Bijlage 1b. Bestemmingsplan Nieuw-Lekkerland Omgeving Watertoren - Bijlagen bij de toelichting.pdf
Tekst van het document
Flora en fauna quickscan Lekdijk 76 te Nieuw-Lekkerland
Rapportnr. Auteur Opdrachtgever Contactpersoon Datum uitgave
2017-N01 Sander D. Elzerman R3 Advies Dhr. D. N. J. van Horssen 3 februari 2017
Quickscan Lekdijk Nieuw-Lekkerland
Flora en fauna quickscan Lekdijk 76 te Nieuw-Lekkerland Aanleiding Er ligt een initiatief voor de herontwikkeling van een buitendijks terrein in Nieuw-Lekkerland (Figuur 1). Het plan is om zes vrijstaande woningen te realiseren rondom de voormalige watertoren. De woningen worden op de dijk langs de Lekdijk gebouwd. Tussen de woningen en de rivier de Lek ligt een buitendijks terrein dat een openbare functie moet krijgen. Het plan is om hier een paviljoen met horeca te realiseren. De huidige stijger en hellingbaan worden gerenoveerd. De recreatieve mogelijkheden moeten vergroot worden door een zandstrand aan te leggen. Gezien het feit dat het plangebied binnen het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur) ligt is het gewenst om de bestaande natuurwaarden in kaart te brengen. Daarbij gaat het in eerste instantie om beschermde soorten flora en fauna. Daarnaast is een algemene indruk verkregen welke toegevoegde waarde de huidige situatie heeft voor het NNN. Aan de hand van de huidige natuurwaarden kan een inschatting gemaakt worden van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling. Dit kan mogelijk leiden tot de aanvraag van een Verklaring van Geen Bedenkingen (bij de aanvraag van een Omgevingsvergunning) of een aparte ontheffing bij de provincie. Mogelijk dienen ook beschermingsmaatregelen getroffen te worden.
De quickscan geeft ook inzicht in de mogelijkheden die het plan biedt om toegevoegde waarde voor de natuur te creëren.
Figuur 1. De ligging van het plangebied bij Nieuw-Lekkerland is globaal aangegeven met een rood kader.
Methodiek Doel van de flora en fauna quickscan De quickscan richt zich op de beschermde soorten van de Wet Natuurbescherming (WNb) die per 1 januari 2017 van kracht is. Het gaat hierbij met name om de soorten van de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. De aanwezigheid van deze soorten kan leiden tot een ontheffingsaanvraag.
Elzerman Ecologisch Advies
2
Quickscan Lekdijk Nieuw-Lekkerland
De soorten, die op basis van art. 3.10 van de WNb beschermd worden, vallen ook binnen de quickscan. Voor deze soorten is op basis van provinciale vrijstellingsbesluiten in veel gevallen geen ontheffing vereist, maar dient wel zorgvuldig gehandeld te worden. In veel gevallen kan op basis van de quickscan de aanwezigheid van beschermde flora en fauna worden vastgesteld of uitgesloten. Het kan echter mogelijk zijn dat vervolgonderzoek nodig is om het voorkomen van een beschermde soort te kunnen bepalen. Op basis van het habitat en aanwezige soorten kan een algemeen beeld gevormd worden van de kenmerkende flora en fauna. Niet alle soort(groep)en kunnen hierbij uitputtend behandeld worden, maar de quickscan geeft een algemeen beeld van de huidige natuurwaarden. Op basis van het bestemmingsplan is geanalyseerd welke kansen en bedreigingen er liggen. Werkzaamheden De flora en fauna quickscan bestaat uit een bureauonderzoek aangevuld met een veldbezoek. Op basis van de beschikbare gegevens uit openbare bronnen met natuurgegevens en verspreidingsatlassen is een beeld verkregen van de potenties van het plangebied. Daarbij is ook de online applicatie Quickscanhulp.nl geraadpleegd. Dit geeft een lijst van alle beschermde soorten die volgens de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) in de omgeving zijn waargenomen (Bijlage 1).
Vervolgens is het plangebied geïnventariseerd op de aanwezigheid van beschermde en kenmerkende soorten. Het (potentiële) voorkomen van een beschermde plant of dier wordt hierbij zoveel mogelijk in kaart gebracht. Het veldbezoek is uitgevoerd op 18 januari 2017. De weersomstandigheden waren voldoende om een beeld te krijgen van de situatie (bewolkingsgraad 4/8, zicht <700 meter, -2oC en 2Bft. Oostenwind). Tijdens het veldbezoek was het laag water op de rivier de Lek. Quickscanhulp.nl De soortenlijst van Quickscanhulp geeft een overzicht van waargenomen beschermde flora en fauna (Bijlage 1). In de tabel wordt onderscheid gemaakt naar beschermingsregime. De strikt beschermde soorten, waarvoor een ontheffing nodig is, staan vermeld onder de noemers ‘wnb-hrl’ en ‘wnb-vrl’. Dit zijn soorten van resp. de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. Daarnaast staan ook de soorten vermeld die op nationaal niveau beschermd kunnen zijn (‘wnb-andere soorten’). Elke provincie bepaalt zelf voor welke soorten van deze lijst een vrijstelling op de ontheffingsplicht geldt. De lijst geeft de waarnemingen weer binnen een bepaalde afstandsklasse tot het plangebied. De exacte locatie van de waarneming wordt niet gegeven. Bovendien geeft de lijst geen inzicht in het type waarneming. Het kan een eenmalige waarneming zijn van een overvliegende jaarrond beschermde vogel, maar ook een broedgeval.
De soortenlijst van Quickscanhulp.nl geeft dus een handvat voor de beschermde flora en fauna, die mogelijk in het plangebied voorkomen op basis van een waarneming in de regio. Aan de hand van het biotoop kan een inschatting gemaakt worden van het gebiedsgebruik.
Wet- en regelgeving Dit onderzoek richt zich op de beschermde soorten uit de Wet Natuurbescherming. Deze wet heeft per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet, Boswet en Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. Hieronder is een overzicht gegeven van de Zorgplicht en verbodsbepalingen in de nieuwe wet. De Wet Natuurbescherming verschilt van de oude wetten in de formulering van de Algemene Zorgplicht en de verbodsbepalingen. Daarnaast verschilt de lijst van beschermde soorten dieren en planten van de Flora- en faunawet. Algemene Zorgplicht (Art. 1.11) In beginsel zijn alle in Nederland in het wild levende dieren en planten beschermd. De bescherming wordt vormgegeven door verbodsbepalingen en een Algemene Zorgplicht. De Wet Natuurbescherming richt zich op de bescherming van soorten en gebieden. Echter, de intrinsieke waarde van elk individueel dier en plant wordt wel erkend. Mensen mogen hier dus niet onzorgvuldig mee omgaan. Vanuit deze gedachte is de Zorgplicht opgesteld:
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
Elzerman Ecologisch Advies
3
Quickscan Lekdijk Nieuw-Lekkerland
De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten:
dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
De Zorgplicht is een algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Verbodsbepalingen (Art. 3.1 t/m 3.10) De bescherming van planten en dieren is gebaseerd op het ‘Nee, tenzij’-principe. Dit wil zeggen, dat in principe werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geen negatief effect mogen hebben op beschermde flora en fauna, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen reguliere werkzaamheden en ruimtelijke ontwikkelingen. Wanneer de activiteiten geen negatief effect hebben op de flora en fauna dan is geen ontheffing nodig. In veel gevallen is dat echter moeilijk vooraf te bepalen. Daarom wordt vaak vooraf het voorkomen van beschermde soorten in kaart gebracht door een ecologisch adviseur. Hiermee wordt niet alleen de aanwezigheid van een soort binnen het projectgebied bepaald, maar ook het gebiedsgebruik en daarmee het effect van de activiteiten. In de Wet Natuurbescherming zijn de verbodsbepalingen gekoppeld aan de verschillende beschermde soorten vanuit de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en internationale verdragen. De verbodsbepalingen, die in het kader van een flora en fauna quickscan van belang zijn, worden besproken in Artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet Natuurbescherming: Artikel 3.1 3.5
3.10
Verbodsbepalingen Het is verboden opzettelijk in het wild levende vogels te doden, te vangen en te verstoren. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, beschadigen, weg te nemen, rapen en onder zicht te hebben. (Soorten genoemd in de Vogelrichtlijn) Het is verboden in het wild levende dieren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen, te verstoren. Het is verboden eieren van dieren opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. (Soorten genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) Het is verboden in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden, te vangen, de vaste verblijf- en rustplaatsen te beschadigen of te vernielen. Het is verboden vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen, of te vernielen. (Aangewezen soorten in de bijlage, onderdeel A & B van de Wet Natuurbescherming)
De Wet Natuurbescherming deelt beschermde flora en fauna in drie groepen in:
Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (Vogelrichtlijn). Alle internationaal beschermde flora en fauna (die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn). Alle nationaal beschermde flora en fauna (die genoemd zijn in Bijlage A & B van de Wet Natuurbescherming). Bij de laatste twee punten gaat het om de bescherming van verschillende inheemse soorten vogels, zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers, sporenplanten en vaatplanten in Nederland.
