CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2a Toelichting

Raadsvergadering 8 maart 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Schelluinen West Fase 214.450 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De boerderijen, woningen en bedrijven direct ten noorden van de Parallelweg vallen buiten het plangebied. Het plangebied bestaat uit twee delen, een westelijk deel met agrarisch beheerde graslandpercelen en een oostelijk deel met een bedrijventerrein in ontwikkeling. Het bedrijventerrein in ontwikkeling wordt omgeven door een relatief brede watergang. Op het terrein is nauwelijks opgaande begroeiing aanwezig. Aan de noord- en westzijde van het groeien enkele kleine groepen zwarte elzen- en wilgenstruiken. De bebouwing bestaat uit loodsen met bijbehorende kantoorgebouwen. Op het bedrijventerrein liggen asfaltwegen en is bestrating aanwezig op de terreinen van bedrijven. Tussen de bedrijven liggen graslanden. De uitbreidingslocatie waar het voorliggende bestemmingsplan betrekking op heeft, bestaat uit 4 graslandpercelen direct ten westen van het bestaande bedrijventerrein. De graslandpercelen worden omgeven door sloten die met elkaar in verbinding staan. De woningen op Parallelweg 8, direct ten zuiden van deze graslandpercelen zijn opgetrokken uit bakstenen muren en hebben een zadeldak met dakpannen. De woningen zijn met elkaar verbonden door een ruimte met bakstenen muren een plat dak.

Impressie plangebied met links de bebouwing en rechts de graslandpercelen met watergangen 4.5.1

Soortenbescherming

Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelricht-lijn (Wnb art. 3.1-3.4); dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9) nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11).

30

bestemmingsplan Schelluinen-West fase 2

Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt bij ruimtelijke ontwikkelin-gen een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. Als gevolg van de Wet natuurbescherming hebben sommige soorten hun beschermde status verloren en zijn er nieuw beschermde soorten bijgekomen. Bij de soortgroepen planten, libellen en vlinders zijn nu vooral rode lijstsoorten beschermd, en zijn veel van de voorheen licht beschermde soorten niet langer beschermd. Ook een aantal vissoorten is niet langer beschermd. Waar van toepassing wordt op verandering in soortbescherming nader ingegaan. Toetsing Ten behoeve van de inventarisatie is de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) via Quickscan-hulp.nl (© NDFF - quickscanhulp.nl 15-05-2018 11:52:13) geraadpleegd. Hieruit blijkt dat uit de omgeving (0-5 kilometer) van het plangebied één soort bekend is die ten tijde van de Flora- en faunawet nog niet beschermd was. Het gaat om de libellensoort beekrombout. Deze soort is aangewezen op beken en riviertjes. De agrarische graslandpercelen binnen het plangebied zijn ongeschikt voor deze en andere nieuw beschermde planten en ongewervelden. Het plan leidt niet tot negatieve effecten op soorten die sinds de invoering van de Wet natuurbescherming beschermd zijn.

Voor gierzwaluw of andere jaarrond beschermde vogelsoorten zijn geen geschikte invlieg-openingen aanwezig, zodat verblijfplaatsen kunnen worden uitgesloten. Voor de te verwachten algemene amfibieënen zoogdiersoorten geldt dat vaste verblijfplaatsen van deze soorten kunnen worden verstoord en vernietigd als gevolg van de ontwikkelingen. Ook kunnen enkele exemplaren worden verwond of gedood. In het geval van ruimtelijke ontwikkelingen geldt in de provincie Zuid-Holland voor deze algemene beschermde soorten een vrijstelling voor de verbodsartikelen van de Wnb. Aan deze vrijstelling zijn geen aanvullende eisen gesteld. In het kader van de voorgenomen activiteiten is een ontheffingsaanvraag voor deze soorten niet aan de orde. Wel blijft de zorgplicht van toepassing De woningen aan de Parallelweg 8 zijn in 2016 niet onderzocht. De bebouwing biedt potentiële nest- en verblijfplaatsen voor huismus en vleermuizen door de aanwezigheid van geschikte invliegopeningen voor deze soort(groep)en. Huismus was ten tijde van het veldbezoek aanwezig in een schuur ten zuiden van de woningen. Nestplaatsen van huismus zijn jaarrond beschermd. Om de aan- of afwezigheid van nest- en verblijfplaatsen van huismus en vleermuizen vast te stellen, is in 2020 nader onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de woningen (zie volgende alinea).

