CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 toelichting TAMheulenslag40-ON01

Raadsvergadering 21 april 2026, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Vaststellen TAM omgevingsplan Heulenslag 40, Bleskensgraaf15.539 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke motivering (ETFAL) TAM-Omgevingsplan ‘Heulenslag 40 Bleskensgraaf’

Ruimtelijke motivering (ETFAL) TAM-Omgevingsplan ‘Heulenslag 40 Bleskensgraaf’

Opgesteld door: Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. Lekdijk 44 2967 GB Langerak Datum 24 juni 2025 Planstatus Concept Versie 1.1

2

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

4.

Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding .................................................................................................. 5

1.2

Ligging en begrenzing plangebied .............................................................. 6

1.3

Kader .......................................................................................................... 7

1.4

Leeswijzer................................................................................................... 8

Planbeschrijving ....................................................................................................................... 9 2.1

Bestaande situatie ....................................................................................... 9

2.2

Nieuwe situatie ......................................................................................... 12

Verantwoording beleidskaders ....................................................................................... 15 3.1

Rijksbeleid ................................................................................................ 15

3.2

Provinciaal beleid ...................................................................................... 16

3.3

Waterschapsbeleid .................................................................................... 27

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................. 29

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu .................................................................. 32 4.1

Milieueffectrapportage .............................................................................. 32

4.2

Verkeer en parkeren ................................................................................. 33

4.3

Water ........................................................................................................ 35

4.4

Geluid ....................................................................................................... 40

4.5

Luchtkwaliteit ........................................................................................... 41

4.6

Geur ......................................................................................................... 42

4.7

Bodem ...................................................................................................... 43

4.8

Milieuzonering .......................................................................................... 46

4.9

Omgevingsveiligheid (externe veiligheid) .................................................. 47

4.10 Archeologie en cultureel erfgoed .............................................................. 49 4.11 Natuur ...................................................................................................... 51 4.12 Trillingen .................................................................................................. 54 4.13 Gezondheid .............................................................................................. 55 5.

Financiële haalbaarheid ..................................................................................................... 56

6.

Participatie en overleg ........................................................................................................ 56

7.

6.1

Participatie................................................................................................ 56

6.2

Advies gemeenteraad................................................................................ 56

6.3

Bestuurlijk vooroverleg ............................................................................. 56

Juridische aspecten .............................................................................................................. 57 7.1

Inleiding ................................................................................................... 57

7.2

Toepassingsbereik .................................................................................... 57 3

7.3 # 1

Toelichting functies aan locaties ............................................................... 58

Bijlage Bouwhistorische verkenning 2 Beeldkwaliteitsplan 3 Landschappelijk inpassingsplan 4 Verkennend bodemonderzoek 5 Verkennend asbestbodemonderzoek en asbestonderzoek puinverharding 6 Asbestbodemonderzoek (gootlijnen) 7 Archeologisch onderzoek 8 Akoestisch onderzoek 9 Quickscan Natuur 10 Stikstofdepositieonderzoek

Auteur Polderkwaliteit

Kenmerk 22029

Datum 04-04-2023

Polderkwaliteit Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten Ingenieursbureau Mol

22029 LTL21629

04-06-2025 22-04-2024

A9366

11-09-2024

SOCOTEC Geotechnics

25SP0312-adv01

10-03-2025

Linge Milieu

25-3015

24-03-2025

ADC Archeoprojecten

Rapport 6617

13-05-2025

Voortman Ingenieurs

R-252127-2147- 24-03-2025 V1 2025-0408 01-04-2025 20250287.v01 04-03-2025

Blom Ecologie De Roever Omgevingsadvies

4

1.

Inleiding

1.1 Aanleiding Het perceel Heulenslag 40 te Bleskensgraaf betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn al jaren geleden beëindigd. Het boerderijgebouw en omliggende opstallen zijn daarna in verval geraakt. Het boerderijgebouw verkeert in een zeer slechte bouwkundig staat. Op basis van de bouwkundige inspectie en een bouwhistorische verkenning is geconcludeerd dat het niet realistisch is om het boerderijgebouw te restaureren. Het plan is om de vervallen boerderij te slopen en een nieuwe boerderijvolume te herbouwen. Daarnaast is het plan om in ruil voor de sloop van ca. 1000 m2 aan voormalige agrarische bouwwerken en verhardingen en het inleveren van het agrarisch bouwvlak aan de Heulenslag een vrijstaande schuurwoning te realiseren. Het plan is in strijdig met de regels van het vigerende bestemmingsplan ‘Parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ (vastgesteld 20 februari 2018), dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Molenlanden, Op 4 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden besloten om in principe medewerking te verlenen aan het plan. Het plan wordt juridisch-planologisch mogelijk gemaakt middels een wijziging van het Omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO.

In de voorliggende ruimtelijke motivering wordt onderbouwd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

5

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied betreft het perceel Heulenslag 40 te Bleskensgraaf en het agrarisch bouwvlak aan de noordzijde van de Heulenslag. De woningbouw vindt plaats ten zuiden van de Heulenslag. Aan de noordzijde wordt uitsluitend het agrarisch bouwvlak (en daarmee de bouwmogelijkheden) verwijderd. Het plangebied is kadastraal bekend als de gemeente Bleskensgraaf, sectie D, perceelnummers 100 (gedeeltelijk), 107 (gedeeltelijk), 144 (gedeeltelijk), 154 en 178. De percelen 107 en 154 zijn meegenomen om de relatie-aanduiding tussen het zuidelijk en noordelijk bouwvlak te verwijderen.