Elzerman Ecologisch Advies
4
Quickscan Lekdijk Nieuw-Lekkerland
De drie gedefinieerde groepen hebben hetzelfde beschermingsniveau in de Wet Natuurbescherming. Het is noodzakelijk om voor alle ruimtelijke ontwikkelingen en werkzaamheden een ontheffing aan te vragen indien beschermde flora en/of fauna in het projectgebied aangetroffen of aangetoond is. Vogels Alle in Nederland voorkomende vogelsoorten worden in beginsel gelijkwaardig beschermd. Het is in het algemeen verboden om vogels te doden, te verontrusten, hun nesten en vaste rust- en verblijfplaatsen te verstoren. In de praktijk gaat het met name om werkzaamheden gedurende het broedseizoen. Buiten het broedseizoen zullen veel activiteiten minder problemen geven voor de meeste vogelsoorten. Uitzondering hierop vormt een selectie aan vogelsoorten die jaarronde bescherming genieten (Ministerie van LNV, 2009). De nesten van deze soorten mogen ook buiten het broedseizoen niet verstoord worden. De jaarrond beschermde vogelsoorten zijn ingedeeld in vijf categorieën. Voor de soorten uit de vijfde categorie geldt alleen onder specifieke omstandigheden een ontheffingsplicht. Voortplantings-, vaste rust- en verblijfplaatsen dieren Naast de dieren zelf worden ook hun voortplantings-, vaste rust- en verblijfplaatsen beschermd. Onder een voortplantingsplaats wordt niet alleen een nest van een vogel of kolonieverblijf voor vleermuizen verstaan, maar ook de functionele omgeving.
Sommige faunasoorten zijn zeer kritisch wat betreft hun foerageerplek of slaapplaats. Zij stellen specifieke eisen aan het leefmilieu en kunnen ook moeilijk overschakelen op een veranderde situatie. Indien werkzaamheden invloed hebben op vaste rust- en verblijfplaatsen dient een ontheffing te worden aangevraagd. Vrijstellingsregeling van de verboden Voor internationaal en nationaal beschermde soorten geldt in sommige gevallen een algemene vrijstelling voor werkzaamheden. Iedere provincie heeft apart bepaald welke flora en fauna valt onder deze vrijstellingsregeling. De vrijstelling geldt voor de volgende werkzaamheden:
De ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; Bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; Bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; Bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.
Vallen de activiteiten onder één van deze noemers dan is de vrijstellingsregeling van de verbodsbepalingen van de Wet Natuurbeheer van toepassing. Als geen sprake is van dit type werkzaamheden dan is toch een ontheffingsaanvraag nodig. De Algemene Zorgplicht blijft in alle gevallen wel van kracht. Natura 2000 en Ecologische Hoofdstructuur (EHS) Om de achteruitgang van de biodiversiteit in Europa te stoppen worden belangrijke natuurgebieden met elkaar verbonden. Dit netwerk van Europese natuurgebieden is Natura 2000. De wettelijke bescherming van Natura 2000-gebieden in Nederland is verankerd in de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van het voorkomen van bepaalde soorten flora en fauna en/of waardevolle landschappen. Projecten op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling mogen geen negatieve invloed hebben op de doelsoorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Hierbij dient ook de ‘externe werking’ van een buiten het Natura 2000-gebied gelegen project op het beschermde natuurgebied getoetst te worden. Het NatuurNetwerk Nederland (voormalige Ecologische Hoofdstructuur) vormt een uitbreiding op het Natura 2000-netwerk binnen Nederland. Binnen het NNN liggen niet alleen beschermde natuurgebieden, maar ook landbouwgebieden die beheerd worden volgens agrarisch natuurbeheer en grote wateren, zoals de kustzone van de Noordzee en Waddenzee.
Door deze gebieden met verbindingszones aan elkaar te koppelen ontstaat een netwerk waar uitwisseling kan plaatsvinden tussen flora en fauna. Op deze manier kan de Nederlandse biodiversiteit worden ondersteund. Het NNN is niet in zijn geheel door een wettelijke kader beschermd, maar door een beleidskader
Elzerman Ecologisch Advies
5
Quickscan Lekdijk Nieuw-Lekkerland
(Ministerie van LNV en VROM en de provincies, 2006). In de Verordening Ruimte (2014) heeft de provincie Zuid-Holland beschreven op welke wijze invulling gegeven wordt aan de bescherming van de NNN.
Resultaten Het plangebied is beschreven aan de hand van de landschappelijke en ecologische kenmerken. Vervolgens worden de aangetroffen en, indien van toepassing, de te verwachten soorten behandeld.
Beschrijving plangebied Het deel van het plangebied dat bestemd is voor woningbouw is het hoger gelegen gedeelte van het plangebied (Figuur 2). De woningen komen op de Lekdijk te staan. Momenteel bestaat het uit grasland met erfbeplanting. Op het grasland vindt beweiding plaats door schapen. Eén woning ten westen van de watertoren is reeds gerealiseerd. De voormalige watertoren is omgevormd tot een woning. Het lager gelegen, buitendijkse deel van het plangebied werd tijdens het veldbezoek gebruikt als opslagplaats. Over het gehele terrein lagen bergen zand, grond en stenen. Deze materialen worden gebruikt voor de dijkversterking. Sommige bergen grond lagen hier al langere tijd en waren inmiddels begroeid geraakt met ruigtekruiden (Figuur 3). De werkzaamheden tussen Kinderdijk en Schoonhovenseveer zijn in 2015 gestart en zijn nog niet afgerond (Figuur 5).
Figuur 2. De Lekdijk door het plangebied met de watertoren (rechts) en het opslagterrein (links).
Figuur 3. Overzicht van het buitendijkse terrein in oostelijke richting.
Langs de rivier zijn de oevers voornamelijk begroeid met riet en wilgenstruweel. Over circa 20 meter is nog een open strandje aanwezig. De oostgrens van het plangebied wordt gevormd door een kreek die een inham langs de dijk vormt. De kreek lag bij het veldbezoek droog. De toegangsweg tot het buitendijkse terrein vormt de verbinding met de aanlegsteiger voor binnenvaartschepen. De schepen mogen hier enige tijd liggen. Langs de toegangsweg is een kleine volkstuin. De begroeiing langs de rivieroever wordt naar het westen toe breder en ruiger. Er zijn in het westelijke deel meer struwelen aanwezig. De natuurlijke oeverzone wordt begrensd door de scheepswerf van Bayards B.V. (Figuur 4). De rivier de Lek kent nog enig getij door de open verbinding met zee (via de Nieuwe Maas en de Nieuwe Waterweg).
