Bijlage 1 toelichting TAMheulenslag40-ON01
Tekst van het document
Hiermee draagt het plan-mer ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan gevallen genoemd waarvoor een merplicht (kolom 2) of een mer-beoordelingsplicht (kolom 3) geldt. Indien het plan valt binnen kolom 2, dan dient direct een milieueffectrapportage opgesteld te worden, omdat het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Voor projecten die vallen binnen kolom 3 is op voorhand nog niet duidelijk dat het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Daarom dient het project eerst beoordeeld te worden aan de hand van de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn. Indien uit de beoordeling blijkt dat het project voorziet in negatieve milieueffecten, dan geldt alsnog de verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Als uit de beoordeling blijkt dat het project niet voorziet in milieueffecten, dan is een milieueffectrapportage niet nodig. Onderzoek Het plan is kleinschalig van aard. Het plan betreft geen ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (J11). Ook valt het plan niet onder andere categorieën die zijn genoemd in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Derhalve geldt er geen mer(beoordelings)plicht voor dit plan. Conclusie Er geldt geen mer-(beoordelings)plicht voor dit plan.
Verder blijkt ook dat het plan niet zal voorzien in significante negatieve effecten op het milieu zoals omschreven in artikel 16.34 lid 2 Omgevingswet. 32
4.2 Verkeer en parkeren Beleidskader Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd. Verder dient rekening te worden gehouden met bestaand beleid. Nota Parkeernormen Molenlanden 2020 Parkeernormen worden gebruikt om vast te stellen hoeveel parkeerplaatsen nodig zijn bij nieuw- en verbouwinitiatieven. De gemeente Molenlanden heeft daarbij eigen parkeerbeleid opgesteld, de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020 (vastgesteld op 27 oktober 2020). Dit parkeerbeleid is gebaseerd op het CROW-beleid. In het CROW-beleid wordt uitgegaan van een bandbreedte van een minimale tot een maximale parkeernorm. In de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020' wordt uitgegaan van het gemiddelde. Onderzoek Ontsluiting plangebied Het plangebied wordt in de bestaande situatie ontsloten via één in- en uitrit op de Heulenslag. De woonboerderij zal worden ontsloten via de bestaande in- en uitrit. Voor de schuurwoning wordt een nieuwe in- en uitrit gerealiseerd (zie afbeelding 10). Voor de nieuwe in- en uitrit wordt een aanvraag ingediend bij het waterschap Rivierenland. Bereikbaarheid De locatie heeft een goede bereikbaarheid.
De Heulenslag kan aangemerkt worden als één van de hoofdwegen waar verkeer zich langs de Graafstroom / de Alblas voortbeweegt en de kernen Oud-Alblas en Bleskensgraaf met elkaar verbindt. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie van dit plan is dermate laag dat het niet aannemelijk is dat de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid buitenproportioneel wordt benadeeld als gevolg van dit plan. De Heulenslag, Korte Geer, Geerweg en Noorderweg kunnen de extra verkeersbewegingen van deze kleinschalige ontwikkeling op een goede en veilige manier afhandelen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat met dit plan de verkeersgeneratie van een agrarisch bedrijf of andere type bedrijvigheid (dat veel hoger zal zijn) wordt weggenomen. Parkeren Voor de parkeerberekening is gebruik gemaakt van het gemeentelijk parkeerbeleid zoals vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'. Conform de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020' geldt voor een vrijstaande woning in het gebiedstype ‘buitengebied’ van een ‘niet stedelijk gebied’ en parkeernorm van 2,1 parkeerplaatsen (incl. 0,3 voor bezoekers). Het parkeren wordt op eigen terrein opgelost. Op beide woonpercelen is ruimte voor het parkeren van minimaal 3 auto’s (zie afbeelding 10). De geparkeerde auto’s 33
zullen vanaf de Heulenslag niet zichtbaar zijn (groen omzoomd). Het plan voldoet aan het gemeentelijk parkeerbeleid.
Afbeelding 10: Parkeren
Onderzoek Het plan ondervindt wat betreft verkeer en parkeren geen belemmeringen. Voor de nieuwe in- en uitrit zal een aanvraag worden ingediend bij het waterschap Rivierenland.
34
4.3 Water Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW015. Het peilgebied heeft een zomer- en winterpeil van -2,25 en -2,30 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil van drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter.
Afbeelding 11: Uitsnede kaart peilgebieden
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige 35
vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2 respectievelijk 500 m2. Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht. Tabel 1: Verhardingsbalans Onderdeel Bestaande situatie Boerderij Heulenslag 40 Schuur achter boerderij Overige schuren en silo’s Betonplaat Overige terreinverharding (incl. inrit en gierput) Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Woonboerderij Erfverharding en -bebouwing bij woonboerderij (25% van ca. 3.500 m2 – 350 m2)* Schuurwoning Erfverharding en -bebouwing bij schuurwoning (25% van ca. 2.500 m2 – 150 m2)* Totaal nieuwe situatie
Oppervlakte (m2) 350 95 255 250 1.000 1.950 350 788 150 588 1.876
Verschil (afname): - 74 m2 * Het waterschap Rivierenland hanteert als leidraad bij vrijstaande woningen in landelijk gebied dat ongeveer 70% van een kavel verhard wordt. Gezien de grootte van de kavels is voor dit plan een verhardingspercentage van 70% niet reëel. Derhalve is besloten om een verhardingspercentage van 25% te hanteren.
