CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 toelichting en regels bestemmingsplan Vinkenhof, Wijngaarden

Commissievergadering Wonen, Werken & Verkeer 12 januari 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Vinkenhof, Wijngaarden30.843 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Derhalve wordt ingezet op het behoud van de agrarische sector en het versneld leren omgaan met processen zoals schaalvergroting en verbreding. De aanwezige agrarische bedrijven krijgen de ruimte om zich binnen vooraf opgestelde kaders verder te

28

Toelichting

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

ontwikkelen. Ook kan er ruimte worden geboden voor verbrede landbouw, in de vorm van recreatie, zorg, horeca, kleinschalige detailhandel en ambachtelijke bedrijvigheid. Deze activiteiten vinden op natuurlijke wijze hun plek in het landschap, waardoor een mozaïek aan activiteiten ontstaat. Een mozaïek dat het landschap aantrekkelijk maakt, houdt en zorgt dat de agrarische sector ook in de toekomst kan blijven bestaan. Agrarisch open landschap De agrarische sector is de belangrijkste drager van het landschap. De grondgebonden veehouderij bepaalt daarbij de landschappelijke en natuurwetenschappelijke kwaliteit. In dit gebied kan de mogelijkheid worden geboden om de activiteiten op agrarische bedrijven te laten ontwikkelen. Primair kan dit op het vlak van landbouw, maar ook verbreden met zaken als extensieve recreatie, horeca, kleinschalige detailhandel, ambachtelijke bedrijvigheid en zorg op de boerderij is op plekken denkbaar. Dit om de sector een beter toekomstperspectief te bieden. Hierbij geldt als voorwaarde dat deze verbreding niet ten koste mag gaan van de ruimtelijke kwaliteit. Een tweede voorwaarde is wel dat deze ontwikkelingen niet mogen leiden tot substantiële toename van het aantal verkeersbewegingen en/of tot extra beperkingen van de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven in de omgeving. Overigens is de landbouw niet de enige drager van het landschap.

Het weidse en open karakter ontleent het landschap aan het agrarische gebruik, maar het landschap is meer dan alleen openheid. Toetsing planontwikkeling aan Structuurvisie Graafstroom In de Structuurvisie is opgenomen dat agrarische bouwblokken plaatselijk mogelijkheden bieden voor verruiming, tenzij dit op onevenredige belemmeringen stuit in de woongebieden. Bestaande bedrijven kunnen naar redelijkheid uitbreiden. Het nieuw vestigen van glastuinbouw-, boomteelt-, fruitteelt- en niet grondgebonden veehouderijbedrijven is uitgesloten. Nieuwvestiging van andere agrarische bedrijven wordt niet per definitie uitgesloten. Hierbij moet wel worden aangesloten op de karakteristieke landschapskwaliteiten van het gebied. Het merrie- & veulencentrum betreft een grondgebonden agrarische activiteit. De inseminatie van merries, de geboorte van jonge veulens en het embryonale onderzoek vindt plaats in de stalruimte en verzorgingsruimte. Hierbij is ook een opslagschuur vereist, waarin materieel, hooi/stro en voedingsmiddelen kunnen worden opgeslagen. De paarden zullen weiden in de aan het bouwvlak grenzende weilanden. Het geheel wordt landschappelijk ingepast, waarbij ook een klompenpad wordt aangelegd richting het Alblasserbos. Conclusie Uit de SWOT-analyse blijkt dat sprake is van een sterke en gezonde agrarische sector.

Op het Ruimtelijk Casco maakt het gebied onderdeel uit van het 'Agrarisch open landschap', waarin nieuwe grondgebonden agrarische bedrijven mogelijk zijn die landschappelijk worden ingepast (figuur 9). De Structuurvisie heeft een hoog abstractieniveau waarin niet op perceelsniveau uitspraken worden gedaan. Dit bestemmingsplan maakt het oprichten van een nieuw grondgebonden agrarisch bedrijf mogelijk, zodat kan worden gesteld dat deze ontwikkeling in overeenstemming is met de uitgangspunten (onderdeel Agrarisch open landschap) van de Structuurvisie.

Toelichting

29

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Figuur 9: Uitsnede Ruimtelijk casco van structuurvisie Graafstroom. 3.3.2 Parapluherziening Buitengebied Graafstroom De gemeenteraad van Molenwaard heeft op 20 februari 2018 de parapluherziening Buitengebied Graafstroom vastgesteld. In dit bestemmingsplan zijn de regels geharmoniseerd met de regels uit de bestemmingsplannen van de voormalige gemeenten Liesland en Nieuw-Lekkerland. Hoofdlijn van het beleid is dat het buitengebied van Molenwaard hoofdzakelijk is bedoeld voor de uitoefening van agrarische bedrijvigheid. Deze agrarische bedrijven zijn een belangrijke drager voor de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied en het kenmerkende polderlandschap van de Alblasserwaard. Daarnaast krijgen agrariërs de mogelijkheid om, ter verbreding van hun inkomsten, andere (niet-) agrarische nevenactiviteiten te exploiteren. In de regels van de bestemmingsplannen zijn een aantal activiteiten direct toegestaan of met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid. Het gaat dan om activiteiten die inspelen op de doelen met betrekking tot recreatie of kleinschalige bedrijvigheid. De linten zijn met name bedoeld voor nieuwvestiging van agrarische bedrijven. Conclusie De nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf is in overeenstemming met de uitgangspunten van de parapluherziening.