Afbeelding 1: Ligging en begrenzing plangebied

6

1.3 Kader Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ (vastgesteld op 25 januari 2010) dat onderdeel uit maakt van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Molenlanden. Het plangebied heeft de bestemmingen: • Agrarisch met waarden; • Verkeer; • Water; • Wonen; • Waarde – Archeologie; • Waterstaat – Waterkering. Met de aanduidingen: • Bouwvlak; • Functieaanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’ (noordelijk bouwvlak); • Functieaanduiding ‘specifieke vorm van verkeer – erftoegangswegen’; • Functieaanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ • Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – stiltegebied; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning overgangsgebied’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning gevoelige bodem’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied dorpslint’; • Aanduiding ‘relatie’.

Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’

7

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ Op 15 september 2015 is de 3de herziening van bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld, dat onderdeel uit maakt van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Molenlanden. In deze herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dat de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering is gewijzigd en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ is aangepast naar: • Waarde – Archeologie 1; • Waarde – Archeologie 2; • Waarde – Archeologie 7; • Waarde – Archeologie 8; Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ Op 20 februari 2018 is het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld, dat onderdeel uit maakt van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Molenlanden. In deze herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dat de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ is aangepast én de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’ is toegevoegd.

Parapluherziening Parkeren Op 27 oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ vastgesteld dat inmiddels onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Molenlanden. Het doel van deze parapluherziening is het bieden van een eenduidige regeling ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ in de gemeente Molenlanden. Dit paraplubestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het parkeerbeleid. In de beleidsregel “Nota Parkeernormen Molenlanden 2020” zijn de parkeernormen opgenomen die van toepassing zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ regelt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden voldaan aan de beleidsregel “Nota Parkeernormen Molenlanden 2020”. In paragraaf 4.2 ‘Verkeer en vervoer’ is beschreven dat dit plan voldoet aan het gemeentelijk parkeerbeleid.

1.4 Leeswijzer Deze ruimtelijke motivering bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • • • • • • •

Hoofdstuk 1: Inleiding; Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskaders; Hoofdstuk 4: Aspecten fysieke leefomgeving en milieu; Hoofdstuk 5: Financiële haalbaarheid; Hoofdstuk 6: Participatie en overleg; Hoofdstuk 7: Juridische aspecten.

8

2.

Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ruimtelijke structuur De kern Bleskensgraaf kan worden getypeerd als een lintbebouwingsdorp, bestaande uit een noordelijk bebouwinglint (Heulenslag) en een zuidelijk bebouwingslint (Abbekesdoel). Het plangebied is gelegen in de lintbebouwing langs de Heulenslag tussen de kernen Oud-Alblas en Bleskensgraaf. De lintbebouwing is gevormd door een langgerekte strook van min of meer samengegroeide gemengde bebouwing. De bebouwing kenmerkt zich door een afwisseling van (grotere) boerderijen en (kleinere) arbeiders-/knechtenhuisjes. Hier en daar is de traditionele bebouwing vervangen door nieuwbouw (vrijstaande woningen) en hebben de bestaande boerderijen hun agrarische functie verloren en zijn volledig in gebruik als woonfunctie. De traditionele boerderijgebouwen zijn overwegend haaks op de weg gepositioneerd en georiënteerd naar de Graafstroom. Kenmerkend voor dit gebied is dat de hoofdgebouwen op grote afstand van de Heulenslag zijn gesitueerd. De schuren en overige bebouwing liggen tussen het hoofdgebouw en de Heulenslag. De bebouwing langs de Heulenslag, zowel de traditionele bebouwing als de latere nieuwbouw, heeft overwegend een traditionele landelijke uitstraling. De gebruikte materialen zijn bij zowel de traditionele bebouwing als de latere nieuwbouw overwegend traditioneel.

De gebruikte kleuren zijn ingetogen en in harmonie met het omliggende veenweidelandschap. Het noordelijk deel van het plangebied (ten noorden van de Heulenslag) is gelegen in het veenweidelandschap. Het veenweidelandschap kenmerkt zich door slagenverkaveling omringd door sloten en weteringen. In het veenweidelandschap zijn kaden en ontginningsassen gelegen welke veelal zijn beplant met bomenlanen (elzenrijen of knotwilgen). Ter plaatse van het plangebied is geen bebouwing aanwezig.

2.1.2 Huidige status/gebruik Het perceel Heulenslag 40 te Bleskensgraaf betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn al jaren geleden beëindigd. Het boerderijgebouw en omliggende opstallen zijn daarna in verval geraakt. Het boerderijgebouw, dat een inhoud heeft van ca. 2.700 m3, verkeert in een zeer slechte bouwkundig staat. Op basis van de bouwkundige inspectie en een bouwhistorische verkenning is geconcludeerd dat het niet realistisch is om het boerderijgebouw te restaureren. De bouwkundige verkenning is toegevoegd in de bijlage.

