CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 toelichting en regels bestemmingsplan Vinkenhof, Wijngaarden

Commissievergadering Wonen, Werken & Verkeer 12 januari 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Vinkenhof, Wijngaarden30.843 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Gezien de oppervlakte van de te verwachten vindplaatsen wordt geadviseerd om de vrijstellingsgrens van 250 m² uit het huidige bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ te handhaven. Op basis van de aangetroffen verstoringsgraad en –diepte en de diepteligging van de beschreven archeologische niveaus wordt wel geadviseerd om een vrijstellingsgrens van 100 cm –mv te hanteren (in plaats van 30 cm –mv in het huidige vigerende bestemmingsplan). Gelet op het vorenstaande is in het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen met een vrijstellingsgrens van 250 m² en 100 cm -mv. Hierdoor wordt geborgd dat voorafgaande aan aanvragen omgevingsvergunning in voorkomende gevallen onderzoek kan worden verlangd met inachtneming van de in de dubbelbestemming opgenomen regeling. Indien bij de uitvoering van graafwerkzaamheden onverwacht archeologische resten in deze zone worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Dit is ook verplicht bij het aantreffen van archeologische resten gedurende graafwerkzaamheden met een omvang van minder dan 250 m² en minder diep dan 100 cm –mv in de zone waarvoor de archeologische dubbelbestemming wordt geadviseerd.

Conclusie Het plangebied is in het kader van het bestemmingsplan voldoende onderzocht. Voor deze planontwikkeling kan naar verwachting planologisch vergunning worden verleend, omdat er geen grootschalige archeologische vondsten worden verwacht. Hiermee is het bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van archeologie. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS).

Toelichting

49

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

5.2.4 Cultuurhistorie en monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. In het gebied bevinden zich geen Rijks- of gemeentelijke monumenten. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast. Conclusie De cultuurhistorische waarden worden niet aangetast.

5.3

Flora en fauna

Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan / het Natuur Netwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische hoofdstructuur (EHS) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/ beoordeling Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, 'De Biesbosch' ligt circa 4 km ten zuiden van het plangebied (figuur 14). Dit Natura2000-gebied wordt niet beïnvloed als gevolg van dit nieuwe agrarische bouwvlak.

Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht als gevolg van deze wijziging. Het 1 km zuidelijk gelegen NNN van de provincie Zuid-Holland en het westelijk gelegen Alblasserbos hebben eveneens geen nadelige gevolgen voor deze planontwikkeling. Datzelfde geldt voor de ecologische verbinding ten noorden van het plangebied.

50

Toelichting

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Figuur 14: NNN in de directe omgeving van het plangebied (plangebied met rode stip aangegeven.) 5.3.1 Stiktofdepositie Het zuidelijk gelegen Natura2000-gebied 'De Biesbosch' is stikstofrelevant. Belangrijke nadelige milieugevolgen voor de natuur vallen hierdoor niet op voorhand uit te sluiten. In verband hiermede is eerder een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming verleend. De vergunning van de Omgevingsdienst Haaglanden van 16 maart 2018 is opgenomen in Bijlage 5. De verkregen vergunning is onherroepelijk en daarmee nog van kracht. De AERIUS is evenwel aangepast naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 29 mei 2019, omdat de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het PAS niet als basis mag worden gebruikt voor toestemming voor activiteiten die extra stikstofuitstoot veroorzaken. Als gevolg hiervan waren nieuwe AERIUS-berekeningen noodzakelijk. Deze zijn uitgevoerd door door Hans Rietveld Agrarisch Advies. Op basis van hiervan kan worden geconcludeerd dat voor het onderdeel gebiedsbescherming de verleende vergunning rechtsgeldig is en er geen nadere toetsing dan wel intern/extern salderen noodzakelijk is. De depositie ten gevolge van de verkeersbewegingen en machines is 0,00 mol/ha/jaar. Voor de gebruikersfase is dan ook geen nadere toetsing noodzakelijk.

Tijdens de aanlegfase is de totale stikstof emissie 21,2 kg NOx/jaar. Uit de Aerius-berekening blijkt geen effect groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Voor zowel de aanleg- als de gebruikers voldoet het initiatief aan de Wet natuurbescherming. De memo van 15 juni 2020 met bijlagen, waarin het vorenstaande is vastgesteld is opgenomen in Bijlage 6. Met inachtneming hiervan vormt het aspect stikstofdepositie geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

Toelichting

51

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

5.3.2 Ecologisch onderzoek Bij nieuwbouwplannen moet worden bekeken wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. Eerder is in het rapport 'Biodiversiteit landschappelijke waardecreatie aan het Westeinde te Wijngaarden' van 27 februari 2017 aandacht besteed landschapsecologie. Voorts heeft overleg plaatsgevonden met de Natuur- en Vogelwacht Alblasserwaard. Het projectplan 'Versterking biodiversiteit en duurzame landbouw in de Waterdriehoek en Alblasserwaard-Vijfheerenlanden' van 12 december 2017, waarvan ook de locatie Westeinde nabij het voormalige gascompressiestation en het Alblasserbos onderdeel uitmaakt, heeft geleid tot het beschikbaar stellen van een subsidie aan biodiversiteitsprojecten in het grensgebied Waterdriehoek/ Alblasserwaard van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland d.d. 22 februari 2018 voor onder andere onderhavig plangebied. Met deze rapportages is in voldoende mate aangetoond dat er vanuit soortenbescherming geen beperkingen zijn. Algemene Zorgplicht Voor alle planten- en diersoorten geldt de algemene zorgplicht die is opgenomen. Deze bepaalt dat eenieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora en/of fauna kan hebben, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken.