3.3.3 Molenwaards kookboek (2016) Op 11 oktober 2016 heeft de gemeenteraad van Molenwaard het 'Molenwaards Kookboek' vastgesteld. Het betreft een inspiratiedocument over de ruimtelijke kwaliteit van het unieke Molenwaardse landschap. Het bevat geen regeltjes waaraan een initiatief moet voldoen, maar inspirerende foto’s, afbeeldingen en “recepten”. Daarmee kunnen initiatiefnemers aan de slag bij het uitwerken van hun initiatief. Op die manier houdt de gemeente de landschappelijke kwaliteit voor ogen én blijft het unieke landschap behouden voor de toekomst. Positie Kookboek Het kookboek geeft antwoord op de vraag hoe op een goede manier invulling gegeven kan worden aan de landschappelijke inpassing van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling. Het staat in een bepaalde verhouding tot andere gemeentelijke instrumenten. De gemeentelijke structuurvisies bevatten het ruimtelijk beleid op hoofdlijnen en benoemen de wenselijke functies in de verschillende gebieden. De bestemmingsplannen vormen het juridisch kader en zijn de verbijzondering van de structuurvisies. Het kookboek gaat niet over welke functie op welke plaats wenselijk is. Welstand is het toetsingskader op het niveau van bouwplannen en gaat vooral over architectuur. Daarin onderscheidt het zich van het kookboek, dat zich meer richt op landschap.

30

Toelichting

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Conclusie Voor deze planontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarin wordt aangetoond dat de uitwerking op een juiste wijze landschappelijk kan worden ingepast ingevolge het stappenplan en de recepten uit het 'Molenwaards Kookboek ruimtelijke kwaliteit 2016'. In hoofdstuk 2.4 is hierop ingegaan.

3.4

Conclusie

Het planinitiatief voldoet aan het geschetste rijksbeleid. Het betreft een passende functie in het buitengebied. Er is geen strijdigheid met de rijksbelangen. In de provinciale Omgevingsvisie is het gebied in het veenweidegebied gelegen. De landbouw is een belangrijke sector in de Zuid-Hollandse economie en voor grote delen van de provincie de drager van de landschappelijke kwaliteit. Voldaan wordt aan de uitgangspunten en randvoorwaarden, zoals deze zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de provinciale belangen. De vestiging van een merrie- & veulencentrum past eveneens binnen de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid, zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke structuurvisie. De agrarische bedrijfsactiviteiten worden op landschappelijke wijze ingepast. Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat dit bestemmingsplan in overeenstemming is met het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.

Toelichting

31

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

32

Toelichting

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Hoofdstuk 4 4.1

Water

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in onder meer de toelichting bij een bestemmingsplan. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

4.2

Beleid Rijk en provincie

4.2.1 Rijk Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.

Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP2 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd. 4.2.2 Beleid provincie Op provinciaal niveau heeft de provincie Zuid-Holland het beleid vertaald in het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021. Dit plan bepaalt het waterbeleid. Het gaat om waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en een robuust en veerkrachtig watersysteem. In de Omgevingsvisie is veel ruimtelijk waterbeleid geïntegreerd. De visie omvat onder andere het wettelijk verplichte regionale waterplan als genoemd in artikel 4.4 van de Waterwet.

Voor de provincie zijn naast de Waterwet (Omgevingswet in 2021) en de Drinkwaterwet ook andere kaders en plannen bepalend en richtinggevend voor het beleid ten aanzien van de drinkwatervoorziening. Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 blijft ongewijzigd van kracht. Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. In dit Plan staat uitgebreid beschreven hoe de provincie, samen met waterschappen en andere partners, een duurzame en klimaatbestendige delta zal realiseren en behouden, waar het veilig en aangenaam wonen, werken en recreëren is. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het

Toelichting

33

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: 1. Waarborgen waterveiligheid 2. Zorgen voor mooi en schoon water 3. Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening 4. Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit leidt tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad.

4.3

Beleid waterschap Rivierenland

De locatie ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Het schap is in dit gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk specifiek bouwproject wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bebouwing op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. Het bestuur van het waterschap Rivierenland heeft het Waterbeheerplan 2016-2021 met als titel 'Koers houden, kansen benutten' op 27 november 2015 vastgesteld. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Bij de uitvoering van het programma beweegt het waterschap mee met veranderingen om haar heen en benut zij kansen die zich voordoen in de regio. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2016-2021) wil bereiken en hoe zij dat wil doen. Het plan heeft een looptijd van zes jaar. In de Beleidsregels van het waterschap is een vuistregel opgenomen voor de compensatie van toename aan verhard oppervlak. Deze vuistregel houdt in dat voor elke hectare nieuw verhard oppervlak er 436 m³ waterberging gerealiseerd moet worden (gebaseerd op de T=10+10% bui).

