Bijlage 1 – Toelichting en regels bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Tekst van het document
Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991).
Planspecifiek Het plan betreft de ontwikkeling van een wooneenheid in bestaand woongebied. Om te bepalen wat de risico’s zijn ten aanzien van voorliggend plangebied is de Externe Veiligheidskaart van de provincie geraadpleegd.
Pagina 26 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Figuur 12. Uitsnede Externe Veiligheidskaart. Plangebied in blauwe cirkel.
Uit raadpleging van de risicokaart blijkt dat in de nabijheid van de planlocatie geen Bevi inrichtingen, transportroutes gevaarlijke stoffen en buisleidingen aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde rode lijn op de kaart betreft een gasleiding op een afstand van meer dan 700 meter. De plaatsgebonden risicocontouren lopen dan ook niet over het plangebied. Evenmin is een nader onderzoek in het kader van groepsrisico noodzakelijk. Het aspect Externe Veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor het plan.
Archeologie Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als waardevol beschouwd. De Monumentenwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed grotendeels bij de gemeente. Sinds 1 september 2007 kent Nederland de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz). Vanaf de inwerkingtreding van deze (wijzigings-)wet zijn gemeenten verplicht rekening te houden met archeologische waarden in de bestemmingsplannen. Als instrument om een goed onderbouwde belangenafweging te kunnen maken heeft de gemeente Stichtse Vecht een archeologische beleidskaart laten ontwikkelen. Op de archeologische beleidskaart staan archeologische waarden- en verwachtingszones aangegeven waaraan beleidsregels zijn gekoppeld die in de bestemmingsplannen kunnen worden opgenomen. In de beleidsregels zijn vrijstellingsgrenzen opgenomen voor de oppervlakte en diepte van de voorgenomen ingreep. Indien een plangebied groter is dan de gestelde oppervlakteondergrens en de ingreep dieper gaat dan de diepte-ondergrens dient archeologisch onderzoek conform de Archeologische MonumentenZorg-Cyclus (AMZ-cyclus) te worden uitgevoerd. Planspecifiek De locatie heeft de bestemming Archeologische waarde.
De voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Op deze gronden mag worden gebouwd mits dat de archeologische waarden worden vastgesteld en niet worden geschaad. Dit hoeft niet te worden aangetoond wanneer het bouwplan betrekking heeft op: • vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; • een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 250 m²;
Pagina 27 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
•
een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
dieper
dan
30 cm
en
zonder
In voorliggend plan wordt de nieuw te bouwen woning binnen de contouren van de bestaande bedrijfshal gebouwd. Verder bedraagt het oppervlak van de nieuwe woning en de aanbouw van de bestaande woning minder dan 250 m2. Het aspect Archeologie vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. 4.9.1 Nationaal waterbeleid Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
• schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet.
Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Pagina 28 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
4.9.2 Regionaal waterbeleid Waterschapsbeleid Rivierenland Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezem- kades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater. Verordening ‘de Keur’. Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening ‘de Keur’. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening ‘de Keur’ is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt.
Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Planspecifiek Het plan betreft de wijziging van het bouwvlak naar wonen en het toevoegen van een wooneenheid. Het plangebied valt onder het waterschap Rivierenland. Materialen Het gebruik van uitloogbare materialen zal in het plan zo veel mogelijk worden voorkomen. Waterkering Het planperceel is niet gelegen in of nabij een waterkering. Het plan heeft geen gevolgen voor het onderhoud van de watergangen en waterkering. Hemelwater en vuil water Het afvalwater van de nieuwbouw zal op de bestaande riolering van Kanaaldijk-Noord 1 aangesloten worden. Het hemelwater zal geloosd worden op de nabijgelegen C-watergang. In de bestaande situatie wordt op deze watergang geloosd en functioneert dit goed. Het nieuwe verharde oppervlakte dat op deze watergang loost wordt niet groter dus er wordt geen knelpunt ten aanzien van het lozen van hemelwater op de C-watergang voorzien. Toename verhard oppervlak Het oppervlakte aan verharding zal als gevolg van het plan afnemen. De bestaande bedrijfshal van ca. 120 m2 zal gesloopt worden en een deel van de bestaande verharding, ca. 150 m2 zal verwijderd worden. De verharding dat blijft liggen wordt gebruikt als bestrating/terras bij de nieuwe woning.