Het plan resulteert in een afname aan verharding, waardoor op basis van de verhardingsbalans geen watercompenserende maatregelen nodig zijn. Ten behoeve van de nieuwe in- en uitrit voor de schuurwoning wordt ca. 80 m2 aan oppervlaktewater gedempt. Het dempen van watergangen dient voor 100% te worden gecompenseerd. De watercompensatie wordt gerealiseerd door een bestaande tertiaire watergang in het plangebied te verlengen (zie afbeelding 12). Te graven oppervlaktewater
Te dempen oppervlaktewater Afbeelding 12: Te dempen/graven oppervlaktewater
36
Afbeelding 13: Digitale kaart werkingsgebied waterschap Rivierenland
Watergangen Aan de zuidzijde van het plangebied is een primaire watergang gelegen (de Graafstroom). Verder zijn er aan de noord-, oost- en westzijde van het plangebied diverse tertiaire watergangen gelegen. De nieuwe woonboerderij wordt gerealiseerd buiten de beschermingszone van de primaire watergang. Er vinden tevens geen werkzaamheden plaats binnen de beschermingszone van de primaire watergang. Voor de nieuwe schuurwoning wordt een nieuwe in- en uitrit gerealiseerd (twee dammen met duikers). Hiermee is sprake van het dempen van oppervlaktewater. Voor het dempen van oppervlaktewater, het graven van de watercompensatie en het aanleggen van de dammen met duikers dient een aanvraag te worden ingediend bij het waterschap Rivierenland. Wegbeheer Het plangebied wordt in de bestaande situatie ontsloten via één in- en uitrit op de Heulenslag. De woonboerderij zal worden ontsloten via de bestaande in- en uitrit. Voor de schuurwoning wordt een nieuwe in- en uitrit gerealiseerd. Voor de nieuwe in- en uitrit wordt een aanvraag ingediend bij het waterschap Rivierenland. Waterkering Het plangebied is gelegen in de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. Binnen de kernzone gelden strenge regels voor het uitvoeren van bouw- en/of sloopwerkzaamheden. Binnen de beschermingszone geldt een bouwprincipe ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering.
37
De bestaande boerderij is gelegen in de kernzone van de waterkering. De nieuwe woonboerderij wordt buiten de kernzone van de waterkering en boven het profiel van vrije ruimte (Pvvr) van de waterkering gerealiseerd. Dit zal nader worden uitgewerkt ten behoeve van de aanvraag van de watervergunning. Hierbij zal tevens de sloop van het bestaande boerderijgebouw worden meegenomen.
Afbeelding 14: Nieuwe situatie
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten
38
op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Hemelwater In de directe omgeving van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Het hemelwater wordt afgevoerd op het oppervlaktewater of infiltreert in de bodem. Afvalwater De nieuwe woonboerderij en schuurwoning worden aangesloten op het bestaande gemeentelijk rioleringsstelsel (gebruikmakend van de bestaande aansluiting). Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.
39
4.4 Geluid Beleidskader Op grond van paragraaf 22.3.4 Omgevingswet en paragraaf 3.5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet rekening worden gehouden met geluid dat door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en locaties wordt afgewenteld. Daarom moet rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele activiteiten, activiteiten op een industrieterrein en de geluiduitstraling door wegen en spoorwegen. Als geluidgevoelige gebouwen zijn woon-, onderwijsen gezondheidsfuncties en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang aangewezen. Hieronder vallen niet alleen gebouwen die al gebouwd zijn, maar ook gebouwen die nog niet aanwezig zijn maar wel planologisch zijn toegestaan. Ten aanzien van wegverkeerslawaai richt de instructieregel zich op wegen waarop de intensiteit van het wegverkeer gemiddeld over een jaar, groter is dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Onderzoek Het plangebied ligt niet in het geluidsaandachtsgebied van een gezoneerd industrieterrein of een spoorlijn dus dit kan buiten beschouwing worden gelaten. Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: •
•
•
•
De berekende geluidbelasting ten gevolge van de waterschapswegen ten hoogste 46 dB Lden bedraagt. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de standaardwaarde van 53 dB Lden; De berekende geluidbelasting ten gevolge van de waterschapswegen ten hoogste 52 dB Lden bedraagt ter plaatse van de vervangende woning. Omdat dit een vervangende woning betreft hoeft deze niet getoetst te worden aan het Bkl; De gecumuleerde geluidbelasting (LCUM) en de gezamenlijke geluidbelasting (Lg) alleen hoeven te worden bepaald wanneer de standaardwaarde van een bronsoort overschreden wordt. In dit geval is er géén sprake van overschrijding van de standaardwaarden en daardoor hoeven de gecumuleerde geluidbelasting (LCUM) en de gezamenlijke geluidbelasting (Lg) niet beoordeeld te worden. De gecumuleerde geluidbelasting (LCUM) en de gezamenlijke geluidbelasting (Lg) is gelijk aan de berekende geluidbelasting van waterschapswegen en bedraagt 46 dB Lden ter plaatse van de nieuwe woonfunctie. Aangezien er géén sprake is van overschrijding van de standaardwaarden is het woon- en leefklimaat acceptabel; De woning alzijdig over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte beschikt, zodat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.