9

Afbeelding 3: Bestaande vervallen boerderijgebouw

Afbeelding 4: Bestaande aanzicht perceel Heulenslag 40 Bleskensgraaf

10

Afbeelding 5: Bestaande situatie perceel Heulenslag 40 Bleskensgraaf

Afbeelding 6: Bestaande gronden ten noorden van Heulenslag 40 Bleskensgraaf

11

2.2 Nieuwe situatie Het plan is om de vervallen boerderij Heulenslag 40 en de overige voormalige agrarische bebouwing en verharding (schuren, mestopslag, silo’s en overige bouwwerken), met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 1.000 m2, te slopen ten behoeve van de realisatie van een nieuwe woonboerderij en een schuurwoning. De nieuwe woonboerderij wordt gerealiseerd op nagenoeg dezelfde plek als de bestaande boerderij. De nieuwe woonboerderij wordt enkele meters naar het noorden gesitueerd, waardoor het gebouw buiten de kernzone van de waterkering komt te liggen. De situering van de woonboerderij wordt vastgelegd middels het opnemen van een bouwvlak. De nieuwe woonboerderij heeft een maximale inhoud van 2.700 m3 (overeenkomstig bestaande boerderijgebouw) en een maximale goothoogte van 6 meter. De schuurwoning wordt gerealiseerd aan de noordzijde van het perceel Heulenslag 40. De situering van de schuurwoning wordt tevens vastgelegd middels het opnemen van een bouwvlak. De nieuwe schuurwoning heeft een maximale inhoud van 850 m3 en een maximale goothoogte van 6 meter. Eventuele bijbehorende bouwwerken dienen tussen de twee voorgevels van de woonboerderij en de schuurwoning te worden gerealiseerd. Dit gebied is aangegeven met de aanduiding ‘bijgebouwen’. De voorgevels de woonboerderij en de schuurwoning zijn aangegeven met de aanduiding ‘gevellijn’.

Het huidige agrarisch bouwvlak op de locatie Heulenslag 40, welke middels een relatie-aanduiding is gekoppeld met het agrarisch bouwvlak ten noorden van de Heulenslag, wordt met dit TAM-Omgevingsplan verwijderd. Hiermee worden de bouwmogelijkheden en de mogelijkheid tot nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf op deze locatie uitgesloten.

Te herbouwen boerderij

Te verwijderen voormalige agrarische bebouwing en verharding

Afbeelding 7: Te slopen voormalige agrarische bebouwing

12

Afbeelding 8: Nieuwe situatie / landschappelijk inpassingsplan (uitvergroot in bijlage)

13

Beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing Om de ruimtelijke kwaliteit te behouden dan wel te versterken is het bij nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied wenselijk zorg te dragen voor een passende inrichting (beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing). Het plan resulteert in een aanzienlijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het plan voorziet in een forse afname aan bebouwing en verharding. De bestaande voormalige agrarische bebouwing en verharding worden verwijderd. In totaal wordt ca. 1.000 m2 gesloopt/verwijderd. Daarbij wordt een agrarisch bouwvlak (bouwmogelijkheden) in het open veenweidegebied verwijderd. De bestaande in zeer slechte bouwkundige staat verkerende boerderij wordt vervangen door een passende nieuwe woonboerderij. Bij het ontwerp van de nieuwe boerderij is zorgvuldig rekening gehouden met het behoud de cultuurhistorische waarden en historie van het gebied. Bij het ontwerp van de nieuwe schuurwoning dient tevens rekening te worden gehouden met de karakteristieke landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de locatie en omgeving. De schuurwoning dient een passende landelijke en ondergeschikte uitstraling te krijgen ten opzichte van het boerderijgebouw.

Wat betreft de vormgeving, kleurstelling, architectuur en materiaalgebruik van de schuurwoning dient te worden aangesloten bij de bestaande boerderij en het landelijke en agrarisch karakter van het gebied. Gezien de mate van flexibiliteit in de regels van het TAM-Omgevingsplan is om de cultuurhistorische waarden van de locatie en het gebied te behouden dan wel te versterken, een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan is toegevoegd in de bijlage. Dit beeldkwaliteitsplan heeft als doel om toekomstige kopers de denkrichting aan te geven waarbinnen de plannen gestalte moeten krijgen. Tevens dient het beeldkwaliteitsplan als toetsingskader voor toekomstige omgevingsvergunningsaanvragen. Het plangebied wordt op een passende wijze landschappelijk ingericht (als een boerenerf). Landschapsarchitect Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten heeft een stedenbouwkundige/landschappelijke analyse uitgevoerd en op basis daarvan een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (afbeelding 8). Het landschappelijk inpassingsplan is toegevoegd in de bijlage. Het uitgangspunt van de landschappelijke inpassing is om de bestaande landschappelijke waarden te behouden en waar mogelijk te versterken.

14

3.

Verantwoording beleidskaders

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is één van de vier AMvB’s die invulling geven aan de Omgevingswet. Het Bkl stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 5.129g van het Bkl is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden aan de behoefte van de stedelijke ontwikkeling. Indien de stedelijke ontwikkeling wordt gerealiseerd buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, dan moet ook rekening gehouden worden met de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied of -groen in die behoefte te voorzien. Het plan betreft de herbouw van een woonboerderij en de nieuwbouw van een schuurwoning in ruil voor de sloop van de voormalige agrarische bebouwing en verharding. Per saldo wordt één wooneenheid toegevoegd. Gesteld worden dat hiermee geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bkl, waardoor een toetsing aan ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet nodig is.

