Bijlage 2 Bijlagen bij bestemmingsplantoelichting 'Bleskensgraaf, Heulenslag 28'
Tekst van het document
Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). De planlocatie betreft een voormalige boerderij. Het groen op de planlocatie wordt gekenmerkt door gras, knotwilgen en diverse inheemse of aangeplante soorten. Enkele waargenomen soorten betreffen: Amerikaanse eik, berk, buxus, duizendblad, echte lampionplant, gehoornde klaverzuring, grote brandnetel, hortensia, knotwilg en paardenbloem. Tevens is er een moestuin op de planlocatie aanwezig met soorten waaronder aardbei en pompoen. Op de muren van de te saneren bijgebouwen is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen.
5
De planlocatie heeft een hoog onderhoudsbeeld en van overwoekerende planten is geen sprake. De bodem op de planlocatie is geclassificeerd als ‘weideveengronden op bosveen, of eutroof broekveen’ (PDOK, BRO bodemkaart – bodemvlakken). Op enkele plekken is de bodem erg nat. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, muskusrat, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soort geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever.
Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bever is een soort welke in het overgangsgebied van zoete wateren en land leeft, zoals moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste (BIJ12 kennisdocument bever, 2017). Er zijn waarnemingen van de bever bekend in rivier de Graafstroom, welke aan de zuidkant tegen de planlocatie is aangelegen. Op de planlocatie is echter sprake van een geringe hoeveelheid bomen en struiken op de oever langs de Graafstroom, en vormt derhalve geen optimaal habitat voor deze soort. Het is mogelijk dat de bever incidenteel de planlocatie betreedt. Er zijn op de planlocatie geen sporen van de bever aangetroffen. Het is derhalve het uitgesloten dat de planlocatie behoort tot functioneel leefgebied. Tevens blijven de wateren op en rondom de planlocatie onaangetast binnen de beoogde ontwikkeling. De werkzaamheden zullen niet leiden tot verstoring van de bever aangezien bevers regelmatig in de buurt van menselijke activiteiten worden aangetroffen, en er genoeg uitwijkmogelijkheden in de directe omgeving aanwezig zijn. De planlocatie heeft mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name de bruine rat, egel en veldmuis.
Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Binnen de beoogde ontwikkeling zullen geen bomen gekapt worden. Derhalve is aantasting van een verblijfplaats van boombewonende vleermuizen ten behoeve van de beoogde ontwikkeling uitgesloten.
6
De te saneren bijgebouwen zijn nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Alle bijgebouwen (c.q. varkensstal, koeienstal, garage, kapschuur en opslagschuur) bestaan uit enkellaagse houten of stenen muren, waardoor open ruimte (zoals een open luchtspouw) niet aanwezig zijn (figuur 4). Tevens zijn alle bijgebouwen voorzien van daken zonder dakbeschot en derhalve afwezigheid van een nauwe ruimte in de dakconstructie. Het dak van de varkensstal betreft een pannendak waarbij aan de binnenzijde riet bevestigd is. Gezien het riet direct tegen de pannen bevestigd is, zijn er geen open ruimten welke kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen.
Wegens het ontbreken van open spouw of nauwe ruimten in de dakconstructie is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bijgebouwen een geschikte rustof verblijfplaats te vinden. Het is uit te sluiten dat de te saneren bijgebouwen op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Gewone grootoorvleermuizen kunnen houten plafondbalken gebruiken als hangplaats waar zij onder andere prooien opeten. Belangrijk is dat deze balken van ruw materiaal gemaakt zijn. Deze hangplekken zijn herkenbaar aan vleermuiskeutels en afgebeten vlindervleugels die onder de hangplek te vinden zijn (BIJ12 kennisdocument gewone grootoorvleermuis). Tevens stelt de gewone grootoorvleermuis kritische eisen aan de invlieg openingen (e.g. gericht op zuid, zuid-westen of noorden en een aanvliegroute langs opgaande vegetatiestructuren). Het voorkomen van gewone grootoorvleermuizen in de kapschuur kan bij voorbaat uitgesloten worden aangezien predatoren deze schuur gemakkelijk kunnen betreden en de balken bestaan uit glad materiaal. Ook kan aanwezigheid van de gewone grootoorvleermuis in de andere te saneren bijgebouwen uitgesloten worden wegens het ontbreken van geschikte openingen en sporen (c.q. poep en vlindervleugels).
7
Figuur 4
Visuele representatie van de te saneren bijgebouwen. (A) de varkensstal. Riet is direct tegen de pannen bevestigd waardoor er geen nauwe ruimten in de dakconstructie aanwezig zijn. (B) de zolder van de koeienstal. (C) de garage. (D) de kapschuur. (E) de opslagschuur.
Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Op en rondom de planlocatie zijn bomenrijen, voornamelijk bestaande uit knotwilgen, aanwezig. Deze structuren kunnen gebruikt worden als vliegroute of foerageergebied. Het saneren van de bijgebouwen zorgt niet voor een onderbreking van structuren en heeft derhalve geen negatieve invloed op eventueel foerageergebied of vliegroute. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen.
Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang.
8
Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd en wordt aangeraden lichtbundels niet te richten op de aanwezige bomen. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad. (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker en rugstreeppad. De heikikker is erg kritisch ten aanzien van zijn habitat en wordt vooral aangetroffen op heide, hoogveen, laagveen, half natuurlijk grasland, bos en struweel. Heidevennen en water op hoogen laagveen zijn de belangrijkste voortplantingswateren. Buiten de voorplantingsperiode worden de heikkikkers aangetroffen in dichte vegetaties, zoals vochtige heide, pijpenstrootjesvegetatie, kruidenrijk vochtig grasland en soms ook loofbos (BIJ12 kennisdocument heikikker, 2017). De planlocatie bevat geen dichte vegetaties of vorstvrije structuren waardoor de aanwezigheid van terrestrisch habitat op de planlocatie uitgesloten is. Binnen de beoogde ontwikkeling zal oppervlaktewater en vegetatie niet aangetast worden. Er zullen slechts bijgebouwen gesaneerd worden, en deze vervullen geen functie voor de heikikker.
Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de heikikker zijn derhalve uitgesloten. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). De rugstreeppad is in 2012 enkele keren op de oever naast de Graafstroom waargenomen. De dichtstbijzijnde locaties bevinden zich op een afstand van minimaal 700 meter van de planlocatie, maar aan de zuidzijde van de Graafstroom. De planlocatie is gelegen aan de noordzijde van de Graafstroom. De rugstreeppad bevindt zich vooral in ondiepe en meestal tijdelijke wateren (BIJ12 kennisdocument rugstreeppad, 2017), en derhalve is het niet aannemelijk dat deze soort zich via de rivier Graafstroom verplaatst. Echter is de rugstreeppad ook in 2012 ook op 1,2 km afstand ten noorden van de Graafstroom waargenomen. Momenteel voldoet de planlocatie niet aan de habitatseisen van de rugstreeppad en zal de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed op deze soort hebben.
Ondanks dat er geen recente waarnemingen van de rugstreeppad in de nabije omgeving bekend zijn, wordt zekerheidshalve aangeraden om maatregelen te treffen waarmee kolonisatie van de rugstreeppad tijdens de werkzaamheden voorkomen kan worden (zie te treffen maatregelen). Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De planlocatie is verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2010-2020). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten.
Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde vissoort: grote modderkruiper (NDFF 2010-2020). Binnen de beoogde ontwikkeling zullen geen wateren gedempt en/of vegetatie verwijderd worden. Derhalve zijn negatieve effecten op (beschermde vissen), waaronder de grote modderkruiper, uitgesloten.
9
Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: platte schijfhoren (NDFF 2010-2020). De waarnemingen van de platte schijfhoren zijn voornamelijk afkomstig uit veengebieden van Noord- en Zuid-holland, Utrecht en westelijk Overrijssel (Natura2000 habitatsoorten, 2006). De beoogde ontwikkeling betreft enkel het saneren van bijgebouwen en de realisatie van een schuurwoning. Oppervlaktewater op en rondom de planlocatie zal onaangetast blijven binnen de beoogde ontwikkeling. Tevens zal ook vegetatie in en rondom het water zal niet aangetast worden. Derhalve is een negatieve invloed van de beoogde ontwikkeling op de platte schrijfhoren op voorhand uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, merel en kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat.
1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen of nesten aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. Echter is er wel een braakbal van een kerkuil aangetroffen in de kapschuur. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Wegens het ontbreken van dakbeschot (en daarmee een open ruimte in de dakconstructie) en geschikte openingen is het voorkomen van nestlocaties in de te saneren bebouwing uitgesloten (zie afbeelding 4, hoofdstuk vleermuizen). Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017).
Wegens het ontbreken van geschikte openingen en het ontbreken van dakbeschot (en daarmee open ruimte in de dakconstructie), kan de aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw in de te saneren bebouwing uitgesloten worden. In de kapschuur is een oude braakbal van een kerkuil aangetroffen (figuur 5). De kapschuur is open aan de oostelijke zijde en derhalve makkelijk toegankelijk voor uilen. In 90% van de gevallen broedt de kerkuil in nestkasten (BIJ12 kennisdocument kerkuil, 2017), en deze zijn niet aanwezig in de kapschuur. Tevens zijn er ook geen donkere en tochtvrije gedeelten in de schuur aanwezig welke zouden kunnen dienen als nestlocatie, waardoor het voorkomen van nestlocaties uitgesloten kan worden. Met uitzondering van één braakbal zijn er geen andere sporen, zoals krijtsporen of meerdere braakballen, aangetroffen. Kerkuilen zijn in de omgeving van de planlocatie meerdere malen waargenomen, waardoor het incidenteel voorkomen van de kerkuil op de planlocatie mogelijk is. Tijdens een van deze incidentele bezoeken zal de kerkuil een braakbal in de schuur hebben achtergelaten. De kapschuur is opgebouwd uit dunnen metalen balken (c.q. geen ideale rustplaats) en door de open structuur onderhevig aan invloeden van licht en tocht.