40
4.5 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 2.1 van de Omgevingswet moeten bij een ruimtelijke procedure een veilige en gezonde fysieke leefomgeving geborgd worden. Op grond van paragraaf 2.2.1.1, de artikelen 5.50 en 5.51, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de daarin opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin op grond van het omgevingsplan de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt, of voorzien wordt in activiteiten die een toename in de verkeersintensiteiten veroorzaken. In onderstaande tabel zijn de omgevingswaarden opgenomen. Tabel 2: Omgevingswaarden luchtkwaliteit (artikel 5.50 lid 2 Bkl) Artikel Bkl Stof Toetsing van Grenswaarde 2.4 lid 1 sub b Stikstofdioxide (NO2) kalenderjaar40 µg/m3 gemiddelde 2.5 lid 1 sub a Fijnstof (PM10) 24Max.
35 keer per jaar uurgemiddelde meer dan 50 µg/m³ 2.5 lid 1 sub b Fijnstof (PM10) kalenderjaar40 µg/m³ gemiddelde Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) het volgende overzicht voor het monitoringsjaar 2025 (x: 112791 y: 431418): • Een stikstofconcentratie van 14,56 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 14,65 µg/m3 PM10; Op basis van bovenstaande kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan alle grenswaarden wordt voldaan. Niet in betekenende mate (NIBM) Een toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2μg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit plan is zeer kleinschalig van schaal en aard, waardoor gesteld kan worden dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Bkl is daardoor geen toetsing nodig. Conclusie Het plan ondervindt ten aanzien van aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen.
41
4.6 Geur Beleidskader De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het plangebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het plangebied, optreedt. In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau aanvaardbaar is. In deze instructieregels zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties, het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moeten voldoen. In het Bkl worden geurgevoelige gebouwen beschermd tegen onevenredige geurhinder. Als geurgevoelige gebouwen zijn woon-, onderwijsen gezondheidsfuncties en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang aangewezen. Delen van een gebouw waar deze functies niet zijn toegelaten, worden niet aangemerkt als geurgevoelig. Onderzoek Het plan betreft de splitsing van een bestaande woning in twee wooneenheden op een bestaand woonperceel.
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen waterzuiveringsinstallaties, agrarische bedrijven of andere soort bedrijven die geurhinder kunnen veroorzaken gelegen (zie ook paragraaf 4.8 milieuzonering). De agrarische bedrijven in het gebied liggen op geruime afstand van het plangebied, waardoor het uitvoeren van een geuronderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geur geen belemmeringen.
42
4.7 Bodem Beleidskader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl instructieregels opgenomen voor het aspect bodem. De regels bepalen voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: • landbouw/natuur; • wonen; • industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Deze niveaus zijn opgenomen in bijlage Vb van het Bkl. Onderzoek Verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) Op de locatie is door Ingenieursbureau Mol een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage.
Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: • De bovengrond is matig (plaatselijk) verontreinigd met lood, licht verontreinigd met enkele individuele zware metalen en, met uitzondering van PFAS, niet verontreinigd met de overige geanalyseerde parameters; • De ondergrond is licht verontreinigd met enkele individuele zware metalen en, met uitzondering van PFAS, niet verontreinigd met de overige geanalyseerde parameters. • De boven- en ondergrond tot 100 cm-mv zijn op basis van de gemeten gehalten PFAS niet toepasbaar; • Het grondwater is matig verontreinigd met barium en licht verontreinigd met som xylenen. Geadviseerd wordt nader bodemonderzoek danwel asbest in grond onderzoek te verrichten om enerzijds vast te stellen of maximale toelaatbare bodemkwaliteit wordt overschreden en anderzijds om een inschatting te kunnen maken van de treffen maatregelen (en kosten) om de locatie geschikt te maken voor het toekomstig gebruik.