15

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 1 januari 2024 is de Omgevingsvisie in werking getreden. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie Zuid Holland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van ZuidHolland. 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6.

Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Stedelijke ontwikkelingen De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Conform de Omgevingsvisie kunnen kleinschalige stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten (in de bebouwde ruimte).

Het plangebied is gelegen buiten het bestaande stads- en dorpsgebied. Het plangebied is gelegen in het bebouwingslint langs de Heulenslag/de Graafstroom. Het plan betreft de herbouw van een woonboerderij en de nieuwbouw van een schuurwoning in ruil voor de sloop van de voormalige agrarische bebouwing en 16

verharding. Het plan past binnen het woningbouwbeleid van de provincie ZuidHolland en het streven van de provincie Zuid-Holland naar het beter benutten en opwaarderen van de ‘bebouwde ruimte’. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is. Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plek gebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie en soms daarbuiten. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag.

Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hierin wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet. Een voorbeeld is de aanleg of verbreding van een provinciale weg, een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied of een nieuw landgoed. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk invloed van de nieuwe ontwikkeling. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat.

Omdat in deze gevallen niet aan (alle) richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, zijn ontwerpoptimalisatie, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied met een nieuwe gebiedsidentiteit. De impact van deze plannen op een gebied is groot. 17

Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Gelet op de wezenlijke verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat die nog niet is ondervangen in de richtpunten. In de meest verregaande vorm van transformatie is van de huidige identiteit niets meer zichtbaar. In alle gevallen is het belangrijk om aansluiting te zoeken bij structuren en patronen aan de rand van de omgeving, bijvoorbeeld een bosrand, waterloop of woonlint. Het ontwerp kan gepaard gaan met inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen in de omgeving. Gelet op de omvang van de ontwikkeling kunnen dergelijke maatregelen – eenvoudiger dan bij aanpassing – onderdeel uitmaken van hetzelfde plan. Bij transformatie-opgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen, een kwalitatief optimaal resultaat inclusief een maatschappelijke tegenprestatie. Dit plan kan worden geschaard in de categorie ‘inpassing’.

Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap en het dorp. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. Het toevoegen van een woning in het lint wordt in het provinciaal beleid expliciet genoemd als voorbeeld van een ontwikkeling die kan worden geschaard in de categorie ‘inpassing’. Het plan betreft de herbouw van een boerderij en de nieuwbouw van een schuurwoning in ruil voor de sloop van de voormalige agrarische bebouwing en verharding op het terrein. De bestaande in zeer slechte bouwkundige staat verkerende boerderij wordt vervangen door een nieuwe woonboerderij. Bij het ontwerp van de nieuwe woningen wordt zorgvuldig rekening gehouden met het behoud de cultuurhistorische waarden en historie van het gebied. Verder wordt het agrarisch bouwvlak ten noorden van de Heulenslag verwijderd, waarmee mogelijke toekomstig aantasting van het veenweidelandschap door nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf of het oprichten van bebouwing wordt weggenomen. Het plan resulteert in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Kwaliteitskaart De provincie zet in op het versterken en benutten van de verschillen tussen de vier groepen landschappen: kustlandschap, veen(weide) landschap, deltarivierenlandschap en stedelijk landschap.

De provincie wil de intrinsieke waarde van de verschillende landschappen behouden, beschermen, op passende wijze benutten en beleefbaar maken. Dit betekent dat zorgvuldig moet worden afgewogen welke ontwikkelingen in welk landschap wenselijk zijn. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het in standhouden, benutten, beleven en versterken van bestaande gebiedskwaliteiten. De provincie hecht waarde aan onbebouwde landschappen. De provincie beschermt het landschap tegen ongewenste ontwikkelingen en wil daarmee versnippering en onomkeerbare aantasting van het landschap tegengaan. De provincie wil in een aantal gebieden specifieke waarden in stand houden, omdat ze landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. 18

De instandhouding en versterking van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde vraagt om toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling. Laag van de ondergrond Ondergrond: Rivierdeltacomplex – rivierklei/veen Het plangebied is gelegen in een rivierklei en veengebied in een rivierdeltacomplex. Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het areaal land in de delta is vergroot door het proces van landaanwinning en de aanleg van dijken rond de minder vaak overstromende gronden. De komgronden en oeverwallen van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie, aan de randen van het veenweidelandschap. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere en drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap; het reliëf, de occupatie en het gebruik. Richtpunt ruimtelijke kwaliteit • Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar. Het plangebied is tevens gelegen in een gebied met bijzonder reliëf (oude stroomgordels en geulafzettingen). Bijzonder reliëf en aardkundige waarden zijn beperkt aanwezig, Zuid-Holland is relatief 'plat'.

Binnen dit vlakke land is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Het betreft de duinen en strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, oeverwallen langs rivieren, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre)historische bewoning. Het zijn vaak plekken met archeologische en aardkundige waarden. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit • Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand en waar mogelijk beter beleefbaar. • Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Toepassing plan In het plangebied en in de directe omgeving zijn geen komgronden en oeverwallen aanwezig. Het plan betreft de herbouw van een boerderij en de nieuwbouw van een schuurwoning in ruil voor de sloop van de voormalige agrarische bebouwing en verharding op het terrein. Het ruimtebeslag en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is zeer beperkt. Het plangebied wordt op een passende wijze landschappelijk ingericht (als een boerenerf). Landschapsarchitect Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten heeft een stedenbouwkundige/landschappelijke analyse uitgevoerd en op basis daarvan een landschappelijk inpassingsplan opgesteld.

