet aanvullend onderzoek worden uitgevoerd. Dit hoeft geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging te zijn, aangezien de locatie door sanering wel geschikt is te maken voor het toekomstige gebruik. De bestemmingsplanwijziging kan, voor wat de bodem betreft, wel plaatsvinden. Conclusie Het bestemmingsplan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.

45

4.11 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Onderzoek Om aan te tonen dat het plan geen nadelige gevolgen heeft voor eventueel archeologische waarde in de grond is door ADC Archeoprojecten een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in de bijlagen. Op basis van het onderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: ‘Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? De ondergrond in het plangebied bestaat uit Hollandveen, afgedekt door een verstoord kleipakket. Hierboven ligt een recent ophogingspakket. Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De top van het veen is in ieder geval in één boring verstoord, maar vermoedelijk in het gehele plangebied.

Het bovenliggend kleipakket is overal verstoord. De verstoring reikt tot 2,10 m tot 2,60 m - mv (2,70 m tot 4,15 m -NAP).

46

Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? Er zijn geen archeologisch interessante niveaus aangetroffen tijdens het onderzoek. Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Er zijn fragmenten puin aangetroffen in het omgewerkt puinpakket. Dit bestond uit baksteenpuin, maar dit is verder niet te dateren of typeren. In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De archeologische verwachting voor resten uit de Romeinse Tijd en Vroege Middeleeuwen, en de verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen kunnen worden bijgesteld naar laag. Over eventuele resten uit het Neolithicum is geen uitspraak te doen. Er zijn geen potentiële niveaus uit deze periode aangetroffen tijdens het onderzoek, maar deze kunnen wel aanwezig beneden de onderzoeksdiepte. Daarmee liggen ze echter buiten het bereik van de geplande werken. In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Ter hoogte van de geplande ontwikkelingen is de ondergrond recent sterk opgehoogd, en verstoord door verschillende bouwfases. De mate van bedreiging is zeer laag.

Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Met het uitgevoerde onderzoek is het plangebied afdoende onderzocht. Er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen.

47

4.12 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen De ambitie van de gemeente Molenlanden is een toekomstbestendig Molenlanden door bij nieuwbouw de openbare ruimte en de woningen en gebouwen zo duurzaam mogelijk te ontwikkelen. In het Handboek duurzaamheid in gebiedsontwikkelingen worden richtlijnen gegeven voor duurzaamheid en klimaatadaptatie. Het plan voorziet in de sanering van een bedrijfslocatie en de realisatie van een twee-onder-een-kapper naast een bestaande (bedrijfs)woning. De nieuwe woningen worden conform de meest actuele normen uit het Bouwbesluit gerealiseerd. Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. De woningen worden gebouwd volgens de nieuwste eisen en technieken. Deze eisen worden gehaald met zo veel mogelijk permanente oplossingen, zoals isolatie en kierdichting, en gebruiks- vriendelijke installaties. De woningen worden zonder gasaansluiting gerealiseerd. De energievraag wordt ingevuld met een warmtepompsysteem al dan niet in combinatie met zonne-energie. Het plan is in lijn met de duurzaamheidsambities van de gemeente Molenlanden.

Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid Holland is artikel 6.27a Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Het plan voorziet niet in ingrepen aan de watergangen en voorziet in een afname aan verharding. Zodoende wordt er meer ruimte geboden om het hemelwater in de bodem te laten infiltreren. Overstroming Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. De nieuwe woningen wordt op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden.

48

Hitte Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van plannen rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Door de verhardingsafname wordt hittestress tegengegaan. Tevens worden de installaties in de woningen geschikt om naast te verwarmen ook te koelen. Droogte Gezien het droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De initiatiefnemer wordt geadviseerd om bij het groen inrichten van het plangebied met streekeigen beplanting te werken die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen.

49

5.

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 70’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 70’ is conform de landelijke RO standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 70’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’, vastgesteld op 20 februari 2018. De regels van het bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 70’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Agrarisch met waarden Aan de oost- en westkant van het plangebied wordt de bedrijfsbestemming gewijzigd in ‘Agrarisch met waarden’ met als doel de landschappelijke waarde aldaar te borgen. Wonen Centraal in het plangebied wordt bestemming gewijzigd in ‘Wonen’, ten einde de bedrijfswoning te wijzigen in een burgerwoning en daarnaast (na de sanering van het bedrijf) een twee-onder-een-kapper mogelijk te maken. Waterstaat – Waterkering De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ wordt ongewijzigd overgenomen uit het moederplan.

5.4 Aanduidingen •

Bouwvlak;

50

• • • •

Bouwaanduiding: aaneengebouwd; Maatvoering: maximum inhoud 500 m3; Maatvoering: maximum aantal wooneenheden: 2; Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – dijk – 1.

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=be40b98a-f380-4ef9-a2cd-b2767513a8cd