CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Bijlagen bij de toelichting bestemmingsplan ‘‘Noordeloos, Park Rietveld’

Raadsvergadering 4 juli 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 6a. Bestemmingsplan Noordeloos Park Rietveld21.952 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’

Bijlage 1 Stedenbouwkundige uitwerking

55

bn. 4

1

4 m²

3200

9

3 m²

8

3200

P9

3200

P36

7120

bn. 3

8

3 m²

bn. 3

7

158.6

P37

3 m²

3200

P7

P82

P5

6

174.1

5000

5

7340

P4

2000

7

3200

P3

2000

BIO T LEN

VRIJSTAANDE WONINGEN

MO

TWEE-ONDER-EEN-KAPWONINGEN

OO P

LEVENSLOOPBESTENDIGE WONINGEN

1840 7340

P2

bn. 3

4

3

9 m²

5000

1010

bn. 3

P47

3220

P1

P55

6

P54

1500

P50

P51

bn. 3

0

P52

P53

BLOK

bn. 3 1

5000

P56

bn. 3 2

7 m²

6900

7 m² 126.2

1800

7120

4 m² 163.2

m² 82.46

1800

1800

9500

m² 86.88

4800 4800

bn. 2

P46

165.6

m² 95.52

4800 4800

7 P45

7120 1900

3 m² 135.6

5020

bn. 2 4

bn. 2 5 bn. 2 6

BLOK 5

P44

3200

222.9

1800

8

P43

8 m²

SOCIALE KOOPWONINGEN

5800

9 P42

229.1

EENGEZINSWONINGEN

7400

bn. 2

P61 P60 P59 P41

0

9 m²

2800

BLOK

bn. 3 222.9

P40

m²

P69 P68 P67 P66 P65 P62

P75 2800

bn. 3

1 m²

9200

7300

86.88

P79 P78 P77

P64 7340

P6

174.1

1500

P39

3200

1 m²

9200

P63

P38

7120

P8

158.6

P72

6

P35

9200

P49

P34

1500

5020

P33

9200

bn. 2

P32

1500

P58

P31

1800

P57

P30

P71

P29

bn. 1

P28

5000

P76

BLOK 4

bn. 1 9 7

1500

bn. 1

84.10

m²

9200

P74

5

9200

3

6820

P73

bn. 1

bn. 1 8

4

4800

bn. 1

84.10

m²

5620

6000

P80

bn. 2 2 bn. 2 1 bn. 2 0

4800

m² 84.10 7 m²

4800

m² 102.5

4800

3

P27

6220

bn. 3

158.6

84.10

5400

m²

P26

BLOK

3 m²

m²

5020

P25

1500

1800

3 m²

5020

117.5

4800

m² 91.30

4800

4 m²

6220

P10

158.6

7550

96.78

5000

m²

1075 0

122.2

5000

P81

1500 9500

1500 9500

1000 0

6800 1500

m

5400 ²

bn. 1

9200 P24

0

2000

9200

1500

84.10

2 m² 115.0

2 m² 115.0

1 m²

94.50

1800

1800

2 m² 115.0

5400 119.7

P23

bn. 4

3 m²

1160

1800

6 m² 123.1

2 m²

5400 115.0

2 m²

5400

bn. 4 P11

158.6

2

P83

1800

2

3 m²

bn. 1

P84

P48

5000

bn. 4

158.6

5620 ²

0

P85

142.2

3

6 m²

m

P86

3600

215.3

3200

115.6

P87

2100

bn. 4

6220

8320

5620

8 m²

6220

P12

P88

5000

2 m²

0 m²

P89

6000

327.9

P13

3200

5400

113.4

P90

P70

4

1010

bn. 4

3200

118.0

87.95

6220

0

5

P22

P91

bn. 8

2100

P14

P21

5400

0

6220

5620

bn. 9

1010

3200

P20

bn. 1

1500

bn. 4

3000

P19

2

1500

P15

5400

bn. 3

5000

6740

P18

BLOK

0

1500

BLOK

6000

P16

5500

9

3200

2100

BLOK

3200

1

1030

5620

bn. 7

P P17 6740

bn. 1

98.35

P

2800

9500

168.2

0

2 m²

5400

1500

bn. 6

bn. 5

1800

BLOK 1

5000

P92

bn. 2 3

1760 1180

bn. 2

9500

5620

bn. 1

1500

P93

6000

Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’