Conclusie Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd op basis van het uitgevoerde onderzoek nader onderzoek naar soortgroepen niet noodzakelijk is. De zorgplicht is te allen tijde van kracht.

5.4

Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten

5.4.1 Kabels en leidingen In het plangebied liggen twee gasleidingen. Hiervoor is een beschermende regeling opgenomen door het opnemen van een dubbelbestemming 'Leiding - Gas'. Voor het overige liggen er naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen planologisch relevante transportleidingen.

52

Toelichting

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels.

6.2

Verbeelding

Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond (GBKN) schaal 1:1.000, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven. Gekozen is voor een gedetailleerd bestemmingsplan.

6.3

Regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 6.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn onder andere de anti-dubbeltelregel, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkings- wijzigingsregels opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald. 6.3.1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.

Artikel 1 Begrippen In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot. Wijze van meten Artikel 2 In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald. 6.3.2 Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Toelichting

53

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Artikel 3 Agrarisch met waarden Voor het agrarisch bedrijf zijn op de verbeelding twee bouwvlakken opgenomen, welke door middel van de aanduiding 'relatie' als één bouwvlak wordt aangemerkt. Binnen het toegekende bouwvlak dienen de bedrijfsgebouwen, de bedrijfswoning en overige bijgebouwen alsmede sleufsilo's, kuilplaten te worden gesitueerd. Aan het oppervlak voor bedrijfsgebouwen is geen maximum gekoppeld. Binnen het bouwvlak is een productiegerichte paardenhouderij toegestaan. Specifieke gebruiksregels In de specifieke gebruiksregels worden (aanvullende) eisen gesteld aan het toegestane gebruik (conform de bestemmingsomschrijving). Het kan zijn dat het gebruik wel wordt toegestaan maar binnen bepaalde randvoorwaarden bijvoorbeeld een maximaal oppervlak. Dit geldt bijvoorbeeld voor nevenfuncties, paardenbakken en kleinschalig kamperen. Om de landschappelijke inpassing van de bedrijfsgebouwen en de terreininrichting te borgen is in de gebruiksregels een bepaling opgenomen dat binnen twee jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan beplanting rondom het bouwvlak is aangelegd overeenkomstig het ingediende beplantingsplan. Dit inrichtingsplan is als Bijlage 3 van de regels opgenomen.

Afwijken van de gebruiksregels voor niet agrarische nevenactiviteiten Bij nevenfuncties gaat het om mogelijkheden voor agrarisch verwante en niet-agrarische functies, hetzij in combinatie met agrarische bedrijfsvoering (nevenfuncties), hetzij om gebruiksmogelijkheden van agrarisch verwante en niet-agrarische functies in (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen. Per bestemming wordt aangegeven welke functies onder welke voorwaarden toelaatbaar zijn. Het kenmerk van nevenfuncties is de ondergeschiktheid aan de hoofdfunctie. In de regels worden verschillende nevenfuncties mogelijk gemaakt. Ter indicatie worden hiervoor maten of aantallen genoemd. Dit betekent niet dat deze maten en aantallen automatisch bij het agrarisch bedrijf ondergeschikt zijn. Het kan dus voorkomen dat een aanvraag voor 25 kampeerplekken bij de boer niet mogelijk is bij het agrarisch bedrijf, omdat 25 kampeerplekken naar aard en omvang niet ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie. Leiding – Gas Artikel 4 Deze dubbelbestemming geldt voor de gasleidingen in het plangebied. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden opgericht. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming mogen een maximale bouwhoogte hebben van 3 meter. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken voor het bouwen van bouwwerken ten dienste van andere onderliggende bestemmingen.

Daarnaast is het verboden om zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren. Het bevoegd gezag dient eerst een advies in te winnen van de leidingbeheerder, voordat hierop wordt beslist. Artikel 5 Waarde - Archeologie 2 In het bestemmingsplan is de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen om de in het plangebied voorkomende zone met archeologische (verwachtings)waarden juridisch-planologisch te beschermen. In de dubbelbestemming is aangegeven in welke mate en onder welke voorwaarden werkzaamheden zijn toegestaan. De opgelegde beperkingen zijn opgelegd om te voorkomen dat (mogelijk) voorkomende archeologische waarden worden aangetast. Van de mogelijkheden die de onderliggende bestemming biedt voor de uitvoering van (bouw)werkzaamheden kan pas gebruik worden gemaakt indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat als gevolg van de geplande werkzaamheden geen schade wordt toegebracht aan archeologische waarden. Aan een te verlenen omgevingsvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden die er op gericht zijn om archeologische resten te behouden. Deze voorwaarden kunnen ook gericht zijn op de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd. Verlangd kan worden dat de werkzaamheden plaatsvinden onder archeologische begeleiding.