Elzerman Ecologisch Advies
6
Quickscan Lekdijk Nieuw-Lekkerland
Figuur 4. Ten westen van het plangebied ligt een fabriekshal.
Figuur 5. Tijdens het veldbezoek was de aanvoer van grond voor de dijkversterking in volle gang.
Aangetroffen (beschermde) soorten Vogels – aanwezige soorten Het veldbezoek is buiten het broedseizoen uitgevoerd. Daarom is gezocht naar oude nesten en is de geschiktheid ingeschat op basis van het habitat. Tijdens het veldbezoek werden in het buitendijkse terrein Merel Turdus merula, Pimpelmees Cyanistes caeruleus en Winterkoning Troglodytes troglodytes waargenomen. Deze zangvogels kunnen broeden in het plangebied. De Merel en Winterkoning kunnen in het wilgen- en bramenstruweel een nest maken, terwijl een holte in één van de grotere wilgen als broedplek gebruikt worden door de Pimpelmees. Vanwege de vorst is het niet uitgesloten dat de zangvogels zijn uitgeweken naar het plangebied, maar binnendijks broeden in de tuinen van het dorp. Het lage waterpeil van de rivier de Lek legde de oeverzone droog waar enkele Kokmeeuwen Chroicocephalus ridibundus, Stormmeeuwen Larus canus en Zilvermeeuwen Larus argentatus van profiteerden (Figuur 6). Ze waren aan het rusten of aan het foerageren op voedsel in het slik. De meeuwen zullen het plangebied vooral gebruiken om te foerageren en tijdelijk te rusten. Geschikt broedbiotoop is hier niet aanwezig. Een aantal Meerkoeten Fulica atra zwom rond op het water. Deze vogels kunnen in de oeverzone van het plangebied nestelen.
Vogels – jaarrond beschermde soorten Een aantal vogels, die jaarrond gebruikmaken van hun nestplaats of jaarlijks terugkeren naar dezelfde nestplaats, zijn jaarrond beschermd. Het biotoop in het plangebied is voor deze selectie aan vogelsoorten niet geschikt om als broedlocatie te dienen. De wilgen zijn van beperkte grootte. Ze zijn te klein voor een Buizerd Buteo buteo of Boomvalk Falco subbuteo om interessant te zijn om te broeden. Uit de gegevens van Quickscanhulp.nl blijkt naast deze twee roofvogels nog een aantal andere jaarrond beschermde vogels waargenomen te zijn (Bijlage 1). Voor deze soorten ontbreken geschikte nestlocaties. Deze vogels zijn afhankelijk van (grote) bomen of gebouwen, die niet in het plangebied aanwezig zijn. Een aantal soorten, die binnen een straal van 0-1 kilometer van het plangebied zijn waargenomen, broedt waarschijnlijk in het dorp of de lintbebouwing langs de Lekdijk. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld Huismus Passer domesticus, Gierzwaluw Apus apus, Kerkuil Tyto alba en Steenuil Athene noctua. Binnen het plangebied kunnen nestplaatsen van jaarrond beschermde soorten worden uitgesloten. Op termijn kan een wilg voldoende hoogte en omvang krijgen om geschikt te worden voor een buizerdhorst.
Elzerman Ecologisch Advies
7
Quickscan Lekdijk Nieuw-Lekkerland
Figuur 6. Het zandstrandje naast de aanlegsteiger voor de binnenvaart ligt nu verscholen achter grondhopen.
Figuur 7. De ingang van de kreek ten oosten van het plangebied lag tijdens het veldbezoek droog vanwege de lage waterstand.
Zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen wilde zoogdieren waargenomen in het plangebied. Er zijn ook geen sporen gevonden. Te verwachten valt dat de Mol Talpa europaea in de grasdijk voorkomt. Bij de voormalige Flora- en faunawet gold voor deze soort nog de Algemene Zorgplicht (art. 2). In de nieuwe Wet Natuurbescherming is deze soort niet meer beschermd. Van de waargenomen licht beschermde soorten biedt het plangebied geschikt habitat voor Haas Lepus europeus, Bunzing Mustela putorius, Hermelijn Mustela erminea, Egel Erinaceus europaeus en Veldmuis Microtus arvalis (NDFF, 2017). Haas en Veldmuis kunnen de dijk als foerageergebied gebruiken, terwijl de marterachtigen en Egel in het struweelrijke deel van het gebied kunnen voorkomen. Bij een hoge waterstand van de rivier zullen de zoogdieren het plangebied verlaten. Verder biedt het plangebied mogelijkheden om gebruikt te worden als foerageergebied door vleermuizen. Uit de gegevens van Quickschulp.nl blijken drie soorten vleermuizen binnen een straal van een kilometer tot het plangebied waargenomen te zijn: Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii en Laatvlieger Eptesicus serotinus. De betreffende soorten hebben over het algemeen een voorkeur voor een verblijfplaats in gebouwen. Met name de Ruige dwergvleermuis kan ook in boomholtes verblijven (Limpens et al., 1997).
De bomen in het plangebied zijn weinig geschikt voor een verblijfplaats vanwege de beperkte stamomtrek en veel dekking door takken (met bladeren). Hierdoor ontbreekt de bereikbaarheid van potentiële holtes met een vrije aanvliegroute. Vanwege de beperkte omvang van het plangebied en de aanwezigheid van vergelijkbaar habitat in de nabije omgeving zal het gebied geen essentieel foerageergebied vormen voor vleermuizen. De Bever Castor fiber is ook binnen een straal van één kilometer tot het plangebied waargenomen. Deze soort is strikt beschermd op basis van de Habitatrichtlijn. Er zijn geen vraatsporen in het plangebied gevonden, maar het was niet mogelijk om het westelijke deel geheel te betreden. Een burcht wordt niet verwacht aanwezig te zijn, maar samen met de naastgelegen grienden ten oosten van het plangebied, kan het wel een interessant foerageergebied vormen. Het plangebied kan gezien worden als een schakel in een netwerk aan foerageerplekken langs de rivier. Daarbij beperkt de potentie zich binnen het plangebied tot de westelijke oeverzone met wilgen. Van de beschermde zoogdieren, die op grotere afstand van het plangebied zijn vastgesteld, kan de Waterspitsmuis Neomys fodiens via de rivier het plangebied bereiken. Verblijfplaatsen van deze soort bevinden zich in de ruigte van oeverzones (Broekhuizen et al., 2016).
In de huidige situatie komt alleen het westelijke deel hier voor in aanmerking. Het terrein bij de aanlegsteiger voor de binnenvaart is zeer marginaal geschikt vanwege de opslag van grond en stenen dicht langs de oever (Figuur 8). Hier groeit slechts een kleine hoeveelheid riet en ruigte langs de rivier. Vaste rust- en verblijfplaatsen van strikt beschermde zoogdieren worden niet verwacht aanwezig te zijn. Vaatplanten De winter is niet de meest gunstige periode om de aanwezigheid van (beschermde) planten te inventariseren. Daarom is vooral een inschatting gemaakt op basis van het biotoop en kenmerkende soorten die wel zichtbaar waren bij het veldbezoek.
Elzerman Ecologisch Advies
8
Quickscan Lekdijk Nieuw-Lekkerland
De dominante vegetatie laat zich kenmerken door enkele soorten. Op de dijk groeit voornamelijk Engels raaigras Lolium perenne. Hier kunnen algemene soorten van voedselrijke kleibodem ook een plek vinden. De grasdijk wordt regelmatig gemaaid, waardoor houtige vegetatie ontbreekt. Het opslagterrein is spaarzaam begroeid. Enkele grondhopen in westelijke deel van het terrein liggen hier al langere tijd. Hier zijn ruigtekruiden tot ontwikkeling gekomen (Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.). Langs de rivier is een rietkraag aanwezig dat op verschillende plekken onderbroken wordt door een open oever. Opgeschoten wilgen Salix spec. en braamstruweel Rubus spec. domineren op de drogere buitendijkse delen. Op basis van de voedselrijke omstandigheden en het soortenarme grasland op de dijk worden geen beschermde soorten verwacht aanwezig te zijn. Op korte afstand van het plangebied zijn geen groeiplaatsen van beschermde planten bekend (NDFF, 2017). De dichtstbijzijnde groeiplaatsen bevinden zich op 5-10 kilometer van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Het voorkomen van de voorheen beschermde soort Spindotterbloem Caltha palustris subsp. araneosa (Tabel 2 uit de Flora- en faunawet) wordt niet uitgesloten. Met name in het westelijke rietveld en bij open plekken langs de oever kan deze soort aanwezig zijn.
