CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b Toelichting

Raadsvergadering 28 mei 2024, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 5c. Bestemmingsplan Molenaarsgraaf, Graafdijk-oost 3715.289 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

33

3.4.4 Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten Op 26 oktober 2021 heeft de gemeente Molenlanden het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ vastgesteld. Het paraplubestemmingsplan voorziet uitsluitend in een juridische borging voor het reguleren van het beleid met betrekking tot huisvesting van arbeidsmigranten. Door deze regeling wordt het eveneens onmogelijk gemaakt om andere ongewenste huisvestingsvormen toe te staan in (bedrijf)woningen. De regeling blijft van toepassing op dit plan.

34

4.

Verantwoording sectorale aspecten

4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische toevoeging van twee wooneenheden binnen een bestaand gebouw en binnen het bestaand stedelijk gebied. Het ruimtebeslag, de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is daarmee zeer beperkt. Gelet hierop kan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling worden gesteld dat er geen sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. Dit betekent dat er geen m.e.r. beoordeling nodig is. Conclusie Een m.e.r.-beoordeling is niet verplicht en is derhalve achterwege gelaten.

35

4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.

Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.

Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat 36

langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een Aof B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Watergangen Aan de zuidkant van het plangebied is een wetering gelegen. Het betreft de Awatergang 111752. Ten noorden van het plangebied is de Graafstroom gelegen (Awatergang 224121). Verder zijn C-watergangen 065791, 066181 en 066196 aanwezig rondom het plangebied.

De toe te voegen woning wordt gerealiseerd buiten de beschermingszone van de watergangen, in een bestaand pand. Hiervoor is het noodzakelijk een watervergunning aan te vragen bij het Waterschap Rivierenland. A-watergang 224121

C-watergang 065791 C-watergang 066181

C-watergang 066196 A-watergang 111752 Afbeelding 12: Uitsnede legger wateren

37

Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW005. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,75 m NAP en een winterpeil van -1,80 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Plangebied

Afbeelding 13: Uitsnede peilgebiedenkaart

Waterkering Het plangebied is gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. De Graafdijk-Oost en de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de dijk zijn door de verordening Keur beschermd. In principe geldt binnen de kernzone dat hier niet gebouwd mag worden. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. Het plan voorziet niet in bodemingrepen of het realiseren van bebouwing. Daarmee voorziet het plan niet in werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor de regionale waterkering. Wel voorziet het plan in de aanleg van een ontsluiting in de beschermingszone van de regionale waterkering. Het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenlanden is hiervoor noodzakelijk. Ter bescherming van de regionale waterkering wordt op basis van de Barro (2012) ter plaatse van de kern- en beschermingszone de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering en de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ opgenomen. Deze dubbelbestemming en gebiedsaanduiding beschermd de waterkering door de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming te beperken. 38

Afbeelding 14: Uitsnede legger waterkeringen

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het stedelijke gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2 en in het landelijk gebied geldt een vrijstelling van 1.500 m². Het plan voorziet primair in het toevoegen van een woning in de woonboerderij en het juridisch-planologisch vastleggen van de bestaande twee woningen. Daarmee zal er geen verhardingstoename ontstaan.

Ook voorziet het plan in het toevoegen van een nieuwe ontsluiting. Uitgaande dat voor deze nieuwe ontsluiting 250 m² aan halfverharding wordt gerealiseerd, betekent dit een watercompensatieopgave van (250 ÷ 10.000 × 436 =) 10,90 m³. Uitgaande van een peil van 0,2 m, betekent dit een oppervlak van 54,50 m². Deze opgave kan opgelost worden door achterop langs de wetering water te realiseren of langs de watergang aan de zijkant van het plangebied. 39

Uiteindelijk zal bij de omgevingsvergunningaanvraag de verhardingstoename inzichtelijk worden gemaakt. Voor het realiseren van watercompensatie dient een watervergunning aangevraagd te worden bij het waterschap. Indien gebruik kan worden gemaakt van de eenmalige vrijstelling, is watercompensatie niet nodig. De afdeling Vergunningen van het waterschap beslist of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel.

Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In samenspraak met de gemeente zal een rioleringsplan worden uitgewerkt ten behoeve van de nieuwe woning. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Aan de noordwestzijde van het plangebied is tevens een drukrioolgemaal aanwezig. Hierop zal niet worden gebouwd. Wegbeheer Het waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor het beheer van de GraafdijkOost. Met het plan wordt een ontsluiting gerealiseerd op de Graafdijk-Oost ten behoeve van het bestaande autobedrijf. Voor het realiseren van een extra inrit dient een melding te worden gedaan bij het waterschap. De Graafdijk-Oost is opgenomen als 15T-weg. Dat wil zeggen dat deze wegen gesloten zijn voor verkeer zwaarder dan 15 ton. Indien het voor de werkzaamheden noodzakelijk is om verkeer zwaarder dan 15 ton over deze wegen te laten plaatsvinden, dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het waterschap. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

40

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.

Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plan voorziet in de juridisch-planologische toevoeging van twee woningen en daarmee ook in de toevoeging van geluidsgevoelige objecten. Een akoestisch onderzoek is daarom noodzakelijk. De woningen zijn ten aanzien van wegverkeerslawaai gelegen binnen de geluidzone van diverse wegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd bedrijventerrein, deze bronnen worden derhalve verder buiten beschouwing gelaten. Om de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai op de geplande woningen in kaart te brengen is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd.

De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Gijbelandsedijk ten hoogste 40 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer; 41

•

•

•

•

De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Graafdijk-Oost ten hoogste 36 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer; De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Polderweg-Oost ten hoogste 31 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer; De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen (incl. 30 km/h wegen) ten hoogste 42 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De woning beschikt alzijdig over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte, zodat aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.

Aan te vragen hogere grenswaarden wegverkeerslawaai Voor de onderzochte woning hoeft geen hogere waarden te worden vastgesteld. Geluidwering van de gevel Algemeen geldt dat voor woningen met een geluidbelasting tot en met 53 dB, excl. aftrek art. 110g Wgh bij toepassing van gebruikelijke bouwconstructies/ materialen (spouwmuren, standaard dubbel glas, enkele kierdichting, ventilatieroosters etc.) zonder aanvullende geluidwerende voorzieningen een minimale geluidwering van 20 dB wordt bereikt en de geluidwering van de gevel niet nader wordt onderzocht.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.

42

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

43

4.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Tabel 3: Afstanden/toelaatbaarheid per (milieu)categorie Gebied met functiemenging Gebied met functiescheiding Cat. Toelaatbaarheid MilieuRustige Gemengd categorie woonwijk of gebied rustig buitengebied Activiteiten zijn zodanig 1 10 m 0m weinig milieubelastend voor 2 30 m 10 m hun omgeving, dat deze 3.1 50 m 30 m aanpandig aan woningen – 3.2 100 m 50 m in gebieden met 4.1 200 m 100 m A functiemenging – kunnen 4.2 300 m 200 m worden uitgevoerd. De 5.1 500 m 300 m eisen uit het Bouwbesluit 5.2 700 m 500 m voor scheiding tussen wonen 5.3 1.000 m 700 m en bedrijven zijn daarbij 6 1.500 m 1.000 m toereikend.

B

C

Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.

Bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009)

In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een grotere functiescheiding dan een 44

gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In beide gevallen wordt er gewerkt met milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden om de functies van elkaar te scheiden. Onderzoek Het plan betreft de toevoeging van een woning. Hiermee is sprake van het toevoegen van een milieugevoelig object. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is gekeken naar de eventuele belemmeringen in de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven en instellingen als gevolg van het plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Omgevingstype De richtafstanden in het VNG-Handreiking hebben betrekking op de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. Onder het omgevingstype ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’ wordt het volgende verstaan: "Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.

Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie, een stiltegebied of een natuurgebied)." Onder het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt het volgende verstaan: "Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend." De omgeving van het plangebied kan aangemerkt worden als lintbebouwing. Tevens komen direct naast woningen andere functies voor, zoals bedrijven. Daarmee is de omgeving in ieder geval niet ingericht volgens het principe van functiescheiding. De omgeving van het plangebied valt te typeren als ‘gemengd gebied’. Functiemenging en de ligging van bedrijven bij woningen wordt hier acceptabel geacht. Derhalve is getoetst aan de Staat van Bedrijfsactiviteiten – functiemenging uit de VNGhandreiking.

