Bijlage 2c Toelichting
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 70’
Ruimtelijke onderbouwing ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 70’
Opgesteld door: Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. Lekdijk 44 2967 GB Langerak Identificatie NL.IMRO.1978.BPabbekesdoel70BKG-VG01 Datum 28-05-2024 Planstatus Vastgesteld Versie 1.0
2
Inhoudsopgave 1
2
3
4
Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding .................................................................................................. 5
1.2
Ligging en begrenzing plangebied .............................................................. 6
1.3
Kader .......................................................................................................... 6
1.4
Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 7
1.5
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................... 8
1.6
Economische uitvoerbaarheid ..................................................................... 8
1.7
Communicatie ............................................................................................ 9
1.8
Realisatie .................................................................................................... 9
1.9
Leeswijzer................................................................................................... 9
Planbeschrijving .................................................................................................................... 10 2.1
Bestaande situatie ..................................................................................... 10
2.2
Nieuwe situatie ......................................................................................... 12
Verantwoording beleidskader ......................................................................................... 14 3.1
Rijksbeleid ................................................................................................ 14
3.2
Provinciaal beleid ...................................................................................... 16
3.3
Regionaal beleid ....................................................................................... 22
3.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................. 24
3.5
Conclusie .................................................................................................. 26
Verantwoording sectorale aspecten ............................................................................. 27 4.1
Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 27
4.2
Watertoets ................................................................................................ 28
4.3
Geluid ....................................................................................................... 33
4.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................... 35
4.5
Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 36
4.6
Externe veiligheid ..................................................................................... 38
4.7
Kabels en leidingen................................................................................... 40
4.8
Ecologie .................................................................................................... 41
4.9
Stikstofdepositie ....................................................................................... 43
4.10 Bodem ...................................................................................................... 44 4.11 Archeologie .............................................................................................. 46 4.12 Duurzaamheid en klimaatadaptatie ........................................................... 48 5.
Juridische planbeschrijving .............................................................................................. 50 5.1
Inleiding ................................................................................................... 50
5.2
Systematiek van de regels ......................................................................... 50 3
5.3
Bestemmingen .......................................................................................... 50
5.4 Aanduidingen ............................................................................................... 50
# Bijlage 1 Situatietekening 2 Akoestisch onderzoek 3 Notitie Externe Veiligheid 4 Ecologisch onderzoek 4 Verkennend bodemonderzoek 5 Archeologisch onderzoek 6 Nota van Zienswijzen
Auteur Newton architects & engineers Voortman Ingenieurs DGMR Blom Ecologie Adcim B.V. ADC Archeoprojecten Gemeente Molenlanden
Kenmerk -
Datum 28-06-2023
R-JVO/1914
30-05-2023
M.2023.1476. 00.NO01 2023-0533
23-11-2023
20220430-D-VO1.0 6142
18-07-2023
-
04-2024
15-11-2023
16-10-2023
4
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Op het perceel Abbekesdoel 70 te Bleskensgraaf is een bedrijfsperceel gelegen, waarop momenteel een transportbedrijf is gevestigd (zie afbeelding 1). Op het perceel zijn een bedrijfswoning, bedrijfsloods en een verhard bedrijventerrein met vrachtwagenparkeerplaats gelegen. Door het op leeftijd raken van de eigenaar én omdat de zoons de bedrijfsactiviteiten ter plaatse niet voortzetten heeft een verkenning plaatsgevonden naar de toekomstige mogelijkheden van de locatie. Het karakter van de locatie, het gemeentelijk beleid om bedrijfspercelen in het cultuurhistorisch lint waar mogelijk te verwijderen (daarmee het woon- en leefklimaat te verbeteren) en de wens om een toekomstbestendige woonsituatie te creëren voor de familie zijn als factoren beoordeeld. Vervolgens is het plan ontstaan om het bedrijf te saneren en woningen te realiseren Het plan is om de bedrijfsbestemming te wijzigen naar een woonbestemming. Hierbij de bestaande bedrijfswoning juridisch-planologisch te wijzigen naar een burgerwoning en de bedrijfsloods en overtollige verharding te saneren. Ter hoogte van de te slopen bedrijfsloods een twee-onder-een-kap volume te realiseren. Middels dit plan kan de woonfunctie in het gebied gecontinueerd worden. De locatie kan zo in geheel in de familie blijven en tevens kan de nodige toekomstige mantelzorg gemakkelijker worden verleend.