Het landschappelijk inpassingsplan is toegevoegd in de bijlage. Het uitgangspunt van de landschappelijke inpassing is om de bestaande landschappelijke waarden te behouden en waar mogelijk te versterken. Het plan doet derhalve geen afbreuk aan het herkenbaar houden van het verschil tussen komgronden en oeverwallen. In de praktijk is op de locatie Heulenslag geen 19

sprake meer van onregelmatige patronen en/of het reliëf in het landschap. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Veenlandschappen – Veen(weide)landschap Het plangebied is gelegen in het ‘Veenweidelandschap’. Kenmerkende landschapselementen in het veenweidegebied zijn bijvoorbeeld: elzensingels, knotwilgenrijen, geriefbosjes, erfbeplanting en boomgaarden op de oeverwallen. De landschapsstructuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsassen zoals veenkades, vaarten en linten. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veenland. Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de poldereenheden. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden. • Ontwikkelingen houden rekening met de maat en weidsheid van de poldereenheden.

• Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren zoals de linten en niet in de veenweidepolders. • Nieuwe bosjes en bomen sluiten uit historisch oogpunt aan op de kernen en meer verdichte linten, kades en boezems en houden afstand tot de grotere open gebieden. • Agrarische bedrijven liggen aan bestaande (ruilverkavelings)wegen op een goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Linten Het plangebied is gelegen binnen het gebied ‘Linten’ (veenlint). Linten vormen een belangrijk onderdeel van het Zuid-Hollandse landschap. Ze worden gevormd door lineaire, deels aaneengesloten bebouwing langs lineaire structuren zoals wegen, waterwegen of dijken. Op veel plaatsen hebben de linten een sterke relatie met het omliggende landschap. Op andere plaatsen zijn de linten ingesloten in andere bebouwing. Ook komt er verspreid liggende bebouwing langs (polder)wegen voor, waar de afstand tussen de bebouwing relatief groot is. Deze verspreid liggende bebouwing staat niet op de kwaliteitskaart, maar er gelden wel richtpunten voor. De meeste bebouwingslinten zijn van cultuurhistorische betekenis en worden vaak gebruikt als recreatieve route. Ontwikkelingen langs de linten dienen daarom zeer zorgvuldig ingepast te worden.

20

Richtpunten ruimtelijke kwaliteit: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. • Waar mogelijk behouden van de doorzichten vanaf de weg op het achterliggende landschap. • Kleinschalige nieuwe ontwikkelingen langs linten zijn mogelijk indien er sprake is van de functieverandering van de bebouwing van een perceel, bijvoorbeeld van een agrarische functie naar een woonfunctie. • Linten behouden hun lineaire karakter waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst. • Ontwikkelingen dienen te passen in het karakter van het lint. Dit betekent dat de ontwikkeling aansluit op het profiel van het lint, de maat en schaal van de bebouwing en de mate van transparantie van het lint. Er is respect voor de historische gaafheid van het lint. • Bij de uitbreiding van steden of dorpen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. • Bij verspreide bebouwing langs (polder)wegen is het behoud van de grote afstand tussen de bebouwing uitgangspunt. Veenkade De Heulenslag betreft een zogenoemde ‘veenkade’.

De dijken in het veenlandschap hebben vanwege inklinking vaak een klein hoogteverschil en worden kades genoemd. Door de eigenschappen van het veen zijn de taluds in de regel flauw, in tegenstelling tot de dijken in het rivieren of zeekleilandschap. De kades liggen langs oude veenstromen (de oorspronkelijke natuurlijke afwatering van het veen) en weteringen of zijn aangelegd als landscheiding en vormen een grens van een ontginningseenheid (blok). De kades zijn waterkeringen waar vaak de wegen en paden ter ontsluiting van de polder op zijn aangelegd ('hoog en droog'). De veenkades maken soms deel uit van een ontginningslint en zijn dan bebouwd. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit • Behoud van het kleinschalige karakter van de kade aan de veenstroom of wetering met een afwisseling tussen open en besloten delen en zeer afwisselende, vaak cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. • Behouden en versterken van het zicht op en het contact met het water door de toegankelijkheid van de oevers te vergroten en aantrekkelijke openbare plekken aan het water re realiseren. • Behoud van veenpolderkades als herkenbare begrenzing van de poldereenheden. Toepassing plan Het plan betreft de herbouw van een boerderij en de nieuwbouw van een schuurwoning in ruil voor de sloop van de voormalige agrarische bebouwing en verharding op het terrein. De nieuwe woningen worden op een passende wijze 21