6.3.3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het

54

Toelichting

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Algemene bouwregels Artikel 7 In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Aan toepassing van de afwijkingsbevoegdheid dient een belangenafweging ten grondslag te liggen. Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. Artikel 10 Overige regels In dit artikel zijn de parkeerregels opgenomen. Deze komen er op neer dat het parkeerbeleid van de gemeente dient te worden toegepast bij nieuwe bouwplannen en functiewijzigingen. Artikel 11 Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan Burgemeester en Wethouders de bevoegdheid gegeven om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. 6.3.4 Overgangs- en slotregels Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen.

Overgangsrecht Artikel 12 Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Lid 1 van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 2 van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming. Artikel 13 Slotregel Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.

6.4

Handhaving bestemmingsplan

Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid: 1. Voldoende kenbaarheid van het plan Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd. 2. Voldoende maatschappelijk draagvlak voor beleid en regeling in het plan De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. De belangen van omwonenden worden hierbij vooraf

Toelichting

55

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

gewogen in het kader van de inspraak. 3. Realistische en inzichtelijke regeling Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is. 4. Actief handhavingsbeleid Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid. Conclusie Het bestemmingsplan is zodanig opgesteld met toelichting, regels en verbeelding dat handhaving op naleving hiervan goed mogelijk is.

56

Toelichting

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Hoofdstuk 7 7.1

Uitvoerbaarheid en resultaten overleg

Economische uitvoerbaarheid

De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. Het betreft een particulier voornemen waarvan de lasten door initiatiefnemer zullen worden gedragen. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant gesloten anterieure exploitatieovereenkomst. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen om een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de overeenkomst.

7.2

Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan door middel van een E-formulier bij Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland aangemeld. Voorts is het voorontwerp toegezonden aan een aantal adviesinstanties. De Gasunie heeft schriftelijk gereageerd. Zij heeft verzocht om de belemmeringenstrook van de aardgastransportleiding correct weer te geven op de verbeelding. Verder is gevraagd de regels van de dubbelbestemming aan te passen om de belangen van de leidingbeheerder voldoende te borgen. Naar aanleiding van deze vooroverlegreactie is contact geweest met de Gasunie. Dit heeft geresulteerd in aanpassing van de verbeelding en de dubbelbestemming 'Leiding - gas', waarmee de Gasunie heeft ingestemd, zodat aan de opmerkingen is tegemoet gekomen.

7.3

Communicatie

Voordat het principeverzoek is ingediend, heeft overleg plaatsgevonden met Provincie Zuid-Holland, Gasunie, gemeente Papendrecht en gemeente Sliedrecht. Daarnaast is overleg geweest met vereniging Natuur- en Vogelwacht 'De Alblasserwaard'. Medio januari 2017 is het plan in conceptvorm toegelicht en besproken met deze vereniging. De gemaakte opmerkingen en suggesties hebben aanleiding gegeven om het plan hierop aan te passen. Tevens is in een nauwe samenwerking met de Natuur- en Vogelwacht de aanvraag versterking biodiversiteit opgesteld ('Biodiversiteit en landschappelijke waardcreatie aan het Westeinde te Wijngaarden' van 27 februari 2017. De ruimtelijke inpassing van het agrarisch bedrijf is hierdoor versterkt. De resultaten van de overleggen zijn verwerkt in dit plan. De bewoners van nummer 36, woonachtig tegenover het plangebied, zijn op de hoogte gesteld van het initiatief. Deze woning en het omliggende erf is al eigendom van initiatiefnemer. Voorts heeft initiatiefnemer overleg gehad met de eigenaar/ bewoner van de westelijk gelegen woning op nummer 35a. Tijdens dit overleg is aangegeven dat zij graag zien dat er niet te dicht op de erfgrens met hun perceel wordt gebouwd. Bij uitwerking van bouwplannen wordt hiermee zoveel mogelijk rekening gehouden. Om dit te borgen is het bouwvlak naast zijn woonperceel 4 m in westelijke richting verlegd.

Verder staan er in de directe nabijheid van het plangebied geen woningen van derden.

7.4

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor onderhavig ontwerpbestemmingsplan wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken heeft daartoe vanaf 21 februari 2020 gedurende zes weken ter inzage ter inzage gelegen. Tijdens de termijn van terinzagelegging zijn vier schriftelijke zienswijzen ingediend. Deze zijn beantwoord in de Nota van Beantwoording zienswijzen, zoals opgenomen in Bijlage 7.

Toelichting

57

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

58

Toelichting

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Regels

Regels

59

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan Het bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden met identificatienummer NL.IMRO.1978.BPtwwesteinde35aWG-VG01 van de gemeente Molenlanden. 1.2 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanbouw Een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.4 aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5 aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6 aan huis verbonden bedrijf Het in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen door middel van handwerk beroepsmatig verlenen van diensten of uitoefenen van ambachtelijke dan wel kleinschalige bedrijvigheid, waarbij de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate behouden blijft.

1.7 aan huis verbonden beroep Het in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen uitoefenen van een beroep of beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of daarmee gelijk te stellen gebied, waarbij de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate behouden blijft. 1.8 achtererfgebied Erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruizen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen. 1.9 afwijking Een afwijking van het bestemmingsplan als bedoeld in art. 2.1, lid 1, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) juncto art. 2.12, eerste lid, onder a, sub 1, van de Wabo. 1.10 agrarisch bedrijf Een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren; onder agrarische bedrijven worden tevens begrepen productiegerichte paardenhouderijen. 1.11 agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd Een agrarisch bedrijf met een omvang, passend bij minder dan een halve arbeidskracht.