Gezien de afwezigheid van sporen (met uitzondering van één oude braakbal), de open structuur van de schuur waardoor er geen donkere en tochtvrije omgeving wordt gecreëerd en de aanwezigheid van een woning (en dus verstoring in en nabij de schuur), is de aanwezigheid van een rustlocatie uitgesloten. De aanwezigheid van nest- en/of rustlocatie van de steenuil in de kapschuur kan ook worden uitgesloten. Steenuilen kruipen graag weg in hoekjes, en de constructie van de kapschuur (c.q.
10
stalen balken) biedt hier niet de mogelijkheid toe. Tevens zijn er geen sporen van de steenuil aangetroffen. De overige bijgebouwen (c.q. varkensstal, koeienstal, opslagschuur en de garage) zijn ook nauwkeurig onderzocht. Deze bijgebouwen bevatten geen geschikte openingen voor uilen waardoor aanwezigheid van rust- of nestlocaties in deze bijgebouwen uitgesloten kan worden. Op de planlocatie is tevens een steenuilenkast aanwezig in een knotwilg (figuur 6). Deze kast is al gedurende meerdere jaren aanwezig op deze locatie, waardoor het dak vast is komen te zitten in de boom. De kast is daarom via de opening geïnspecteerd. Er zijn geen sporen gevonden welke duiden op (recent) gebruik door steenuilen. Derhalve kan de steenuilenkast als onbezet worden beschouwd. Geconcludeerd kan worden dat de te saneren bijgebouwen geen functie hebben als rust- of nestlocatie voor de kerkuil en de steenuil. Het saneren van deze bijgebouwen zal derhalve niet leiden tot het schaden van deze soorten en hun verblijfplaatsen.
Figuur 5
Visuele representatie van de kapschuur. (A) de rode pijl geeft de locatie aan waar de kerkuilenbraakbal is gevonden. (B) de constructie bestaat uit dunne stalen balken waarop geen krijtsporen zijn aangetroffen. Door de open zijde is de schuur onderhevig aan invloeden van tocht en licht.
Figuur 6
Visuele representatie van de te steenuilenkast. (A) de steenuilenkast is gesitueerd in een knotwilg. (B) er zijn geen sporen aangetroffen welke duiden op (recent) gebruik.
Soorten als buizerd, sperwer en ransuil zijn meerdere malen waargenomen binnen een straal van 2 km van de planlocatie (NDFF 2010-2020). Aangezien er geen bomen gekapt zullen worden heeft de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed op nestlocatie van deze soorten. Het bebouwde oppervlak zal verkleind worden binnen de beoogde ontwikkeling, wat de bovengenoemde soorten ten goede komt. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake.
11
Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) In de kapschuur is een nest aangetroffen van een algemene broedvogel. Vermoedelijk betreft dit een merel of witte kwikstaart. Het verwijderen van nesten van algemene broedvogels welke niet in gebruik zijn is toegestaan conform de Wet natuurbescherming. In de kapschuur zijn enkele braakbalen van een torenvalk (categorie 5 vogel) aangetroffen, maar van nestlocaties is geen sprake. Derhalve is het saneren van de kapschuur geen overtreding van de Wet natuurbescherming. De planlocatie voorziet in voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.
Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 1,5 km ligt het Natura 2000gebied ‘Donkse laagten’ (figuur 7). Op een afstand van circa 1,1 km ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 8). Op een afstand van circa 370 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied (figuur 9). Op een afstand van circa 1,8 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (figuur 10). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep.
Figuur 7
12
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,5 km tot het Natura 2000-gebied ‘Donkse laagten’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).
13
Figuur 8
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,1 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.maps.arcgis.com).
Figuur 9
De planlocatie ligt op een afstand van circa 370 m tot een Belangrijk weidevogelgebied (bron: pzh.maps.arcgis.com).
Figuur 10 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,8 km tot het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (bron: pzh.maps.arcgis.com). Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van 5 bijgebouwen de realisatie van een schuurwoning.
Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien er sprake is van een relatief grote afstand (1,5 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en in de gebruiksfase sprake is van een afname in stikstofemissie wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
Beoordeling (c) houtopstanden Binnen de beoogde ontwikkeling zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van de Wnb is derhalve niet van toepassing.
14
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De beoogde werkzaamheden zullen geen negatieve invloed hebben op beschermde soorten. Zekerheidshalve wordt aangeraden om maatregelen te treffen om kolonisatie van de rugstreeppad tijdens de werkzaamheden te voorkomen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur. Tevens zijn er geen karakteristieke landschapselementen aanwezig welke weggenomen zullen worden binnen de beoogde ontwikkeling. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Binnen de beoogde ontwikkeling zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van de Wnb is derhalve niet van toepassing.