De nieuwe levensloopbestendige woning heeft een grondoppervlakte van ca. 85 m2 met een aanbouw van ca. 30 m2. Bij de te behouden woning wordt een bestaande berging van ca. 10 m 2 vervangen door een aanbouw van 20 m2. Op het voorterrein wordt een nieuwe ontsluiting geregeld door middel van een grindpad. Dit grindpad zal niet voorzien worden van een puingranulaat ondergrond, mede om infiltratie in de ondergrond goed mogelijk te maken. Het oppervlakte van de nieuwe ontsluiting bedraagt circa 150 m2 en kan als halverharding voor 50% meegerekend worden. Er zal derhalve 150 + 120 = 270 m2 aan verharding verwijderd worden en er wordt ca. 85 + 30 + 10 + (150 x 50%) = 200 m2 aan verhard oppervlakte toegevoegd. Er is dan ook sprake van een afname in verharding van ca. 70 m2 Er is verder geen watercompensatie nodig. Het aspect waterhuishouding vormt daarom geen belemmering voor voorliggend plan. Pagina 29 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Verkeer en Parkeren Verkeer en parkeren is een wezenlijk onderdeel van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat een plan voorziet in voldoende parkeermogelijkheden. Hierbij geldt doorgaans dat de omgeving niet nadelig belast mag worden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede dient beoordeeld te worden of de bestaande infrastructuur toereikend is voor de beoogde ontwikkeling en dat er als gevolg van de ontwikkeling geen verkeersonveilige situaties ontstaan.
Planspecifiek De parkeernorm voor vrijstaande woningen in het buitengebied in een niet stedelijke omgeving bedraagt, op basis van de normen van het Nota Parkeernormen Molenlanden 2020, minimaal 2,4 parkeerplaatsen per woning, waarvan 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers is. In totaal zijn 4.8 parkeerplaatsen nodig. Voor elke woning worden 2 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd, dus in totaal 4 parkeerplaatsen. Daarnaast is bij elke woning op de oprit of op het voorterrein beneden aan de dijk meer dan voldoende ruimte voor de extra benodigde parkeerplaats die hoofdzakelijk door bezoekers gebruikt zal worden. In voorliggend plan wordt derhalve aan de normen van de Nota Parkeernormen Molenlanden voldaan. De woningen en parkeergelegenheid is via de bestaande oprit vanaf de Kanaaldijk-Noord te bereiken. De parkeerdruk zal afnemen aangezien de bedrijfsbestemming met verkeersgeneratie beëindigd is en hiervoor in de plaats 1 woning met bijbehorende verkeersgeneratie komt. Het aspect Verkeer en Parkeren vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Pagina 30 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
5 Juridische planbeschrijving Plansystematiek Het bestemmingsplan ‘Kanaaldijk Noord Arkel’ heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan is gericht op het mogelijk maken van woningen. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht op het vigerende bestemmingsplan ter plaatse ‘Buitengebied Giessenlanden” en bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Voor iedere bestemming is een toegesneden bebouwingsregeling opgenomen. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
Opzet van de regels Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 6.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan. In beginsel zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, waarbij dient te worden voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot- en/of bouwhoogte).
De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels. Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. In paragraaf 6.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen. Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: • de anti-dubbeltelbepaling; • algemene bouwregels; • algemene aanduidingsregels; • algemene afwijkingsregels; • algemene wijzigingsregels; • overige regels.
Pagina 31 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
De bestemmingen In het plangebied zijn verschillende bestemmingen weergegeven. Hieronder wordt een nadere beschouwing gegeven van deze bestemmingen. Artikel 3 Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen’ zijn bestemd om de nieuw beoogde woningen planologisch mogelijk te maken. De regels voor ‘Wonen’ zijn overeenkomstig de regels van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’. Artikel 4 Waarde – Archeologie 4 Op de verbeelding van het bestemmingsplan zijn de gronden waar mogelijk archeologische waarden in de grond zitten aangeduid met archeologische waarde. Door middel van deze dubbelbestemming blijven de eventueel aanwezige waarden in de ondergrond afdoende beschermd.