1.12 agrarisch deskundige Een door het bevoegd gezag aan te wijzen algemeen erkende en onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van landbouw en tuinbouw.

60

Regels

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

1.13 agrarisch gebruik Het al dan niet bedrijfsmatig voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren. 1.14 agrarisch hulp- of nevenbedrijf Een bedrijf dat is gericht op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren, of de toepassing van andere landbouwkundige methoden (met uitzondering van mestverwerking), zoals o.a.: grootveeklinieken, KI-stations, mestopslag- en mesthandelsbedrijven, loonwerkbedrijven (inclusief verhuurbedrijven voor landbouwwerktuigen), veetransportbedrijven en veehandelsbedrijven. 1.15 agrarisch verwant bedrijf Een bedrijf of instelling gericht op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren of de toepassing van andere landbouwkundige methoden, zoals o.a. dierenasiels, dierenklinieken, groencomposteringsbedrijven, hondenkennels, hoveniersbedrijven, instellingen voor agrarisch praktijkonderwijs en proefbedrijven. 1.16 archeologische waarden De aan een gebied toegekende waarden in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit oude tijden. 1.17 bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.18 bebouwingspercentage Een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het bouwvlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald. 1.19 bed & breakfast Het verstrekken van logies met ontbijt. 1.20 bedrijfsgebouw Een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten. 1.21 bedrijfswoning Een woning, in of bij een bedrijf of instelling, bestemd voor (de huishouding van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk moet worden geacht. 1.22 bestaand Bestaand ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan. 1.23 bestaande bouwwerken Bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.24 bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.25 bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.26 bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

Regels

61

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

1.27 bijgebouw Een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. 1.28 bevoegd gezag Het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.29 biovergisting Het vergisten van dierlijke mest en andere organische (afval)stromen waardoor biogas ontstaat, dat kan worden gebruikt als energievoorziening. 1.30 boerderij(gebouw) een agrarische bedrijfswoning met in de bouwmassa opgenomen agrarische bedrijfsruimten, die samen een geïntegreerde eenheid (bouwkarakteristiek waarbij woon- en stalgedeelte van oudsher aan elkaar verbonden zijn) vormen. 1.31 bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.32 bouwgrens De grens van een bouwvlak. 1.33 bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.34 bouwperceelgrens Een grens van een bouwperceel. 1.35 bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. Als één bouwvlak wordt aangemerkt als twee of meer bouwvlakken zijn verbonden door middel van de aanduiding "relatie".

1.36 bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.37 buitenrijbaan/ paardenbak Een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijdactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining. 1.38 cultuurhistorischewaarde De aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied. 1.39 detailhandel Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.40 erf Al dan niet bebouwde bouwperceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij de bestemming deze inrichting niet verbiedt.

62

Regels

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

1.41 geurgevoelige objecten Gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 1.42 grondgebonden agrarisch bedrijf Een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant. Melkveebedrijven en paardenhouderijen zijn doorgaans ook grondgebonden. 1.43 grondgebonden veehouderij Een agrarisch bedrijf dat uitsluitend of overwegend is gericht op het houden van vee, waarbij het gebruik van agrarische grond noodzakelijk is voor het functioneren ervan. 1.44 hoofdgebouw Een (deel van een) gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken. 1.45 horeca Een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt.

1.46 hoveniersbedrijf Een bedrijf dat is gericht op het kweken en verkopen van planten en siergewassen en het aanleggen en onderhouden van tuinen en andere groenvoorzieningen. 1.47 intensieve veehouderij Het houden van slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen zonder of nagenoeg zonder weidegang, dat als zodanig niet afhankelijk is van agrarische grond als productiemiddel. 1.48 jaarplaats Een standplaats die het gehele jaar als standplaats mag worden gebruikt. 1.49 kampeerboerderijf Het gelegenheid geven tot het houden van recreatief nachtverblijf in gebouwen deel uitmakend van een (voormalig) agrarisch bedrijf. 1.50 kampeermiddel Tenten, tentwagens, kampeerauto's of toercaravans dan wel andere onderkomens of andere voertuigen of gedeelten daarvan, die geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of ingericht dan wel worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf - niet zijnde een stacaravan, chalet of trekkershut - en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben. 1.51 kantoor Een verblijfsruimte die door haar aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard zonder baliefunctie.

1.52 kassen Gebouwen waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal en dienend tot het kweken, trekken, vermeerderen, opkweken, of verzorgen van vruchten, bloemen, groenten, planten of bomen, alsmede in voorkomende gevallen tot bescherming van de omgeving tegen milieubelastende stoffen.

Regels

63

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

1.53 kelder een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 0,3 m boven peil. 1.54 kleinschalig kamperen/kamperen bij de boer Een kampeerterrein bij een agrarisch bedrijf voor ten hoogste 15 standplaatsen, niet zijnde stacaravans, gedurende de periode 15 maart tot en met 31 oktober. 1.55 kleinschalige horecagelegenheid Theeschenkerij of proeverij van streekeigen producten dan wel producten afkomstig van het eigen bedrijf, géén café, restaurant of ander horecabedrijf zijnde. 1.56 landschappelijke waarde De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur. 1.57 manege Een recreatief bedrijf dat hoofdzakelijk op eigen terrein binnen of buiten een gebouw gelegenheid geeft tot het beoefenen van de paardensport en al dan niet mogelijkheden biedt voor het verblijf en de verzorging van paarden, en waarbij hieraan ondergeschikt horeca is toegestaan. 1.58 mestbewerking Behandeling van dierlijke mest zonder noemenswaardige veranderingen aan het product teweeg te brengen. 1.59 mestverwerking De toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen.