Verder zijn in de bebouwing en de omringende tuin hooguit algemene broedvogels, zoogdieren en amfibieën te verwachten, zoals merel, winterkoning, spreeuw, huisspitsmuis en gewone pad. Anders dan bij huismus, geldt voor de overige te verwachten broedvogels dat de nesten alleen beschermd zijn als ze in gebruik zijn ten behoeve van het uitbroeden van de eieren en het grootbrengen van de jongen, dus tijdens het broedseizoen. Voor het verstoren en vernietigen van in gebruik zijnde nesten kan in eerste instantie geen ontheffing worden verkregen. Bij de planning en uitvoering van de inrichtingswerkzaamheden dient daarom voldoende rekening wordt gehouden met het broedseizoen van vogels om zo een verbodsovertreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Aanvullend onderzoek woningen Parallelweg 8 Het beschadigen of vernietigen van (gebieds)functies van beschermde soorten is verboden onder de Wet natuurbescherming. Daarom is nader onderzoek uitgevoerd om aan te tonen of uit te sluiten dat deze gebiedsfuncties aanwezig zijn. Tussen mei en oktober 2020 is een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de te slopen woningen. Het rapport is opgenomen in Bijlage 6. Uit het onderzoek volgt dat er geen effect wordt verwacht op de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Dit betekent dat er voor deze soorten geen vervolgstappen noodzakelijk zijn.

Wel is aangetoond dat de coniferenhaag in gebruik is als functioneel leefgebied van de huismus. Indien deze haag gerooid wordt, is er een vervolgtraject nodig. De ontwikkeling kan nog steeds doorgang vinden als een ontheffing verkregen wordt.

31

bestemmingsplan Schelluinen-West fase 2

Kamsalamander, heikikker en grote modderkruiper Bij de actualisatie van het onderzoek in 2016 werd ervan uitgegaan dat de werkzaamheden aan watergangen die leefgebied vormden voor de beschermde soorten heikikker, kamsalamander, bittervoorn en grote modderkruiper reeds waren uitgevoerd. Nu de inrichting van de westzijde van het plangebied afwijkt van het oorspronkelijke plan, waarbij graafwerkzaamheden aan watergangen zijn voorzien, is op de uitbreidingslocatie ten westen van het bedrijventerrein bepaald of geschikt leefgebied voor heikikker, kamsalamander en grote modderkruiper aanwezig is. Bittervoorn is niet langer beschermd sinds invoering van de Wet natuurbescherming. Voor kamsalamander vormen de kavelsloten in het plangebied geen geschikt voortplantingsbiotoop en ook is geen geschikt landbiotoop. Negatieve effecten op deze soort kunnen worden uitgesloten. Voor heikikker geldt dat sloten in poldergebieden geen hoogwaardig biotoop vormen, maar de soort wordt af en toe wel aangetroffen in poldergebieden. Daarom is nader onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van deze soort. Het onderzoek naar heikikker is uitgevoerd tijdens twee veldbezoeken op 28 maart en 4 april 2018. Voor de volledige omschrijving van het onderzoek wordt verwezen naar bijlage 1.

Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de watergangen in het plangebied door de combi-natie van voedselrijk water en het ontbreken van een uitbundige oever- en landvegetatie ongeschikt is als leefgebied van poelkikker. Bovendien waren de watergangen recent gebaggerd. Heikikkers zijn dan ook niet aangetroffen tijdens het onderzoek (Bijlage 5). Negatieve effecten op heikikker als gevolg van het plan treden dan ook niet op. Grote modderkruiper is bekend uit de omgeving van het plangebied (Quickscanhulp.nl). De soort is aangewezen op verlandende wateren met een rijke watervegetatie. De kavelsloten zijn door het baggeren van de watergangen weinig geschikt voor deze soort. Op 14 mei 2018 zijn in de te vergraven watergangen binnnen het plangebied watermonsters verzameld, die vervolgens zijn geanalyseerd op de aanwezigheid van eDNA van grote modderkruiper (Bijlage 5). In 2 van de 12 samples zijn sporen gevonden. Het gevonden eDNA was in lage concentratie aanwezig wat kan betekenen dat grote modderkruiper niet op de onderzochte locatie aanwezig is maar wel in de nabije omgeving. Na overleg met het bevoegd gezag is duidelijk geworden dat voor grote modderkruiper een ontheffing moet worden aangevraagd. Dit zal om die reden ook gebeuren. Om dit te waarborgen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de bestemmingen 'Groen' en 'Water' van dit bestemmingsplan.