Onder de huidige Wet Natuurbescherming is deze kenmerkende soort voor zoetwatergetijdengebieden niet meer strikt beschermd.
Figuur 8. Het opslagterrein loopt door tot aan de oeverzone.
Figuur 9. Op het opslagterrein zijn de kansen voor natuurwaarden marginaal.
Vissen en amfibieën Binnen het plangebied is geen water aanwezig. Alleen in de oeverzone bij de Lek kunnen vissen en amfibieën voorkomen. Bij de bouw van een steiger en de uitbreiding van een recreatiestrandje dient rekening gehouden te worden met vissen. De rivier biedt voldoende mogelijkheden voor vissen om te vluchten indien werkzaamheden aan de waterkant plaatsvinden. Via Quickscanhulp.nl is het voorkomen van de Grote modderkruiper Misgurnus fossilis bekend. De Grote modderkruiper komt in ondiepe, stilstaande sloten met een rijke sliblaag in de polders van de Alblasserwaard voor. Een oude rivierarm of kreek, zoals ten oosten van het plangebied, vormt ook een potentieel habitat (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014). Het voorkomen van de Rivierdonderpad Cottus perifretum komt niet in het overzicht naar voren, terwijl de rivieroevers wel geschikt habitat vormen voor deze soort (Groeneveld & Bouma, 2014). Waarschijnlijk is dit een gevolg de recente splitsing van de nauw verwante Beekdonderpad Cottus rhenanus. Laatstgenoemde is opgenomen in de Wet Natuurbescherming, terwijl de Rivierdonderpad alleen in de Flora- en faunawet strikt beschermd was (Tabel 2). Drie amfibieën van de Habitatrichtlijn zijn binnen een kilometer afstand tot het plangebied waargenomen (NDFF, 2017). Deze soorten zijn voornamelijk te vinden in de binnendijkse polders.
Binnen het plangebied ontbreekt geschikt leefgebied. Ze zijn afhankelijk van zwak stromende of stilstaande wateren, dus de kreek ten oosten van het plangebied biedt deze mogelijkheden wel (Groeneveld & Bouma, 2014).
Elzerman Ecologisch Advies
9
Quickscan Lekdijk Nieuw-Lekkerland
Overige soortgroepen Op basis van de gegevens uit de NDFF zijn het voorkomen van de Rivierrombout Gomphus flavipes (0-1 kilometer van het plangebied), Gevlekte witsnuitlibel Leucorrhinia pectoralis (1-5 km.), Groene glazenmaker Aeshna viridis (1-5 km.), Ringslang Natrix natrix (1-5 km.) en Tonghaarmuts Orthotrichum rogeri (1-5 km.) op korte afstand van het plangebied bekend. De larven van de Rivierrombout graven zich in rivierzand in en gebruiken zandstrandjes om uit te sluipen voor de ontwikkeling tot libel (Crombaghs & Habraken, 2002). In de huidige situatie is over een lengte van circa 20 meter geschikt uitsluiphabitat aanwezig. Dit is de plek waar het zandstrandje met steiger gepland zijn (Figuur 11). Bij de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met de kans dat larven van de soort zich hier bevinden. Gezien de beperkte oppervlakte is de kans hierop erg klein. De vergroting van het strandje biedt kansen om het habitat voor deze soort te verbeteren. Voor de Gevlekte witsnuitlibel en Groene glazenmaker ontbreekt geschikt voortplantingshabitat in het plangebied. De waarnemingen van deze soorten hebben vermoedelijk betrekking op de binnendijkse leefgebieden. Een incidentele passant of foeragerend exemplaar van deze libellen is nooit uitgesloten. In de toekomstige situatie kunnen beide soorten het plangebied op dezelfde wijze blijven gebruiken.
Bij een natuurvriendelijke maaibeheer van de Lekdijk kan de waarde als foerageergebied vergroot worden door een groter aanbod aan prooien. De Ringslang gebruikt broeihopen als eiafzetplaats. Binnen het plangebied zijn tijdens het veldbezoek potentiële broeihopen niet aangetroffen. Het westelijke deel van het buitendijkse terrein was niet geheel toegankelijk vanwege de dichte begroeiing. Een broeihoop is daarom ook niet snel te verwachten, maar ook niet geheel uitgesloten. Als het terrein bij hoog water overstroomt dan is het echter ongeschikt. Aangezien dit deel van het plangebied niet beïnvloed wordt door de geplande ontwikkeling kan een negatief effect worden uitgesloten. Tonghaarmuts is een zeer zeldzame soort mos, die onder andere gevonden wordt in vochtige, jonge wilgenbossen (BLWG, 2017). Het kleine aantal jonge wilgen in het plangebied maakt het marginaal geschikt. Aangezien de meeste wilgen in het westelijke deel van het terrein staan en deze niet aangetast worden kan een negatief effect worden uitgesloten.
Toegevoegde waarde van het plangebied aan de NNN Het plangebied maakt onderdeel uit van het NatuurNetwerk Nederland (Figuur 10). Hieronder wordt beschreven welke toegevoegde waarde het plangebied in de huidige situatie heeft en welke mogelijkheden de nieuwe situatie oplevert ter verbetering van de natuurwaarden. Vogels Het plangebied heeft een beperkte omvang. Het vormt een onderdeel van buitendijkse natuurterreinen. Deze buitendijkse gebieden vormen stapstenen langs de rivier waar flora en fauna zich kunnen verspreiden. Binnen het plangebied is vooral de oeverzone met het rietveld en wilgen interessant voor vogels. Op het opslagterrein is geen plek voor (broedende) vogels. Hetzelfde geldt voor de dijk waar een wandelpad op ligt. De verstoring door wandelaars maakt het niet bruikbaar om te broeden en beperkt bruikbaar om te foerageren. De erven, die bestemd zijn voor de huizenbouw, zijn tevens weinig interessant voor broedvogels. De oppervlakte is te beperkt voor een grondbroeder als de Kievit Vanellus vanellus. Bovendien wordt een deel begraasd en vindt regelmatig verstoring plaats door de aanwezigheid van mensen. Kortom, alleen de oeverzone van het buitendijkse terrein is interessant voor vogels.
Hier kunnen zomergasten als Tjiftjaf Phylloscopus collybita, Fitis Phylloscopus trochilus, Kleine karekiet Acrocephalus scirpaceus, Rietzanger Acrocephalus schoenobaenus en Rietgors Emberiza schoeniclus broeden. De rietkraag biedt mogelijkheden voor nestelende watervogels als Meerkoet, Waterhoen Gallinula chloropus en Fuut Podiceps cristatus. Het plangebied is niet groot, dus er zijn geen grote aantallen te verwachten. Voor liefhebbers van grote aaneengesloten rietvelden, zoals de Bruine Kiekendief Circus aeruginosus, is het gebied te klein. In de toekomstige situatie zal deze oeverzone grotendeels behouden blijven. Een smalle strook riet met veel opkomende verruiging is gepland om open te maken ten behoeve van het recreatieve gebruik. De winst valt te behalen in het natuurlijk inrichten van het huidige opslagterrein. Door het westelijke deel van het plangebied ontoegankelijk te maken kan hier een rustige hoek ontstaan waar de natuur zich kan ontwikkelen.