-
+/-
-
-
-
-
+/-
-
+/-
n
n
n
n
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
insecten en ongewervelden
Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)
vaatplanten
Legenda
vleermuizen
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.
grondgebonden zoogdieren
Tabel 2
+
+/-
n
n
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat Andere soort
-
+/-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
1,5 km
geen
n.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
1,1 km
geen
n.v.t.
Belangrijk weidevogelgebied
370 m
geen
n.v.t.
Strategische reservering natuur
1,8 km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
ja
nee
n.v.t.
Bomen
ja
nee
n.v.t.
n
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van
15
Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
Conclusie Het saneren van 5 bijgebouwen en de realisatie van een schuurwoning aan de Heulenslag 28 te Bleskensgraaf is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vervolgstappen • De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarde (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond.
De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
16
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017 Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis Plecotus auritus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kerkuil Tyto alba. Versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht.
Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Natura2000, 2006. Platte schijfhoren (Anisus vorticulus) H101x. Eindconvept habitatsoorten 15 december 2006. Online bron: https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/ Soorten_Oud/Profiel_soort_H4056.pdf Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.natura2000.nl www.ndff.nl www.pdok.nl www.pzh.maps.arcgis.com
17
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. ing. D. de Boer Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
18
Bijlage 1 Fotografische impressie
19
Figuur 1
De varkensstal, koeienstal, woning en opslagschuur op de planlocatie.
Figuur 2
De achterzijde van de kapschuur (links) en de woning (rechts).
20
Figuur 3
De vijver op de planlocatie.
Figuur 4
De zuidzijde van de planlocatie. De rivier op de afbeelding betreft de Graafstroom.
Bijlage 2 Rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).
Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een sein voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van aan- of afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017).
21
Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden. Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is.
Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Voorkomen kolonisatie Doordat de rugstreeppad een typische pioniersoort is en een dynamische omgeving met vergraafbare grond prefereert, kan snel spontane kolonisatie van de soort in een braakliggend gebied of bouwterrein ontstaan. Om kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen. Deze maatregelen bestaan uit het ongeschikt dan wel ontoegankelijk houden van het plangebied. Het ongeschikt houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat zo min mogelijk vergraafbaar zand gebruikt of opgeslagen wordt binnen het bouwterrein. Bij het bouwrijp maken van het perceel dient het zand direct geëgaliseerd te worden. De aanleg van een zanddepot moet voorkomen worden. In de voorjaars- en zomerperiode zorgen dat er geen kleine poelen ontstaan waar rugstreeppadden eieren kunnen leggen. Diepe rijsporen van machines kunnen al voldoende diep zijn als voortplantingswater voor rugstreeppadden (figuur 2).
Figuur 2
22
Bij hevige regenval kunnen ontstane geulen gevuld worden met water. Deze tijdelijke poelen zijn uitermate geschikt voor de rugstreeppad. Het ontstaan van deze geulen dient te allen tijde voorkomen te worden.
In de najaar- en winterperiode moet gezorgd worden dat er geen overwintering van rugstreeppadden kan optreden. Voldoende vergraafbaar zand (zanddepot) kan gebruikt worden voor overwintering. Ook stenenstapels, houtstapels of andere vorstvrije structuren (onder een bouwkeet bijvoorbeeld) kunnen gebruikt worden voor overwintering. Dergelijke structuren dienen weggehaald te worden buiten de overwinteringsperiode van de soort. Het ontoegankelijk houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat voorzieningen worden geplaatst waardoor rugstreeppadden het plangebied niet kunnen bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (figuur 3). De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
Figuur 3
23
Een incorrect geplaatst amfibiescherm (links). Een correct geplaatst amfibiescherm (rechts). Deze dient minimaal 10 cm ingegraven te zijn.
Nieuwbouw woning Heulenslag 28 te Bleskensgraaf Onderzoek stikstofdepositie
Rapportnummer H 9272-1-RA-001 d.d. 1 november 2024
Nieuwbouw woning Heulenslag 28 te Bleskensgraaf Onderzoek stikstofdepositie
opdrachtgever
De heer J.A. Nijssen
rapportnummer
H 9272-1-RA-001
datum
1 november 2024
referentie
JHa/NEv//H 9272-1-RA-001
verantwoordelijke drs. ing. J.V. Harbers opsteller
ing. N.H.G. Everard 085 8228 678 n.everard@peutz.nl
peutz bv, postbus 66, 6585 zh mook, +31 85 822 86 00, info@peutz.nl, www.peutz.nl kvk 12028033, opdrachten volgens DNR 2011, lid NLingenieurs, btw NL.004933837B01, ISO-9001:2015 mook – zoetermeer – groningen – eindhoven – düsseldorf – dortmund – berlijn – nürnberg – leuven – parijs – lyon
H 9272-1-RA-001 2
Inhoudsopgave 1
Inleiding
4
2
To e t s i n g s k a d e r
6
3
Uitgangspunten
8
3.1
Aanleg-/bouwfase
8
3.2
Gebruiksfase
9
4
Rekenresultaten
11
4.1
Rekenmethode
11
4.2
Rekenresultaten
11
4.2.1
Aanlegfase
11
4.2.2
Gebruiksfase
12
Beoordeling en conclusie
13
5
H 9272-1-RA-001 3
1
Inleiding In opdracht van de heer J.A. Nijssen is een onderzoek verricht naar de stikstofemissies en stikstofdepositie in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden vanwege de nieuwbouw en verbouw van meerdere gebouwen aan de Heulenslag 28 te Bleskensgraaf. Het perceel Heulenslag 28 te Breskensgraaf was voorheen een agrarisch bedrijfsperceel, waar tot op heden een cultuurhistorische woonboerderij en voormalige agrarische bebouwing zijn gesitueerd. In het beoogde plan wordt de voormalige agrarische bebouwing gesaneerd en wordt de huidige woonboerderij verbouwd tot twee aparte wooneenheden. Daarnaast wordt een vrijstaande schuurwoning gerealiseerd. In figuur 1.1 is een ontwerptekening van de beoogde situatie aan de Heulenslag 28 te Bleskensgraaf weergegeven.