Die waarborgt dat bouw- en grondwerkzaamheden pas kunnen beginnen indien de ontheffing is verleend. Daarbij wordt opgemerkt dat, gezien de lage concentratie eDNA de grote modderkruiper hoogstens beperkt aanwezig zal zijn in de te dempen sloten. 4.5.2

Gebiedsbescherming

Voor onderhavig projectgebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening. Wet natuurbescherming In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Natuurnetwerk Nederland Het NNN (voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor de provincie Zuid-Holland vastgelegd in de Verordening Ruimte 2014. Stikstofdepositie

32

bestemmingsplan Schelluinen-West fase 2

Er is door middel van de AERIUS-calculator van het RIVM vastgesteld of er sprake is van een melding- of vergunningplicht ten aanzien van stikstofdepositie. Aan de hand van die calculator kan de depositie van stikstof in natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOX en NH3 van deze ontwikkeling alsmede van het verkeer van en naar de locatie worden berekend. De memo die naar aanleiding van deze berekening is opgesteld, is opgenomen als Bijlage 2. De berekeningen met AERIUS genereren een rekenresultaat en pdf bestanden waarin wordt geconstateerd dat er geen natuurgebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol stikstof per hectare per jaar. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig. Effectbeoordeling De bescherming van beschermde natuurgebieden om het plangebied is niet gewijzigd ten opzichte van 2016. Zo is de bescherming van Natura 2000-gebieden met invoering van de Wet natuurbescherming op 1 januari 2017 gelijk gebleven. De conclusies in de paragraaf ecologie in de toelichting op het bestemmingsplan uit 2016 zijn nog steeds geldig. 4.5.3

Conclusie

De conclusies ten aanzien van de gebiedsbescherming zijn ongewijzigd ten opzichte van de natuurtoets die in 2016 is uitgevoerd. Het plan leidt niet tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en leidt niet tot (significant) negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is niet nodig. Naast de conclusies, gesteld in de ecologische paragraaf van bestemmingsplan Schelluinen West 2016, leidt het plan niet tot negatieve effecten op soorten die sinds de invoering van de Wet natuurbescherming beschermd zijn. Uit de oplegnotitie en aanvullende onderzoeken zoals opgenomen in Bijlage 5 is onderzocht of er geschikt leefgebied voor heikikker, kamsalamander en grote modderkruiper aanwezig is. Voor kamsalamander vormen de kavelsloten in het plangebied geen geschikt voortplantingsbiotoop en ook is er geen geschikt landbiotoop. Negatieve effecten op deze soort kunnen worden uitgesloten. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de watergangen in het plangebied door de combinatie van voedselrijk water en het ontbreken van een uitbundige oever- en landvegetatie ongeschikt is als leefgebied van poelkikker. Bovendien waren de watergangen recent gebaggerd. Heikikkers zijn dan ook niet aangetroffen tijdens het onderzoek. Negatieve effecten op heikikker als gevolg van het plan treden dan ook niet op.

De kavelsloten zijn door het baggeren van de watergangen weinig geschikt voor de grote modderkruiper. Op 14 mei 2018 zijn in de te vergraven watergangen watermonsters verzameld en is een lage concentratie eDNA van de grote modderkruiper aangetoond. In overleg met het bevoegd gezag is geconcludeerd dat een ontheffing nodig is. Gezien de lage concentratie eDNA zal de grote modderkruiper hoogstens beperkt aanwezig zijn in de te dempen sloten. Het is dan ook de verwachting dat een ontheffing zal worden verleend. Daarnaast komt uit het aanvullende onderzoek ter plaatse van de woningen van Parallelweg 8 (Bijlage 6) naar voren dat er geen effecten worden verwacht op de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Wel is aangetoond dat de coniferenhaag in gebruik is als functioneel leefgebied van de huismus. Indien deze haag gerooid wordt, is er een vervolgtraject nodig in de vorm van een ontheffingsaanvraag. Voor het overige zijn er vooral algemene broedvolgens, zoogdieren en amfibien te verwachten. Bij de planning en uitvoering van inrichtingswerkzaamheden dient voldoende rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels om zo een verbodsovertrekding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.