Elzerman Ecologisch Advies
10
Quickscan Lekdijk Nieuw-Lekkerland
Zoogdieren De toekomstige ontwikkeling heeft nauwelijks effect op beschermde zoogdieren. Het westelijke deel vormt het meest natuurlijke habitat. Door hier de toegang te beperken, blijft de rust behouden en biedt het mogelijkheden voor zoogdieren. Verlichting in het gebied zal het terrein minder aantrekkelijk maken voor foeragerende vleermuizen. Het is dan ook van belang om de verlichting te beperken. Dit kan door geen permanente verlichting aan te brengen en de verlichting uitsluitend te richten op het recreatieve deel van het terrein. Het westelijke deel van het plangebied en het wandelpad op de Lekdijk dienen onverlicht te blijven. Vaatplanten Op de Lekdijk staan vrijstaande woningen gepland. Dit biedt weinig mogelijkheden voor natuurontwikkeling. De grasdijk met het wandelpad kan door een natuurvriendelijke maaibeleid kansen bieden voor een meer diverse vegetatiestructuur. Een beheer van extensief maaien en afvoeren kan de diversiteit aan planten vergroten. De grootste kansen worden geboden in het huidige opslagterrein. Het plan is om een deel in te richten als recreatieterrein, maar het westelijke deel blijft open. Dit biedt mogelijkheden voor het ontwikkelen van rietland en grienden of wilgenvloedbos dat kenmerkend is voor zoetwatergetijderivieren. Van belang hierbij is om een geleidelijk overgang van het gras op de dijk naar het rietland langs de rivier te creëren.
Een variatie in open plekken en dicht struweel met opgaande begroeiing is hierbij van toegevoegde waarde. Overige soortgroepen Voor watergebonden soortgroepen, zoals vissen, amfibieën en libellen, verandert de situatie niet veel met de toekomstige inrichting. De oeverzone blijft een afwisseling van rietkragen, bosschages en open delen met zand of slib. De grootste meerwaarde valt te behalen door een deel van het geplande zandstrandje minder toegankelijk te maken, waardoor uitsluipende libellenlarven van de Rivierrombout kansen krijgen hier gebruik van te maken. Het rietveld zorgt voor plekken waar jonge vissen kunnen schuilen en opgroeien. Ze kunnen tussen rietstengels in het water dekking vinden. Dit is vooral in het westelijke deel van het plangebied te vinden en blijft bij de nieuwe inrichting gespaard. In de huidige situatie loopt het opslagterrein door tot nabij de waterlijn (Figuur 8). Vlak achter de rietkraag liggen grond en stenen opgeslagen. Bovendien begint het hier te verruigen, waardoor het Riet op den duur verder in de verdrukking komt. Verwijdering van het opslagterrein biedt kansen voor een meer natuurlijke inrichting van de oeverzone. Het open terrein biedt bloeiende planten de kans zich te vestigen. Met een natuurvriendelijke maaibeheer van de dijk kan de planten- en insectenrijkdom ten opzichte van de huidige situatie vergroot worden.
Figuur 10. De ligging van het plangebied (rode stip) in het NatuurNetwerk Nederland (voormalige EHS).
Elzerman Ecologisch Advies
11
Quickscan Lekdijk Nieuw-Lekkerland
Conclusie en aanbevelingen Voor het plangebied rondom de voormalige watertoren bij Nieuw-Lekkerland zijn plannen voor een nieuwe inrichting. Het bestemmingsplan bestaat uit de bouw van enkele vrijstaande woningen op de dijk en een recreatieve invulling van een deel van het buitendijkse gebied (Figuur 11). In de huidige situatie is een groot deel van het buitendijkse terrein in gebruik als opslagplaats voor grond en andere materialen in het kader van de dijkversterking. Voor deze ruimtelijke ontwikkeling is een flora en fauna quickscan in het kader van de Wet Natuurbescherming uitgevoerd. Hierbij is de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten binnen het plangebied in kaart gebracht. Het plangebied ligt binnen het NatuurNetwerk Nederland (Figuur 10). Daarom is breder gekeken dan alleen de beschermde soorten. De algemene natuurwaarde van het plangebied in de huidige situatie is vergeleken met de mogelijkheden die de nieuwe situatie biedt. Soortbescherming Op basis van een veldbezoek en de geraadpleegde bronnen is de kans op aanwezigheid van beschermde soorten klein. Voor jaarrond beschermde vogels ontbreekt geschikt broedhabitat. Er moet wel rekening gehouden worden met algemene broedvogels. Bij de planning van de werkzaamheden is het van belang de broedtijd te ontzien. Deze loopt globaal van half maart tot half juli, maar is soortspecifiek.
Voor de Kleine karekiet, die in rietkragen broedt, en Houtduif Columba palumbus, die in bomen nestelt, geldt bijvoorbeeld dat het broedseizoen zich kan uitstrekken tot in augustus. Bovendien kan het jaarlijks variëren onder invloed van de weersomstandigheden. Vaste rust- en verblijfplaatsen van strikt beschermde soorten als Bever, Waterspitsmuis en vleermuizen die in de omgeving zijn waargenomen, worden ook niet verwacht aanwezig te zijn. De grootste kans hierop is in het westelijke deel van het terrein. Dit is het meest natuurlijke deel. De bestemmingsplannen tasten dit niet aan. Groeiplaatsen van beschermde planten zijn niet bekend uit de directe omgeving. Het plangebied zelf is hiervoor ongeschikt. De mogelijkheid bestaat dat de Rivierrombout gebruik maakt van de huidige open oeverzone in het plangebied. Vanwege de beperkte oeverlengte is de kans hierop klein, maar niet geheel uit te sluiten. Binnen een kilometer tot het plangebied is de soort waargenomen (NDFF, 2017). Ook de kreek direct ten westen van het plangebied vormt een geschikt habitat. Bij de toekomstige inrichting is het plan om de oeverzone verder open te maken en het zandstrandje te vergroten. Dit biedt mogelijkheden om het plangebied te verbeteren voor de Rivierrombout. De aanleg van het zandstrandje is bedoeld om gebruikt te worden door recreanten. Er zullen echter niet permanent mensen aanwezig zijn.
Het is daarom niet ondenkbaar dat een larve van de Rivierrombout gebruik zal maken van het nieuwe strandje om uit te sluipen tot libel. De aanleg van het strandje en de bouw van de steiger kunnen wel tijdelijk negatieve effecten hebben op de Rivierrombout. Aangeraden wordt om tijdens de werkzaamheden te laten controleren op uitsluipende larven, zodat deze ontzien kunnen worden. De meest kwetsbare periode voor de soort loopt van eind mei tot half augustus. De meest gunstige periode voor uitvoering van werkzaamheden aan het strandje is vanaf september tot en met februari, omdat de larven dan nog niet ver genoeg ontwikkeld zijn om richting het strandje te verplaatsen. Verder geldt voor alle inheemse dieren en planten de Algemene Zorgplicht. Bij de werkzaamheden dient zorgvuldig gehandeld te worden om negatieve effecten te voorkomen. Gebiedsbescherming De toegevoegde waarde van het plangebied aan het NatuurNetwerk Nederland is in de huidige situatie marginaal. Vanwege de beperkte oppervlakte kan het een stapsteen vormen langs de rivier de Lek. Momenteel wordt een groot deel van het buitendijkse terrein echter gebruikt als opslag van grond en materialen voor de dijkversterking van de Lekdijk. Dit heeft een groot deel van het buitendijkse terrein onaantrekkelijk gemaakt voor de meeste soorten flora en fauna.