vormgegeven en ingepast in het veenweidelandschap. Landschapsarchitect Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten heeft een stedenbouwkundige / landschappelijke analyse uitgevoerd en op basis daarvan een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het landschappelijk inpassingsplan is toegevoegd in de bijlage. Het uitgangspunt van de landschappelijke inpassing is om de bestaande landschappelijke waarden te behouden en waar mogelijk te versterken. Het plan voorziet niet in ingrepen aan het bestaande verkavelings- en slotenpatroon en de openheid van het landschap wordt niet aangetast. Met het verwijderen van het agrarisch bouwvlak ten noorden van de locatie Heulenslag 40 wordt toekomstige agrarische bebouwing in het open veenweidelandschap voorkomen. Laag van de stedelijk occupatie Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied. De kaart ‘Laag van de stedelijk occupatie’ is niet van toepassing. De Heulenslag maakt onderdeel uit van het Provinciaal hoofdfietsnetwerk. Het netwerk van fiets- en wandelpaden en ruiter- en vaarroutes verbindt een verscheidenheid van stedelijke en landelijke gebieden, natuur- en recreatiegebieden en andere toeristische trekpleisters. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit • Voorkomen van (nieuwe) obstakels in het fiets-, wandel, ruiter- en vaarnetwerk door bijvoorbeeld verbreding en aanleg van wegen of nieuwe woonlocaties.

• Recreatieve voorzieningen worden zoveel mogelijk gekoppeld aan recreatieknooppunten in het recreatieve netwerk. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van het cultuurhistorisch erfgoed of andere recreatief interessante locaties. Ontwikkelen van kleinschalige verblijfsmogelijkheden, gekoppeld aan de het netwerk. Ontsluiten van landschappen en steden en de verbindingen ertussen voor fietsen, wandelen, paardrijden en varen. • Verder ontwikkelen en verbeteren van het provinciale hoofdnetwerk fiets, het wandel- ruiter- en vaarnetwerk. Toepassing plan De nieuwe schuurwoning wordt op geruime afstand van de Heulenslag gesitueerd, waardoor er geen sprake van obstakels in het fiets-, wandel, ruiter- en vaarnetwerk. Laag van de cultuurhistorie De kaart ‘Laag van de cultuurhistorie’ is niet van toepassing. De vierde laag beslaat plekken van cultuurhistorische waarde. Het plangebied valt niet binnen de aangegeven lagen van cultuurhistorie.

22

3.2.2 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) Op 1 januari 2024 is de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) in werking getreden. In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) zijn de regels over de fysieke leefomgeving van de provincie opgenomen. Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 7.3.7 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 7.43). Artikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied; b. aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau; c. transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit) 1. Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met: a. de beschermingscategorie en het gebiedstype; b.

het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; c. de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit (genoemd in bijlage IX, onder A). 3. Voor de gebiedstypen, bedoeld in artikel 7.42, vierde en vijfde lid zijn de artikelen 7.43h, 7.43i, 7.43j, 7.43k, 7.43l, 7.43m en 7.43n van toepassing tenzij een zwaarwegend openbaar belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 7.43l, in de weg staat. Artikel 7.43b (aanvaardbaarheid soort ruimtelijke ontwikkeling per beschermingscategorie) 1. Een omgevingsplan voor een locatie met beschermingscategorie 3 als bedoeld in artikel 7.42, derde lid, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder soort inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43h. 2. Een omgevingsplanplan voor een locatie met beschermingscategorie 2 als bedoeld in artikel 7.42, tweede lid, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de soort inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43i, 7.43j of 7.43k. 3. Een omgevingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 als bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de soort inpassen en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43l, 7.43m of 7.43n.

23

Het plangebied is gelegen in een gebied met beschermingscategorie 3 (buitengebied). Artikel 7.43h (gebiedstype: beschermingscategorie 3 buitengebied) 1. Een omgevingsplan voor een locatie in het Buitengebied als bedoeld in artikel 7.42, zesde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, zoals blijkt uit een afdoende motivering die ook ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied. 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; b. de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; c. het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de ontwikkeling van een natuur- en groengebied en grote buitenstedelijke bouwlocaties als bedoeld in artikel 7.46. Dit plan kan worden geschaard in de categorie ‘inpassing’. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap en het dorp. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied.

Het toevoegen van een woning in het lint wordt in het provinciaal beleid expliciet genoemd als voorbeeld van een ontwikkeling die kan worden geschaard in de categorie ‘inpassing’. Het plan betreft de herbouw van een boerderij en de nieuwbouw van een schuurwoning in ruil voor de sloop van de voormalige agrarische bebouwing en verharding op het terrein. De bestaande in zeer slechte bouwkundige staat verkerende boerderij wordt vervangen door een nieuwe woonboerderij. Bij het ontwerp van de nieuwe woningen wordt zorgvuldig rekening gehouden met het behoud de cultuurhistorische waarden en historie van het gebied. Verder wordt het agrarisch bouwvlak ten noorden van de Heulenslag verwijderd, waarmee mogelijke toekomstig aantasting van het veenweidelandschap door nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf of het oprichten van bebouwing wordt weggenomen. Het plan resulteert in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 7.3.8 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 7.45). Artikel 7.45 (ladder voor duurzame verstedelijking) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2.

Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd of die door gedeputeerde staten zijn vastgesteld, dan kan de motivering van de behoefte, bedoeld in artikel 5.129g, tweede lid, onder a 24

van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken. Het plangebied is gelegen buiten het bestaande stads- en dorpsgebied. Het plangebied is gelegen in het bebouwingslint langs de Heulenslag/de Graafstroom. Het plan betreft de herbouw van een woonboerderij en de nieuwbouw van een schuurwoning in ruil voor de sloop van de voormalige agrarische bebouwing en verharding. Het plan past binnen het woningbouwbeleid van de provincie ZuidHolland en het streven van de provincie Zuid-Holland naar het beter benutten en opwaarderen van de ‘bebouwde ruimte’. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is. Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen In paragraaf 7.3.6a van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen (artikel 7.41). Artikel 7.41b (risico’s van klimaatverandering) In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: 1. wateroverlast door overvloedige neerslag; 2. overstroming; 3. hitte; 4. droogte; alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen.

Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om te infiltreren in de bodem. Het plan zal leiden tot een forse afname aan verharding, waardoor in de nieuwe situatie hemelwater beter in de bodem kan infiltreren. Overstroming In het plan wordt rekening gehouden met de risico’s van overstromingen. De nieuwe bebouwing wordt op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Het plan leidt niet tot extra overstromingsgevaar. Hitte en droogte Gezien het warmer en droger wordt, wordt bij de uitwerking van de nieuwe bebouwing rekening gehouden met de accumulatie van warmte. De nieuwe gebouwen wordt gebouwd conform de meest actuele normen op het gebied van duurzaamheid en klimaatadaptatie in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. De installaties in de woningen worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. De afname aan verharding en het zoveel mogelijk in stand houden van de bestaande erfbeplanting zal hittestress tegengaan.

25

Bodemdaling Het plangebied is gelegen in een gebied met een matige tot vrij sterke bodemdaling tot 2050. De nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd in het lint waar al jarenlang bebouwing/verharding aanwezig is. Desondanks wordt bij de technische uitwerking van de nieuwe woningen rekening gehouden met de risico’s van bodemdaling (zettingen). De forse afname aan bebouwing en verharding levert daarentegen een positieve bijdrage aan het tegengaan van bodemdaling.

26

3.3 Waterschapsbeleid 3.3.1 Waterschapsverordening Rivierenland Op 30 juli 2024 heeft het algemeen bestuur van waterschap Rivierenland de geactualiseerde waterschapsverordening, de legger wateren en de legger waterkeringen vastgesteld. De waterschapsverordening is een uitwerking van artikel 2.5 van de Omgevingswet. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar in ons gebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De verordening bevat de regels van het Waterschap Rivierenland over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de watersystemen, de zuiveringstechnische werken en de wegen die in beheer zijn bij het waterschap. Ook bevat de verordening regels over lozingen. Het waterschap werkt met het 'ja, mits'-principe. Dit betekent dat activiteiten zijn toegestaan, mits er wordt voldaan aan de in de waterschapsverordening genoemde voorwaarden. Daarnaast is voor gebieden waar in de toekomst specifieke ontwikkelingen gaan plaatsvinden een uitzondering gemaakt voor de toepassing van de waterschapsverordening. Deze gebieden zijn gereserveerd voor het verruimen, verleggen of wijzigen van waterstaatswerken. Zo wordt voorkomen dat initiatieven worden uitgevoerd die op een later moment, door de aanleg op wijziging van een waterstaatswerk, weer ongedaan moet worden gemaakt.

Onderdeel van de waterschapsverordening is de digitale kaart. Deze kaart geeft aan waar en welke regels van de waterschapsverordening gelden. Deze regels op de kaart worden werkingsgebieden genoemd. De werkingsgebieden zijn gekoppeld aan de regels uit de verordening.

Afbeelding 9: Digitale kaart werkingsgebied waterschap Rivierenland

27

3.3.2 Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ is vastgesteld op 26 november 2021 vastgesteld door het algemeen Bestuur van Waterschap Rivierenland. Het Waterbeheerprogramma beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. In hoofdstuk 4.3 Water van deze ruimtelijke motivering wordt ingegaan op de voor dit plan relevante wateraspecten.

28

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Molenlanden 2050 Op 24 september 2024 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden de Toekomstvisie Molenlanden 2050 vastgesteld. De visie bevat vijf perspectieven. Deze perspectieven zijn gebaseerd op de karakteristiek van Molenlanden, kennis van het verleden en heden en trends en ontwikkelingen die op ons af komen kijkend naar de toekomst. De vijf perspectieven zijn: 1. Onze dorpen en stad zijn divers en krachtig. 2. Wij zijn een betrokken en toegankelijke samenleving voor iedereen. 3. Wij zijn in staat ons aan te passen aan de gevolgen van klimaat-, energieen wateruitdagingen. 4. Ons (agrarisch) landschap is toekomstbestendig. 5. Onze economie is bloeiend, duurzaam en circulair. Het plan sluit aan bij de toekomstvisie van de gemeente Molenlanden. Met dit plan krijgt een voormalige agrarische bedrijfslocatie een passende nieuwe functie. De nieuwe woningen worden op een passende wijze vormgegeven en landschappelijk ingepast, waardoor een positieve bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een toekomstbestendig en klimaatadaptief landschap.