33

bestemmingsplan Schelluinen-West fase 2

4.6

Geluid

Aangezien in het plangebied geen sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige bestemmingen (zoals bijvoorbeeld woningen), is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. Ten aanzien van eventuele geluidsuitstraling van de bedrijven richting omliggende woningen geldt dat bij het toekennen van de maximale milieucategorieën rekening is gehouden met de richtafstanden van de VNG. De woningen aan de Parallelweg 7 en 8 bevinden zich op circa 25 meter van de te realiseren bedrijfsbebouwing. Overige woningen bevinden zich op minimaal 50 meter afstand tot de bedrijfsbebouwing. In samenspraak met bewoners van de Parallelweg 7 en 8 is besloten deze woningen op termijn te slopen. De woningen worden dan ook niet bestemd als woning. Zolang deze woningen niet zijn gesloopt, is bewoning op grond van het overgangsrecht nog toegestaan. Dit betekent dat bij toetsing aan het Activiteitenbesluit rekening moet worden gehouden met deze woningen. Bij de plaatsing van de bedrijfsbebouwing wordt rekening gehouden met geluidshinder afkomstig van verkeerstransporten, door deze aan de noordzijde van de bebouwing te laten plaatsvinden. Hierdoor zal ook in de tijdelijke situatie waarbij bedrijven en woningen aanwezig zijn, sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Wegverkeerslawaai Ten behoeve van het geldende bestemmingsplan 'Herziening Schelluinen-West' is een verkeersonderzoek opgeleverd in 2009.

De realisatie van het bedrijventerrein leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen op de N216. Hiertoe is met de herziening een uitbreiding van de rotonde planologisch mogelijk gemaakt. Deze rotonde vormt de hoofdontsluiting van het bedrijventerrein op de provinciale weg. Deze dubbelbaansrotonde is inmiddels gerealiseerd. De berekende verkeersintensiteit is doorgerekend naar 2025, wat uitgangspunt is geweest voor de rotonde. De ontsluiting van het bedrijventerrein voorziet hiermee in de toegenomen verkeersintensiteit. De verkeersontsluiting van het bedrijventerrein vindt plaats op de N216 op de uitgebreide rotonde. Om de toename van het aantal ritten van wegverkeer van en naar het te ontwikkelen bedrijventerrein in kaart te brengen is gebruik gemaakt van de CROW publicatie 81 (december 2018). Dit resulteert in een toename in verkeersgeneratie met 525 lichte voertuigen en 123 vrachtwagens per dag. De verkeersbewegingen vinden plaats naar en vanaf de N216. Er zijn geen gevoelige functies zoals woningen aanwezig in de nabije omgeving van de ontsluiting van het bedrijventerrein. Daarnaast is de toename van het verkeer verwaarloosbaar ten opzichte van de totale verkeersintensiteit op de N216 (12.500 voertuigen in 2018, bron website provincie). Er zal dan ook geen sprake zijn van een toename van geluidhinder.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling levert geen belemmeringen op ten aanzien van geluid.

4.7

Luchtkwaliteit

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer

34

bestemmingsplan Schelluinen-West fase 2

te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 , NO2 of PM10 ) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit, heeft VROM, in samenwerking met InfoMil, de nibm-tool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging.

Met behulp van deze rekentool (zie bovenstaande tabel) is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Hierbij is uitgegaan van 648 extra voertuigbewegingen waarvan 123 vrachtwagens. Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 ) niet overschrijdt. Het project wordt dan beschouwd als een nibm-project. Onderzoek luchtkwaliteit 2006 In 2006 is aanvullend onderzoek naar luchtkwaliteit uitgevoerd voor het plangebied. Hieruit bleek dat de luchtkwaliteit voor de componenten stikstofdioxode (NO2) en fijnstof (PM10) bij de beoogde ontwikkeling van transportcentrum Schelluinen-West voldeed aan de normen van het Besluit Luchtkwaliteit. Er is in 2015 onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit in de kern Schelluinen. Hiervoor zijn de concentraties van stikstofdioxide en fijnstof berekend. Hierbij is ook de specifieke bijdrage van lokale bronnen bepaald. In het onderzoek wordt onder meer geconcludeerd dat: 1. 2.