Bijlage 2 Watertoets

56

20286.67 m²

totaal m2 plangebied, inclusief parkeerplaatsen en park/polder

9231.12 m²

gras, oever, wadi

915.04 m²

grind, schelpen

347.04 m²

planten, heggen, struiken

580.24 m²

bestrating, tegels, klinkers

997.69 m²

water

5234.78 m²

asfalt, beton

2980.75 m²

bebouwing

P P

20286.67 m²

totaal m2 plangebied, inclusief parkeerplaatsen en park/polder

1074.91 m²

grastegels

486.23 m²

grind, schelpen

7291.11 m²

gras, oever, wadi

2872.22 m²

bestrating, tegels, klinkers

177.80 m²

planten, heggen, struiken

3497.72 m²

kavels rijwoningen

2029.33 m²

water

1196.04 m²

kavels twee-onder-één-kapwoningen

518.90 m²

bebouwing

1142.17 m²

kavels vrijstaande woningen

Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’

Bijlage 3 Flora- en faunaonderzoek

57

Quickscan Wet natuurbescherming Singel 4 te Noordeloos Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2022-0502

Datum:

16 juni 2022

Samensteller:

ing. J. Dekkers

Collegiale toets:

ing. D.F. Knoops

Opdrachtgever:

Develop Inc.

Contactpersoon:

D. Doornhein

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

6

2 Methode

7

2.1

Uitvoering onderzoek

7

2.2

Soortenbescherming

7

2.3

Gebiedsbescherming

8

2.4

Houtopstanden

10

2.5

Houdbaarheid en toepassing

10

3 Beoordeling

11

3.1

Soortenbescherming

11

3.2

Gebiedsbescherming

16

3.3

Houtopstanden

18

4 Samenvatting

19

4.1

Soortenbescherming

19

4.2

Gebiedsbescherming

19

4.3

Houtopstanden

19

5 Conclusie

20

5.1

Conclusie

20

5.2

Uitvoerbaarheid

20

5.3

Vervolgstappen

20

5.4

Te treffen maatregelen

21

1 Inleiding Aan de Singel 4 te Noordeloos is een verhard perceel met een woning, een loods en een garage gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande loods en de garage op de planlocatie te slopen ten behoeve van 45 nieuwbouwwoningen. De woning blijft hierbij behouden. Tevens wordt de watergang op de planlocatie verbreed, worden er bomen gekapt en wordt er een wandelpad aangelegd. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Develop Inc. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.

Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen aan de Singel 4 te Noordeloos. 4

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Singel 4 te Noordeloos (figuur 1.2). De planlocatie bestaat uit een verhard terrein waarop een loods en een garage aanwezig zijn. De loods is opgebouwd uit deels gemetselde muren zonder luchtspouw en uit metalen damwandplaten met een bitumen dak. De garage is grotendeels opgebouwd uit metalen damwandplaten, voor een klein deel uit gemetselde muren met deels een dak van metalen damwandplaten en deels een dak van golfplaten. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Singel 4 te Noordeloos. De directe omgeving aan de noordzijde van de planlocatie wordt gekenmerkt door de bebouwde kom van Noordeloos. De directe omgeving aan de zuid- en oostzijde van de planlocatie bestaat uit agrarisch gebied. Direct aan de zuidzijde van de planlocatie is een watergang gelegen. Op een afstand van circa 195 m ten zuiden van de planlocatie ligt de N214.

Figuur 1.3 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie. 5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloopt van een loods en garage en de realisatie van 45 nieuwbouwwoningen. Tevens wordt er een watergang verbreed, worden er bomen gekapt en groenstructuren verwijderd en wordt er een wandelpad aangelegd. De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •

slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verbreden van watergang: graafwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 1.4 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Develop Inc.).

6

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 1 juni 2022 en is uitgevoerd door ing. J. Dekkers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 4/8 bewolkt, 16 Celsius en windkracht 2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

7

5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of

bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.

Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker

Hermelijn

Vos

Bunzing

Huisspitsmuis

Wezel

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Woelrat

Dwergspitsmuis

Konijn

Egel

Meerkikker

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.