f1.1 Ontwerptekening beoogde situatie Bleskensgraaf
H 9272-1-RA-001 4
Het plangebied bevindt zich op ca. 1,6 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Donkse Laagten'. In dit gebied bevinden zich geen stikstofgevoelige habitattypen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen is 'Biesbosch', gelegen op ca. 6,0 km van het plangebied. De ligging van het plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden is weergegeven in figuur 1.2. f1.2 Situering plangebied te Bleskensgraaf ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden
Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanlegfase (bouwfase) en gebruiksfase (toekomstig gebruik) van de woning, waarbij onder meer gebruik is gemaakt van de meest recente versi e van AERIUS Calculator (2024.0.1) om de stikstofdepositie te bepalen. In dit rapport worden de uitgangspunten en resultaten van het onderzoek beschreven.
H 9272-1-RA-001 5
2
To e t s i n g s k a d e r Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet (voorheen Wet natuurbescherming) in werking getreden. De Omgevingswet biedt de juridische basis voor de vergunningverlening met betrekking tot te beschermen natuurgebieden. In het kader van een toets aan de Omgevingswet (en voorheen de Wet natuurbescherming) wordt bepaald of bedrijfsactiviteiten (mogelijke) significante effecten veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Hiertoe dienen de mogelijke effecten op soorten, habitats van soorten en op habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen in beeld te worden gebracht. Indien er sprake is van significante gevolgen op een Natura 2000-gebied leidt dit tot een Natura 2000-activiteit onder de Omgevingswet. De wet- en regelgeving inzake stikstofdepositie onder de Omgevingswet wijkt daarmee niet af ten opzichte van de Wet natuurbescherming zoals die gold op 31 december 2023. Vanwege emissies van luchtverontreinigende stoffen zijn de storende factoren 'vermesting' en 'verzuring' mogelijk relevant. Vermesting is de 'verrijking' van ecosystemen door met name stikstof en fosfaat, verzuring van bodem of water is een gevolg van de emissie van vervuilende gassen.
De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof ). Diverse habitattypen in de Natura 2000-gebieden zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor vermesting en verzuring. De gevoeligheid wordt uitgedrukt in een kritische depositiewaarde (KDW) per habitattype. Deze kritische depositiewaarde is de grens waarboven de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van verzurende en/of vermestende invloed van de atmosferische stikstofdepositie. Ten behoeve van toetsing van de mogelijke effecten dient de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden vanwege de voorgenomen activiteiten derhalve gekwantificeerd te worden. Als een activiteit (tijdelijk of permanent van aard) stikstofdepositie veroorzaakt op een Natura 2000-gebied, dient de initiatiefnemer van de activiteit te onderzoeken of de activiteit leidt tot een Natura 2000-activiteit onder de Omgevingswet. Er kan sprake zijn van de volgende situaties: 1. De betreffende activiteit bestond op de referentiedatum van het Natura 2000-gebied en is sindsdien ongewijzigd voortgezet (kortom de betreffende activiteit is exact hetzelfde gebleven): voor deze situatie geldt geen vergunningplicht. 2.
De beoogde activiteit is conform een reeds verleende Wnb-/omgevingsvergunning en kan daarom plaatsvinden zonder verdere toetsing. 3. Indien er sprake is van een nieuwe of gewijzigde activiteit kan op basis van een Aeriusberekening bepaald worden of er een toestemmingsbesluit noodzakelijk is: Indien uit de AERIUS-berekening blijkt dat, eventueel na intern salderen, significante gevolgen zijn uitgesloten (stikstofdepositie (≤ 0,00 mol/ha/j), dan is er geen sprake van een Natura 2000-activiteit onder de Omgevingswet en derhalve geen vergunningplicht.