Een nieuwe inrichting van het opslagterrein door een recreatieve functie met paviljoen, enkele parkeervakken en een steiger vormen in dat opzicht geen verslechtering voor de natuurwaarden. Het initiatief biedt kansen om het westelijke deel van het plangebied natuurvriendelijk in te richten. Dit kan vrij eenvoudig door in dat deel van het terrein een natuurlijke ontwikkeling de mogelijkheid te bieden en de rust van dat deelgebied te waarborgen. Kansen bij de nieuwe inrichting In vergelijking met de huidige situatie waarin een groot deel van het buitendijkse terrein intensief gebruikt wordt voor de opslag van zand, grond en stenen heeft de nieuwe inrichting geen negatief effect. Het biedt zelfs kansen door de uitbreiding van het zandstrandje, versterking van het rietveld
Elzerman Ecologisch Advies
12
Quickscan Lekdijk Nieuw-Lekkerland
met struweel en versterking van de oeverzone. Daarbij moet wel in acht worden genomen dat de totale omvang van het plangebied beperkt is. De meerwaarde zit hem vooral in de samenhang met andere natuurlijke buitendijkse gebieden langs de oevers van de Lek. Als onderdeel van het NNN kan het wel een relatief toevoegde waarde creëren ten opzichte van de huidige situatie. In het westelijke deel van het plangebied ligt de kans om de natuurwaarde te versterken. Door hier het opslagterrein terug te geven aan de natuur kan zich hier het rietland met wilgenstruweel verder ontwikkelen. Het rietland met ‘wilgenvloedbos’ kan een natuurlijke afscheiding vormen van het westelijke deel, waardoor de dieren hier rust kunnen vinden. Een geleidelijke overgang van de grasdijk naar het rietveld langs de rivier kan een interessant biotoop vormen voor verschillende flora en fauna. De uitbreiding van het zandstrandje geeft de beschermde Rivierrombout meer mogelijkheden om te gebruiken voor het uitsluipen van de larven tot libel. Het kan een kleine stimulans zijn voor de uitbreidende populatie in Nederland. Verlichting in het gebied zal het terrein minder aantrekkelijk maken voor foeragerende vleermuizen. Het is dan ook van belang om de verlichting te beperken. Dit kan door geen permanente verlichting aan te brengen en de verlichting uitsluitend te richten op het recreatieve deel van het terrein.
Het westelijke deel van het plangebied dient onverlicht te blijven. Door amberkleurige verlichting aan te brengen kan de verstorende werking voor vleermuizen al sterk verkleind worden. De herinrichting biedt mogelijkheden voor het ontwikkelen van rietland en grienden of wilgenvloedbos dat kenmerkend is voor zoetwatergetijderivieren. Van belang hierbij is om een geleidelijk overgang van het gras op de dijk naar het rietland langs de rivier te creëren. Een variatie in open plekken en dicht struweel met opgaande begroeiing is hierbij van toegevoegde waarde. Het valt te overwegen om hierbij een klein deel van het huidige struweel te verwijderen om zo een open plek te creëren waar planten zich kunnen vestigen. Anders zal het zich sneller ontwikkelen tot getijdebos. Een bloemrijke dijk is aantrekkelijk voor insecten. Hetzelfde geldt voor een afwisseling in vegetatiestructuur in het buitendijkse gebied.
Figuur 11. Schets van de toekomstige inrichting van het plangebied.
Elzerman Ecologisch Advies
13
Quickscan Lekdijk Nieuw-Lekkerland
Literatuur BLWG. 2017. Tonghaarmuts Orthotrichum rogeri. In: BLWG Verspreidingsatlas Mossen. Verkregen via https://www.verspreidingsatlas.nl/3248, geraadpleegd op 23 januari 2017. BLWG, Nijmegen. Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J. & J.C. Buijs (red). 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren – Natuur in Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Crombaghs, B. & J. Habraken. 2002. Rivierrombout Gomphus flavipes. In: Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002. De Nederlandse Libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. Groeneveld, M. & M. Bouma. 2014. Quick scan Lek-grienden te Nieuw-Lekkerland. Adviesbureau E.C.O. Logisch, Nieuwerkerk aan den IJssel. Limpens, H., Mostert, K. & W. Bongers (red). 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. KNNV Uitgeverij, Zeist. Ministerie van LNV en VROM en de provincies. 2006. Spelregels EHS. Ministerie van LNV, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2005. Wijziging Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet. Staatscourant 2 februari 2005, nr. 23, p. 16. Ministerie van Landbouw, Natuurbehoud en Visserij. 2009. Wijziging beoordeling ontheffing Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen.
26 augustus 2009. Brief Dienst Regelingen, Den Haag. NDFF. 2017. Quickscanhulp.nl – levering uit de NDFF. Verkregen op 23-01-2017. Nationale Database Flora & Fauna, Den Haag. Provincie Zuid-Holland. 2014. Visie Ruimte en Mobiliteit – Verordening Ruimte 2014. Provincie ZuidHolland, Den Haag. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. 2014. Soortenstandaard – Grote Modderkruiper Misgurus fossilis. Versie 2.0 (december 2014). Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.
Elzerman Ecologisch Advies
14
Quickscan Lekdijk Nieuw-Lekkerland
Flora en fauna quickscan Lekdijk 76 te Nieuw-Lekkerland Status uitgave Rapport nr. Auteur Datum uitgave
Definitief 2017-N01 Sander D. Elzerman 3 februari 2017
Foto’s Kaartmateriaal
Sander D. Elzerman OpenStreetMap-auteurs 2016
Projectnr. 2017002 Opdrachtgever R3 Advies Contactpersoon Dhr. D. N. J. van Horssen © Elzerman Ecologisch Advies Leeuwerik 20 3299 BZ Maasdam Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. Elzerman Ecologisch Advies kan door de opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.
Elzerman Ecologisch Advies
15
Rapport
Kenmerk
:
Nader bodemonderzoek Lekdijk (naast nr. 82) Nieuw-Lekkerland
:
Opdrachtgever :
1552.01.172.r1
Dhr. P. Meerkerk Mercuriusstraat 41 2957 HC Nieuw-Lekkerland
22 december 2017
Auteur: B.M. Prinse
Gecontr.: S.A.C. Schrauwen
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .......................................................................................................................... 1
2
ACHTERGROND-INFORMATIE ................................................................................. 2 2.1 Beschrijving onderzoekslocatie .............................................................................. 2 2.2 Aanvullend vooronderzoek .................................................................................... 2 2.3 Voorgaand verkennend onderzoek en informatiebehoefte ............................... 3 2.4 Conceptueel model .................................................................................................. 3
3
VELDWERK ......................................................................................................................... 4 3.1 Uitvoering van het veldwerk .................................................................................. 4 3.2 Resultaten van het veldwerk ................................................................................... 4 3.3 Afwijkende bodemkenmerken ............................................................................... 4
4
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK ............................................................... 5 4.1 Uitvoering van het chemisch-analytisch onderzoek ........................................... 5 4.2 Toetsingscriteria ....................................................................................................... 5 4.3 Interpretatie analyseresultaten ................................................................................ 6
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...................................................................... 9
6
VERANTWOORDING .................................................................................................... 10
BIJLAGEN 1a. Situatieschets met geplaatste boringen 1b. Kadastrale tekening met omgevingskaart 1c. Foto’s onderzoekslocatie 2. Boorprofielen 3. Analyseresultaten en toetsingstabellen grond en grondwater 4a. Situatieschets analyseresultaten bovengrond 4b. situatieschets analyseresultaten ondergrond
Nader bodemonderzoek Lekdijk (naast nr. 82) te Nieuw-Lekkerland
1
1. INLEIDING In opdracht van Dhr. P. Meerkerk heeft Moerdijk Bodemsanering B.V. een nader bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Lekdijk (naast nr. 82) te Nieuw-Lekkerland. Het onderhavige bodemonderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen ontwikkeling van de locatie; ter afperking van de eerder aangetroffen grondverontreiniging. Doel van dit nader bodemonderzoek is het vaststellen van de omvang van (het geval van) de aangetroffen bodemverontreiniging. Hiertoe is de kwaliteit van de grond beoordeeld op basis van een steekproef, waarbij een beperkt aantal boringen is verricht en een aantal grond- en grondwatermonsters chemisch-analytisch is onderzocht. Als uitgangspunt voor de onderzoeksstrategie is de werkwijze afgeleid van de NTA 5755 “strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek". In de volgende hoofdstukken wordt ingegaan op de locatiegegevens, de verrichte veldwerkzaamheden, het chemisch-analytisch onderzoek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek. Tot slot worden de verzamelde gegevens over de grond getoetst aan de huidige richtlijnen en worden er aanbevelingen geformuleerd. Moerdijk Bodemsanering B.V. is in het bezit van het Procescertificaat veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek conform de SIKB BRL 2000. Het veldwerk is derhalve onder dit certificaat verricht op basis van de richtlijnen in het protocol 2001.