3.4.2 Omgevingsvisie Molenlanden 2040 De gemeenteraad heeft op 22 oktober 2024 de omgevingsvisie Molenlanden 2040 vastgesteld. De omgevingsvisie gaat over de inrichting van de fysieke leefomgeving. In de omgevingsvisie Molenlanden 2040 schetst de gemeente de kracht en de kwaliteiten van Molenlanden die we willen koesteren. Door de toenemende druk op de ruimte moeten keuzes gemaakt worden om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, leven en werken in Molenlanden. Om daarvoor te zorgen, stellen ambities op allerlei vlakken. Die ambities vormen het strategisch kader voor de fysieke leefomgeving. De ambities staan niet op zichzelf. Ze kunnen elkaar versterken of met elkaar op gespannen voet staan. De ambities voor een leefbare toekomst zijn: • Levendige kernen met een eigen karakter; • Een gezonde, inclusieve en samenredzame samenleving; • Een vitaal en toekomstbestendig landelijk gebied: bodem en water sturend; • Een optimaal ondernemersklimaat voor passende bedrijvigheid; • Een klimaatrobuuste, circulaire en energieneutrale gemeente; • Een veilig en duurzaam bereikbare gemeente. Het plan sluit aan bij de omgevingsvisie van de gemeente Molenlanden. Het plan levert een positieve bijdrage aan het creëren van een vitaal en toekomstbestendig landelijk gebied.

29

3.4.3 Woonvisie Molenlanden Op 27 oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020-2024 vastgesteld. De woonvisie beschrijft de opgaven die de gemeente ziet op het vlak van de woningmarkt, voortkomend uit de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte die mensen hebben. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: • Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. • De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. • De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnel de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. • Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. • Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen.

• Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed). Het plan betreft de herbouw van een woonboerderij (en daarmee instandhouding van de cultuurhistorische waarden) en de bouw van een schuurwoning in ruil voor de sloop van ca. 1000 m2 aan voormalige agrarische bouwwerken en verhardingen en het inleveren van het agrarisch bouwvlak. De schuurwoning vormt de financiële drager van deze ontwikkeling.

3.4.4 VAB-beleid Molenlanden (januari 2025) Op 24 november 2020 heeft de gemeenteraad van Molenlanden het VAB-beleid (vrijkomende agrarische bebouwing) van de gemeente vastgesteld. De essentie van dit beleid is het stimuleren van de vitalisering van het buitengebied. Het gaat dan om het behouden en versterken van de karakteristieken van het landschap, de leefbaarheid, de draagkracht en kwaliteit van het Molenlandse buitengebied. Hierin staat de ontwikkelruimte voor VAB’s centraal. Een vitaal buitengebied betekent ook dat er randvoorwaarden aan de (landschappelijke) kwaliteitsverbetering worden gesteld. Het VAB-beleid is in januari 2024 geactualiseerd en in januari 2025 verruimd. Bij een herontwikkeling van een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie naar ‘wonen’ is de voormalige provinciale Ruimte-voor-Ruimte-regeling het uitgangspunt. Deze regeling gaat uit van het principe dat in ruil voor tenminste 1.000 m² sloopmeters een woning kan worden gerealiseerd. Per saldo staat de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit voorop.

30

In het geactualiseerde VAB-beleid is gedefinieerd waar de sloopmeters uit kunnen bestaan. Hieronder worden de agrarische opstallen, zoals loodsen, schuren en stallen, en overige bebouwing, zoals kuil- en mestplaten, sleufsilo’s, torensilo’s, mestkelders, overige legale bebouwing geen gebouwen zijnde en overige gestorte verharding binnen het agrarisch bouwvlak verstaan. Het slopen van de agrarische opstallen en overige bebouwing resulteert in een ruimtelijke kwaliteitswinst. In ruil voor de sloop van de agrarische opstallen en overige bebouwing (waaronder verhardingen) wordt een schuurwoning ingepast in het lint langs de Heulenslag. In totaal wordt 1.000 m2 gesloopt/verwijderd. Daarnaast wordt een agrarisch bouwvlak, deels ten noorden van de Heulenslag gelegen, verwijderd. Het plan resulteert in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het plan is passend binnen het VAB-beleid van de gemeente Molenlanden.

3.4.5 Omgevingsplan gemeente Molenlanden Per 1 januari 2024 is vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet het Omgevingsplan gemeente Molenlanden in werking getreden. Het Omgevingsplan betreft een vooraf door het rijk opgesteld omgevingsplan dat ook wel bekend staat als ‘de bruidsschat’ en is voor iedere gemeente identiek bij inwerktreding. Op dit moment is de gemeente Molenlanden bezig met het opstellen van een eigen omgevingsplan. De bestemmingsplannen en de bruidsschat vormen, totdat er een omgevingsplan is vastgesteld, het omgevingsplan gemeente Molenlanden. In paragraaf 1.3 is het vigerend bestemmingsplan uiteengezet.

31

4.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader De wetgeving rond de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in Afdeling 16.4. Milieueffectrapportage van de Omgevingswet (artikel 16.34 Omgevingswet). Artikel 16.34. (reikwijdte, bevoegd gezag plan-mer) 1. Deze paragraaf gaat over de milieueffectrapportage voor plannen en programma’s als bedoeld in artikel 2, onder a, van de smb-richtlijn, waarvan de vaststelling is geregeld in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen en waarin het voor de vaststelling van die plannen en programma’s bevoegde bestuursorgaan en de procedure voor de opstelling ervan is vastgelegd. 2. In deze paragraaf wordt onder een plan of programma in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Onder de Omgevingswet geldt een plan-mer-plicht wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een mer-(beoordelings) plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het plan-mer brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=f6671c88-35e2-4fe2-bd3b-7bb91b844e2d