De activiteiten worden hierbij onderverdeeld in de categorieën A, B en C (zie tabel 3). Toetsing aan VNG-Handreiking Het voorliggend plan staat binnen de bedrijfsbestemming – net als het moederplan – alleen bedrijven uit de categorie A en B van de Staat van Bedrijfsactiviteiten – functiemenging uit de VNG-handreiking toe. Categorie A-bedrijven kunnen vanwege hun beperkte milieubelasting aanpandig aan milieugevoelige functies plaatsvinden. De milieubelasting van categorie B-bedrijven kunnen in een gemengd gebied plaatsvinden, maar moeten vanwege de milieubelasting bouwkundig afgescheiden zijn van gevoelige functies. 45

In dit plan worden zijn de milieugevoelige functies (de woningen) bouwkundig geschieden van de bedrijven. Daarmee wordt voldaan aan de eisen die vanuit de VNG-Handreiking worden gesteld aan categorie A en B-bedrijven. Gesteld wordt dat de bedrijven niet verder in hun bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van het plan en dat ter plaatse van de woningen een acceptabel woon- en leefklimaat heerst. Wijziging bedrijfswoningen naar burgerwoningen Daarnaast geldt dat in de woonboerderij al woningen aanwezig zijn. Door het toevoegen van een derde woning in de woonboerderij wijzigen de afstanden van bedrijven tot deze woningen niet. Daarmee is in het kader van milieuzonering sprake van een gelijkblijvende situatie en zullen bedrijven niet verder in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. De enige wijziging waarin het plan in het kader van milieuzonering voorziet, is dat de woningen in de woonboerderij door de wijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning niet meer beschermd worden ten opzichte van het eigen autobedrijf. De afstand vanaf de burgerwoningen tot de bedrijfsbestemming van het autobedrijf is meer dan 10 meter (dit is de richtafstand van categorie 2-bedrijven in gemengd gebied), waardoor ook zal worden voldaan aan de VNG-Handreiking indien uit wordt gegaan van de richtafstanden.

Bestaande bedrijven

Uitsluitend bedrijfswoning, geen werkzaamheden

Autobedrijf

Afbeelding 15: Afstand burgerwoningen tot autobedrijf

46

Milieuzonering nieuwe bedrijfswoning Het plan voorziet in het toevoegen van een bedrijfswoning. De bedrijfswoning maakt onderdeel uit van het autobedrijf. Daardoor is deze woning niet beschermd tegen de milieubelasting van het eigen autobedrijf. Het autobedrijf wordt derhalve niet belemmerd door de bedrijfswoning. Daarnaast is ter plaatse van de nieuwe bedrijfswoning die middels dit plan wordt toegevoegd al een bedrijfswoning (zijnde een milieugevoelig object ten opzichte van bedrijven van derden) aanwezig. Daardoor wordt gesteld dat er al reeds sprake was van een goed woon- en leefklimaat. Met het toevoegen van een derde woning in de woonboerderij worden de omliggende bedrijven ook niet verder beperkt in hun bedrijfsvoering. Immers, de afstanden van naastgelegen bedrijven tot milieugevoelige objecten wijzigt niet. Milieuzonering bedrijven De bedrijfsmogelijkheden binnen het plangebied wijzigen niet. Er waren bedrijven t/m categorie B1 toegestaan en deze zijn nog steeds toegestaan. Ook qua bouwmogelijkheden voorziet het plan niet in wijzigingen. Er is sprake van een gelijkblijvende situatie met betrekking tot de aanwezige bedrijfsbestemming. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.

47

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR=10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.

Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Uit de kaart Veilige Omgeving van de Atlas van de Leefomgeving blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege deze bronnen. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante transportroutes aanwezig.

48

Plangebied

Afbeelding 16: Uitsnede kaart Veilige omgeving (Atlas van de Leefomgeving)

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

49

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Wel is aan de noordwestzijde van het plangebied een drukrioolgemaal aanwezig. Hierop mag niet worden gebouwd. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een KLIC-melding te worden gedaan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

50

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan voorziet in werkzaamheden die bedreigend kunnen zijn voor beschermde flora en fauna. Derhalve is door Blom Ecologie een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De quickscan is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting. De conclusie van de quickscan luidt: “Conclusie De beoogde aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg aan de Graafdijk-Oost 37 te Molenaarsgraaf is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, kolonisatie door rugstreeppadden en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

51

•

•

•

•

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Zie voor meer instructies bijlage 2 [red: van de quickscan].

De kapwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.”