H 9272-1-RA-001 6
Indien uit de AERIUS-berekening blijkt dat na intern salderen significante gevolgen niet zijn uitgesloten (stikstofdepositie ≥ 0,01 mol/ha/j), dan is er wel sprake van een Natura 2000activiteit en volgt mogelijk een vergunningplicht. Vergunningverlening is mogelijk na het opstellen van een voortoets, een passende beoordeling of via een ADC-toets met compensatie, zie ook figuur 2.1. f2.1
Schema beoordeling effecten stikstofdepositie van plannen en projecten (bron: Handreiking Voortoets Stikstof BIJ12)
H 9272-1-RA-001 7
3
Uitgangspunten In het onderzoek zijn de volgende situaties beschouwd: − Aanlegfase: Activiteiten met dieselaangedreven mobiele werktuigen waarbij relevante stikstofemissies kunnen vrijkomen door de verbrandingsmotoren en vanwege de verbrandingsmotoren van het bouwverkeer. − Gebruiksfase: Stikstofemissies vanwege de verbrandingsmotoren van het verkeer van en naar de woningen. Verwarmingsgerelateerde stikstofemissies vanwege gebouwverwarming.
3.1 A a n l e g - / b o u w f a s e
Voor de aanleg-/bouwfase ontbreekt in de huidige fase van de planvorming een concrete bouwplanning. Het is derhalve niet mogelijk om thans een gedetailleerde berekening van de stikstofemissies (op basis van type werktuigen, bedrijfstijden en dieselverbruik) als gevolg van de bouwfase te maken. Op basis van ervaring met diverse vergelijkbare bouwplannen kan een schatting van de stikstofemissies gegeven worden: voor woningbouwplannen varieert de stikstofemissie grofweg 1 tot 3 kg NOx per woning. Indien modern materieel ingezet wordt en veel sprake is van de toepassing van prefab, wordt de onderkant van deze bandbreedte bereikt, bij meer traditionele bouw gecombineerd met gebouwd parkeren en een voorafgaande sloop van bestaande opstallen tendeert het emissiekental meer richting 2 tot 3 kg NO x per woning. In voorliggende situatie is uitgegaan van een emissiekental van 3 kg NO x per woning. Naast sloop- en bouwwerkzaamheden vinden er saneringswerkzaamheden plaats. De saneringswerkzaamheden zijn niet in bovenstaand emissiekental opgenomen. Voor de saneringswerkzaamheden is derhalve uitgegaan van eenzelfde emissiekental van 3 kg NO x per woning (worst-case).
Op basis van bovenstaande uitgangspunten bedraagt voor de drie woningen de stikstofemissie 9 kg NOx/jaar vanwege sloop- en bouwwerkzaamheden en 9 kg NO x/jaar vanwege saneringswerkzaamheden, resulterend in een totale stikstofemissie van 18 kg NOx/jaar. Ten aanzien van de NH 3-emissie tijdens de bouwfase kan conform de verhouding NOx-emissies en NH3-emissies bij stage IV-materieel worden uitgegaan van een emissiekental van 0,24 kg NH 3 per woning. Het kental is inclusief sanering-, sloop- en bouw werkzaamheden. Voor de drie woningen bedraagt de stikstofemissie 0,7 kg NH 3/jaar. Met betrekking tot de verkeersgeneratie tijdens de aanleg-/bouwfase van de woningen is uitgegaan van 150 bezoekende bestelbussen/personenauto's per woning (= 300 bewegingen) en maximaal 30 bezoekende vrachtwagens per woning (= 60 bewegingen).
H 9272-1-RA-001 8
Voor het bouwverkeer tijdens de aanleg-/bouwfase is derhalve uitgegaan van in totaal 450 bezoekende bestelbussen/personenauto's (= 900 bewegingen) en 90 bezoekende vrachtwagens (= 180 bewegingen). De stikstofemissies vanwege het bouwverkeer tijdens de aanleg-/bouwfase bedragen daarmee 0,9 kg NOx/jaar en 0,0 kg NH3/jaar. Daarnaast is rekening gehouden met één koude start per bezoekende personenauto/bestelbus, hetgeen gelijk staat aan 450 koude starts. Het vrachtverkeer zal alleen op het bouwterrein aanwezig zijn voor het laden en lossen van materieel en materiaal met een kraan of laadschop, waarbij de activiteiten naar verwachting niet meer dan 2 uur in beslag zullen nemen. Hierdoor zal verder geen sprake zijn van emissies vanwege de koude start voor het vrachtverkeer. Verder is aangenomen dat bij parkeren en laden/lossen van vrachtwagens de brandstofmotoren worden uitgeschakeld, zodat geen sprake zal zijn van emissies van stationair draaiende motoren van vrachtwagens. De stikstofemissies vanwege de koude start bedragen daarmee 0,1 kg NOx/jaar en 0,0 kg NH3/jaar. 3.2 G e b r u i k s f a s e
Tijdens de gebruiksfase zal sprake zijn van voertuigbewegingen vanwege het gebruik van de toekomstige woningen. In het huidige stadium is nog niet bekend of de twee woningen in de woonboerderij gasloos worden opgeleverd. Worst-case zijn de stikstofemissies vanwege de gebouwverwarming van deze twee woningen opgenomen in de berekening. De vrijstaande woning zal wel gasloos opgeleverd worden. Voor de uitgangspunten gedurende de gebruiksfase is aangesloten bij de uitgangspunten beschreven in het onderzoek "Voortoets stikstofdepositie – Ontwikkeling Heulenslag 28 te Bleskensgraaf" d.d. 9 december 2021 van Van den Heuvel Milieuadvies. In tabel 3.1 zijn de verkeersgeneraties vanwege het toekomstige gebruik van de drie woningen weergegeven. De verkeersgeneraties zijn destijds bepaald door middel van CROW publicatie 381, uitgaande van de stedelijkheidsgraad "niet stedelijk" en gebiedsaanduiding "buitengebied". De gegevens sluiten tevens aan bij de huidige publicatie 744 van CROW. t3.1 Overzicht verkeersgeneratie woningen gebruiksfase Functie