Afbeelding 1: Begrenzing plangebied (indicatief)
Het plan is strijdig met de vigerende bestemmingsplannen, waaronder ‘paraplubestemmingsplan Buitengebied Graafstroom’ (vastgesteld op 20 februari 2018) en de vastgestelde moederplannen hiervoor (zie paragraaf 1.3). Het perceel heeft een bedrijfsbestemming met de aanduiding voor een transportbedrijf. De wijziging van de bedrijfswoning naar burgerwoning en de realisatie van een tweeonder-een-kap volume is daarmee niet toegestaan. Daarom is een principeverzoek ingediend en heeft vooroverleg plaatsgevonden met de gemeente Molenlanden. Op 5
18 april 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten in principe medewerking te verlenen het plan.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Bleskensgraaf (zie afbeelding 1). Het perceel grenst aan de noordzijde aan de Abbekesdoel met daarachter de Graafstroom. Aan de oostzijde is de Vlietweg gelegen waarover via de Elzenweg de provinciale wegen zijn te bereiken. De zuidzijde grenst aan de wetering met daarachter het open polderlandschap. Aan de westzijde zijn moestuinen gelegen. Het plangebied is kadastraal bekend als Bleskensgraaf, sectie E, perceel 739.
1.3 Kader Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ (vastgesteld op 25 januari 2010) (zie afbeelding 2). Het plangebied heeft de enkel- bestemming: • Bedrijf; Met de dubbelbestemming: • Waarde – Archeologie; • Waterstaat – Waterkering;
Afbeelding 2: Uitsnede vigerende bestemmingsplankaart
En de aanduidingen: • Bouwvlak; 6
• • • • • •
Functieaanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – transportbedrijf’; Maatvoering ‘maximum goothoogte: 4m’; Maatvoering ‘maximum goothoogte: 5m’; Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning overgangsgebied’; Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied dorpslint’.
Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ Op 15 september 2015 is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ vastgesteld. In de herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dat de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ is gewijzigd in de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 1, 2, 4, 5 & 7’ en dat de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering is gewijzigd (zie afbeelding 2). Bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ Op 20 februari 2018 is de ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de parapluherziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dit een toevoeging van de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’ en de wijziging van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ (zie afbeelding 2). Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ Op 27 oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ vastgesteld.
Het doel van deze parapluherziening is het bieden van een eenduidige regeling ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ in de gemeente Molenlanden. Dit paraplubestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het parkeerbeleid. In de beleidsregel “Nota Parkeernormen Molenlanden 2020” zijn de parkeernormen opgenomen die van toepassing zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ regelt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden voldaan aan de beleidsregel “Nota Parkeernormen Molenlanden 2020”. In paragraaf 2.2.2 ‘Parkeren’ is beschreven dat dit plan voldoet aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten Op 26 oktober 2021 heeft de gemeente Molenlanden het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ vastgesteld. Het paraplubestemmingsplan voorziet uitsluitend in een juridische borging voor het reguleren van het beleid met betrekking tot huisvesting van arbeidsmigranten. Door deze regeling wordt het eveneens onmogelijk gemaakt om andere ongewenste huisvestingsvormen toe te staan in (bedrijf)woningen. De regeling blijft van toepassing op het plangebied.
1.4 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden aan de Abbekesdoel 70 te
7
Bleskensgraaf. De bedrijfswoning wordt juridisch-planologisch gewijzigd in een burgerwoning en het wordt mogelijk gemaakt om daarnaast een twee-onder-eenkapper te realiseren.