43
Verkennend asbestbodemonderzoek (NEN 5707) Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek is door SOCOTEC een verkennend asbestbodemonderzoek (NEN 5707) uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage. Op basis van het verrichte historisch (voor)onderzoek is voor de op de locatie aanwezige puinhoudende toegangsweg uitgegaan van de in de norm NEN 5897 inspectie en monsterneming van asbest in bouwen sloopafval en recyclinggranulaat beschreven onderzoeksstrategie voor halfverhardingslagen. In totaal zijn vier asbestinspectiekuilen gegraven in de puinverharding. In het ontgraven materiaal werd géén asbestverdacht materiaal, anders dan puindeeltjes, aangetroffen. Eén mengmonster van het vrijgekomen materiaal is geanalyseerd op asbest. Ook analytisch werd geen asbest aangetoond, gehalte < 0,4 mg/kg ds. Voor de puinhoudende bodem is uitgegaan van de in de NEN 5707 beschreven onderzoeksstrategie verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld. Hierbij is de puinhoudende bodem als één verdachte bodemlaag beschouwd. In totaal zijn veertien inspectiekuilen gegraven, waarvan twee kuilen met behulp van een edelmanboor met een diameter van 12 cm zijn doorboord tot respectievelijk 2,0 en 2,5 m - mv. In de vrijgekomen grond zijn behoudens puinbijmengingen geen asbestverdachte materialen waargenomen.
Van het vrijgekomen materiaal zijn drie grondmengmonsters samengesteld welke in het labo kwantitatief zijn onderzocht zijn op de aanwezigheid van asbest. Er werd geen asbest aangetoond, gehalten < 0,4 of 0,3 mg/kg ds. Op basis van het geheel aan onderzoeksresultaten wordt gesteld dat de nu onderzochte aspecten, de toegangsweg en de puinhoudende bodem, niet langer verdacht zijn voor de aanwezigheid van asbest. Aanvullend bodemonderzoek (gootlijnen) In aanvulling op het onderzoek van SOCOTEC zijn door Linge Milieu de asbestdruppelgootlijnen langs de schuren en stallen rond de boerderij onderzocht. De rapportage is toegevoegd in de bijlage. De conclusies uit dit onderzoek zijn: Grond, PCB's PCB's zijn maximaal licht verhoogd in de grond in de gootlijnen. Het licht verhoogde gehalte zou veroorzaakt kunnen zijn door het voormalige asbestdak, maar omdat het hoogst gemeten gehalte ver onder de tussenwaarde ligt is er geen aanleiding voor verder onderzoek. Licht verhoogde gehaltes zijn geen risico voor de volksgezondheid en geen belemmering voor de ontwikkeling van het perceel. Asbest Er is visueel nergens asbest waargenomen in of op de bodem. Er zijn zeven mengmonsters op asbest geanalyseerd, Het lab heeft in vijf daarvan asbest kleiner dan 20 mm gevonden.
In het monster van gootlijn 7 wordt met 440 mg/kg ds de interventiewaarde voor asbest in grond overschreden wat betreft asbest 5-20 mm. Het asbest bestaat algemeen uit hechtgebonden chrysotiel en crocidoliet. In de gootlijnen 3, 6 en 7 zijn ook vezels in de fijne fractie aangetoond door het lab, 44
kleiner dan 0.5 mm. Dit kan zogenaamd respirabel asbest zijn, de meest risicovolle variant. Voor de gootlijnen 3 en 6 is een aanvullende SEM-analyse uitgevoerd, met behulp van een elektronenmicroscoop. Voor gootlijn 7 is wel duidelijk dat het asbestgehalte ruim boven de interventiewaarde van 100 mg/kg ds ligt. Het lab heeft in het monster van gootlijn 6 asbest aangetoond met de SEM-analyse. Het monster bevat vier vezels amfibool-asbest. Deze resulteren in een gewogen gehalte van 60 mg/kg ds. De vezels in het monster van gootlijn 3 bestaan uit cellulose of silicium, geen asbest. Voor het totale asbest in gootlijn 6 wordt het asbest kleiner dan 0.5 mm opgeteld bij het asbest 5-20 mm. Het gewogen asbestgehalte komt voor gootlijn 6 daarmee op 100 mg/kg ds. Voor asbest in grond is een interventiewaarde van toepassing van 100 mg/kg ds. Voor deze situatie is de tussenwaarde van 50 mg/kg ds minder relevant. Er is immers geen sprake van horizontale of verticale afperking. Uitgangspunt bij gootlijn-onderzoek is dat de asbest-verdachtheid zich beperkt tot een strook van een meter breed, recht onder de dakrand, en een enkele decimeter diep. In twee van de zeven gootlijnen wordt de interventiewaarde voor asbest overschreden of is het gehalte gelijk aan de interventiewaarde. Dit zijn de gootlijnen 6 en 7, langs de schuur recht voor de boerderij.
De gootlijnen hebben ieder een lengte van 10 meter. Conclusie Voor de gootlijnen 6 en 7 is een bodemsanering nodig. De bodemkwaliteit vormt geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan.
45
4.8 Milieuzonering Beleidskader De Omgevingswet bepaalt dat overheden bij het vaststellen van ruimtelijke plannen moeten aantonen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies op locaties. Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de VNG Handreiking Activiteiten en Milieuzonering (editie 2024). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een richtafstand aan tot woningen of andere milieugevoelige functies. Omgevingstype ‘gemengd gebied’ Voor de toetsing is uitgegaan van het omgevingstype gemengd gebied. Het plangebied is gelegen in een omgeving waar reeds sprake is van functiemenging van wonen, agrarische en overige bedrijven. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden kunnen met één afstandsstap worden verlaagd. Onderzoek Het plan betreft de herbouw van een boerderij en de nieuwbouw van een schuurwoning. Hiermee is sprake van het toevoegen van een milieugevoelige functie. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van de VNG Handreiking Activiteiten en Milieuzonering (editie 2024).