Daarbij mag het waterpeil niet meer dan 20 cm stijgen in de Alblasserwaard. In het stedelijk gebied is de toename voor de eerste 500 m² verhard oppervlak vrijgesteld van watercompensatie en voor het landelijk gebied is dit 1.500 m². Voor een toename > 5.000 m² in stedelijk en/of landelijk gebied is een maatwerkberekening nodig via een model (in overleg met waterschap).

4.4

Waterhuishouding

Toetsingskader Het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer in het binnendijkse gedeelte wordt gevoerd door Waterschap Rivierenland. Waterschap Rivierenland beheert de waterkeringen en in het Zuid-Hollandse deel van haar beheergebied, de wegen, niet zijnde rijks- of provinciale wegen buiten de bebouwde kom. De rioleringstaak binnen het plangebied valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het kader van de watertoets wordt deze waterparagraaf overlegd met het waterschap, waarna de opmerkingen worden verwerkt in deze waterparagraaf. Beschrijving watersysteem Het plangebied ligt in de Polder Wijngaarden. Voor alle watergangen is het beleid er op gericht dat het water ecologisch gezond is, zodat planten en dieren erin kunnen leven. Er dient voldoende water te zijn, zodat het water op het gewenste peil kan worden gehouden en sloten niet droog komen te staan of buiten haar oevers treedt. Het water moet er ook aantrekkelijk uitzien, het moet niet stinken en het moet prettig voelen om in de buurt van het water te vertoeven. De bodemsamenstelling van het terrein bestaat globaal uit de grondsoort veen. In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als grasland. Legger In het plangebied liggen geen (regionale) waterkeringen op grond van de Legger primaire waterkeringen. Evenmin ligt het plangebied in een beschermingsgebied van een waterkering.

Op de Legger Wateren (vastgesteld in oktober 2016) liggen er in het plangebied alleen wateren met een C-status. Een uitsnede

34

Toelichting

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

van de legger is opgenomen in figuur 10.

Figuur 10: Uitsnede Legger wateren. Beschrijving waterkwantiteit B-watergangen In de nieuwe situatie wordt een bouwvlak mogelijk gemaakt, zodat het verhard oppervlak toeneemt (agrarische bebouwing en verharding). Van deze toename mag 1.500 m² (éénmalige vrijstelling) worden afgetrokken in de compensatieberekening wanneer hiervan (vanaf het begin van deze eeuw) nog geen gebruik is gemaakt op dit perceel of deze elders door de initiatiefnemer binnen het gebied van het waterschap is ingezet. Op grond van de richtlijnen van het waterschap dient voor elke hectare aan nieuw verhard oppervlak een watercompensatie van 436 m³ te worden gerealiseerd waarbij een maximale peilstijging in de watergang is toegestaan van 0,20 meter. Deze compensatie moet als B-watergang worden gerealiseerd, dat wil zeggen dat de compensatie in verbinding moet staan met de omliggende watergangen richting het gasstation aan de noordzijde van het plangebied. De tussenliggende watergangen/ trajecten zullen hierdoor ook opgewaardeerd moeten worden naar een B-status. Berekening: De totale toename van verhard oppervlak bedraagt 6.104 m². Na aftrek van de vrijstelling moet er 4.604 m² worden gecompenseerd. Er dient een watercompensatie van (4.604/10.000)*436 m³ = 201 m³ te worden gerealiseerd. In vierkante meters moet er 201/ 0,2 = 1.005 m² nieuw wateroppervlak worden gerealiseerd.

Er wordt 210 strekkende meter aan C-watergang gedempt met een oppervlak van 315 m². Dit moet worden terug gecompenseerd als B-watergang. In totaal moet er 1.005 + 315 = 1.320 m² aan B watergang worden gerealiseerd. In totaal voorziet het initiatief in extra waterberging van minimaal 1.320 m² aan B-watergangen. Dit wordt bereikt door bestaande B watergangen te verbreden en waterpartijen aan het Westeinde te vergroten. Conclusie Er wordt extra waterberging van minimaal 1.320 m² aan B-watergangen gegraven. Hiermee wordt voldaan aan de benodigde waterberging, zonder afwenteling naar het omliggend gebied te creëren. Ook wordt een neerslagsituatie die eens in de 10 jaar voorkomt met deze ingreep ondervangen. De nieuwe opgaven zijn in tabel 4.1 weergegeven. De nieuwe bebouwing zal worden aangesloten op het gemeentelijke riool overeenkomstig het gemeentelijke rioleringsbeleid. Het schoon water van de nieuwe bebouwing wordt rechtstreeks op het

Toelichting

35

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

oppervlaktewater geloosd. Geen gebruik zal worden gemaakt van uitloogbare materialen. Mogelijk dat vanuit het Besluit lozingen buiten inrichting aanvullende maatregelen nodig zijn voor de afstroming van hemelwater van (vervuilde) verharde oppervlakken richting de sloot, maar dat hangt af van de bedrijfsvoering en inrichting. De algemene uitgangspunten van duurzaam waterbeheer, zoals geformuleerd door het waterschap Rivierenland worden, daar waar mogelijk, toegepast. Met inachtneming van het vorenstaande bestaan er vanuit waterhuishoudkundige overwegingen geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling. Tabel 4.1 Wateropgave.