1.5 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Vooruitlopend op de bestemmingsplanprocedure zijn de buren van het plangebied geïnformeerd over het plan in het kader van een goede ruimtelijke ordening en een goede relatie met de buren. De buren aan de Abbekesdoel 69, 71, 73, 76 en Heulenslag 53 zijn geïnformeerd over het feit dat het transportbedrijf stopt en dat er twee nieuwe woningen worden gerealiseerd voor de kinderen binnen de familie. Al deze buren hebben hetgeen positief ontvangen en geen opmerkingen kenbaar gemaakt die hebben geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Er is positief ontvangen dat er twee jonge gezinnen (terug) komen wonen die geboren en getogen zijn in Bleskensgraaf, wat goed is voor de leefbaarheid van de buurt, én dat er meer groen ontstaat op de plek die nu grotendeels verhard is vanwege van het transportbedrijf. Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de overlegpartners van de gemeente Molenlanden. Het Waterschap en de Provincie hebben positief geadviseerd. Enkele (kleine) opmerkingen van beide partijen zijn verwerkt en vragen zijn beantwoord.
Zienswijzen De ontwerpbeschikking en bijbehorende stukken zijn gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd kon ook een mondelinge zienswijze gegeven worden. Er is door één partij een zienswijze ingediend. Deze zienswijze en de beantwoording er van is verwerkt in de Nota van Zienswijzen in de bijlage van deze toelichting. Daarnaast hebben de initiatiefnemers van het plan en de indiener van de zienswijze op 3 april 2024 een gesprek met elkaar gehad. In dit gesprek is het plan nader toegelicht vanuit de initiatiefnemers, heeft de indiener van de zienswijze zijn/haar standpunt nader toegelicht en heeft men verder bijgepraat over het plan en de situatie.
1.6 Economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemers, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de
8
initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
1.7 Communicatie Er wordt op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure.
1.8 Realisatie Wanneer er geen beroep wordt ingesteld, is het vastgestelde bestemmingsplan na de ter inzage termijn onherroepelijk. De omgevingsvergunningen voor de te realiseren woonfunctie kunnen dan worden aangevraagd.
1.9 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • • • • •
Hoofdstuk 1: Inleiding; Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskader; Hoofdstuk 4: Verantwoording sectorale aspecten; Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving.
9
2
Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis en stedenbouwkundige structuur Het dorp Bleskensgraaf is ontstaan als lintbebouwing langs de Graafstroom. Vanuit de lintbebouwing is er rondom de kerk een buurtschap ontstaan. Vanuit dit buurtschap is het dorp Bleskensgraaf ontstaan. Mede door de verbetering van de wegen en de toename van transport over de weg (voorheen over water) is het dorp Bleskensgraaf in de loop der tijd gegroeid. De groei vond met name plaats in de dorpskern. In de Tweede Wereldoorlog is de dorpskern van Bleskensgraaf nagenoeg volledig verwoest als gevolg van een bombardement. Thans is nog slechts een beperkt deel van het oorspronkelijke buurtschap zichtbaar. Na de Tweede Wereldoorlog is het dorp wederopgebouwd. De laatste fase van de wederopbouw werd afgerond met de opening van het gemeentehuis op 12 mei 1955. In de jaren daarna heeft Bleskensgraaf, net zoals de meeste dorpen in de Alblasserwaard een grote groei doorgemaakt, welke is terug te zien in de seriematige uitbreidingswijken rondom de oorspronkelijke kern van het dorp. Het plangebied is gelegen in de cultuurhistorische lintbebouwing langs de Abbekesdoel ten westen van de dorpskern Bleskensgraaf. Deze lintbebouwing is gevormd door een langgerekte strook van min of meer samengegroeide gemengde bebouwing.
De bebouwing kenmerkt zich door een afwisseling van (grotere) boerderijen en (kleinere) arbeiders-/knechtenhuisjes. Hier en daar is de traditionele bebouwing vervangen door nieuwbouw en hebben de bestaande boerderijen hun agrarische functie verloren en zijn volledig in gebruik als woonfunctie. 2.1.2 Huidige status/gebruik Op het perceel Abbekesdoel 70 te Bleskensgraaf is in de huidige situatie een bedrijfswoning, bedrijfsloods en een verhard bedrijventerrein met (vrachtwagen) parkeerterrein gelegen. Momenteel is er een transportbedrijf gevestigd en actief. Zie onderstaande afbeeldingen voor een impressie van de bestaande situatie.