8

Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuur en ecologische verbindingen, geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Mocht een ontwikkeling wel negatieve gevolgen hebben op de bovengenoemde aspecten, is deze ontwikkeling alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor dergelijke ontwikkelingen dient tevens een ontheffing voorhanden te zijn. In de provincie Zuid-Holland valt het Natuurnetwerk Nederland onder beschermingscategorie 1. Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit Provincie Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen met speciale bescherming van de ruimtelijke kwaliteit. Deze bescherming is opgedeeld in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2.

Beschermingscategorie 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een wijziging van de bestaande gebiedsidentiteit op structuurniveau, of welke leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 1 betreffen Natuurnetwerk Nederland en Beschermd grasland in de Bollenstreek. Beschermingscategorie 2 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 2 betreffen Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer.

9

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.

4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

10

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). De planlocatie bestaat grotendeels uit verharding. De zuidzijde van de planlocatie bestaat niet uit verharding en is begroeid met Engels raaigras, een bomenrij en bramenstruiken. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: beuk, gewone braam, grote brandnetel, koolzaad, laurierkers, schietwilg en zomereik. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht.

Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bunzing, damhert, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever en damhert. De bever leeft in het overgangsgebied tussen land en water, zoals in meren, moerassen en langs rivieren en kanalen. Een vereiste hieraan is dat er goed bereikbare houtige gewassen op de oevers aanwezig zijn (Zoogdiervereniging, 2022). De dichtstbijzijnde waarneming van de bever is bekend op een afstand van circa 800 m ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie zijn geen sporen van de bever aangetroffen. Derhalve maakt de planlocatie geen onderdeel uit van het essentieel leefgebied van de bever. Desondanks de voorgenomen verbreding van een watergang in de beoogde ruimtelijke ingreep, leidt de beoogde ruimtelijke ingreep derhalve niet tot aantasting van het essentieel leefgebied van de bever.

Het damhert leeft in lichte loofbossen en gemengde bossen (Zoogdiervereniging, 2022). Op de planlocatie en in de directe omgeving ervan is geen bosgebied aanwezig. Aannemelijk betreft het waargenomen individu een ontsnapt exemplaar. Van negatieve effecten op het damhert wegens de beoogde ruimtelijke ingreep is geen sprake. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

11

Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.

De te slopen loods en garage zijn nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De loods is opgebouwd uit deels gemetselde muren zonder luchtspouw en uit metalen damwandplaten met een bitumen dak. In de loods derhalve geen ruimtes aanwezig welke als verblijfplaats voor vleermuizen kunnen functioneren. De garage is grotendeels opgebouwd uit metalen damwandplaten, voor een klein deel uit gemetselde muren met deels een dak van metalen damwandplaten en deels een dak van golfplaten. In de garage zijn geen stootvoegen, toegankelijke kantpannen of andere openingen aanwezig welke leiden tot een ruimte welke als verblijfplaats voor vleermuizen kunnen dienen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de loods en garage op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden.

De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot een onderbreking in lijnvormige structuren en leidt derhalve niet tot aantasting van een essentiële vliegroute. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden bomen gekapt en groenstructuren verwijderd. In de directe omgeving van de planlocatie is echter voldoende foerageergebied aanwezig. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt derhalve niet tot aantasting van een essentieel foerageergebied van vleermuizen. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker en rugstreeppad. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De heikikker leeft in ondiep, relatief zuur, zonbeschenen en voedselarm voortplantingswater, op vochtige plekken in schraal, ruig gebied en op vorstvrije plaatsen voor de overwintering (Creemers & Van Delft, 2009).

De watergang op de planlocatie welke verbreed zal worden in de beoogde ruimtelijke ingreep is direct naast een bomenrij gelegen en is derhalve niet zonbeschenen. Door bladinval van de bomen is de watergang aannemelijk niet voedselarm.