Tabel 3: Omliggende bedrijven Adres Functie Heulenslag 36a Agrarisch loonbedrijf Heulenslag 43a Aannemersbedrijf
Richtafstand 30 meter
Afstand 130 meter
10 meter
115 meter
Op basis van bovenstaande tabel kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden. Daarbij dient vermeld te worden dat op kortere afstand van deze bedrijven reeds reguliere woningen zijn gelegen die bepalend zijn voor de bedrijfsvoering en mogelijkheden van deze bedrijven. Op basis hiervan kan worden gesteld dat er sprake is een evenwichtige toedeling van functies op locaties en dat de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet wordt beperkt als gevolg van dit plan. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect milieuzonering geen belemmeringen.
46
4.9 Omgevingsveiligheid (externe veiligheid) Beleidskader De Omgevingswet is in vier AMvB’s uitgewerkt: 1. Omgevingsbesluit; 2. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); 3. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); 4. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Bij het beschouwen van omgevingsveiligheid/externe veiligheid bij ruimtelijke plannen is zonder meer het Bkl van toepassing. Het Bal en het Bbl kunnen aanvullend ook van toepassing zijn. Het Bkl: kwaliteitseisen Het Bkl stelt vergelijkbare eisen als het voormalige Bevi, Bevt en Bevb. Dit betekent dat rekening moet worden gehouden met risicobronnen, waarbij plannen moeten voldoen aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Deze grenswaarde staat voor de meeste activiteiten voorgeschreven in het Bal, maar moet voor een aantal activiteiten rekenkundig worden bepaald. Daarnaast moet het bevoegd gezag rekening houden met de kans op 10 of meer slachtoffers (groepsrisico), maar hoeft deze kans niet per se kwantitatief te worden bepaald. Als hulpmiddel bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden straks drie typen aandachtsgebieden: • Brandaandachtsgebied (BAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 is.
• Explosieaandachtsgebied (EAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: a. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is; b. een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is. • Gifwolkaandachtsgebied (GAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling. Het gifwolkaandachtsgebied wordt bij bedrijven per milieubelastende activiteit bepaald en wordt begrensd op maximaal 1.500 meter. Mogelijk gaat op termijn voor het spoor een GAG gelden; dit GAG wordt 300 meter. Het Bbl: eventuele maatregelen met betrekking tot Omgevingsveiligheid Het Bbl schrijft de bouwkundige maatregelen voor die gelden in een brandvoorschriftengebied en in een explosievoorschriftengebied. • Voor brandaandachtsgebieden zijn de maatregelen gericht op de beperking van brandoverslag door aanstraling en op vluchtmogelijkheden: a. Een uitwendige scheidingsconstructie heeft een brandwerendheid van minstens 60 minuten; b. de aan de buitenlucht grenzende zijde voldoet aan brandklasse A2; c. het dak is bedekt met constructiematerialen die voldoen aan brandklasse A2; d. vluchtmogelijkheden van de bron af; 47
•
•
e. het gebouw moet voldoen aan een bepaalde sterkte in geval van brand. Voor een explosieaandachtsgebied geldt artikel 4.96 Bbl. Dit betekent dat in een explosievoorschriftengebied gelegen beglazing zodanig moet worden uitgevoerd, dat bij een explosie letsel door scherfwerking wordt voorkomen. Voor gifwolkaandachtsgebieden geldt geen voorschriftengebied en gelden dus ook geen specifieke voorschriften. Wel geldt, net als in het Bouwbesluit, het algemene voorschrift dat mechanische ventilatie moet kunnen worden uitgeschakeld.
Het Bal: activiteiten Het Bal beschrijft de voorschriften voor milieubelastende activiteiten. Met betrekking tot het plaatsgebonden risico staan voor activiteiten met een omgevingsrisico, zoals opgenomen in bijlage VII van het Bkl, afstanden opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Binnen deze afstand zijn (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare terreinen niet toegestaan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare terreinen geldt deze afstand als een richtwaarde. Onderzoek Voor het inventariseren van externe veiligheidsbronnen in de omgeving van het plangebied is de Atlas voor de Leefomgeving geraadpleegd. Milieubelastende activiteiten Uit de kaart Veilige Omgeving van de Atlas van de Leefomgeving blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen invloedssferen van (bedrijfs)activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante transportroutes aanwezig. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect omgevingsveiligheid / externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
48
4.10 Archeologie en cultureel erfgoed Beleidskader In paragraaf 5.1.5.5 en specifiek artikel 5.130 van het Bkl zijn regels opgenomen ten aanzien van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed wordt in een plan rekening gehouden met de bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde (archeologische) monumenten. Daarnaast is in het Bkl opgenomen dat het gebruik van monumenten wordt bevorderd en archeologische monumenten in stand gehouden moeten blijven, bij voorkeur in situ. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Onderzoek Archeologie Door ADC ArcheoProjecten is een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage. ADC ArcheoProjecten adviseert het noordelijk deel van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Voor de bouw van de schuurwoning is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Voor het zuidelijk deel van het plangebied adviseert ADC ArcheoProjecten een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek (IVO-P) in de variant archeologische begeleiding uit te voeren. Dit bestaat uit het onder toezicht van een archeoloog laten plaatsvinden van de sloop van de funderingen van de boerderij. Het onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van de aanwezige huisterp en het dateren en waarderen ervan. Afhankelijk van de resultaten en de aanlegdiepte van de funderingen van de nieuwbouw dienen ook de graafwerkzaamheden die samenhangen met herbouw van de boerderij archeologisch begeleid te worden.