1.60 nevenfunctie/nevenactiviteit Naast de hoofdfunctie van een agrarisch bedrijf functionerende bedrijfstak, welke dient bij te dragen aan het inkomen van het agrarische bedrijf; ondergeschikt dient te zijn aan de agrarische hoofdfunctie van het bedrijf in inkomsten, oppervlakte en/of tijdsbesteding en verbonden dient te zijn aan het boerenland/boerenerf (erf en/of overige gronden). 1.61 niet-grondgebonden agrarisch bedrijf Een agrarisch bedrijf dat in overwegende mate gericht is op de teelt, handel en bewaring van agrarische producten zonder afhankelijk te zijn van agrarische grond als productiemiddel dan wel een intensieve veehouderij. 1.62 ondersteunende horeca Een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is maar waar men ten behoeve van de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren. 1.63 overige niet grondgebonden agrarische bedrijven Niet-grondgebonden agrarische bedrijven, exclusief intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven. 1.64 paardenbak Een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining.

1.65 paardenhouderij hierbij wordt een onderscheid gemaakt in: productiegericht: een agrarisch bedrijf dat zich richt op het produceren van paarden die geschikt zijn voor een bepaalde taak zoals hengstenstations, opfokbedrijven, paarden- en ponyfokbedrijven,

64

Regels

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

handelsstallen en africhtings- en traningsstallen, africhtingsbedrijven e.d.; gebruiksgericht: een agrarisch verwant bedrijf of recreatiebedrijf in de vorm van een pensionstal, een wedstrijdstal, verhuurbedrijven, maneges, stallen en/of oefenaccommodaties. 1.66 paardenpension/paardenstalling Het houden van paarden en pony's ten behoeve van verhuur en eigen gebruik, alsmede het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en pony's in pension te stallen en te weiden; onder paardenpension/paardenstalling worden geen maneges verstaan. 1.67 peil a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan. 1.68 recreatief medegebruik Een recreatief gebruik van gronden, dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming, waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan. 1.69 seksinrichting Een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof hij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.

Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub en (raam) prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.70 staat van Horeca-activiteiten De Staat van Horeca-activiteiten die van deze regels deel uitmaakt. 1.71 statische opslag Opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, zoals (antieke) auto's, boten en caravans. 1.72 teeltondersteunende voorzieningen Voorzieningen in, op of boven de grond, die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten worden gebruikt om de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden te laten plaatsvinden. 1.73 uitbouw Een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.74 verkoop streekeigen producten Het te koop aanbieden, verkopen en/of leveren van agrarische producten aan particulieren, bij wijze van neventak van een agrarisch bedrijf, voor zover deze agrarische producten op het eigen bedrijf/in de regio zijn geteeld en hooguit op ambachtelijke wijze op het eigen bedrijf/in de regio zijn verwerkt of bewerkt.

1.75 voorgevel De naar het openbaar gebied gekeerde gevel van het hoofdgebouw, die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.76 woning/wooneenheid Een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

Regels

65

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

1.77 zorgboerderij De opvang van kinderen, volwassenen of gehandicapten, hetzij als niet-agrarische neventak, hetzij als vervolgfunctie op een agrarisch bouwperceel, waarbij het meewerken in het agrarisch bedrijf of bij het kleinschalig houden van dieren een wezenlijk onderdeel is van resocialisatie of therapie.

66

Regels

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens Dee kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse bouwperceelgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk. 2.2 bebouwd(e) oppervlak(e) van een bouwperceel De oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen. 2.3 bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4 goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.5 inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.6 oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.7 vloeroppervlak De som van het product van de afstand tussen de binnenwerkse gevelvlakken en de afstand van de (binnenzijde van de) bouwmuren per bouwlaag.

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.

Regels

67

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Agrarisch met waarden

Bestemmingsomschrijving

3.1.1 Algemeen De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch gebruik van gronden; b. grondgebonden veehouderijen; c. productiegerichte paardenhouderijen; d. bedrijfsmatige nevenactiviteiten, zoals opgenomen in 3.1.2 sub d; e. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden; f. extensief recreatief medegebruik; g. waterhuishoudkundige doeleinden; h. perceelsontsluitingen; i. voorzieningen van openbaar nut; een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen en houtwallen, en overeenkomstig de in 3.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming. 3.1.2 Nadere detaillering van de bestemming In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 3.1: a Bescherming van waarden Binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' is het beleid gericht op het beschermen en verder ontwikkelen van ecologische, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, alsmede op het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor een duurzame en concurrerende landbouw en behoud van de bedrijfsvoering van de aanwezige landbouw. b Agrarisch bedrijf Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' zijn agrarische bedrijven toegestaan.