12

De watergang bestaat derhalve niet uit geschikt voortplantingswater voor de heikikker. Een deel van de planlocatie bestaat uit grasland. In de directe omgeving van de planlocatie is echter ruim voldoende soortgelijk grasland aanwezig. Van aantasting van voortplantingswater of essentieel landhabitat van de heikikker in de beoogde ruimtelijke ingreep is derhalve geen sprake. De rugstreeppad is een pionierssoort welke voor de voortplanting afhankelijk is van tijdelijke wateren op zandige grond (Creemers & Van Delft, 2009). Dit soort wateren kunnen ontstaan op bouwterreinen. De dichtstbijzijnde waarneming van de rugstreeppad is bekend op een afstand van circa 60 m ten zuiden van de planlocatie. De dichtstbijzijnde waarneming in de afgelopen drie jaar van de rugstreeppad is bekend op een afstand van circa 950 m ten westen van de planlocatie (NDFF 2012-2022). De planlocatie bestaat grotendeels uit verharding en deels uit Engels raaigras en bramenstruiken en is derhalve niet geschikt als voortplantingsplaats voor rugstreeppadden. Tijdens de werkzaamheden kunnen er geschikte voortplantingsplaatsen voor rugstreeppadden ontstaan. Derhalve dienen er maatregelen getroffen te worden om de kolonisatie van rugstreeppadden op de planlocatie ten tijde van de werkzaamheden te voorkomen (zie H5.4). De planlocatie bestaat grotendeels uit verharding en deels uit grasland.

In de directe omgeving van de planlocatie is voldoende soortgelijk leefgebied aanwezig. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt derhalve niet tot aantasting van essentieel foerageergebied van de rugstreeppad. Amfibieën overwinteren op vorstvrije plaatsen welke niet overstromen, zoals onder stenen en boomstammen, in zandige bodems of ingegraven onder dichte struwelen. Op de planlocatie zijn dichte braamstruwelen aanwezig. In de directe omgeving van de planlocatie zijn echter voldoende overwinteringsplaatsen in de vorm van slootkanten en groenstructuren aanwezig waar amfibieën kunnen overwinteren. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt derhalve niet tot aantasting van een essentieel overwinteringsgebied van beschermde amfibieën. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2012-2022). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers.

Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2012-2022). De grote modderkruiper leeft in kleinere, stilstaande of langzaam stromende wateren. In de watergang dienen ondiepe, zonbeschenen plaatsen aanwezig te zijn met een goed begroeide onderwatervegetatie (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2021). De dichtstbijzijnde waarneming van de grote modderkruiper is bekend op een afstand van circa 1,8 km ten noorden van de planlocatie (NDFF 20122022). De te verbreden watergang op de planlocatie is naast een bomenrij gelegen waardoor de watergang beschaduwd is. In de watergang is ten tijde van het veldbezoek geen rijk begroeide onderwatervegetatie waargenomen. De te verbreden watergang op de planlocatie bestaat derhalve niet uit geschikt leefgebied voor de grote modderkruiper. Bij de beoogde werkzaamheden betreffende het verbreden van de watergangen dienen enkele maatregelen getroffen te worden (zie H5.4). Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

13

Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: kauw, koolmees, merel en scholekster. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat.

1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). In de loods op de planlocatie is geen dakbeschot aanwezig. Het dak van de garage is deels opgebouwd uit metalen damwandplaten zonder dakbeschot en deels uit golfplaten met dakbeschot. Op locaties waar het voedselaanbod hoog is kunnen huismussen uitwijken naar suboptimale broedplaatsen. De directe omgeving van de garage bestaat grotendeels uit verharding zonder groenstructuren. Van optimale leefomstandigheden in de vorm van voedselaanbod en schuilmogelijkheden is geen sprake. Woningen in de directe omgeving van de garage beschikken wel over geschikte broedplekken onder dakpannen daken. Bovendien warmen golfplaten snel op, waardoor de ruimte onder de golfplaten te warm wordt om te kunnen functioneren als geschikte nestlocatie voor huismussen.

Het voorkomen van nestlocaties van de huismus in de loods en garage op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot aantasting van groene delen. Enkele van deze groenstructuren bevinden zich binnen een straal van 50 m van woningen waarin mogelijk potentie voor huismussen aanwezig is. In de directe omgeving van deze woningen zijn echter hagen en andere groenstructuren aanwezig welke als functioneel leefgebied voor huismussen kunnen functioneren. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt derhalve niet tot aantasting van essentieel functioneel leefgebied van huismussen. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. In de loods op de planlocatie is geen dakbeschot aanwezig. Onder de dakpanplaten van de garage zijn geen openingen aanwezig welke gierzwaluwen toegang kunnen verlenen tot de dakruimte. De aanwezigheid van nestlocaties van gierzwaluwen in de te slopen bebouwing op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden.