Moerdijk Bodemsanering verklaart dat het veldwerk onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd conform de eisen van BRL 2000 en de daarbij behorende protocollen.
Nader bodemonderzoek Lekdijk (naast nr. 82) te Nieuw-Lekkerland
2
2.
ACHTERGROND-INFORMATIE
2.1 Beschrijving onderzoekslocatie De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Nieuw-Lekkerland, sectie E nummer 541 en heeft een oppervlakte van 1.655 m2. De locatie is grotendeels braakliggend. Aan de noordoostzijde van de locatie is circa 160 m2 in gebruik als paardenbak. Aan de (noord)westzijde is een schuur aanwezig met een oppervlakte van circa 80 m2. Aan de zuidwestzijde is circa 50 m2 verhard middels stelconplaten. Een situatieschets is opgenomen in bijlage 1a. In bijlage 1b is een kadastrale kaart opgenomen. In bijlage 1c zijn enkele foto’s van de huidige situatie opgenomen. De locatie bevindt zich ten noordoosten van Nieuw-Lekkerland, de directe omgeving van de locatie is voornamelijk in gebruik voor woondoeleinden.
2.2 Aanvullend vooronderzoek Alvorens het nader onderzoek is uitgevoerd is een ‘uitgebreid’ vooronderzoek verricht afgeleid van de NEN 5725-norm, dit met betrekking tot de aangetroffen grondverontreiniging. Uit dit vooronderzoek blijkt dat op de naastgelegen locatie Lekdijk 84 een stortplaats aanwezig is (vanaf minimaal 1978 tot circa 1983). Ter plaatse zijn diverse bodemonderzoeken en een sanering verricht, hierbij is de stort deels ontgraven. Vervolgens is de locatie deels opgehoogd met ‘schoon’ zand en deels afgedekt middels folie. Op het folie is circa 0,5 tot 2,5 meter ‘schone’ klei aangebracht. Uit dit vooronderzoek zijn verder geen bijzonderheden aangetroffen die iets kunnen toevoegen aan het reeds uitgevoerde standaard vooronderzoek. Voor nadere achtergrondinformatie wordt naar het voorgaande verkennend onderzoek verwezen (Moerdijk Bodemsanering BV, kenmerk: 1552.01.111.r1, d.d. 4 maart 2011).
Nader bodemonderzoek Lekdijk (naast nr. 82) te Nieuw-Lekkerland
3
2.3 Voorgaande onderzoeken/ saneringen Tijdens het voorgaand bodemonderzoek zijn in de bovengrond ter plaatse van boring 10 sterk verhoogde gehalten aan lood, zink en PCB aangetroffen; evenals matig verhoogde gehalten aan koper, nikkel en PAK. In de bovengrond ter plaatse van de boringen 1 en 2 zijn matig verhoogde gehalten aan zware metalen (vnl. lood en zink) en PCB aangetroffen. In de ondergrond ter plaatse van boring 3 is een sterk verhoogd gehalte aan PAK aangetroffen; evenals matig verhoogde gehalten aan zink en PCB. Voor het overige zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetroffen.
2.4 Conceptueel model Op basis van de informatie uit het vooronderzoek is vooraf een schatting gemaakt van de verontreinigingssituatie (conceptueel model), hierna is er een onderzoeksopzet bepaald. Voorafgaand aan het onderzoek is de volgende vraag geformuleerd om aan de informatiebehoefte te voldoen, te weten: - Is er op de locatie een ‘ernstig’ geval van bodemverontreiniging aanwezig (meer of minder dan 25 m3 grond > interventiewaarde) ? De NTA schrijft geen specifieke onderzoekstechnieken voor. De onderzoekslocatie leent zich goed voor het verrichten van handmatige boringen.
Nader bodemonderzoek Lekdijk (naast nr. 82) te Nieuw-Lekkerland
4
3.
VELDWERK
3.1 Uitvoering van het veldwerk Ter plaatse zijn de volgende werkzaamheden verricht : - 10 boringen tot 1,5 meter beneden maaiveld (m -mv). 3.2 Resultaten van het veldwerk Het veldwerk is uitgevoerd conform protocol 2001. De veldwerkzaamheden zijn verricht op 1 december 2017 door de erkende veldwerker R. Snijder. In bijlage 1a zijn de boorposities weergegeven. De bodem ter plaatse is globaal als volgt opgebouwd: Vanaf maaiveld is tot circa 1,5 m -mv (einde boordiepte) een heterogeen pakket met klei en zand aangetroffen. Het vrijgekomen boormateriaal is zintuiglijk beoordeeld op geur, kleur en samenstelling en beschreven in boorprofielen (zie bijlage 2). 3.3 Afwijkende bodemkenmerken Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk (geur, kleur en samenstelling) de volgende afwijkende bodemkenmerken waargenomen : Tabel 1: zintuiglijke waarnemingen Boring (m -mv) Zintuiglijke afwijking 102
105 106 107
108 109 110 111
(0,00 - 0,90) (0,90 - 1,00) (1,00 - 1,50) (0,90 - 1,50) (0,80 - 1,50) (0,00 - 0,50) (0,50 - 1,20) (1,20 - ….) (0,60 - 0,90) (0,90 - ….) (0,00 - 1,00) (0,00 - 0,60) (1,00 - 1,50) (0,00 - 0,50)
Zwak puinhoudend, zwak houtskoolhoudend Zwak puinhoudend Zwak puinhoudend, zwak houthoudend Zwak puinhoudend Zwak puinhoudend Zwak puinhouend Zwak betonpuinhoudend Gestaakt Zwak puinhoudend Gestaakt Zwak puinhoudend Zwak puinhoudend Zwak puinhoudend Zwak puinhoudend
Voor het overige zijn zintuiglijk (geur, kleur en samenstelling) geen afwijkingen waargenomen.
Nader bodemonderzoek Lekdijk (naast nr. 82) te Nieuw-Lekkerland
5
4.
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK
4.1
Uitvoering van het chemisch-analytisch onderzoek
In totaal zijn de volgende analyses uitgevoerd door het geaccrediteerde milieulaboratorium Analytico te Barneveld, conform AS3000 : - 12 analyses grond op een standaardpakket. Het standaard pakket omvat de volgende parameters: Analysepakket grondmonsters: - lutum- en organisch stofgehalte (in minimaal 2 representatieve mengmonsters); - de metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, nikkel, lood en zink; - polychloorbifenylen (PCB 7); - polycyclische aromatische koolwaterstoffen (10 van VROM); - minerale olie (GC). 4.2 Toetsingscriteria Door Rijkswaterstaat Leefomgeving is voor een groot aantal mogelijk verontreinigende stoffen een lijst met richtwaarden vastgesteld als toetsingskader voor de beoordeling van de kwaliteit van grond en grondwater. In de Circulaire bodemsanering 2013, in werking getreden op 1 juli 2013, zijn voor grond interventiewaarden en voor grondwater streef- en interventiewaarden vastgesteld. De streefwaarden voor grond zijn vervangen door de achtergrondwaarden, zoals opgenomen in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit (Staatscourant 2007, 247).