De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).
49
Cultureel erfgoed Het boerderijgebouw heeft in het vigerend bestemmingsplan ‘Parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ (vastgesteld 20-02-2018) de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’. De boerderij is op de Monumentenlijst Molenlanden aangemerkt als ‘Cultuurhistorisch pand’ (geen monumentale status). Op basis van een bouwkundige inspectie en de bouwhistorische verkenning (zie bijlage) is geconcludeerd dat het niet realistisch is om het boerderijgebouw Heulenslag 40 te Bleskensgraaf te restaureren. De boerderij is niet onderheid én verkeert in een zeer slechte bouwkundige staat. Vanwege de slechte fundatie (de boerderij is op koeienhuiden gebouwd) is de boerderij enorm verzakt (56 cm in de richting oostwest en 47 cm in de richting noord-zuid), met als gevolg dat het voorhuis langzaam van het stalgedeelte afscheurt. De zeer slechte bouwkundige staat maakt het object sloopwaardig. De karakteristieke hoofdvorm van de boerderij heeft de cultuurhistorische waarde verloren. Het plangebied is gelegen in de cultuurhistorisch waardevolle lintbebouwing aan de Heulenslag. Bij het ontwerp van de nieuwe boerderij wordt zorgvuldig rekening gehouden de karakteristieke landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de locatie en omgeving. De woningen worden op een passende wijze vormgegeven en landschappelijk ingepast.
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie en cultureel erfgoed geen belemmeringen. De herbouw van de boerderij dient te worden uitgevoerd onder archeologische begeleiding. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).
50
4.11 Natuur Beleidskader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en dieren en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Onderzoek Soortenbescherming Door het ecologisch bureau Blom Ecologie, is een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage. Uit de ecologische quickscan blijkt dat voorafgaand aan de werkzaamheden met aanvullend onderzoek dient te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen, steenmarter, kleine marterachtigen en heikikker. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen kan het bevoegd gezag onder voorwaarden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen.
Wegens het uitgevoerde onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat een eventueel benodigde omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zou kunnen worden. Hiermee mag geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,7 km ligt het Natura 2000-gebied Donkse Laagten. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebied betreft het Natura 2000-gebied de Biesbosch gelegen op een afstand van circa 6,5 km van het plangebied. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van 2 nieuwe woningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden en haar instandhoudingsdoelstellingen per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Het plangebied maakt tevens geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer).
Op een afstand van circa 1 km ligt het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied is niet gelegen in de (buurt van de) Bollenstreek. Op een afstand van circa 450 meter ligt Belangrijk weidevogelgebied en op een afstand van circa 7,3 km 51
ligt de Groene buffer. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig in het plangebied die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. In het plan zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Daarbij hebben de kapwerkzaamheden geen nadelige gevolgen voor de oogmerken voor regels voor deze activiteit. Een meld- en herplantplicht bij bevoegd gezag of verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken is niet noodzakelijk. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht houtopstanden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden.
Afbeelding 15: Plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden
Afbeelding 16: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
52
Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Door De Roever Omgevingsadvies is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage. Uit de gecombineerde berekening van de aanlegfase en gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het plan is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit. Conclusie Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen, steenmarter, kleine marterachtigen en heikikker.
53
4.12 Trillingen Beleidskader In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl zijn regels opgenomen voor het aspect trillingen. De paragraaf is van toepassing op het toelaten van activiteiten (anders dan wonen) die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw of een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit (anders dan wonen). Dit geldt echter niet voor locaties op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, tijdelijke gebouwen, activiteiten die hoofdzakelijk in de openbare ruimte plaatsvinden, evenemententerreinen en verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder mogen de continue trillingen (trilling die ten opzichte van de grootste trillingstijd gedurende een lange tijd aanwezig is) door een activiteit in trillinggevoelige ruimten niet hoger zijn dan 0,1 Vmax. Als daar niet aan kan worden voldaan, mag de trillingssterkte niet hoger zijn dan de volgende waarden in onderstaande tabel.