Afbeelding 3: Aanzicht vanaf de Vlietweg
10
Afbeelding 4: Aanzicht vanaf het Abbekesdoel (noordoostkant)
Afbeelding 5: Aanzicht vanaf het Abbekesdoel (noordwestkant)
11
2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Planbeschrijving Middels het onderhavige bestemmingsplan wordt de juridisch-planologische situatie ter plaatse van de Abbekesdoel 70 te Bleskensgraaf gewijzigd. De bedrijfsbestemming wordt gewijzigd in een woonbestemming (en deels agrarisch met waarden). Hiermee wordt de bestaande bedrijfswoning juridisch-planologisch gewijzigd in een burgerwoning en wordt het mogelijk om ter hoogte van de bestaande loods een twee-onder-een-kapper te realiseren met gebouwen en/of bouwwerken geen gebouw zijnde
Afbeelding 6: Nieuwe situatie (uitvergroot in bijlage)
2.2.2 Parkeren Ontsluiting In de bestaande situatie wordt de Abbekesdoel 70 te Bleskensgraaf ontsloten middels twee inritten op de Abbekesdoel en een brede inrit op de Vlietweg voor het vrachtverkeer. In de nieuwe situatie krijgt elke woning een eigen inrit op de Abbekesdoel en wordt daarnaast een inrit gerealiseerd voor de weide aan de oostkant van het plangebied (zie bovenstaande afbeelding). Op de Vlietweg zal dus geen ontsluiting meer aanwezig zijn. De bestaande inrit bij de bestaande woning wordt verbreed. Parkeren Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'. Dit parkeerbeleid is gebaseerd op de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018). In het CROW-beleid wordt uitgegaan van een bandbreedte van een minimale tot een maximale parkeernorm. In de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020' wordt uitgegaan van het gemiddelde.
12
De gemeente Molenlanden valt qua stedelijkheidsgraad in zijn geheel in de categorie ‘niet stedelijk’. Het plangebied is gelegen in het gebiedstype ‘buitengebied’. In de nieuwe situatie is er sprake van een reeds bestaande vrijstaande woning, hiervoor geldt een parkeernorm van 2,4 per woning. Daarnaast wordt er een twee-onder-een-kapper gerealiseerd, hiervoor geldt een parkeernorm van 2,2 per woning. In totaal is er daarmee behoefte aan 7 parkeerplaatsen voor de drie woningen. Op eigen terrein wordt er voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd om te voldoen aan deze behoefte, zie afbeelding 6.
13
3
Verantwoording beleidskader
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • • • •
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.
Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmings-
14
plan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het Bro biedt geen verdere definitie van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’.
Inmiddels is door jurisprudentie wel een verder beoordelingskader van dit begrip ontstaan: De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS: 2014:3929). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI: NL:RVS:2013: 2471). Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3). Het onderhavige plan voorziet per saldo in de toevoeging van twee extra wooneenheden. Vanuit jurisprudentie is daarmee geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.
15
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie ZuidHolland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie ZuidHolland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. Op 15 maart 2022 is een herziening van de Omgevingsvisie Zuid-Holland gepubliceerd. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van ZuidHolland. 5.
Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Stedelijke ontwikkelingen De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Het plan voorziet in de sanering van een bedrijfslocatie en de realisatie van een twee-onder-een-kapper naast een bestaande (bedrijfs)woning.
Het plangebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied, maar binnen het cultuurhistorische lint langs de Abbekesdoel en Graafstroom. Hiermee binnen de bestaande bebouwde ruimte. Het plan voorziet in een compact en duurzaam ruimtegebruik, door een voormalige bedrijfslocatie te herontwikkelen. Er is middels het plan sprake van 16
inbreiding in het lint. Het plan sluit daarmee aan op het provinciaal beleid en het streven van de provincie om de bebouwde ruimte beter te benutten. Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plek gebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie en soms daarbuiten. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit.
De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. Laag van de ondergrond Het plangebied is gelegen in de gebieden ‘rivierklei en veen’ (zie afbeelding 7). De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie het volgende richtpunt vastgesteld: • Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar.
Het plan voorziet in de sanering van een bedrijfslocatie en de realisatie van een twee-onder-een-kapper naast een bestaande (bedrijfs)woning, én doet daarmee geen afbreuk aan de herkenbaarheid van het verschil tussen komgronden en oeverwallen.