Per 'bouwvlak' is maximaal één agrarisch bedrijf toegestaan, waarbij voorts geldt dat omschakeling uitsluitend is toegestaan naar een grondgebonden veehouderij. c Detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit Voorts is ten dienste van het agrarisch bedrijf detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit toegestaan; daarbij mag het enkel gaan om detailhandel in streekgebonden en agrarisch gerelateerde producten. Maximaal mag 100 m² verkoopvloeroppervlak voor deze detailhandelsactiviteit worden aangewend. d

Niet-agrarische nevenactiviteiten

Tabel 3.1 Rechtstreekstoelaatbare nevenfuncties Nevenactiviteit verkoop aan huis van streekeigen agrarische producten inpandige opslag en stalling van agrarische producten (meer dan reguliere opslag ten behoeve van eigen bedrijfsvoering) veearts/hoefsmederij/KI-station paardenstalling (incl. exploitatie paardenkoets), paardenpension, stalhouderij ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (kaasmakerij, imkerij, riet- en vlechtwerk, klompenmakerij)

68

Regels

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

bed & breakfast/gastenverblijf kleinschalige horecagelegenheid/dagrecreatie (theeschenkerij, boerderijcafé, wijnproeverij, speelboerderij) in categorie 1a van de Staat van Horeca-activiteiten kano-, boot- en fietsverhuur kinderboerderij kleinschalig kamperen (maximaal 15 standplaatsen) op of aansluitend aan het bouwvlak hoveniersbedrijf behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten rondleidingen op het agrarische bedrijf (voorzieningen hiervoor zoals een ontvangstruimte) e Landschappelijke en cultuurhistorische waarden Gestreefd wordt naar behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Dit houdt in dat het beleid gericht is op: 1. het in stand houden en versterken van het open weidekarakter van het komgebied, het behoud van de karakteristieke verkaveling (smalle percelen met een fijnmazig slotenpatroon); 2. het behoud en de ontwikkeling van de aanwezige waardevolle water- en oevervegetaties, ruigten en grienden en amfibieën; 3. het behoud van het natte karakter van het gebied, de goede waterkwaliteit, het fijnmazig slotenstelsel, aanwezige ruigten en grienden en extensief agrarisch graslandgebruik; 4. behoud van cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen en structuren zoals woonheuvels, tiendwegen, hennepakkers, achterkaden en dijken, havelingen, eendenkooien, wielen en kleiputten.

f Recreatief medegebruik Het gehele gebied mag worden gebruikt ten behoeve van recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het recreatief medegebruik worden recreatieve voorzieningen, zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d. toegestaan in het gehele gebied. g Aan huis verbonden beroep Voor zover ingevolge deze regels een bedrijfswoning is toegestaan, mag ter plaatse ook een aan huis gebonden beroep worden uitgeoefend. Het aan huis gebonden beroep dient gezien de aard, omvang en intensiteit passend te zijn binnen de woonfunctie. Tevens dient de gebruiker van de woning ook de beroepsmatige activiteit te ontplooien. De totale vloeroppervlakte voor de aan huis gebonden beroepsactiviteit mag niet meer bedragen dan 60 m² maar nooit meer dan 40% van de gebruiksoppervlakte van de woning en de bijgebouwen tezamen. De activiteit mag uitsluitend inpandig plaatsvinden. h Mestbewerking en mestverwerking en -vergisting Mestbewerking en mestverwerking en -vergisting van eigen producten wordt als bij het agrarisch bedrijf behorend nevenactiviteit aangemerkt, en kan derhalve worden toegestaan tot een capaciteit van 25.000 m³ per jaar. 3.2

Bouwregels

3.2.1 Algemeen De volgende algemene bouwregels gelden: a. Op de tot 'Agrarisch met waarden' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van doeleinden omschreven in 3.1. b. Ten behoeve van de in tabel 3.1 genoemde nevenfuncties geldt dat het oprichten van nieuwe bebouwing niet is toegestaan. 3.2.2 Bouwvlak Ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' mogen uitsluitend worden opgericht: a. agrarische bedrijfsgebouwen. Indien tussen bouwvlakken de aanduiding 'relatie' is aangegeven worden deze bouwvlakken aangemerkt als één bouwvlak;

Regels

69

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

b. indien en voor zover een nevenactiviteit als bedoeld in 3.1.2 onder d is toegestaan, gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van deze nevenactiviteit; c. één bedrijfswoning met bijbehorende bijgebouwen per aangeduid 'bouwvlak', dan wel per aanduiding 'bedrijfswoning'; d. gebouwen die bedrijfseconomisch noodzakelijk en doelmatig zijn voor de bedrijfsvoering en afgestemd zijn op de aard, inrichting en omvang van het bedrijf, hetgeen met een schriftelijk advies van een agrarisch deskundige dient te worden aangetoond; e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming. 3.2.3 Maatvoering De maatvoering en de situering van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak is als volgt: MIN. n.v.t. n.v.t.

BEDRIJFSGEBOUWENPER 'BOUWVLAK' GOOTHOOGTE BOUWHOOGTE BEDRIJFSWONING GOOTHOOGTE BOUWHOOGTE INHOUD

MIN. n.v.t. n.v.t.

BIJGEBOUWENEN OVERKAPPINGEN BIJ BEDRIJFSWONING BEBOUWDE OPPERVLAKTE

MAX. 7m 12 m

MAX. 6m 10 m Maximaal 1.000 m³ inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen en inclusief een kelder met een plafondhoogte van meer dan 0,3 m boven peil MIN.