36

Toelichting

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Hoofdstuk 5

Omgevingsaspecten

De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

5.1

Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 5.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat dit project wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 14, oprichten inrichting bestemd voor het fokken, mesten of houden van dieren), maar de omvang ruim onder de drempelwaarde van 200 stuks melkvee (ouder dan 2 jaar), 100 paarden (waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld), 2.000 schapen en 40.000 stuks pluimvee blijft, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van dit bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r.

De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Plan/besluit In dit bestemmingsplan wordt een bouwvlak voor een nieuw agrarisch bedrijf mogelijk gemaakt dat minder groot is dan 2 hectare. In totaal worden 50 paarden niet ouder dan 3 jaar en 50 paarden (ouder dan 3 jaar) gehouden. Momenteel is het gebied als weiland in gebruik zonder bouwvlak. De planontwikkeling zit qua omvang onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Voorts zal de mogelijke uitstoot vanwege de grote afstand tot het dichtstbijzijnde gelegen Natura 2000-gebied Biesbosch (ruim 4 kilometer zuidelijker) geen gevolgen hebben. Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bestemmingsplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu.

Bij deze beoordeling is tevens gebruik gemaakt van alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particulier projecten'. Het plan is getoetst aan onder meer de volgende kenmerken. Kenmerken van het project Sprake is van een geringe omvang van het plangebied, terwijl er geen cumulatie is met ander projecten. Evenmin is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen aan de orde. Voorts is er geen sprake van productie van afvalstoffen en verontreiniging en hinder. Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij het nieuwe agrarische bouwvlak. Plaats van het project Het merrie- & veulencentrum ligt buiten de invloedssfeer van het Natura 2000-gebied De Biesbosch.

Toelichting

37

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Omdat uitbreiding met een zekere veestapel als een activiteit wordt beschouwd is er een passende beoordeling opgesteld, waarin inzichtelijk wordt of de betreffende activiteit een negatieve invloed heeft op de gestelde beheerdoelen. In paragraaf 5.3 wordt hierop ingegaan. Voorts zal de mogelijke uitstoot tot verderop gelegen Natura 2000-gebieden geen gevolgen hebben zoals is aangetoond in paragraaf 5.3.1. Het plangebied is voorts niet van cultureel of archeologisch belang. Dit aspect is beschreven in paragraaf 5.2. Kenmerken van het potentiële effect Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. Bovendien is er geen sprake van een onomkeerbaarheid van het effect. De complexiteit is gering gelet op de omvang van het plangebied. Op basis van deze uitgevoerde beoordeling kan worden geconcludeerd dat het project geen significante effecten heeft op het milieu. Conclusie Op basis van bovenstaande korte toelichting in relatie tot vormvrije M.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat de beoogde planontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu tot gevolg zal hebben.

Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bestemmingsplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu. 5.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Van een 'rustig buitengebied' is sprake wanneer er in de nabijheid vrijwel geen andere functies voorkomen. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer.

Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd. Onderzoek/ beoordeling Het agrarisch bedrijf ligt in het buitengebied nabij het Alblasserbos zonder dat er in de directe nabijheid verder veel bebouwing staat. Gesteld kan worden dat hier sprake is van een rustig buitengebied. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 5.1 vermeld. Tabel 5.1: Richtafstanden en omgevingstype. Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype Milieucategorie rustig buitengebied gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd welke bestaande woningen relevant kunnen zijn voor het bouwvlak. Voor het bepalen van de milieuzones is uitgegaan van de afstandsnormen op basis van de VNG-richtlijn voor rustig buitengebied, uitgaande van een bedrijf in milieucategorie 3.1 (SBI-2008, 0143). De dichtstbijzijnde woning aan het Westeinde 35a ligt op een afstand van meer dan

38

Toelichting

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

35 meter ten opzichte van het bouwvlak, zodat de bedrijfsactiviteiten geen belemmering vormen. Vanuit een goede ruimtelijke ordening blijft voor de bestaande woningen een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd. Wet geurhinder en veehouderij In de nieuwe situatie zal op het agrarisch bedrijf een paardenhouderij (met 50 paarden jonger dan 3 jaar en 50 paarden van 3 jaar en ouder) worden gehouden. In verband hiermede is de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij gelden er voor veehouderijbedrijven afstanden die in het kader van de milieuvergunningverlening moeten worden aangehouden tussen de veehouderij en woningen van derden. Voor een woning buiten de bebouwde kom tot een veehouderij geldt een afstand van 50 meter. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat. Tevens moet beoordeeld worden of het bedrijf niet onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Activiteitenbesluit Het Activiteitenbesluit is van toepassing op o.a. paardenhouderijen waar niet meer dan 100 stuks paarden worden gehouden en opslagen van vaste mest.