Nergens in Schelluinen de grenswaarden voor de luchtkwaliteit worden benaderd dan wel overschreden, in 2014 en 2020. Het is op basis van de huidige inzichten aannemelijk dat de luchtkwaliteit in Schelluinen niet substantieel verslechtert als gevolg van lokale ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld het bedrijventerrein Schelluinen-West.De luchtkwaliteit vormt dan ook geen directe (wettelijke) belemmering voor het toelaten van genoemde of andere ontwikkelingen in of nabij Schelluinen.

Conclusie Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek en vanwege het feit dat voorliggend bestemmingsplan geen nieuwe of andere functies mogelijk maakt anders dan het geldende plan is er geen aanleiding tot een onderzoek met betrekking tot luchtkwaliteit. Daarnaast blijkt ook uit de nibm-rekentool dat de uitbreiding van het bedrijventerrein kan worden gezien worden als een 'nibm' project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven

35

bestemmingsplan Schelluinen-West fase 2

4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven in de directe omgeving waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) in werking getreden. Het Bevi geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Aan grenswaarden moet altijd worden voldaan, van richtwaarden kan om gewichtige reden worden afgeweken.

Zowel de grenswaarde als de richtwaarde liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning moet aan de grenswaarde worden voldaan en met de richtwaarde rekening worden gehouden, ongeacht of het een bestaande of een nieuwe situatie betreft. Op basis van het Bevi geldt een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. Als oriëntatiewaarde voor het GR geldt: 10-5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers; 10-7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers; 10-9 voor een ongeval met meer dan 1.000 dodelijke slachtoffers; enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de norm). De gemeente heeft een uitgebreide verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Ook bedrijven waarop het Bevi niet van toepassing is, kunnen risico's voor de omgeving met zich meebrengen. Voor nieuwe situaties geldt voor het PR in principe een norm van 10-6 per jaar en voor bestaande situaties 10-5 per jaar. Voor het GR geldt de hierboven genoemde norm. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn de bepaling en toepassing van de veiligheidsnormen uitgewerkt. Voor 'categoriale inrichtingen' geeft de Revi tabellen met vaste veiligheidheidsafstanden. De Revi is onlangs, op 29 juni 2016 gewijzigd.

Door de wijziging van de Revi zijn de veiligheidsafstanden voor LPG tankstations verkleind. De volgende afstanden gelden nu:

De verkleinde afstanden gelden ook voor LPG tankstations in nieuwe situaties, zoals de vaststelling van het bestemmingsplan Schelluinen-West fase 2. Besluit externe veiligheid transportroutes Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes in werking getreden. Het besluit stelt regels aan transportroutes en de omgeving. De risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen bestaat uit de volgende 3 stappen:

36

bestemmingsplan Schelluinen-West fase 2

identificatie van risico's; normstelling en toetsing aan normen; indien noodzakelijk risicoreductie bij overschrijding van normen. Besluit externe veiligheid buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. Deze AMvB sluit aan bij de risiconormering uit het Bevi. Daarbij zijn de voormalige toetsings- en bebouwingsafstand vervangen door een afstand voor het PR en een afstand voor het invloedsgebied van het GR. Voor het PR geldt dat er binnen de 10-6-risicocontour geen kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarden als een richtwaarde. 4.8.2

Onderzoek

In deze paragraaf wordt de externe veiligheid van het plangebied beschreven. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de risicokaart voor het plangebied weer.

Uitsnede risicokaart plangebied, bron: www.risicokaart.nl Voor het vigerende bestemmingsplan 'Schelluinen-West' is in 2005 door Grontmij een onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid. In dit onderzoek zijn de volgende zones onderzocht: a. b. c. d. e.

de aanwezigheid van een LPG-tankstation; de provinciale weg (N216); de Betuweroute; A-15; bedrijvigheid op het bedrijventerrein.

Geconcludeerd wordt dat binnen het plangebied wordt voldaan aan de wettelijke eisen voor externe veiligheid. In het kader van het bestemmingsplan Buitengebied Giessenlanden is onderzoek verricht naar het transport van gevaarlijke stoffen door leidingen in het plangebied en de directe omgeving. Ten noorden van het onderhavige plangebied is de aardgasleiding W-528-01-KR gelegen. De PR 10-6 risicocontour van deze leiding ligt buiten het plangebied. De destijds uitgevoerde Kwantitatieve Risicoanalyse gasleidingen houdt rekening met de ontwikkeling van het transportcentrum. Uit de berekening blijkt dat het groepsrisico voor de leiding W-528-01 toeneemt. Ook na deze toename is het groepsrisico echter vele malen kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Daarom is er geen sprake van onaanvaardbare risico's als gevolg van deze leiding.