De analyseresultaten van het onderhavig onderzoek zijn getoetst aan de bovengenoemde normen, te weten: Achtergrondwaarde grond: het gehalte dat is vastgesteld op basis van het gemeten gehalte van die stof zoals die voorkomt in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland, die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Streefwaarde grondwater: het gehalte waarbij sprake is van duurzame bodemkwaliteit. Deze referentiewaarde wordt gegeven voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem.
Nader bodemonderzoek Lekdijk (naast nr. 82) te Nieuw-Lekkerland
6
Interventiewaarde grond / grondwater: het gehalte waarbij sprake is van ernstige of dreigende ernstige vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Tussenwaarde (nader bodemonderzoek): gemiddelde waarde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, waarbij mogelijk sprake is van ernstige of dreigende ernstige vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Indien dit criterium wordt overschreden, dient een nader bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Bij de bespreking van de analyseresultaten worden de volgende begrippen gehanteerd: - niet verontreinigd: concentratie is kleiner dan of gelijk aan de achtergrondwaarde of streefwaarde; - licht verontreinigd: concentratie is kleiner dan of gelijk aan de tussenwaarde en groter dan de achtergrondwaarde of streefwaarde; - matig verontreinigd: concentratie is kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde en groter dan de tussenwaarde; - sterk verontreinigd: concentratie is groter dan de interventiewaarde.
De achtergrondwaarden en interventiewaarden voor grond worden berekend op basis van het humus- en lutumgehalte. In paragraaf 4.3 zijn de analyseresultaten getoetst aan genoemde richtlijnen.
4.3 Interpretatie analyseresultaten De volgende tabel geeft een overzicht van de interpretatie van de analyseresultaten van de grondmonsters. Indien er verontreinigingen zijn aangetoond groter dan de achtergrondwaarde, zijn tevens de gehalten vermeld. De analyseresultaten en toetsingswaarden zijn opgenomen in bijlage 3. De volgende aanduidingen zijn bij de interpretatie gebruikt : -+ ++ +++
: kleiner of gelijk aan de achtergrondwaarde of detectiegrens : groter dan de achtergrondwaarde, kleiner dan (AW+I)/2 : groter dan (AW+I)/2, kleiner dan de interventiewaarde : groter dan de interventiewaarde
Nader bodemonderzoek Lekdijk (naast nr. 82) te Nieuw-Lekkerland
7
Tabel 2: Interpretatie van de analyseresultaten van de grondmonsters (mg/kg d.s.). Boorpunt en Ba Cd Co Cu Hg Mo Ni Pb peilbuis GROND(MENG)MONSTERS 101 (0,00 - 0,50) + 0,53 102 (0,00 - 0,50) + 0,81 102 (1,00 - 1,50) + 3,1 103 (0,00 - 0,50) --
+ 10 + 9,1 + 18 --
+ 30 + 50 +++ 170 --
+ 0,21 + 0,96 + 1,2 --
104
(1,00 - 1,50)
-
--
(0,50 - 0,90)
-
+ 37 --
+ 0,66 --
--
105
+ 0,97 --
+ 24 + 28 +++ 58 + 25 --
--
--
106
(0,50 - 0,80)
-
--
--
--
(0,50 - 1,00)
-
(0,60 - 0,90)
-
109
(0,00 - 0,50)
-
+ 8,5 + 12 --
--
108
+ 17 + 23 --
110
(0,00 - 0,50)
-
111
(0,00 - 0,50)
-
+ 0,57 + 0,95 + 0,67 + 0,77 + 0,68
+ 0,11 + 0,29 + 0,45 + 0,22 + 0,51 + 0,64
--
107
+ 23 + 25 ++ 80 + 29 + 55 + 59
--
+ 7,7 --
--+ 7,4 --
-----
+ 20 --
Zn
PAK
PCB
MO
+ 83 +++ 3.900 +++ 4.000 --
+ 200 ++ 400 +++ 4.600 --
+ 2,1 + 12 +++ 62 --
--
+ 74 --
++ 320 --
+ 4 --
+ 67 + 120 + 190 + 150 + 200 + 170
+ 100 + 190 +++ 390 + 210 ++ 350 + 230
+ 2 + 8,8 + 5,5 + 4,2 + 8,8 + 2,6
+ 0,014 + 0,11 +++ 1,6 + 0,012 + 0,1 + 0,022 + 0,02 + 0,033 + 0,11 + 0,044 + 0,13 ++ 0,32
+ 190 + 1.000 -+ 110 -+ 42 + 98 + 190 -+ 110 --
Verklaring tabel 2: METALEN : PAK : PCB: MO :
Ba: barium; Cd: cadmium; Co: kobalt; Cu: koper; Hg: kwik; Mo: molybdeen; Ni: nikkel; Pb: lood; Zn: zink; polycyclische aromatische koolwaterstoffen (10 van VROM); Polychloorbifenylen; minerale olie (gas-chromatografisch bepaald).
Uit de analyseresultaten kan het volgende worden afgeleid : - In de bovengrond ter plaatse van boring 101 vanaf maaiveld tot 0,5 m -mv zijn licht verhoogde gehalten aan cadmium, kobalt, koper, kwik, nikkel, lood, zink, PAK en PCB aangetroffen. - In de bovengrond ter plaatse van boring 102 vanaf maaiveld tot 0,5 m -mv is een sterk verhoogd gehalte aan lood aangetroffen; evenals een matig verhoogd gehalte aan zink en licht verhoogde gehalten aan cadmium, kobalt, koper, kwik, nikkel, PAK, PCB en minerale olie. - In de ondergrond ter plaatse van boring 102 vanaf 1,0 tot 1,5 m -mv zijn sterk verhoogde gehalten aan koper, nikkel, lood, zink, PAK en PCB aangetroffen; evenals licht verhoogde gehalten aan cadmium, kobalt, kwik, molybdeen en minerale olie. Nader bodemonderzoek Lekdijk (naast nr. 82) te Nieuw-Lekkerland
8
- In de bovengrond ter plaatse van boring 103 vanaf maaiveld tot 0,5 m -mv zijn licht verhoogde gehalten aan nikkel en PCB aangetroffen. - In de ondergrond ter plaatse van boring 104 vanaf 1,0 tot 1,5 m -mv is een matig verhoogd gehalte aan zink aangetroffen; evenals licht verhoogde gehalten aan cadmium, koper, kwik, lood, PAK, PCB en minerale olie. - In de ondergrond ter plaatse van boring 105 vanaf 0,5 tot 0,9 m -mv is een licht verhoogd gehalte aan PCB aangetroffen. - In de ondergrond ter plaatse van boring 106 vanaf 0,5 tot 0,8 zijn licht verhoogde gehalten aan koper, kwik, lood, zink, PAK, PCB en minerale olie. - In de ondergrond ter plaatse van boring 107 vanaf 0,5 tot 1,0 m -mv zijn licht verhoogde gehalten aan cadmium, kobalt, koper, kwik, nikkel, lood, zink, PAK, PCB en minerale olie. - In de ondergrond ter plaatse van boring 108 vanaf 0,6 tot 0,9 m -mv is een sterk verhoogd gehalte aan zink aangetroffen; evenals een matig verhoogd gehalte aan koper en licht verhoogde gehalten aan cadmium, kobalt, kwik, nikkel, lood, PAK, PCB en minerale olie. - In de bovengrond ter plaatse van boring 109 vanaf maaiveld tot 0,5 m -mv zijn licht verhoogde gehalten aan cadmium, koper, kwik, lood, zink, PAK en PCB.
- In de bovengrond ter plaatse van boring 110 vanaf maaiveld tot 0,5 m -mv is een matig verhoogd gehalte aan zink aangetroffen; evenals licht verhoogde gehalten aan cadmium, kobalt, koper, kwik, nikkel, lood, PAK, PCB en minerale olie. - In de bovengrond ter plaatse van boring 111 vanaf maaiveld tot 0,5 m -mv is een matig verhoogd gehalte aan PCB aangetroffen; evenals licht verhoogde gehalten aan cadmium, koper, kwik, lood, zink en PAK.