Tabel 4: Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimte als niet kan worden voldaan aan Vmax 0,1 Soort Waarden 07:00 – 23:00 uur 23:00 – 07:00 uur Trillingssterkte Vmax 0,4 0,2 Trillingssterkte Vper 0,05 0,05 Onderzoek Het plan voorziet niet in activiteiten die continue trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw of een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit in de omgeving. Het uitvoeren van een trillingsonderzoek kan derhalve achterwege blijven. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect trillingen geen belemmeringen.
54
4.13 Gezondheid Beleidskader In paragraaf 5.1.4 van het Bkl zijn regels opgenomen voor het beschermen van de gezondheid en het milieu. In deze paragraaf zijn milieuaspecten opgenomen die onderdeel uitmaken van het ‘paraplubegrip’ gezondheid. Deze aspecten zijn: kwaliteit van de buitenlucht, geluid door activiteiten, wegen, spoorwegen en industrieterreinen, trillingen, slagschaduw van windturbines, bodemkwaliteit en geur. Onderzoek Kwaliteit van de buitenlucht In paragraaf 4.5 is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Hieruit volgt dat er wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit. Geluid door activiteiten, wegen, spoorwegen en industrieterreinen In paragraaf 4.4 is de situatie ten aanzien van geluid inzichtelijk gemaakt. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor wegverkeerslawaai. Omdat het plangebied niet is gelegen binnen de invloedssfeer van een spoorweg of gezoneerd industrieterrein, zijn deze aspecten niet relevant. Trillingen In paragraaf 4.12 volgt dat in de omgeving van het plangebied geen activiteiten zijn toegestaan die een zodanige continue trillingen veroorzaken dat er onaanvaardbare trillinghinder ontstaat. Slagschaduw van windturbines In de omgeving zijn geen windturbines aanwezig die kunnen zorgen voor slagschaduw op het plangebied.
Bodemkwaliteit De bodemkwaliteit van het plangebied is in paragraaf 4.7 inzichtelijk gemaakt. Hieruit volgt dat het plan, na sanering van de gootlijnen, voor wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen ondervindt. Geur In paragraaf 4.6 is ingegaan op het geuraspect. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van onaanvaardbare geurhinder. Conclusie Er is sprake van een gezonde leefomgeving ter plaatse van het plangebied.
55
5.
Financiële haalbaarheid
Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de financiële haalbaarheid van het plan voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemers, welke aangeven dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is.
6.
Participatie en overleg
6.1 Participatie De gemeente Molenlanden heeft een lijst met gevallen vastgesteld waarbij participatie verplicht is voorafgaand aan het indienen van een vergunningsaanvraag. Conform het participatiebeleid is er voor het plan (< 3 woningen buiten BSD) geen participatie noodzakelijk. De initiatiefnemers van het plan hebben de directe omwonenden van het plangebied op de hoogte gebracht van de plannen.
6.2 Advies gemeenteraad De gemeente Molenlanden heeft een lijst met gevallen vastgesteld waarbij advies van de gemeenteraad nodig is voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Conform het beleid is er voor het plan (< 3 woningen buiten BSD) geen advies van de gemeenteraad noodzakelijk.
6.3 Bestuurlijk vooroverleg In het kader van het bestuurlijk vooroverleg wordt het plan opgestuurd naar de bestuurlijke overlegpartners, waaronder de Provincie Zuid-Holland en het Waterschap Rivierenland.
56
7.
Juridische aspecten
7.1 Inleiding Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vanaf deze datum zijn de bestemmingsplannen, een aantal verordeningen en alle rijksregels (in de vorm van de ‘bruidsschat’) opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Molenlanden (Hoofdstuk 22). De Omgevingswet bepaalt dat er uiterlijk 31 december 2032 een gebiedsdekkend Omgevingsplan in werking is getreden voor gemeenten. Zo ook voor de gemeente Molenlanden. In de tussenliggende periode moeten vergunningen kunnen worden verleend en ruimtelijke ontwikkelingen doorgang kunnen vinden. Dat kan vaak met een omgevingsvergunning, maar soms is een wijziging van het (tijdelijke) Omgevingsplan nodig. Gemeenten stellen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan op volgens de nieuwe Standaard Officiële Publicaties (STOP) met bijbehorende Toepassingsprofielen en omgevingsdocumenten (TPOD). Om diverse redenen is het voor de gemeente Molenlanden echter nog niet mogelijk het Omgevingsplan te wijzigen via de nieuwe standaarden. Om te voorkomen dat plannen onaanvaardbare vertraging oplopen door de invoering van de Omgevingswet is de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) ingevoerd. Met deze TAM kan het omgevingsplan worden gewijzigd door gebruik te blijven maken van de IMRO-standaard (de standaard van de voormalige Wet ruimtelijke ordening), maar wel volgens de inhoudelijke eisen van de Omgevingswet.
Dit wordt een TAM-IMRO of TAM-omgevingsplan genoemd. Het TAM-omgevingsplan ‘Heulenslag 40 Bleskensgraaf’, bestaat juridisch uit twee delen: de verbeelding en regels, vergezeld van een ruimtelijke motivering waarin wordt onderbouwd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de functies. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De ruimtelijke motivering heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het TAMOmgevingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels.