37

bestemmingsplan Schelluinen-West fase 2

4.8.3

Conclusie

Het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de vaststelling van het plan niet in de weg.

4.9

Milieuzonering

De toegestane milieucategorieen in het geldende bestemmingsplan 'Schelluinen-West' zijn gebaseerd op de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG publicatie 'bedrijven- en milieuzonering'. In het geldende plan zijn voor de geldende bestemming Bedrijventerrein - Uit te werken reeds bedrijven toegestaan tot en met categorie 3.2. In vergelijking met het geldende plan biedt voorliggend bestemmingsplan geen aanleiding dit uitgangspunt te wijzigen.

4.10 M.e.r.-plicht M.e.r.-plicht De vraag of sprake is van een m.e.r.-plicht omvat twee subvragen: 1. 2.

Is er sprake van een voorgenomen activiteit die is opgenomen op de C of D-lijst van het Besluit mer? Kan het plan leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van een nabijgelegen Natura 2000-gebied? Wanneer dit niet op voorhand kan worden uitgesloten dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd en geldt daarmee ook een m.e.r.-plicht. Deze vraag staat los van de vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Uit het natuuronderzoek en de rapportage stikstofdepositie behorend bij voorliggend plan blijkt dat er geen significante negatieve effecte te verwachten zijn op Natura 2000 gebieden. Op basis van dit onderdeel is er geen MER benodigd. Om te bepalen of een activiteit m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, conform het Besluit m.e.r., kan het onderstaande stappenplan gebruikt worden:

38

bestemmingsplan Schelluinen-West fase 2

Bron: infomil.nl Voor activiteiten die beneden de indicatieve drempelwaarden van onderdeel D vallen dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden aan de hand van de criteria uit Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.,om te bepalen of (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen op kunnen treden. Als uit deze vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen mogelijk zijn geldt voor plannen, die deze activiteiten mogelijk maken, geen directe (plan-)m.e.r.-plicht. Het plan heeft betrekking op twee typen activiteiten: A.

B.

De uitbreiding van het bedrijventerrein Schelluinen West betreft een activiteit uit de D-lijst van het Besluit mer (D 11.3 de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein), maar blijft met ca 4 ha hectare bruto ruim onder de drempelwaarde: gevallen waarin de ontwikkeling betrekking heeft op een oppervlakte van meer dan 75 hectare. De realisatie van een groenstrook, natuurvriendelijke oever en de aanpassingen aan watergangen waaronder de realisatie van de waterberging, betreft een activiteit uit de D-lijst van het Besluit mer (D 9 een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan), maar blijft met ca 2 ha hectare bruto ruim onder de drempelwaarde: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw.

Omdat de activiteiten geheel als eindbestemming zijn opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan, voldoet de vaststelling van het bestemmingsplan aan de definitie van het besluit uit kolom 4. Het plan is daarmee niet kaderstellend. Beide activiteiten blijven ruim onder de drempelwaarden zoals genoemd in het Besluit mer. Dit betekent dat het plan m.e.r. beoordelingsplichtig is. Er dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Uit het voorgaande blijkt dat voor het bestemmingsplan Schelluinen-West fase 2 een vormvrije

39

bestemmingsplan Schelluinen-West fase 2

m.e.r.-beoordeling dient te worden doorlopen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In onderstaande tabel is per milieuaspect aangegeven welke invloed de functieverandering heeft. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar voorgaande paragrafen. Aspect

Invloed functieverandering

Water

In het plangebied wordt voldoende watercompensatie en retentie.

Bodem

De bodem is geschikt of geschikt te maken voor de voorgenomen bodemingrepen.

Archeologie

Het gebied heeft een hoge verwachtingswaarde. Uit het archeologisch bodemonderzoek blijkt dat er geen vervolgonderzoek benodigd is. Er zijn dan ook geen negatieve effecten te verwachten op de archeologische waarden.