Pagina 32 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
6 Maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid Naast ruimtelijke uitvoerbaarheid wordt de beoogde ontwikkeling van het plangebied ook getoetst aan economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Economische uitvoerbaarheid Op grond van de Grondexploitatiewet dient een exploitatieplan te worden vastgesteld bij het vaststellen van het bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan, tenzij de economische uitvoerbaarheid anderszins is gegarandeerd. De procedurekosten voor het plan worden middels de gemeentelijke legeskosten op initiatiefnemer verhaald. Tevens wordt een anterieure overeenkomst en of een planschadeovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer van het plan. Hiermee zijn kosten en risico’s verdeeld. Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico’s voort die voor rekening van de gemeente zijn. De economische uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 (Verslag inspraak en artikel 3.1.1 Bro overleg) Het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan organisaties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Op voorliggend plan heeft de provincie gereageerd dat de molenbiotoop opgenomen moet worden in dit plan. Het waterschap heeft aangegeven dat de watercompensatieberekening verder uitgewerkt moet zijn. Beide opmerkingen zijn in het plan verwerkt. 6.2.2 (Verslag zienswijzen) Het plan is tevens gedurende de ontwerpfase in het kader van art 3.8 Wro en volgens afdeling 3.4 van de Awb ter inzage liggen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 26 februari 2021 tot en met 8 april ter inzage liggen, waarbij gelegenheid geboden is voor het indienen van zienswijzen. Er zijn geen zienswijzen op het plan ingediend.
Pagina 33 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
7 Bijlagen 1. Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder Kanaaldijk Noord 1 te Arkel, Weel geluidadvies, Referentie: PLA.20.07, 6 juli 2020 2. Verkennend Ecologisch Onderzoek, Kanaaldijk Noord 1 te Arkel; Watersnip Advies; Referentie: 20A0034, april 2020; 3. Aeriusberekening Sloop schuur en bouw nieuwe woning, Plannen-makers, PM20004, 3 december 2020 4. Verkennend (asbest)bodemonderzoek Kanaaldijk-Noord 1 te Arkel, Adcim, Projectnummer: 20200220, 22-06-2020
Pagina 34 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Regels bestemmingsplan “Arkel KanaaldijkNoord 1” Planstatus: vastgesteld Plan identificatie: NL.IMRO.1978.BPKanaaldknrd1ARL-VG01
Inhoudsopgave 1 Inleidende regels ....................................................................................................................... 3 Artikel 1 Begrippen .............................................................................................................................. 3 Artikel 2 Wijze van meten ................................................................................................................... 8 2 Bestemmingsregels.................................................................................................................... 9 Artikel 3 Tuin ....................................................................................................................................... 9 Artikel 4 Wonen................................................................................................................................. 10 Artikel 5 Waarde - Archeologie - 4 .................................................................................................... 12 3 Algemene regels ...................................................................................................................... 14 Artikel 6 Anti-dubbeltelregel .............................................................................................................
14 Artikel 7 Algemene bouwregels ........................................................................................................ 14 Artikel 8 Algemene gebruiksregels .................................................................................................... 15 Artikel 9 Algemene aanduidingsregels .............................................................................................. 15 Artikel 10 Algemene afwijkingsregels ............................................................................................... 15 Artikel 11 Algemene wijzigingsregels ................................................................................................ 16 Artikel 12 Overige regels ................................................................................................................... 17 4 Overgangs- en slotregels .......................................................................................................... 18 Artikel 13 Overgangsrecht ................................................................................................................. 18 Artikel 14 Slotregel ............................................................................................................................ 19
2
1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan Arkel Kanaaldijk-Noord 1 van de Gemeente Molenlanden. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GMLbestand NL.IMRO.1978.BPKanaaldknrd1ARL-VG01 met de bijbehorende regels. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarvoor ingevolge dit bestemmingsplan regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aan- en uitbouw een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig en estethisch opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw. 1.6 aan-huis-gebonden beroepen een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en voor zover deze beroepen een ruimtelijke uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.7 achtererf de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan. 1.8 afhankelijke woonruimte een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit het oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.