14

In de loods zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Tevens is er veel verstoring in de loods aanwezig. In de garage zijn geen openingen aanwezig welke uilen toegang kunnen verlenen tot de garage. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De planlocatie bestaat grotendeels uit verharding. Een deel van de planlocatie is onverhard en bestaat uit Engels raaigras, bramenstruwelen en een bomenrij. Binnen een straal van 100 m van de planlocatie zijn geen vastgestelde nestlocaties of territoria van uilen of roofvogels bekend. In de omgeving van de planlocatie is soortgelijk leefgebied aanwezig. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt derhalve niet tot aantasting van functioneel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten.

De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

15

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 4,2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Zouweboezem’ (figuur 3.1).

Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 4,2 km tot het Natura 2000-gebied ‘Zouweboezem’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van 45 nieuwbouwwoningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a).

De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.

16

Gezien er sprake is van de ontwikkeling van 45 nieuwbouwwoningen wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS-Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Op een afstand van circa 2 km ten zuiden van de planlocatie ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.2). De planlocatie is niet gelegen in de buurt van de Bollenstreek. Op een afstand van circa 475 m ten zuiden van de planlocatie ligt het Belangrijk weidevogelgebied (figuur 3.3). Op een afstand van circa 17 km ten westen van de planlocatie ligt de Groene buffer (geen kaartweergave). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 2 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: ruimtelijkeplannenzuidholland.nl).

17

Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 475 m tot het Belangrijk weidevogelgebied (bron: ruimtelijkeplannenzuidholland.nl).

3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen buiten de bebouwde kom. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

18

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er dienen maatregelen getroffen te worden om negatieve effecten op de rugstreeppad en vissen te voorkomen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

Planten

Nee

Grondgebonden zoogdieren

Nee

Vleermuizen

Nee

Amfibieën

Nee

Reptielen

Nee

Vissen

Nee

Insecten en andere ongewervelden

Nee

Vogels (cat. 1 t/m 4)

Nee

Vogels (Algemeen en cat. 5)

Nee

Mogelijke functie planlocatie

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Nader onderzoek

Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Belangrijk weidevogelgebied Groene buffer

4,2 km 2 km 475 m 17 km

Stikstof Geen Geen Geen

AERIUS N.v.t. N.v.t. N.v.t.

4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

19

5 Conclusie 5.1

Conclusie De sloop van een loods en garage, het verbreden van een watergang, de kap van bomen en het verwijderen van groenstructuren ten behoeve van de realisatie van 45 nieuwbouwwoningen aan de Singel 4 te Noordeloos is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS-Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, kolonisatie van de rugstreeppad, vissen en algemene broedvogels (in het kader van algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

5.3 Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator.

20

5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De beoogde werkzaamheden betreffende het verbreden van een watergang leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht.

De graafwerkzaamheden dienen in één werkrichting (vanuit het oosten richting het westen) worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijk mogelijkheden te bieden. • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Zie voor meer instructies bijlage 2. • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.

Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

21

Bronvermelding Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) (2021) Kennisdocument Heikikker (Rana arvalis) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl www.verspreidingsatlas.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage 1 Bijlage 2

Fotografische impressie Ecologie rugstreeppad

22

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Singel 4 te Noordeloos en bestaat uit onder andere uit een loods welke gesloopt zal worden.

Figuur 2

De te slopen garage.

23

Figuur 3

De te kappen bomenrij (rechts) en te verwijderen braamstruwelen (links), tussen deze structuren in is een watergang gelegen welke verbreed zal worden.

Figuur 4

Overzicht van een deel van de planlocatie.

24

Bijlage 2 Rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (figuur 1, Diepenbeek & Creemers, 2006).

Figuur 1

Impressies van de verschillende levensstadia van rugstreeppad. Bron: bovenste foto’s RAVON, onderste foto’s: Blom Ecologie.

25

Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een sein voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van aan- of afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.

Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Voorkomen kolonisatie Doordat de rugstreeppad een typische pioniersoort is en een dynamische omgeving met vergraafbare grond prefereert, kan snel spontane kolonisatie van de soort in een braakliggend gebied of bouwterrein ontstaan. Om kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen.

Deze maatregelen bestaan uit het ongeschikt dan wel ontoegankelijk houden van het plangebied. Indien er sprake is van het ontstaan van mogelijk geschikt voortplantingswater dient het ontoegankelijk maken van een perceel voor de migratie en voortplantingsperiode (april-september) uitgevoerd worden. Het ongeschikt houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat zo min mogelijk vergraafbaar zand gebruikt of opgeslagen wordt binnen het bouwterrein. Bij het bouwrijp maken van het perceel dient het zand direct geëgaliseerd te worden. De aanleg van een zanddepot moet voorkomen worden. In de voorjaars- en zomerperiode zorgen dat er geen kleine poelen ontstaan waar rugstreeppadden eieren kunnen leggen. Diepe rijsporen van machines kunnen al voldoende diep zijn als voortplantingswater voor rugstreeppadden (figuur 2).

26

Figuur 2

Bij hevige regenval kunnen ondiepe plassen gevuld worden met water. Deze tijdelijke poelen zijn uitermate geschikt voor de rugstreeppad, waarin eisnoeren afgezet kunnen worden. Het ontstaan van deze geulen dient te allen tijde voorkomen te worden (bron: Blom Ecologie).

In de najaar- en winterperiode moet gezorgd worden dat er geen overwintering van rugstreeppadden kan optreden. Voldoende vergraafbaar zand (zanddepot) kan gebruikt worden voor overwintering. Ook stenenstapels, houtstapels of andere vorstvrije structuren (onder een bouwkeet bijvoorbeeld) kunnen gebruikt worden voor overwintering. Dergelijke structuren dienen weggehaald te worden buiten de overwinteringsperiode (september-april) van de soort. Het ontoegankelijk houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat voorzieningen worden geplaatst waardoor rugstreeppadden het plangebied niet kunnen bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (figuur 3). De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.

Figuur 3

Een incorrect geplaatst amfibiescherm (links). Een correct geplaatst amfibiescherm (rechts). Deze dienen minimaal 10 cm ingegraven te zijn (bron foto’s: Blom Ecologie).

27

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

blomecologie.nl 28

Toelichting vastgesteld bestemmingsplan ‘Noordeloos, Park Rietveld’

Bijlage 4 Aanvullend onderzoek ecologie

58

Aanvullend onderzoek ecologie Singel 4 te Noordeloos Aanvullend onderzoek naar rugstreeppad in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon Status:

Definitief

Project:

2023-0617

Datum:

9 juni 2023

Samensteller:

ing. P.Kalkman

Collegiale toets:

ing. J. Dekkers

Opdrachtgever:

dhr. A. Rietveld

Contactpersoon:

D. Doornhein

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Aanleiding

4

1.2

Doel

4

1.3

Beschrijving plangebied

5

1.4

Voorgenomen werkzaamheden

6

1.5

Mogelijk aanwezige soorten

6

1.6

Kader Wet natuurbescherming

7

2 Methode onderzoek

8

2.1

Theoretisch kader

8

2.2

Praktische uitvoering

8

2.3

Veldbezoeken

9

2.4

Specifieke omstandigheden

10

3 Resultaten 3.1

Rugstreeppad

4 Conclusie

11 11

12

4.1

Rugstreeppad

12

4.2

Vervolgstappen

12

1 Inleiding 1.1

Aanleiding Aan de Singel 4 te Noordeloos is een verhard perceel met een woning, een loods en een garage gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande loods en de garage op de planlocatie te slopen ten behoeve van 45 nieuwbouwwoningen. De woning blijft hierbij behouden. Tevens wordt de watergang op de planlocatie verbreed, worden er bomen gekapt en wordt er een wandelpad aangelegd.

Figuur 1.1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Singel 4 te Noordeloos.