Geluid

De rijksweg A15 en de N216 liggen op voldoende afstand. Geluidzoneringsplichtige inrichtingen evenals geluidsgevoelige objecten worden niet toegestaan in het bestemmingsplan. Woningen liggen op voldoende afstand. Er zijn geen geluideffecten te verwachten.

Verkeer

De realisatie van het bedrijventerrein leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen op de N216. Hiertoe is een uitbreiding van een dubbelbaans rotonde planologisch mogelijk gemaakt en gerealiseerd. Deze rotonde vormt de hoofdontsluiting van het bedrijventerrein op de provinciale weg. De berekende verkeersintensiteit is doorgerekend naar 2025, wat uitgangspunt is geweest voor de rotonde. De ontsluiting van het bedrijventerrein voorziet hiermee in de toegenomen verkeersintensiteit. Daarnaast is de toename van het verkeer verwaarloosbaar ten opzichte van de totale verkeersintensiteit op de N216. Kortom, er zijn geen negatieve effecten te verwachten.

Luchtkwaliteit

Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek en vanwege het feit dat voorliggend bestemmingsplan geen nieuwe of andere functies mogelijk maakt anders dan het geldende plan is er geen aanleiding tot een onderzoek met betrekking tot luchtkwaliteit. Daarnaast blijkt ook uit de nibm-rekentool dat de uitbreiding van het bedrijventerrein kan worden gezien worden als een 'nibm' project. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten.

Externe veiligheid

Er zijn geen negatieve effecten te verwachten.

Natuur - Flora en fauna

Uit de uitgevoerde ecologische onderzoeken zijn geen negatieve effecten naar voren gekomen.

Natuurgebieden

ruimte

gereserveerd

voor

beschermde Er is een onderzoek naar de stikstofdepositie uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het voornemen geen verhoogde depositie ter plaatse van (habitatgevoelige) Natura 2000 gebieden tot gevolg heeft.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen. Er wordt ruimschoots voldaan aan de geldende wet- en regelgeving. De vorm-vrije m.e.r. procedure dient te worden doorlopen. In de voorliggende paragraaf is deze uitgevoerd, Hierbij wordt verwezen naar de verschillende onderzoeksrapporten die als bijlagen bij voorliggend plan zijn opgenomen. Het college van de gemeente Molenlanden dient een formeel besluit te nemen over of er een m.e.r.(beoordelings)procedure doorlopen dien te worden.

40

bestemmingsplan Schelluinen-West fase 2

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Zoals in de inleiding is gesteld, is het bestemmingsplan hoofdzakelijk actualiserend van aard, waarbij een globale wijze van bestemmen is toegepast. Recente ontwikkelingen (vergunde bouwplannen) zijn daarbij voorzien van een passende regeling. Ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële regelingen, dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd, gepresenteerd en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. De regeling is afgestemd op de Wro, Bro en daarbij behorende ministeriële regelingen. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Iedere functie in het plangebied is voorzien van een daarop toegesneden bestemming.De omvang van de diverse functies is verankerd in de bestemmingsregeling. Door deze wijze van bestemmen zijn de functies ruimtelijk begrensd.

5.2

Opbouw regels

De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene bepalingen. De overgangs- en slotbepalingen maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.

5.3

De bestemmingen

In het bestemmingsplan zijn verschillende bestemmingen opgenomen. In deze paragraaf wordt in alfabetische volgorde kort ingegaan op de inhoud van de verschillende bestemmingen waarbij eerst alle enkelbestemmingen worden behandeld en vervolgens de dubbelbestemmingen conform de landelijke standaarden. 5.3.1

Bedrijventerrein

Binnen de bestemming bedrijventerrein zijn uitsluitend knelpuntbedrijven uit de regio toegestaan. Om ruimte te laten voor een goede ontwikkeling van het bedrijventerrein naar de toekomst toe is gekozen voor een globaal flexibele bestemming. Daartoe is één groot bouwvlak opgenomen en zijn bouwregels opgenomen conform de bestemmingen Bedrijventerrein en Bedrijventerrein - uit te werken in het vigerende bestemmingsplan. Voorts bevat het plan regels omtrent een maximale bouwhoogte en de afstand tussen gebouwen. Via de voorwaardelijke verplichting in sublid 3.4.2, sub a, moet het onderhoudspad worden aangelegd zoals opgenomen in Landschappelijke inpassingsplan dat als Bijlage 2 is opgenomen bij de regels. Daarnaast is nog een andere voorwaardelijke verplichting opgenomen. De andere voorwaardelijke verplichting, opgenomen in sublid 3.4.2, sub b, bewerkstelligt dat gebouwen in deze bestemming voldoende sterk moeten zijn om het mogelijk te maken dat op daken duurzame functies (zoals een vegatiedak en/of zonnepanelen) worden gerealiseerd. De voorwaardelijke verplichting schrijft voor dat uit constructieve tekeningen moet blijken dat een gebouw sterk genoeg is om het eventueel gebruik van de daken te kunnen dragen. 5.3.2