Aantal woningen
Kencijfer
Verkeersgeneratie
NOx-emissie
NH3-emissie
[kg/jaar]
[kg/jaar]
1,6
0,2
1,6
0,2
[mvt/etmaal]
[mvt/etmaal]
Woning, koop, vrijstaand
1
8,2
8,2
Woning, koop, twee-onder-een-kap
2
7,8
15,6
Totaal
23,8
Met betrekking tot het aantal koude starts is rekening gehouden met 1 koude start per bezoekende personenauto/bestelbus, hetgeen gelijk staat aan 12 koude starts per etmaal. De stikstofemissies vanwege de koude start bedragen daarmee 1,2 kg NOx/jaar en 0,2 kg NH3/jaar.
H 9272-1-RA-001 9
Daarnaast is uitgegaan van een stikstofemissie van 3,1 kg NO x per woning vanwege gebouwverwarming, resulterend in een totale stikstofemissie van 6,2 kg NO x per jaar vanwege de verwarming van twee woningen. Deze stikstofemissie is destijds bepaald door middel van de factsheet "Emissiewaarden AERIUS" d.d. 5 juli 2018 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
H 9272-1-RA-001 10
4
Rekenresultaten
4.1 R e k e n m e t h o d e
Voor de berekening van de stikstofemissies en stikstofdepositie is gebruik gemaakt van het wettelijk voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator 2024.0.1. Met het programma is een rekenmodel opgesteld waarin de verschillende emissiebronnen zijn gemodelleerd voor zowel de aanlegfase (bouwfase) als de gebruiksfase (toekomstig gebruik). Hierin zijn de emissies vanwege werktuigen gemodelleerd als een oppervlaktebron op het bouwterrein. De voertuigbewegingen in de aanlegfase en gebruiksfase zijn gemodelleerd als lijnbronnen. De emissies vanwege gebouwverwarming zijn gemodelleerd middels een puntbron. De in- en uitvoergegevens van de berekeningen met AERIUS Calculator 2024.0.1 zijn opgenomen in bijlage 1 (aanlegfase), bijlage 3 (aanlegfase maximaal) en bijlage 5 (gebruiksfase). 4.2 R e k e n r e s u l t a t e n
4.2.1 A a n l e g f a s e
Uit de rekenresultaten van AERIUS (bijlage 1) volgt dat geen sprake zal zijn van een relevante depositiebijdrage in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden vanwege de nieuwbouw en verbouw van drie woningen aan de Heulenslag 28 te Bleskensgraaf (bijdrage maximaal 0,00 mol N/ha/jaar), zie onderstaande screenshot uit de AERIUS-pdf:
Daarnaast volgt uit de extra beoordeling van AERIUS (bijlage 2) dat verder geen sprake zal zijn van een relevante depositiebijdrage op hexagonen met een hersteldoel (depositiebijdrage ≤ 0,00 mol N/ha/jaar)
H 9272-1-RA-001 11
Uit een aanvullende berekening volgt voorts dat voor deze projectlocatie een maximale stikstofemissie mogelijk is van ca. 290,0 kg NO x/jaar en 11,6 kg NH 3/jaar, waarbij de (tijdelijke) depositiebijdrage nog maximaal 0,00 mol N/ha/jaar zal bedragen, zie onderstaande screenshot alsmede bijlage 3 en bijlage 4:
4.2.2 G e b r u i k s f a s e
Uit de rekenresultaten van AERIUS (bijlage 5) volgt dat geen sprake zal zijn van een relevante depositiebijdrage in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden vanwege het gebruik van de toekomstige woningen aan de Heulenslag 28 te Bleskensgraaf bijdrage maximaal 0,00 mol N/ha/jaar), zie onderstaande screenshot uit de AERIUS-pdf:
Daarnaast volgt uit de extra beoordeling van AERIUS (bijlage 6) dat verder geen sprake zal zijn van een relevante depositiebijdrage op hexagonen met een hersteldoel (depositiebijdrage ≤ 0,00 mol N/ha/jaar)
H 9272-1-RA-001 12
5
Beoordeling en conclusie In opdracht van de heer J.A. Nijssen is een onderzoek verricht naar de stikstofemissies en stikstofdepositie in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden vanwege de beoogde nieuwbouw en verbouw van drie woningen aan de Heulenslag 28 te Bleskensgraaf. Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator 2024.0.1 volgt dat geen sprake zal zijn van een relevante depositiebijdrage (bijdrage maximaal 0,00 mol N/ha/jaar) in nabijgelegen Natura 2000-gebieden vanwege de aanleg en het gebruik van de toekomstige woningen. Significante negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen op basis hiervan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Er is inzake stikstofdepositie dan ook geen sprake van vergunningplicht in het kader van een Natura 2000-activiteit onder de Omgevingswet. Hierbij wordt opgemerkt dat de te verwachten stikstofemissie tijdens de aanleg-/bouwfase is bepaald op basis van een kengetallen voor de sanering, sloop- en bouwactiviteiten. Voor deze projectlocatie geldt dat een maximale stikstofemissie mogelijk is van ca. 290,0 kg NOx/jaar en 11,6 kg NH3/jaar, waarbij de (tijdelijke) depositiebijdrage nog maximaal 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt (zie bijlage 3).