17
Afbeelding 7: Uitsnede kwaliteitskaart – Laag van de ondergrond
Laag van cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is gelegen in de gebieden ‘veen(weide)landschap’ en ‘linten’ (zie afbeelding 8). De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Voor ontwikkelingen in het veenweidelandschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer.
Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Om die reden worden linten beschouwd als onderdeel van de tweede laag. Op kaart zijn zowel de linten buiten als binnen het stedelijk gebied aangegeven. De linten binnen het stedelijk gebied 18
zijn met name opgenomen om de relatie met het lint in het buitengebied aan te geven. Er kunnen verschillende typen linten onderscheiden worden. In dit geval is er sprake van een polderlint. Hierbij ligt de bebouwing op één niveau met de omgeving. Voor ontwikkelingen in het lint heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst. • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. Het plan voorziet in de sanering van een bedrijfslocatie en de realisatie van een twee-onder-een-kapper naast een bestaande (bedrijfs)woning. Het plan doet geen afbreuk aan het veen(weide)landschap en polderlint, maar versterkt deze juist door de zachtere overgang met het landschap, het accentueren van en inbreiden in het lint.
Afbeelding 8: Uitsnede kwaliteitskaart – Laag van de cultuur- en natuurlandschappen
Laag van de beleving De laag van beleving gaat over zorgvuldig omgaan met wat van waarde is in combinatie met het vergroten van de recreatieve gebruikswaarde van de provincie. Het betreft bijzondere plekken van cultuurhistorische waarde, maar gaat ook over het zorgdragen voor een recreatief toegankelijke provincie met een heldere groenstructuur als basis. Het plangebied is niet gelegen in één van deze gebieden en zal daarom geen negatieve invloed uitoefenen.
19
Conclusie Kwaliteitskaart Het plan sluit aan bij de relevante richtpunten uit de kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie Zuid-Holland. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Op 15 maart 2022 is een herziening van de Omgevingsverordening gepubliceerd. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9). Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a.
De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ Zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c. Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang.
Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: • Een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid;
20
•
Hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.
Op basis van de hiervoor beschreven opzet voor ruimtelijke kwaliteit kan het plan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Het plan voorziet in de sanering van een bedrijfslocatie en de realisatie van een twee-onder-een-kapper naast een bestaande (bedrijfs)woning. Het betreft een kleinschalige ontwikkeling die aansluit bij de bestaande gebiedsidentiteit en structuur van het cultuurhistorische lint van de Abbekesdoel en het dorp Bleskensgraaf. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van de omgeving. Tevens wordt er voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10). Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Het plan betreft geen stedelijke ontwikkeling (zie paragraaf 3.1.3).
21
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. Het plan voorziet in de sanering van een bedrijfslocatie en de realisatie van een twee-onder-een-kapper naast een bestaande (bedrijfs)woning. Hiermee wordt een bedrijf gefaciliteerd om de activiteiten te beëindigen en een geschikte nieuwe functie te vinden. Daarnaast wordt een toekomstbestendige woonsituatie gecreëerd op de locatie. Tevens wordt eventuele mantelzorg gefaciliteerd.
Gezien de sanering van de bedrijfslocatie en de minimale nieuwbouw blijft het open, rustige en authentieke karakter van de regio behouden. Er wordt op deze wijze duurzaam gebruik gemaakt van een voormalige bedrijfslocatie. 3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied een dynamische stedelijke zone. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Er wordt onderscheid gemaakt in: • Stedelijk gebied; • Voorzieningendorpen; • Woondorpen. De huidige afspraak is een netto toevoeging van maximaal 3.364 woningen netto in totaal voor de regio voor de periode 2015-2025. De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 0,7% huishoudensgroei per jaar.
Bleskensgraaf is aangeduid als een voorzieningendorp. Bleskensgraaf heeft hiermee een bovenlokale functie in wonen en voorzieningen. Het plan voorziet in de sanering van een bedrijfslocatie en de realisatie van een twee-onder-een-kapper naast een bestaande (bedrijfs)woning. Daarnaast wordt een bestaande bedrijfswoning toekomstbestendig gemaakt door deze te wijzigen in een burgerwoning. Middels 22
twee nieuwe woningen wordt voorzien in de concrete behoefte van de familie die graag bij elkaar willen blijven wonen en/of terugkomen. De woningen komen niet vrij op de markt, maar zijn ten behoeve van de initiatiefnemers zelf. De woningen wordt gemeld in het regionaal overleg en wordt meegenomen in de herijking van de woningbouw-monitor Alblasserwaard Vijfheerenlanden 2020-2030.