MAX.

n.v.t.

50 m², in combinatie met oppervlakte bouwwerken, geen gebouwen zijnde GOOTHOOGTE n.v.t. 3m BOUWHOOGTE n.v.t. 6m Bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning mogen uitsluitend achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning worden opgericht. BOUWWERKEN,GEEN GEBOUWENEN OVERKAPPINGENZIJNDE HOOGTE MESTSILO DOORSNEDE MESTSILO INHOUD MESTSILO HOOGTE OVERIGE SILO'S HOOGTE ERFAFSCHEIDINGEN HOOGTE OVERIGE BOUWWERKEN, GEEN GEBOUWEN ZIJNDE het oprichten van lichtmasten, lichtbakken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van reclameborden en/of neonreclame is niet toegestaan

MAX. 5,5 m 25 m 2.500 m³ 15 m Voor voorgevelrooilijn: 1 m; Overige: 2 m 6m

3.2.4 Buiten bouwvlak Voor het oprichten van bouwwerken buiten de aanduiding 'bouwvlak' geldt het volgende: a. Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het agrarisch grondgebruik worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 2 m, met dien verstande dat: 1. de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen maximaal 1 m mag bedragen;

70

Regels

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

2. het oprichten van sleufsilo's, mestsilo's en teeltondersteunende voorzieningen niet is toegestaan. b. Ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik is uitsluitend het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan zoals banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d. met een maximale bouwhoogte van 2,5 m. 3.3

Nadere eisen

3.3.1 Nokrichting en voorgevel Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de situering, meer in het bijzonder de nokrichting en de richting van de voorgevel, van nieuw op te richten bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' met het oog op de cultuurhistorische verkaveling. 3.3.2 Situering Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de situering van nieuw op te richten bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' in verband met eisen van veiligheid en om te voorkomen dat het woon- en leefklimaat en de gebruiksmogelijkheden op een aangrenzend bouwperceel onevenredig worden aangetast. 3.3.3 Inrichting en landschappelijke inpassing Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de inrichting en de landschappelijke inpassing van een 'bouwvlak' met het oog op de cultuurhistorische verkaveling. 3.4

Afwijken van de bouwregels

3.4.1 Afwijken overschrijden bouwvlak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid in 3.2.2 teneinde ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' het bouwvlak te overschrijden, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de overschrijding mag aan één zijde plaatsvinden, niet zijnde een naar de openbare weg gekeerde zijde; b. de overschrijding mag niet meer dan 20 meter bedragen, gemeten uit de grens van het aangeduide 'bouwvlak'; c. de bebouwde oppervlakte van de overschrijding mag niet meer bedragen dan 600 m²; d. voor het overige is de maatvoering van het bepaalde in 3.2.3 van toepassing; e. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast; f. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; g. er wordt voldaan aan de eisen ten aanzien van externe veiligheid; h. de waterhuishouding wordt niet onevenredig aangetast; hiertoe wordt advies ingewonnen bij de waterbeheerder; i. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven waarden; j. de noodzaak van het overschrijden van het bouwvlak dient met een schriftelijk advies van een agrarisch deskundige aangetoond te worden.

3.4.2 Afwijken bouwen buiten bouwvlak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.4 onder a. teneinde buiten de aanduiding 'bouwvlak' bouwwerken met een bebouwde oppervlakte van maximaal 30 m² en een bouwhoogte van maximaal 4 m toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwwerken staan ten dienste aan de agrarische bedrijfsvoering; b. de bebouwing kan gezien de specifieke functie niet ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden geplaatst; c. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; d. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast; e. er wordt voldaan aan de eisen ten aanzien van externe veiligheid;

Regels

71

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

f.

de waterhuishouding wordt niet onevenredig aangetast; hiertoe wordt advies ingewonnen bij de waterbeheerder; g. de afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven waarden. 3.4.3 Afwijken groter bouwhoogte erf- en perceelsafscheidingen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.4 onder a. teneinde voor erf- en perceelsafscheidingen buiten de aanduiding 'bouwvlak' een grotere hoogte toe te staan van maximaal 2 m, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de grotere hoogte is noodzakelijk om dieren binnen de wei te houden; b. de erfafscheidingen mogen niet visueel gesloten zijn; c. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast; d. de ontheffing mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 3.1 omschreven waarden. 3.5

Specifieke gebruiksregels

3.5.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruiken of doen of laten gebruiken van de gronden en/of opstallen binnen deze bestemming: a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik en plaatsvindt ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'; b. het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en bewerken of verwerken van producten, tenzij dit plaatsvindt ten behoeve van de agrarische productie binnen het agrarisch bedrijf dan wel uitsluitend betrekking heeft op agrarische producten van het eigen bedrijf; c. detailhandel, behoudens het bepaalde in 3.1.2 onder c; d. wonen, met uitzondering van de toegestane bedrijfswoningen; e. het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde bouwwerken; f. kamperen, behoudens kleinschalig kamperen bij het agrarisch bedrijf, met inachtneming van het volgende: 1. kleinschalig kamperen is uitsluitend op of direct aansluitend aan de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' toegestaan; 2. kampeermiddelen mogen uitsluitend worden geplaatst in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober; 3.