Er is voor de bouwfase derhalve ruime marge aanwezig, waardoor er tijdens de bouwfase ook een ruime mate van flexibiliteit gehanteerd kan worden met betrekking tot de inzet van materieel (type, bouwjaar en bedrijfstijden).
Mook, Dit rapport bevat 13 pagina's en 6 bijlagen.
H 9272-1-RA-001 13
Bijlage 1 AERIUS-berekening aanlegfase
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstofdepositie.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de
handleidingen of op onze website.
H 9272-1-RA-001 1.1
Bijlage 1 AERIUS-berekening aanlegfase Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Peutz bv Heulenslag 28, 2971 VG Bleskensgraaf H 9272: Woningbouw Heulenslag 28 Bleskensgraaf berekening stikstofdepositie aanlegfase
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
S4Ffa41sbPyR 31 oktober 2024, 14:51 OwN2000-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Aanlegfase - Beoogd Aanlegfase - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
S4Ffa41sbPyR (31 oktober 2024)
2024 -
0,8 kg/j
19,0 kg/j
2/7
H 9272-1-RA-001 1.2
Bijlage 1 AERIUS-berekening aanlegfase Projectberekening
Aanlegfase (Beoogd), rekenjaar 2024 Emissiebronnen 1 4
Anders... | Anders... | Mobiele werktuigen Verkeer | Koude start: overig | Koude start Verkeersnetwerk
S4Ffa41sbPyR (31 oktober 2024)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
0,7 kg/j 22,2 g/j 32,8 g/j
18,0 kg/j 0,1 kg/j 0,9 kg/j
3/7
H 9272-1-RA-001 1.3
Bijlage 1 AERIUS-berekening aanlegfase Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
© OSM & Kadaster Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). S4Ffa41sbPyR (31 oktober 2024)
4/7
H 9272-1-RA-001 1.4
Bijlage 1 AERIUS-berekening aanlegfase Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Aanlegfase " (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Er zijn geen resultaten voor deze weergave.
S4Ffa41sbPyR (31 oktober 2024)
5/7
H 9272-1-RA-001 1.5
Bijlage 1 AERIUS-berekening aanlegfase Projectberekening
Aanlegfase , Rekenjaar 2024 1
Anders... | Anders...
Naam Mobiele werktuigen Uittreedhoogte Locatie X:111949,48 Warmteinhoud Y:431342,87 Spreiding Oppervlakte 0,72 ha Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Standaard Profiel Industrie
2,5 m 0,035 MW 1m
NOₓ NH₃
18,0 kg/j 0,7 kg/j
2 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Aankomend en vertrekkend verkeer bouwterrein Links Rechts NOₓ 0,8 kg/j Locatie X:111483,16 Y:431328,2 Type scherm - NO₂ 0,2 kg/j Lengte 940,29 m Hoogte - NH₃ 31,0 g/j Wegtype Buitenweg Afstand tot de weg - Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0 m Verkeer Max. snelheid Aantal voertuigbewegingen In file
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
3 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Stagnerend verkeer op bouwterrein Locatie X:111936,52 Y:431353,74 Lengte 64,52 m Wegtype Binnen bebouwde kom (stagnerend) Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0 m Verkeer Max. snelheid
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 4
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Verkeer | Koude start: overig
Naam Locatie Oppervlakte
Type voertuig
Koude start X:111949,48 Y:431342,87 0,72 ha
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
S4Ffa41sbPyR (31 oktober 2024)
900,0 /jaar 0,0 /jaar 180,0 /jaar 0,0 /jaar
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
Links Rechts NOₓ 0,1 kg/j Type scherm - - NO₂ 22,4 g/j Hoogte - - NH₃ 1,8 g/j Afstand tot de weg - -