7.2 Toepassingsbereik Dit TAM-omgevingsplan geldt op de gronden aan de Heulenslag die aangeduid zijn in het GML-bestand. Dit betreft het perceel Heulenslag 40 te Bleskensgraaf en de agrarische gronden aan de noordzijde van de Heulenslag (waarop het agrarisch bouwvlak is gelegen). Aan de noordzijde wordt uitsluitend het agrarisch bouwvlak (en daarmee de bouwmogelijkheden) verwijderd. Het plangebied is kadastraal bekend als de gemeente Bleskensgraaf, sectie D, perceelnummers 107 (gedeeltelijk), 144 (gedeeltelijk), 154 en 178. De percelen 107 en 154 zijn meegenomen om de relatie-aanduiding tussen het zuidelijk en noordelijk bouwvlak te verwijderen. 57
Voor dit TAM-omgevingsplan wordt vastgesteld, gelden de regels zoals vastgelegd in de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Graafstroom’, ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ en ‘Parapluherziening Buitengebied Graafstroom’, welke onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Molenlanden. Deze regels, die op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie zijn aangewezen, verliezen zijn hun rechtskracht als dit TAM-omgevingsplan is vastgesteld. Het TAM-omgevingsplan ‘Heulenslag 40 Bleskensgraaf’ is gericht op het faciliteren van de plannen op de locatie Heulenslag 40 Bleskensgraaf en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk van het omgevingsplan van de gemeente Molenlanden.
7.3 Toelichting functies aan locaties Agrarisch De gronden met de functie ‘Agrarisch’ zijn in dit TAM-omgevingsplan opgenomen om het huidige agrarisch bouwvlak aan de noordzijde van de Heulenslag en de relatie-aanduiding met het zuidelijk gelegen agrarisch bouwvlak te verwijderen. Buiten het wegnemen van de bouwmogelijkheden en de mogelijkheid tot nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf op deze locatie zijn de gebruiksmogelijkheden, zoals vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ dat onderdeel is van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Molenlanden, niet gewijzigd. Verkeer De openbare weg (de Heulenslag) heeft de functie ‘Verkeer’. De gronden met de functie ‘Verkeer’ zijn bedoeld voor verkeersdoeleinden in de vorm van een erftoegangsweg met daarbijbehorende voorzieningen. De huidige regels, zoals vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ dat onderdeel is van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Molenlanden, zijn niet gewijzigd. Water De wetering die door het plangebied loopt heeft de functie ‘Water’. De gronden met de functie 'Water' zijn bedoeld voor de wateraanvoer, waterafvoer en waterberging met daarbijbehorende voorzieningen zoals waterhuishoudkundige voorzieningen.
De huidige regels, zoals vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ dat onderdeel is van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Molenlanden, zijn niet gewijzigd. Wonen De functie ‘Wonen’ is bedoeld voor de woningbouw op de locatie Heulenslag 40 te Bleskensgraaf. Op de locatie Heulenslag 40 te Bleskensgraaf wordt de agrarische functie (incl. agrarisch bouwvlak) gewijzigd naar een woonfunctie. Binnen de functie ‘Wonen’ worden twee bouwvlakken opgenomen waarbinnen de woonboerderij en de schuurwoning dienen te worden gerealiseerd. Voor de nieuwe woningen geldt een maximale goothoogte van 6 meter. Voor de woonboerderij en de schuurwoning
58
geldt een maximale inhoud van 2.700 m3 en 850 m3. Eventuele bijbehorende bouwwerken dienen tussen de twee voorgevels van de woonboerderij en de schuurwoning te worden gerealiseerd. Dit gebied is aangegeven met de aanduiding ‘bijgebouwen’. De voorgevels de woonboerderij en de schuurwoning zijn gericht naar de aanduiding ‘gevellijn’. Waarde – Archeologie 1, 2, 7 en 8 Om de mogelijke archeologische waarden te beschermen zijn de functies Waarde – Archeologie 1, Waarde – Archeologie 2, Waarde – Archeologie 7 en Waarde – Archeologie 8 opgenomen in dit TAM-omgevingsplan. Behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), zijn deze gronden ook bedoeld om eventueel in de bodem aanwezige archeologische waarden te beschermen. De archeologische waarden gelden bij bouwwerken of grondverstoringen met een grotere oppervlakte en diepere graafdiepte dan in onderstaande tabel aangegeven: Tabel 5: Archeologische waarden Categorie Grens oppervlakte 1 30 m2 2 100 m2 7 500 m2 8 10.000 m2
Grens graafdiepte 30 cm 30 cm 30 cm 30 cm
Waterstaat – Waterkering Om nadelige effecten voor het onderhoud en de instandhouding van de waterkering te voorkomen is de functie Waterstaat - Waterkering opgenomen in dit TAMomgevingsplan. De nieuwe woonboerderij wordt buiten de kernzone van de waterkering en boven het profiel van vrije ruimte van de waterkering gerealiseerd.
59