1.9 agrarische activiteiten bij wijze van hobby/hobbyboer agrarische activiteiten, voornamelijk bij wijze van liefhebberij, niet zijnde bedrijfsmatig. 1.10 antennedrager een antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne. 1.11 antenne-installaties een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie. 3
1.12 archeologisch onderzoek onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt. 1.13 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden. 1.14 bebouwing een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.15 bed & breakfast/gastenverblijf het verstrekken van logies met ontbijt binnen de bestaande (bedrijfs)woning of het hoofdgebouw. 1.16 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of de Wabo. 1.17 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.18 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming 1.19 Bevi-inrichtingen bedrijven zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.20 bevoegd gezag bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.21 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk bouwen, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.22 bouwgrens de grens van een bouwvlak.
1.23 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor woonfuncties geschikt of geschikt te maken is. 4
1.24 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge deze regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.25 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel. 1.26 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; bouwvlakken die verbonden zijn door middel van de figuur 'relatie', worden geacht één bouwvlak voor één bedrijf te vormen. 1.27 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.28 bijgebouw een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. 1.29 cultuurhistorische waarde de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en/of historische gaafheid. 1.30 dakkapel een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst.
1.31 dakopbouw een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie (deels) boven de oorspronkelijke nok uitkomt en de onderzijden van de constructie in één of beide dakvlak(ken) is (zijn) geplaatst. 1.32 deskundige een door het bevoegd gezag te erkennen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake archeologie, natuur, landschap en/of cultuurhistorie. 1.33 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.34 geluidsgevoelige objecten woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder 5
1.35 hobbykas een gebouw, dat geheel of vrijwel geheel bestaat uit glas of ander doorzichtig materiaal en dat dient voor het hobbymatig telen van planten. 1.36 hobbymatige agrarische activiteiten het niet bedrijfsmatig gebruiken van gronden voor het hobbymatig houden van vee en/of telen van agrarische producten. 1.37 hoofdgebouw een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.38 inpandig omsloten door andere gedeelten van een gebouw of door andere gebouwen. 1.39 kap een constructie van één of meer dakvlakken met een helling van meer dan 30° en minder dan 65°. 1.40 landschapswaarde de aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van de aardoppervlakte, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur. 1.41 Levensloopbestendige woning een woning waarin de zogenaamde primaire verblijfsruimtes (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer) zich op dezelfde woonlaag bevinden. 1.42 lijst van MIP-panden de lijst van MIP-panden (Monumenten Inventarisatie Project) die van deze regels deel uitmaakt. 1.43 natuurwaarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de aanwezige flora en fauna.
1.44 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.45 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak. 1.46 peil a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; 6
b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. 1.47 voorgevel de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.48 zijerf de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.
7
Artikel 2 Wijze van meten Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstand de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.4 dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.6 inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.7 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.8 vloeroppervlakte de gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.
8
2 Bestemmingsregels Artikel 3 Tuin 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; b. bij de bestemming behorende voorzieningen zoals erven, parkeervoorzieningen, tuinen, water en toegangswegen; 3.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. de oppervlakte van overkappingen bedraagt ten hoogste 6 m²; c. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn, met uitzondering van toegangspoorten, mag ten hoogste 1 m bedragen; d. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders, inclusief toegangspoorten, mag ten hoogste 2 m bedragen; e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen; f. op gronden met de bestemming Tuin, welke groter zijn dan 1.200 m², mag een zwembad worden gebouwd tot ten hoogste 35 m² en met een afstand van minimaal 3 m tot de erfafscheiding.
9
Artikel 4 Wonen 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen daaronder begrepen aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; alsmede voor: b. bed & breakfast/gastenverblijf, voor zover het gebruik van bebouwing ten behoeve van de activiteit niet meer bedraagt dan 100 m²; c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, paardenbakken, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, water en toegangswegen. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemene bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. 4.2.2 Hoofdgebouwen a. per bouwvlak mag één woning (inclusief aan- en uitbouwen) gebouwd worden, tenzij met de maatvoeringaanduiding 'maximum aantal wooneenheden' anders is weergegeven; b. de inhoud van de woning (inclusief aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) mag ten hoogste 850 m³ bedragen; c. de goothoogte bedraagt ten hoogste 6 m, tenzij met de maatvoeringaanduiding 'maximale goothoogte' anders is aangegeven. 4.2.3 Bijgebouwen en overkappingen a.