Verder is in de quickscan ook ingegaan op het onderdeel stikstofdepositie: “Op circa 3 km van het plangebied bevindt zich het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’. Dit gebied is echter niet stikstof gevoelig. Zodoende wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van negatieve gevolgen ten aanzien van het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000gebied betreft ‘Biesbosch’ welke zich bevindt op een afstand van circa 6,6 km. Gezien er sprake is van een grote afstand (>6 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUSCalculator kan derhalve achterwege blijven.” Conclusie Het plan is uitvoerbaar en ondervindt voor wat betreft het aspect ecologie geen belemmeringen, mits de te nemen maatregelen genomen worden. Op voorhand kan worden uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofberekening is daardoor niet nodig. 52

4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem te onderzoeken voor de beoogde woonfunctie, is door Adcim een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij de toelichting gevoegd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor de onderzoekslocatie het volgende worden geconcludeerd: • Onder de klinkerverharding op het oostelijke terreindeel is onder de zandfundering een funderingslaag aanwezig. • De bovengrond rondom het woonhuis bestaat uit sterk zandige klei met een zwakke bijmenging aan baksteen en grind. In de ondergrond is klei en veen aanwezig zonder bijmenging van bodemvreemde materialen.

• De voormalige watergang is opgezocht door middel van de boringen 02, 05 en 09 en is niet meer waargenomen (ondergrond bestaat uit zwak kleiige veen met van nature aanwezige houtlaagjes). Er zijn er geen aanwijzingen zijn dat de voormalige watergang gedempt is met bodemvreemde materialen. Ook is geen slib of zijn slib verdachte lagen aangetroffen. • Tijdens de uitvoering van het onderzoek zijn geen zintuigelijke waarnemingen gedaan aan de uitkomende grond die een aanwijzing zouden kunnen vormen voor bodemverontreiniging, anders dan genoemd. Uit de analyseresultaten blijkt het volgende: • De kleiige boven- en ondergrond met en zonder bijmenging is licht verontreinigd met enkele zware metalen en PAK. Bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit is de grond toepasbaar als klasse wonen. • De venige ondergrond is licht verontreinigd met Molybdeen. Bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit is de grond altijd toepasbaar. • De bodem met een zwakke bijmenging aan baksteen en grind bevat zowel visueel als analytisch geen asbest. • Het grondwater is gelegen op ca. 0.95-1.00 m-mv en is licht verontreinigd met barium en zink. De hypothese ‘verdacht’ is bevestigd gezien de aangetroffen lichte verontreinigingen. Bij het samenstellen van de mengmonsters is voor de onverdachte grond afgeweken van de strategie verdachte locatie.

De resultaten van de analyses bevestigen het beeld van de onverdachte grond. Nader onderzoek met een gewijzigde onderzoeksinspanning wordt niet noodzakelijk geacht. Voor de

53

voorgenomen werkzaamheden vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.

54

4.10 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Archeologie Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (paars). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (roze). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

55

Afbeelding 17: Archeologische beleids- en advieskaart Graafstroom

Het plan voorziet niet in bodemingrepen, het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is daarmee niet nodig. Ook voor het aanleggen van de nieuwe inrit door het aanleggen van geluidsluwe halfverharding is geen archeologisch onderzoek nodig, omdat hiermee geen (graaf)werkzaamheden dieper dan 30 cm-mv nodig zijn. Daarmee vallen de werkzaamheden binnen de vrijstelling zoals opgenomen in de archeologische dubbelbestemming. Indien eventuele toekomstige werkzaamheden eerdergenoemde grenswaarden wel overschrijden, dient een archeologisch onderzoek plaats te vinden. Ter borging hiervan en ter bescherming van de eventuele archeologische waarden ter plaatse wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 1 en 2’ overgenomen uit het moederbestemmingsplan. Cultuurhistorie De woonboerderij is kenmerkend voor de cultuurhistorische lintbebouwing langs de Graafdijk-Oost. Daarmee is het gebouw vanuit cultuurhistorisch oogpunt gezien een waardevol gebouw. Met de juridisch-planologische toevoeging van twee wooneenheden in de woonboerderij wordt bijgedragen aan een duurzame instandhouding van deze woonboerderij. Immers, de onderhoudskosten worden in dit geval verdeeld door drie huishoudens, waardoor er meer draagvlak ontstaat voor het onderhouden van het gebouw. Met dit plan wordt een toekomstbestendige situatie gecreëerd voor de woonboerderij.

Conclusie Het plan ondervindt wat betreft archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen.

56

4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. Het plan speelt hier op in door de nieuwe bedrijfswoning te isoleren conform de huidige bouweisen van het bouwbesluit. Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor het verduurzamen van de bestaande woningen. Daarnaast maakt het autobedrijf al gebruik van duurzame zonne-energie, het bedrijfsgebouw is benut door het plaatsen van zonnepanelen.