Gezien de beoogde ingreep mogelijk leidt tot de aantasting van natuurwaarden beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb) is een quickscan Wnb uitgevoerd naar de potentie van het plangebied en mogelijke negatieve effecten ten gevolge van de beoogde werkzaamheden (Dekkers, 2022). Op basis van de quickscan Wnb is de aanwezigheid van leefgebied van de rugstreeppad op de planlocatie uitgesloten. OZHZ heeft echter een onderzoek naar de rugstreeppad vereist vanwege een ingediende zienswijze. Om vast te stellen of het plangebied daadwerkelijk een functie heeft voor vorengenoemde soorten dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. De initiatiefnemer heeft Blom Ecologie verzocht dit aanvullend onderzoek uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven.

1.2

Doel In dit aanvullende ecologische onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Zijn rugstreeppadden aanwezig in het onderzoeksgebied? • Op welke wijze maakt vorengenoemde soort gebruik van het onderzoeksgebied? Zijn in het onderzoeksgebied essentiële onderdelen van het leefgebied aanwezig? • Resulteert de voorgenomen ingreep in het beschadigen of wegnemen van jaarrond beschermde essentiële onderdelen van het leefgebied? Is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de voorgenomen ingreep uitgevoerd kan worden?

4

1.3

Beschrijving plangebied De planlocatie bestaat uit een verhard perceel met een woning, loods en een garage te Noordeloos. Een uitgebreide beschrijving van de planlocatie en de directe omgeving hiervan is te vinden in de quickscan Wnb (Dekkers, 2022). Op de planlocatie zijn verscheidene oppervlaktewateren aanwezig. De watergang aan de noordzijde van het onverharde deel van de planlocatie is sterk beschaduwd en heeft een steil talud (figuur 1.2). De watergang welke dwars op staat bestaat uit een relatief smalle watergang met oever- en watervegetatie (figuur 1.3). De plas op de planlocatie bevat veel oevervegetatie (figuur 1.4). Tevens is er in de plas veel bladafval aanwezig, wat de waterkwaliteit niet ten goede komt.

Figuur 1.2 De watergang aan de noordzijde van het onverharde deel van de planlocatie.

Figuur 1.3 De watergang welke door het onverharde deel van de planlocatie loopt.

5

Figuur 1.4 De watergang aan de noordzijde van het onverharde deel van de planlocatie.

1.4

Voorgenomen werkzaamheden Dhr. A. Rietveld is voornemens om op de planlocatie de loods en de garage te slopen. Tevens worden er bomen gekapt en wordt de watergang verbreed. De ingreep zal indicatief op hoofdlijnen bestaan uit de volgende werkzaamheden: • verwijderen/saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • kappen en rooien van bomen: kap- en rooiwerkzaamheden; • vergraven van de watergang(en) en/of uitgraven van nieuwe watergangen: graaf- en dempwerkzaamheden; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

1.5

Mogelijk aanwezige soorten Uit de quickscan Wnb (Dekkers, 2022) is gebleken dat binnen de planlocatie geen jaarrond beschermde nestlocaties, verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van beschermde soorten aanwezig zijn (tabel 1.1). Echter heeft OZHZ een nader onderzoek naar de aanwezigheid van de rugstreeppad vereist vanwege een ingediende zienswijze.

6

1.6

Kader Wet natuurbescherming De soortenbescherming van de Wet natuurbescherming valt op grond van internationale verdragen en nationaal beschermde soorten uiteen in drie verschillende beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes betreffen de Vogelrichtlijn (art. 3.1), Habitatrichtlijn (art. 3.5) en de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). De bescherming van de rugstreeppad valt onder de Habitatrichtlijn. Binnen de Vogelrichtlijn wordt onderscheid gemaakt tussen soorten waarvan het leefgebied en de nestplaats jaarrond beschermd zijn en overige broedvogels waarvan de nestplaats en het leefgebied enkel beschermd zijn tijdens de broedperiode. Naar aanleiding van de beoogde werkzaamheden kan overtreding van de volgende verbodsbepalingen optreden: Wnb, art. 3.5 Lid 2: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren Lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Voorliggend onderzoek en rapportage zijn uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Aannemelijk zal per 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking treden. Binnen de Omgevingswet blijven de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn onverminderd van kracht. Uitvoeringskaders, termijnen en processen vinden binnen de Omgevingswet op andere wijze plaats.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=f16ec484-1096-4250-9539-41c640bcc25d