23
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Molenlanden Op 28 september 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden unaniem de Toekomstvisie Molenlanden 2030 vastgesteld. Op zes onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn. De zes beelden gaan in op de volgende aspecten: • Inclusieve samenleving: in onze samenleving staat gezondheid voorop en zijn alle inwoners even belangrijk; • Leefomgeving: de omgeving waarin we wonen voelt veilig en is zo ingericht dat we grote gevolgen van klimaat op kunnen vangen; • Economie: Molenlanden is een gemeente waar innovatie een belangrijke plek heeft en ondernemen vanzelfsprekend is; • Recreatie en Toerisme: het toerisme in Molenlanden is in balans; • Klimaat en energie: we werken samen aan een circulair, energieneutraal, klimaatbestendig en schoon Molenlanden met aandacht voor een eerlijke voedselketen waarin afval wordt gezien als grondstof; • Bereikbaarheid: Inwoners van Molenlanden ervaren met verschillende vervoersmiddelen dat onze dorpen, de vestingstad en de regio veilig en goed bereikbaar zijn.
Het plan voorziet in de sanering van een bedrijfslocatie en de realisatie van een twee-onder-een-kapper naast een bestaande (bedrijfs)woning en heeft het meest betrekking op de onderwerpen ‘Inclusieve samenleving’ en ‘Leefomgeving’. Het plan draagt bij aan het streven van de gemeente om voldoende woningen te realiseren en om mensen zo langs als mogelijk thuis te laten wonen. Er wordt gestreefd naar een samenleving waarin de mens centraal. Waar de mogelijkheden, talenten en regie van de inwoners centraal staat en waar hulp is uit de directe omgeving wanneer zelfredzaamheid tekortschiet. Er kan worden gesteld dat met het juridischplanologisch uitsluiten van de mogelijkheid tot vestiging van een volwaardig bedrijf (en de daarmee samenhangende hinder) de kwaliteit van de leefomgeving en het woonklimaat wordt verbeterd. 3.4.2 Woonvisie Molenlanden 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 – 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: • Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. • De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren.
Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. • De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnelt de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. 24
•
•
•
Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen. Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed).
Daarnaast geldt voor Bleskensgraaf het volgende: Een gevarieerd programma is gewenst, met meer nadruk op grondgebonden koopwoningen. Dat zijn in eerste instantie betaalbare rij- en hoekwoningen (< €250.000) voor starters, maar ook ruimere woningen in het middel(dure) segment (€250-450.000) gericht op gezinnen. Voor het toenemend aantal ouderen is er behoefte aan een levensloopgeschikte woning. De totale behoefte voor de periode 2020 t/m 2029 ligt op 100 woningen. Het plan voorziet in de sanering van een bedrijfslocatie en de realisatie van een twee-onder-een-kapper naast een bestaande (bedrijfs)woning. Hiermee voorziet het plan in zowel een kwalitatieve als kwantitatieve toevoeging van twee wooneenheden. Het draagt bij aan het bevorderen van doorstroming in de (lokale) woningmarkt en is in overeenstemming met de woonvisie.
25
3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders.
26
4
Verantwoording sectorale aspecten
4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r. beoordeling. Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd.
Er wordt daarmee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer.
27
4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheerder, de beheerder van waterkeringen en de beheerder van zuiveringsinstallaties. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen.
De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Watergangen In en grenzend aan het plangebied is een A-watergang (W101679) gelegen, zie onderstaande afbeelding. Aan en binnen de beschermingszone van deze watergang vinden geen werkzaamheden plaats.
28
Afbeelding 9: Uitsnede Legger wateren
Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW014. Het gebied heeft een zomerpeil van -2,24 m NAP en een winterpeil van -2,34 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwater- overlast te voorkomen.