Groen

Dit betreft de gronden rondom het bedrijventerrein waar de landschappelijke inpassing dient plaats te vinden. In de bestemming Bedrijventerrein is door middel van een voorwaardelijke verplichting vastgelegd dat het bedrijventerrein pas in gebruik mag worden genomen als aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing in de bestemming 'Groen' is geregeld.

41

bestemmingsplan Schelluinen-West fase 2

5.3.3

Verkeer

Ten behoeve van realisatie van een insteekweg is een verkeersbestemming opgenomen. 5.3.4

Water

Binnen deze bestemming zijn de watergangen opgenomen en de met het waterschap afgestemde gebieden waar watercompensatie zal plaatsvinden. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en voorzieningen die ten dienste staan aan de bestemming, zoals constructies voor bruggen, kademuren en duikers, zijn toegestaan. Door middel van afwijkingsmogelijkheden van de bouw- en gebruiksregels is het mogelijk de gronden ook te gebruiken en in te richten voor zonnepanelen. De daarvoor benodigde bouwwerken mogen echter ten hoogste 4,00 meter bedragen. 5.3.5

Waarde - Archeologie

De voormalige gemeente Giessenlanden heeft in 2009 de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Giessenlanden vastgesteld. Het plangebied omvat zones met een hoge archeologische verwachting en met een lage archeologische verwachting. De zones met archeologische verwachtingen zijn doorvertaald in de regels. De naamgeving van de dubbelbestemmingen sluit aan op de regels van het bestemmingsplan Buitengebied Giessenlanden. In het bestemmingsplan is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen in de regels met de van toepassing zijnde bouwregels uit het bestemmingsplan Buitengebied Giessenlanden. 5.3.6

Waarde - Landscheiding

Het plangebied wordt aan de noordzijde fysiek begrensd door de landscheiding. Dit dijklichaam met bijbehorende sloten is een belangrijk cultuurhistorisch element in het landschap. Om dit dijklichaam zichtbaar te houden, is in samenspraak met de provincie een aantal landschappelijke randvoorwaarden bepaald. Deze randvoorwaarden zijn vertaald naar inrichtingsvoorschriften die zijn opgenomen in de dubbelbestemming Waarde - Landscheiding uit het vigerende bestemmingsplan. Op deze wijze wordt getracht om de bestaande kwaliteiten van de landscheiding zo goed mogelijk te laten aansluiten op de komst van het bedrijventerrein. Belangrijke aandachtspunten hierbij zijn de openheid van het landschap en de wijze waarop het bedrijventerrein wordt ingepast in dit karakteristieke landschap.

42

bestemmingsplan Schelluinen-West fase 2

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wro aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, et cetera.) maar ook de economische uitvoerbaarheid van het plan dient aangetoond te worden. Voor de ontwikkeling van Schelluinen-West nemen de gemeenten uit de regio en een marktpartij deel in een Regionale Ontwikkelingsmaatschappij. De partners van deze Regionale Ontwikkelingsmaatschappij hebben gezamenlijk een grondexploitatie opgesteld, waarin de inkomsten en uitgaven op een rij worden gezet. Hieruit is gebleken dat de uitvoerbaarheid van het plan, ook vanuit het perspectief van de marktpartij, afdoende gewaarborgd is.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een ieder zes weken ter inzage gelegen. In die periode is een drietal zienswijzen ingediend. Dit heeft geleid tot enkele kleine wijzigingen in het plan. Voor de samenvatting en beantwoording van deze zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage 9. Daarnaast is zoals beschreven in paragraaf 2.2 het plangebied bij vaststelling van het bestemmingsplan verkleind.

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=78d77f80-74b1-477d-99bc-ca85868b7b6f