ten hoogste 50% van het bouwvlak, met uitzondering van het grondoppervlak van het hoofdgebouw, mag worden bebouwd met bijgebouwen en overkappingen tot maximaal 75 m² en met een maximale goothoogte van 3 m; b. bijgebouwen en overkappingen dienen achter de voorgevelrooilijn gebouwd te worden. 4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn mag ten hoogste 1 m bedragen; b. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders mag ten hoogste 2 m bedragen; c. ten behoeve van paardenbakken gelden de volgende bouwregels: 1. per bouwvlak is ten hoogste één paardenbak toegestaan; 2. de afmeting van de paardenbak bedraagt maximaal 20 bij 40 m; 3. de paardenbak dient achter de bebouwing gerealiseerd te worden; 10
4. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 25 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden; 5. lichtmasten zijn niet toegestaan; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen. 4.3 Specifieke gebruiksregels 4.3.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing Binnen één jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan dient te worden voorzien in de inrichting en instandhouding van groenvoorzieningen overeenkomstig het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 1 van deze regels.
11
Artikel 5 Waarde - Archeologie - 4 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. 5.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in artikel 5 lid 1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels uitsluitend worden gebouwd, indien: 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of indien het bevoegd gezag van oordeel is dat anderzijds in voldoende mate is aangetoond dat de archeologische verwachtingswaarde voor de betrokken locatie niet meer reëel is; 2.
de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige; c. het bepaalde in dit lid onder b1 en b2 is niet van toepassing, indien: 1. het bouwplan is gelegen binnen een bouwvlak met de bestemming 'Agrarisch' of 'Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden'; 2. het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: i. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; ii. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 250 m²; iii. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie - 4' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen van de bodem;
12
b. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte van de aan te brengen verhardingen 250 m² of meer bedragen; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil; e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van bos of boomgaard; i. het scheuren van grasland over een grotere oppervlakte dan 250 m²; j. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 30 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage. 5.3.2 uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod van artikel 5 lid 3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. gelegen zijn binnen een bouwvlak met de bestemming 'Agrarisch' of 'Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden'; b. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 5 lid 2 in acht is genomen; c.
een oppervlakte beslaan van ten hoogste 250 m²; d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 5.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden, zoals in artikel 5 lid 3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld of indien het bevoegd gezag van oordeel is dat anderzijds in voldoende mate is aangetoond dat de archeologische verwachtingswaarde voor de betrokken locatie niet meer reëel is; b.
de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.
13
3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7 Algemene bouwregels 7.1 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingen, aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt; b. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1 m bedraagt. 7.2 Herbouw woningen Algehele herbouw van woningen mag uitsluitend plaatsvinden op bestaande fundamenten, mits dit niet strijdig is met de geldende (dubbel)bestemming. 7.3 Bestaande maten a. Voor een bouwwerk, dat krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringsbepalingen in de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat: 1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 en artikel 7 lid 4 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; 2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 en artikel 7 lid 4 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden.
b. Ingeval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt. c. Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing. 7.4 Nutsvoorzieningen Nutsvoorzieningen zijn, voor zover genoemd in de bestemmingsomschrijving, toegestaan indien de bouwhoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, ten hoogste 3 m bedraagt en de oppervlakte niet meer bedraagt dan 30 m². 7.5 Ondergronds bouwen Ondergrondse bebouwing is uitsluitend ter plaatse van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen toegestaan, met dien verstande dat geen inbreuk mag worden gemaakt op
14
het maximaal te bebouwen oppervlak van het perceel en eventuele dubbelbestemmingen het realiseren van de bebouwing niet in de weg staat.
Artikel 8 Algemene gebruiksregels a. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning of afhankelijke woonruimte is niet toegestaan; b. het gebruik van bed & breakfast kamersvoor permanente bewoning is niet toegestaan; c. kleinschalige beroepen- en bedrijven-aan-huis zijn toegestaan tot een vloeroppervlak van 75 m² en uitsluitend in de bestaande bebouwing; in het kader van deze kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is geen horeca en detailhandel toegestaan.
Artikel 9 Algemene aanduidingsregels 9.1 Vrijwaringszone - molenbiotoop In afwijking van hoofdstuk 2 gelden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone molenbiotoop' de volgende regels: a. binnen een afstand van 100 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. binnen een afstand van 100 tot 400 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/30 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek; c. het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van dit lid onder a en b, indien: 1. de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing; 2. toepassing van de onder a bedoelde afstands- en/of hoogtematen de belangen in verband met de nieuw op te richten bebouwing onevenredig zouden schaden; d. indien op grond van hoofdstuk 2 een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge dit lid onder a t/m c, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van hoofdstuk 2.