ten behoeve van 'kleinschalig kamperen' zoals opgenomen in tabel 3.1 mag gebruik gemaakt worden van 100 m² aan bestaande bebouwing dan wel mag tot ten hoogste 100 m² aan nieuwe bebouwing worden opgericht, op of aansluitend aan het bouwvlak en met een goot- en bouwhoogte van ten hoogste 6 m respectievelijk 10 m; 4. het plaatsen van stacaravans is niet toegestaan; g. het aanbrengen van boomgaarden en fruitteelt; h. het realiseren van paardenbakken; i. complexgewijze volkstuinen en/of moestuinen. 3.5.2 Landschappelijke inpassing Ten behoeve van de landschappelijke inpassing gelden de volgende regels: a. de landschappelijke inpassing van de bedrijfsgebouwen en de buitenopslag op de gronden met de bestemming Agrarisch met waarden moet binnen twee jaar na het in werking treden van het bestemmingsplan zijn aangelegd overeenkomstig het inrichtingsplan en dient vervolgens aldus in stand te worden gehouden; b. onder inrichtingsplan wordt in deze planregels verstaan het 'Inrichtingsplan Westeinde Wijngaarden' van 30 april 2020, zoals opgenomen in Bijlage 3 van de regels. c. In afwijking van het bepaalde in 3.5.2, sub b kan het bevoegd gezag het 'Inrichtingsplan Westeinde Wijngaarden' aanpassen, indien op een andere wijze wordt voorzien in een landschappelijke inpassing op basis van een nieuw/ aangepast inrichtingsplan.

72

Regels

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

3.6

Afwijken van de gebruiksregels

3.6.1 Afwijken ten behoeve van niet-agrarische nevenactiviteiten Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van het toestaan van de in tabel 3.2 genoemde niet-agrarische nevenfuncties binnen het bouwvlak, met inachtneming van het volgende: a. nevenfuncties dienen milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen beperkingen optreden ten aanzien van zowel de bestaande situatie als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden; b. bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden, zoals bedoeld in 3.1, in de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast; c. de aanvrager dient aan de hand van een schriftelijk advies van een deskundige inzake cultuurhistorie en landschap aan te tonen dat aan het gestelde onder b wordt voldaan; d. ten behoeve van de nevenfuncties mag geen nieuwe bebouwing worden opgericht; e. in afwijking van het gestelde onder 3.2.1 mag ten behoeve van een sociale nevenfunctie, zoals genoemd in tabel 3.2, nieuwe bebouwing worden opgericht onder de volgende voorwaarden: 1. de aanvrager dient aan de hand van een schriftelijk advies van een agrarisch deskundige aan te tonen dat de nevenfunctie niet kan worden ondergebracht in de op het bouwvlak reeds bestaande bebouwing; 2.

de nieuwe bebouwing is uitsluitend bedoeld voor dagactiviteiten en logies ten dienste van de sociale nevenfunctie, permanent wonen is niet toegestaan; 3. de nieuwe bebouwing ten behoeve van de nevenfunctie mag niet meer dan 20% bedragen van de bebouwing ten dienste van de hoofdactiviteit aanwezig binnen het bouwvlak; f. voor de in tabel 3.2 genoemde functies is buitenopslag in geen geval toegestaan; g. een buitenrijbaan of een uitloop is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; h. het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor reclameborden en/of neonreclame is niet toegestaan, hetzelfde geldt voor lichtmasten en lichtbakken; i. er dient op eigen terrein en binnen het bouwvlak voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid voor de betreffende functie; j. nevenfuncties zijn uitsluitend toegestaan indien de nevenfunctie geen verkeersaantrekkende werking heeft en er geen verslechtering optreedt in de verkeersafwikkeling ter plaatse; k. de nevenfuncties dierenpension en hondenkennel zijn uitsluitend toegestaan indien de afstand van de nevenfunctie tot woningen van derden ten minste 50 m bedraagt; l. voor de nevenfunctie kleinschalig kamperen zoals bedoeld in tabel 3.2 gelden voorts de volgende bepalingen: 1.

de vergunning voor de nevenfunctie kleinschalig kamperen wordt ingetrokken wanneer de voorwaarden van de vergunning worden overtreden ten aanzien van de periode waarin kamperen is toegestaan; 2. het terrein voor kleinschalig kamperen wordt op of aansluitend aan het bouwvlak gerealiseerd; 3. in afwijking van het gestelde onder d mag ten behoeve van 'kleinschalig kamperen' gebruik gemaakt worden van 100 m² aan bestaande bebouwing dan wel tot ten hoogste 100 m² aan nieuwe bebouwing worden opgericht, op of aansluitend aan het bouwvlak en met een goot- en bouwhoogte van ten hoogste 6 m respectievelijk 10 m; 4. het terrein voor kleinschalig kamperen en de bijbehorende voorzieningen zoals parkeerterreinen dienen te worden voorzien van een goede, groene landschappelijke inpassing met gebiedseigen beplanting, met dien verstande dat kleinschalig kamperen niet is toegestaan binnen de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'. Tabel 3.2 Toegestane nevenfuncties na afwijking bij een omgevingsvergunning Nevenactiviteit biomassa- en mestvergistingsinstallaties veehandelsbedrijf, foeragehandel, paardenhandel agrarisch loonbedrijf behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=1ac4458b-736f-46cf-84e0-37c1cb3e1d9f