Het Activiteitenbesluit bevat voorwaarden die bepalen of een inrichting wel of niet onder het Besluit valt. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op het aantal dieren, de afstand tot een kwetsbaar gebied, de afstand tot gevoelige objecten en de aard en capaciteit van stoffen die worden op- en overgeslagen. Indien niet aan de minimale afstanden wordt voldaan, is het bedrijf Wm-vergunningplichtig. De minimale afstanden zijn weergegeven in tabel 5.2. Naast de in de tabel genoemde afstanden gelden minimale afstanden tot opslagen van mest, afgedragen gewassen en dergelijke. Tabel 5.2: Minimale afstanden landbouwbedrijven. Inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden minimumafstand binnen de 100 m bebouwde kom minimumafstand buiten de 50 m bebouwde kom

Inrichting waar geen landbouwhuisdieren worden gehouden 50 m 25 m

Bij het toelaten van nieuwe gevoelige functies en de nieuwbouw of uitbreiding van agrarische bedrijven dient rekening te worden gehouden met (afstands)normen ten aanzien van landbouwbedrijven. Op grond hiervan dient een afstandnorm van 50 meter te worden aangehouden, omdat het plangebied buiten de bebouwde kom ligt. De afstand kan met 25 meter worden verminderd, wanneer de gemeente een Geurverordening vaststelt op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (afgekort Wgv). Geurverordening 2013 gemeente Molenwaard De gemeenteraad van de gemeente Molenwaard heeft op 15 januari 2013 de 'Geurverordening gemeente Molenwaard' vastgesteld. Deze verordening is bedoeld om knelpunten die zijn ontstaan door de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit milieubeheer en van de Wet geurhinder en veehouderij en die botsen met het ruimtelijke beleid van de gemeente waar mogelijk op te heffen. Met deze verordening wil de gemeente ruimte bieden aan bestaande grondgebonden bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken. In de Geurverordening is het mogelijk gemaakt om de vaste afstanden te verkleinen om gewenste ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Daarbij geldt binnen de bebouwde kom een minimale afstand van 50 meter en buiten de bebouwde kom een minimale afstand van 25 meter.

Toetsing planontwikkeling aan Geurverordening De afstand tussen de stallen en de dichtstbijzijnde woningen van derden (buiten de bebouwde kom) moet ten minste 25 meter bedragen. De afstand tot de dichtstbijzijnde (oostelijk gelegen) woning is meer dan 35 meter, zodat een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Mitsdien worden er

Toelichting

39

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

geen beperkingen gesteld aan de bedrijfsvoering van de agrarische activiteit. Voor de bedrijfsactiviteiten zal de gebruiker tijdig een melding doen op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voldaan kan worden aan de in het Besluit genoemde voorschriften. Beschikking Wet natuurbescherming Westeinde ten westen van 35a, Wijngaarden In verband met onderhavige planontwikkeling heeft Hans Rietveld Agrarisch Advies te Meerkerk namens aanvrager een aanvraag Wet natuurbescherming ingediend voor het oprichten van een paardenopfokcentrum met maximaal 50 volwassen paarden en 50 paarden in opfok. Hieruit is gebleken dat de gevraagde ontwikkelingsruimte kan worden toebedeeld en dat een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb kan worden verleend. Het besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 16 maart 2018 is bijgevoegd (Bijlage 5). Conclusie Uit inventarisatie is gebleken er geen relevante bedrijven en/of milieugevoelige functies in de nabijheid van het plangebied zijn gevestigd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. Een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, zodat er vanuit milieuzonering geen bezwaren bestaan tegen dit bestemmingsplan.

5.1.3 Geluid Wettelijk kader wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van wonen. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk. Wettelijk kader Spoorweglawaai Op 1 juli 2012 zijn de “spelregels” voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister.

Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register. Binnen de aangewezen zones dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Wettelijk Industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Verkeerslawaai De relevante wegen in de directe omgeving van het plangebied zijn het Westeinde en de Matenaweg. Voor deze wegen geldt een maximum snelheid van 60 km/uur. Bij verandering van een bestemmingsplan moet er in principe worden getoetst aan de Wet geluidhinder, omdat er een nieuwe

40

Toelichting

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

woning wordt opgericht. In verband met het vorenstaande is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door DPA Cauberg Huygen B.V. te Rotterdam (rapport van 14 juni 2018, referentie 04504-42252-02, Bijlage 1). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat ten gevolge van wegverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde van 48 (dB) Lden voor de bedrijfswoning als gevolg van het Westeinde en de Matenaweg niet wordt overschreden. De geluidbelasting is 43 dB (inclusief aftrek op grond van artikel 110 Wet geluidhinder). Dit betekent dat geen hogere waarde dient te worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. Spoorweglawaai De planlocatie bevindt zich binnen de zone van een spoor tracé (de Betuwelijn). De berekende geluidbelastingen zijn getoetst aan de grenswaarden voor agrarische woningen uit de Wet geluidhinder. Voor spoorwegen geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB met een maximale ontheffingswaarde van 68 dB. Uit de berekeningen blijkt dat de optredende geluidbelasting vanwege het spoor maximaal 52 dB bedraagt op de voorgevel (zuidoost) van de woning. Hiermee is geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (55 dB), zodat er geen hogere waarde nodig is. Industrielawaai Binnen het invloedsgebied van het nieuwe agrarische bedrijf liggen geen (gezoneerde) bedrijventerreinen, zodat er uit dien hoofde geen beperkingen zijn.

Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit de Wet geluidhinder geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. 5.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Onderzoek/ beoordeling In juni 2013 is een bodemsanering uitgevoerd op het terrein van meet- en regelstation Wijngaarden aan het Westeinde 37 te Wijngaarden. Hierbij is metalenverontreiniging in de bovengrond gesaneerd tot gehalten die voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse Wonen. De verontreiniging met vluchtige aromaten, minerale olie en/of tetrahydrothiofeen in grond en grondwater is in de grond gesaneerd tot gehalten onder de achtergrondwaarde en het grondwater is gesaneerd tot concentraties onder de tussenwaarde.