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels 10.1 Afwijken van maten en bouwgrenzen Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 2 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. 15
c. De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 10.2 Afwijkingsregels voor de herbouw van woningen buiten bestaande fundamenten Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7 lid 2 ten behoeve van de herbouw van (bedrijfs)woningen buiten de bestaande fundamenten met inachtneming van het volgende: a. de herbouw vindt plaats binnen hetzelfde bouwvlak; b. de herbouw mag niet leiden tot aantasting van de bestaande doorzichten; c. de nieuwe situering dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen beperkingen voor omliggende, bestaande (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden); d. de herbouw buiten de bestaande funderingen is stedenbouwkundig aanvaardbaar; e. door de herbouw wordt het landelijke karakter van het gebied niet onevenredig aangetast; f. de geluidsbelasting aan de gevel ten gevolge van weg- en railverkeer mag de voorkeursgrenswaarde, zoals vastgelegd in de Wet geluidhinder, niet overschrijden.
Artikel 11 Algemene wijzigingsregels 11.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter niet meer dan 2 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot. 11.2 Waarde - Archeologie Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen door voor een of meer bestemmingsvlakken de bestemming 'Waarde - Archeologie' geheel of gedeeltelijk van de verbeelding te verwijderen, indien: a. uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet. 11.3 Herbouw van woningen buiten bestaane fundamenten Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen teneinde de herbouw van woningen buiten de bestaande fundamenten mogelijk te maken met inachtneming van het volgende: a. de herbouw vindt plaats binnen hetzelfde bouwvlak; b.
de herbouw mag niet leiden tot aantasting van de bestaande doorzichten; 16
c. de nieuwe situering van de (bedrijfs)woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuomgeving; d. de herbouw buiten de bestaande funderingen is stedenbouwkundig aanvaardbaar; e. door de herbouw wordt het landelijke karakter van het gebied niet onevenredig aangetast; f. de geluidsbelasting aan de gevel ten gevolge van weg- en railverkeer mag de uiterste grenswaarde, zoals vastgelegd in de Wet geluidhinder, niet overschrijden.
Artikel 12 Overige regels 12.1 Werking wettelijke regelingen De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
17
4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht 13.1 Overgangsrecht bouwwerken Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: b. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; c. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; d. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met ten hoogste 10%; e. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 13.2 Overgangsrecht gebruik Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b.
het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
18
Artikel 14 Slotregel Deze regels worden aangehaald onder de naam 'Regels van het bestemmingsplan Arkel Kanaaldijk-Noord 1'.
19
Bijlage 1 bij de regels
Landschappelijk inpassingsplan
Kanaaldijk-Noord 1 te Arkel Behoud van bestaande bomen (o.a. eik)
toegangsweg in grind BESTAANDE SCHUUR NIEUWE WONING LEVENSLOOPBESTENDIG
d
n eila dw
a
gsp
n ga
toe
Nieuwe streekeigen haag op erfgrens bijvoorbeeld liguster of veldesdoorn hoogte max. 1.80m
Behoud van bestaande bomen BESTAANDE WONING NR. 1
bestaande schuur 4.00m x4.75m Behoud en versterking van bestaande haag.
30-11-2020
Plangebied Arkel Kanaaldijk-Noord 1
Enkelbestemmingen Wonen
W
Dubbelbestemmingen WR-A4
Waarde - Archeologie 4
Gebiedsaanduidingen vrijwaringszone - molenbiotoop
Bouwvlakken bouwvlak
Maatvoeringen 2
maximum aantal wooneenheden
Verklaring topografische en kadastrale gegevens (28-05-2020)
WR-A4
W
2
datum
15-04-2021
schaal
1 : 1000
formaat
A3
project nr.
-
blad
1/1
gemeente
Molenlanden
lannen-makers experts in ruimtelijke ordening, stedenbouw en landschap
bestemmingsplan
Arkel Kanaaldijk-Noord 1 planid : NL.IMRO.1978.BPKanaaldknrd1ARL-VG01
planstatus :
ontwerp