Afbeelding 10: Peilgebiedenkaart
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dient zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient 29
compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. Verhardingsbalans Op onderstaande afbeeldingen is de verharding van de locatie in de bestaande en nieuwe situatie globaal afgebeeld en opgemeten. De bestaande verharding is globaal opgemeten vanaf de luchtfoto en betreft ca. 2.250 m2. De verharding in de nieuwe situatie is globaal ingeschat middels de impressie van de nieuwe situatie en betreft ca. 1.315 m2. De bebouwing en verharding rondom de bestaande woning blijft ongewijzigd, namelijk ca. 275 m2. Voor de verharding bij de nieuwe tweeonder-een-kapwoningen wordt uitgegaan van worst-case middels de stelregel 80% verharding van de kavels, hetgeen neer komt op ca. 1.040 m2 (80% van ca. 1.300 m2). Hiermee is er sprake van een afname aan verharding van 935 m2 en is er geen watercompensatie noodzakelijk.
De afdeling vergunningen van het Waterschap zal ten tijde van de omgevingsvergunning bepalen of er watercompensatie noodzakelijk is en/of indien mogelijk de particuliere vrijstelling kan worden gebruikt.
Afbeelding 11: Verharding bestaande situatie (vanaf luchtfoto opgemeten)
30
Afbeelding 12: Verharding nieuwe situatie ca. 1.315 m2 (inschatting middels situatietekening)
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Hemelwater wordt in de bestaande situatie afgevoerd naar het oppervlaktewater, dit blijft in de nieuwe situatie tevens het geval. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woningen worden aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel waar ook de bestaande woning op is aangesloten. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland.
Waterkering Het plangebied is gelegen nabij een regionale waterkering (zie onderstaande afbeelding). Binnen de kernzone gelden strenge regels voor het uitvoeren van bouwen/of sloopwerkzaamheden. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering.
31
Afbeelding 13: Uitsnede legger waterkeringen
De bouw- en sloopwerkzaamheden vallen deels binnen de beschermingszone van de waterkering. Voor de bouw-, graaf- en overige werkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. De woningen dienen buiten het profiel van vrije ruimte (PVVR) te worden gerealiseerd. Dit dient in het kader van de watervergunning nader te worden uitgewerkt. Ter bescherming van de waterkering wordt op de verbeelding de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen en ter plaatse van de beschermingszone de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’. Deze dubbelbestemming en beschermingszone beschermen de waterkering voor de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming. Wegbeheer In de bestaande situatie wordt de Abbekesdoel 70 te Bleskensgraaf ontsloten middels twee inritten op de Abbekesdoel en een brede inrit op de Vlietweg voor het vrachtverkeer. In de nieuwe situatie krijgt elke woning een eigen inrit op de Abbekesdoel en wordt daarnaast een inrit gerealiseerd voor de weide aan de oostkant van het plangebied. Op de Vlietweg zal dus geen ontsluiting meer aanwezig zijn. De bestaande inrit bij de bestaande woning wordt verbreed. Conclusie Het onderhavige plan heeft naar verwachting geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Wel dient voor het plan een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland voor de bouw- en sloopwerkzaamheden, én de aanpassingen van de opritten.
32
4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is.
De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van autowegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein. Deze geluidsbronnen zijn derhalve verder buiten beschouwing gelaten. Het plan voorziet in de sanering van een bedrijfslocatie en de realisatie van een twee-onder-een-kapper naast een bestaande (bedrijfs)woning. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van toevoeging van nieuwe geluidsgevoelige objecten en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Voortman Ingenieurs en is toegevoegd in de bijlage. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • ‘De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Abbekesdoel ten hoogste 52 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt.
Deze geluidbelasting is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde voor wegverkeer in buitenstedelijk gebied van 53 dB;
33
•
• •
De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Heulenslag ten hoogste 35 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 voor wegverkeer; De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen ten hoogste 53 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. De woningen ter plaatse van de zuidgevel over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte beschikken, waarmee aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.’
Er dient daardoor een hogere waarden besluit te worden genomen door het college van burgemeester en wethouders. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen. Er dient wel een hogere waarde te worden vastgesteld door het college van burgemeesters en wethouders.
34
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)