De verontreiniging met metalen in de bovengrond is ontgraven en verontreinigde grond is afgevoerd naar de Grond- en Reststoffenbank Zuid-Nederland B.V. te Vught. In één wand is een gehalte aan zink boven de achtergrondwaarde gemeten dat echter beneden de bodemkwaliteitsklasse Wonen ligt en daarmee voldoet aan het gestelde saneringsdoel. Verder zijn voor metalen in geen van de wanden of de putbodem gehalten boven de toetsingswaarden gemeten. De ontgraving is aangevuld met de ontgraven schone bovengrond en met conform het Besluit bodemkwaliteit uitgekeurde schone grond. Gedurende de grondsanering is grondwater onttrokken. Het onttrokken grondwater is geloosd op het oppervlaktewater. De sanering is verantwoord in het 'evaluatierapport bodemsanering meet- en regelstation Wijngaarden (A161) te Wijngaarden' van Outline Consultancy te Groningen (rapport van 25 september 2013, projectnummer B13K0118). Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de saneringsdoelstelling is gerealiseerd. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid van het bevoegd gezag.

Toelichting

41

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Conclusie Voor de bestemmingswijziging is de bodem voldoende is onderzocht. Na de bodemsanering is de bodem geschikt gemaakt voor het beoogde gebruik. Voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouw is een actualiserend onderzoek noodzakelijk. Deze onderzoeken zullen worden aangeleverd wanneer een aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend. Met inachtneming hiervan zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig met betrekking tot de voorgenomen activiteiten op het onderhavige plangebied. 5.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in tabel 5.3. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht.

Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tabel 5.3: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit jaargemiddelde uurgemiddelde 24-uursgemiddelde stof NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 n.v.t. PM2,5 PM10

25 µg/m3 40 µg/m3

n.v.t. n.v.t.

n.v.t. 50 µg/m3

Opmerkingen Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden n.v.t. 24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden

Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; en b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; en c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10, PM2,5) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.) d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen. Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Onderzoek/ beoordeling Voor de toetsing of het plan in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit is van belang met welke functies het plangebied wordt uitgebreid. In het gebied al aanwezige functies worden niet meegerekend bij het bepalen van de verkeersaantrekkende werking van het plan. Ten opzichte van de bestaande situatie is sprake van een nieuw agrarisch bouwvlak. Uit de AERIUS-berekening in het kader van de Wet natuurbescherming (Bijlage 5) blijkt dat de ontwikkeling passend is binnen de beschikbare ontwikkelingsruimte. Daarnaast is de NSL monitoringstool geraadpleegd, die behoort bij het Nationaal

42

Toelichting

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, voor 2017 en de diverse prognosejaren (2020 en 2030) in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de A15. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten ruim onder de grenswaarden. Voor de verderop gelegen Westeinde is dat niet anders. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat. Conclusie De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. In de omgeving van het plangebied worden grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet overschreden. De realisatie van het plan wordt conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) toelaatbaar geacht. 5.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Onderzoek/ beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van het Basisnet beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid. Transport over water Er ligt in de omgeving van het plangebied geen vaarweg. Er dus geen beperking voor het plangebied.

Transport over spoor Er ligt in de omgeving van het plangebied geen spoorbaan. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen rijksweg of provinciale weg met een route gevaarlijke stoffen, zodat deze planontwikkeling geen belemmering vormt. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt vanaf 1 januari 2011 de AMvB Buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in de AMvB. Er liggen in het plangebied twee aardgastransportleidingen van de Gasunie. De buisleiding A-667 heeft een diameter van 47,99 inch (1/219 mm) en een werkdruk van 79,9 bar. Voor deze hogedruk gasleiding dient voor kwetsbare objecten (woningen) een belemmeringenstrook te worden aangehouden van 4 meter. Het invloedsgebied is 220 m. Ten westen van deze leiding ligt de aardgastransportleiding W-528-05 met een diameter van 17,99 inch (457 mm). Hiervoor geldt een invloedsgebied van 100 m. Voor het overige liggen er in de directe nabijheid geen leidingen, die voor externe veiligheid relevant zijn. In figuur 11 zijn de buisleidingen aangeduid. De omvang van het nieuwe risico in relatie tot de oriëntatiewaarde bepaalt of

Toelichting

43

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

en onder welke voorwaarden de bestemming op die locatie kan worden gerealiseerd. In verband hiermede is een risicoberekening uitgevoerd en een verantwoording van het groepsrisico in het invloedsgebied opgesteld. In paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 wordt hierop ingegaan. Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Risicokaart (figuur 11) zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd.