Afbeelding 18: Bestaand bedrijfsgebouw met zonnepanelen

Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien op te kunnen vangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om

57

de infiltreren in de bodem. Het plangebied is gelegen aan een wetering, waar het hemelwater bij overvloedige neerslag naar kan worden afgevoerd. De initiatiefnemer is geïnformeerd over het toepassen van regenton(nen). Hiermee wordt het water vastgehouden en wordt bijgedragen in het tegengaan van wateroverlast. Overstroming Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. Hitte Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Het plan voorziet in het toevoegen van één woning binnen een bestaand gebouw. Het aspect hittestress is bij de initiatiefnemers onder de aandacht gebracht. Mogelijk dat in de nieuwe woning een installatie wordt geïnstalleerd die naast verwarmen ook kan koelen. Daarnaast is het toepassen van voldoende groen om hittestress te voorkomen bij de initiatiefnemers onder de aandacht gebracht. Droogte Omdat het steeds droger wordt, zal de bodem sneller verdroogt raken. De initiatiefnemers zijn geïnformeerd over het toepassen van een regenton. Daarmee kan tijdens natte perioden het water opgevangen worden. Dit water kan vervolgens tijdens droge perioden gebruikt worden om de bodem te hydrateren. De beplanting kan daardoor blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier.

58

5.

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Molenaarsgraaf, Graafdijk-Oost 37’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van dit bestemmingsplan ‘Molenaarsgraaf, Graafdijk-Oost 37’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplannen ‘Dorpskernen’, ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ en ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’. De regels van dit bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Bedrijf De bedrijven binnen het plangebied blijft ongewijzigd. Er zijn categorie A en B1bedrijven (dit zijn categorie 1- en 2-bedrijven uit de VNG Handreiking) toegestaan en deze worden met dit plan nog steeds toegestaan. Ook het bouwvlak blijft ongewijzigd, behoudens ter plaatse van de woonboerderij waar een woonbestemming wordt gelegd. Op het achterste gedeelte van de woonboerderij is de aanduiding ‘bedrijfswoning’ opgenomen. Binnen deze aanduiding is uitsluitend één bedrijfswoning met bijbehorend erf toegestaan. Hier kunnen derhalve geen bedrijfswerkzaamheden vinden. Dit is gedaan om een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de andere twee woningen in de woonboerderij te garanderen. Tuin Aansluitend bij de systematiek uit het moederplan, wordt op het voorerf van de woonboerderij een tuinbestemming opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor tuinen behorend bij de woning(en). Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Ook zijn parkeerplaatsen en perceelsontsluiting, water en groen toegestaan. 59

Wonen Om de bestaande twee woningen in de woonboerderij om te zetten naar burgerwoningen, wordt ter plaatse van deze twee woningen en bijbehorende zijerven een woonbestemming neergelegd. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan, derhalve is een bouwvlak strak om de bestaande woonboerderij gelegd. Hierbinnen zijn twee woningen toegestaan. Bijgebouwen zijn buiten het bouwvlak toegestaan. Daarmee wijkt dit plan af van het moederplan ‘Dorpskernen’. Dit komt omdat in het moederplan bouwvlakken zijn opgenomen over de gehele woonbestemming, waardoor bijgebouwen overal op het erf zijn toegestaan. Hier is gekozen om het bouwvlak strak om de boerderij te leggen, zodat niet elders op het erf een woning gebouwd kan worden. Om bijgebouwen nog wel elders op het erf toe te staan, is er derhalve voor gekozen om bijgebouwen ook buiten het bouwvlak mogelijk te maken. Waarde – Archeologie – 1 en 2 De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 1’ en ‘Waarde – Archeologie – 2’ worden ongewijzigd overgenomen uit het moederbestemmingsplan ter bescherming van eventueel archeologische waarde ter plaatse. Waterstaat – Waterkering Ter bescherming van de kernzone van de regionale waterkering, is deze dubbelbestemming opgenomen.

5.4 Aanduidingen • • • • • • •

Bouwvlakken; Functieaanduiding: bedrijfswoning; Functieaanduiding: specifieke vorm van wonen – levensloopbestendige woning; Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – dijk – 1; Maatvoering: maximaal aantal wooneenheden: 2; Maatvoering: maximum bebouwingspercentage: 60%; Maatvoering: maximum goothoogte: 4 m.

60

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=c24983fa-75c3-4664-bd45-b6be77ae0967