Figuur 11: Uitsnede Risicokaart (plangebied zwart omlijnd). 5.1.7 Rapport 'Externe Veiligheid' Aardgastransportleidingen Ten behoeve van de plantontwikkeling aan het Westeinde is een risicoberekening voor plaatsgebonden risico opgesteld in verband met het invloedsgebied van de in het plangebied gelegen hogedruk gasleidingen. Dit onderzoek externe veiligheid is uitgevoerd door adviesgroep AVIV B.V. te Enschedé (rapport van 25 mei 2018, project P183604, Bijlage 2). Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de relevante aardgasleidingen zijn berekend voor de huidige situatie en toekomstige situatie. Plaatsgebonden risico De berekeningen hebben niet geleid tot een plaatsgebonden risicocontour voor de grenswaarde van 10-6. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het oprichten van een merrie- & veulencentrum met bedrijfswoning. Groepsrisico Het groepsrisico neemt toe door de ontwikkeling, maar is in zowel de huidige als de toekomstige situatie meer dan 10.000 keer kleiner dan de oriëntatiewaarde. Er kan worden volstaan met een

44

Toelichting

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

zogeheten beperkte verantwoording. Het bevoegd gezag dient het bestuur van de regionale brandweer in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen. Overige risicobronnen Gascompressorstation Uit de risicokaart blijkt dat er geen risico of veiligheidsafstanden gelden gemeten vanaf het gascompressorstation. 5.1.8 Verantwoording groepsrisico Er dient een verantwoording te worden opgesteld, omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van een hogedruk gasleidingen van de Gasunie. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde, omdat het groepsrisico ten gevolge van het nieuwe agrarische bouwvlak niet significant toeneemt. De hoogte van het groepsrisico moet worden onderzocht en bestuurlijk worden verantwoord. Door deze verantwoordingsplicht zijn betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid in het plangebied en de omgeving voldoende is gewaarborgd. Hiertoe is een Verantwoording groepsrisico opgenomen in de Risicoberekening van AVIV B.V. te Enschedé (rapport van 25 mei 2018, project P183604), dat als Bijlage 2 bij dit bestemmingsplan is gevoegd. De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond is hierbij als adviseur betrokken. Op basis hiervan kan het volgende worden vastgesteld.

Situatie groepsrisico Voor alle beschouwde leidingen geldt dat het groepsrisico in zowel de huidige als de toekomstige situatie meer dan 10 keer kleiner dan de oriëntatiewaarde is. In dit geval kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In een beperkte verantwoording van het groepsrisico hoeven slechts vier zaken aan de orde te komen, namelijk: 1. De personendichtheid in het invloedsgebied van de buisleidingen. 2. De hoogte van het groepsrisico. 3. De bestrijdbaarheid. 4. De zelfredzaamheid. Een nadere beschouwing van risico reducerende maatregelen en ruimtelijke alternatieven met een lager groepsrisico is niet nodig. Het bevoegd gezag dient het bestuur van de regionale brandweer in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over punten 3 en 4. Het bevoegd gezag dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over de voorbereiding tot bestrijding van een ramp en zelfredzaamheid bij een ramp. Advies Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid Per e-mail van 6 november 2018 heeft de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) een advies uitgebracht. De VRZHZ kan instemmen met de risicoanalyse Externe veiligheid Hogedruk aardgasleiding Wijngaarden (AVIV, project P183604, datum 25 mei 2018).

Maatregelen ter beperking van het groepsrisico Om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten van incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen te verbeteren, worden de volgende maatregelen genomen: Het opstellen van een BHV-plan dat onder andere rekening houdt met de mogelijkheden om de paarden in veiligheid te brengen. Verantwoording Het college van burgemeester en wethouders van Molenwaard heeft kennis genomen van de inhoud van de rapportage en de gegeven adviezen en acht het groepsrisico, na het nemen van de voorgestelde maatregelen, aanvaardbaar. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De

Toelichting

45

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

5.2

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in thans de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. 5.2.1 Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland) is het gebied niet specifiek aangeduid.

Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. Het gebied ligt in stroomgordels en geulafzettingen in de Formatie van Echteld met als kenmerk: buffer stroomgordels en geulafzettingen. De plankaart laat zien dat er in dit deelgebied een kleine tot grote trefkans op archeologische sporen is (zie figuur 12).

46

Toelichting

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Figuur 12: Gecombineerde Waardenkaart CHS provincie Zuid-Holland. 5.2.2 Gemeentelijk beleid De gemeenteraad van Molenwaard heeft op 15 januari 2013 de Erfgoedverordening gemeente Molenwaard vastgesteld. Deze verordening rapport met bijbehorende kaartbijlagen dient als uitgangspunt voor de nog op te stellen ruimtelijke plannen. Op de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is het plangebied grotendeels aangeduid met een hoge archeologische verwachting aan of nabij het oppervlak (figuur 13). Op grond hiervan geldt een vrijstellingsgrens voor bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv en plangebied groter dan 250 m².

Toelichting

47

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

Figuur 13: Uitsnede beleidskaart archeologie Molenwaard. 5.2.3 Archeologisch onderzoek In verband met de aanleg van het compressorstation en leidingtracé heeft Raap Archeologisch Adviesbureau in april 2007 archeologisch vooronderzoek onderzoek verricht. In het archeologisch onderzoeksrapport werd geconcludeerd dat (potentiële) vindplaatsen niet bedreigd worden door de aanleg van het leidingentracé met uitzondering van 'ARCHIS-waarnemingsnummer 35509'. Uit nader onderzoek (inventariserend booronderzoek van december 2007) is gebleken dat bij ARCHIS-waarnemingsnummer 35509 geen terplichaam aanwezig is en er dus geen archeologisch resten in het geding zijn. Voorgaand onderzoek in het plangebied Voor een deel van het plangebied (het voormalige Meet en Regelstation van de Nederlandse Gasunie; kadastraal perceel A317) heeft RAAP in 2012 reeds een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 4). Deze zone heeft een oppervlak van circa 6.400 m2. Het huidige onderzoek richt zich op een zone van ongeveer 1,7 ha. In het huidige onderzoek wordt naar deze zone verwezen als 'onderzoeksgebied'. Circa 10 jaar geleden zijn in de noordwestelijke hoek van het onderzoeksgebied reeds 18 boringen in twee haaks op elkaar geplaatste raaien gezet.

De bodemopbouw is hier dus al gedocumenteerd (bestaat voor de bovenste 2 m voornamelijk uit veen) en de afwezigheid van een verhoogde huisplaats in deze zone is hiermee aangetoond (deze werd op basis van een vondstmelding/oppervlaktekartering in 1981 hier verwacht). Conclusies bureauonderzoek In verband met de planontwikkeling voor het oprichten van een paardenhouderij is een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek uitgevoerd door RAAP (rapport van 10 december 2020, Bijlage 4). Hieruit kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Op basis van het uitgevoerde booronderzoek blijkt dat de bodemopbouw in het plangebied minimaal tot 40 cm –mv is verstoord. Op en nabij het voormalige Meet - en Regelstation van de Gasunie is de bodemopbouw tot dieper verstoord (plaatselijk tot 135 cm –mv). In deze lagen zijn geen in situ archeologische resten meer te verwachten. Tijdens het veldonderzoek zijn geen archeologische ophogings- of cultuurlagen aangetroffen, die de aanwezigheid van bewoningssporen langs de laat middeleeuwse ontginningsas ten zuiden van het plangebied (de straat Westeinde) zouden kunnen illustreren. Op basis van deze resultaten kan voor het plangebied de hoge archeologische verwachting

48

Toelichting

bestemmingsplan Vinken Hof, Wijngaarden

voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd naar laag worden bijgesteld. Op basis van het booronderzoek blijft de lage-middelhoge archeologische verwachting voor de ijzertijd en de Romeinse tijd bestaan. Potentiële archeologische niveaus uit deze perioden (oevers, crevasses, of inactief geraakte geulen van de Papendrecht stroomgordel) zijn in een groot deel van het plangebied vanaf 130-180 cm –mv aanwezig (vanaf 2,9-3,65 m –NAP). De middelhoge archeologische verwachting voor de periode vanaf het neolithicum en de Schoonrewoerd blijft eveneens bestaan. Waar dieper reikende geul -/beddingafzettingen van de Papendrecht aanwezig zijn, lijken potentiële archeologische niveaus in de top van de Schoonrewoerd te zijn geërodeerd. Dit blijkt echter niet in alle boringen het geval, aangezien in enkele boringen restgeul- en oeverafzettingen met een goeddeels intact bodemprofiel worden afgedek t door een dik pakket veen. De afzettingen, die aan de Schoonrewoerd zijn toegeschreven, zijn vanaf 320-360 cm –mv (vanaf 4,65-5,4 m –NAP) aanwezig. Deze diepteligging wijkt aanzienlijk af van de diepteligging vande top van de Schoonrewoerd stroomgordel in de omgeving, die op basis van oudere onderzoeken werd verwacht of gesteld (vanaf 3 m –NAP; Kok & Bosch, 1992 en De Kruif, 2012). Ten tijde van deze onderzoeken was de Papendrecht stroomgordel, die door Cohen e.a.

is gekarteerd en die grofweg de loop van de Schoonrewoerd volgde (Cohen e.a., 2012), echter nog niet in kaart gebracht, waardoor afzettingen van de jongere Papendrecht waarschijnlijk aan de Schoonrewoerd zijn toegeschreven. Tijdens het booronderzoek zijn geen rivierduinafzettingen binnen 400 cm –mv aangetroffen. Hiermee ondersteunt het onderzoek de verwachting dat hoger liggende delen van rivierduinen niet in het plangebied aanwezig zijn. De archeologische verwachting voor het mesolithicum kan naar laag worden bijgesteld. Hierbij dient echter wel opgemerkt te worden dat tijdens het booronderzoek van De Kruif (2012) in een dieper doorgezette boring vanaf 6,2 m –mv/7,8 m –NAP mogelijke stroomgordelafzettingen uit deze periode zijn aangeboord. Advies Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied mogelijk archeologische resten aanwezig zijn en bedreigd kunnen worden bij toekomstige bodemingrepen. Het gebied waar potentiële archeologische niveaus en archeologische sporen en resten vanaf het neolithicum mogelijk nog in situ aanwezig zijn betreft de zone waar stroomgordelafzettingen van de Papendrecht en/of Schoonrewoerd zijn aangetroffen (rekening houdend met een bufferzone). Voor deze zone wordt geadviseerd om een archeologische dubbelbestemming in het nieuwe bestemmingsplan op te nemen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=1ac4458b-736f-46cf-84e0-37c1cb3e1d9f