Bijlage 1 – Toelichting en regels bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Tekst van het document
Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Gemeente Molenlanden
Planstatus:
definitief
Identificatiecode:
NL.IMRO. 1978.BPKanaaldknrd1ARL-VG01
Datum:
14 april 2021
Contactpersoon Plannen-makers:
Dhr. C. Vaartjes
Kenmerk Plannen-makers:
PM20004
Opdrachtgever:
dhr. Langerak (Langerak Teken- en Adviesbureau)
Plannen-makers Europalaan 500 3526 KS Utrecht www.plannen-makers.nl BTW id: NL002150639B90 KvK nummer: 59112751
Pagina 2 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Inhoudsopgave 1
Inleiding ........................................................................................................................................... 4 Aanleiding en doelstelling ........................................................................................................ 4 Leeswijzer ................................................................................................................................ 4
2
Het plan ........................................................................................................................................... 5 Ligging van het plangebied ...................................................................................................... 5 Beschrijving plan...................................................................................................................... 6
3
Beleidsmatige onderbouwing .......................................................................................................... 9 Inleiding ................................................................................................................................... 9 Rijksbeleid ............................................................................................................................... 9 Provinciaal en Regionaal beleid ............................................................................................ 11 Gemeentelijk beleid ............................................................................................................... 14
4
Milieutechnische uitvoerbaarheid .................................................................................................. 17 Milieueffectrapportage ........................................................................................................... 17 Bedrijven en milieuzonering .................................................................................................. 18 Geluidhinder .......................................................................................................................... 18 Ecologie en natuurbescherming ............................................................................................ 19 Bodemkwaliteit....................................................................................................................... 21 Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 23 Externe Veiligheid .................................................................................................................. 25 Archeologie ............................................................................................................................ 27 Waterhuishouding ..................................................................................................................
28 Verkeer en Parkeren ............................................................................................................. 30
5
Juridische planbeschrijving ............................................................................................................ 31 Plansystematiek..................................................................................................................... 31 Opzet van de regels .............................................................................................................. 31 De bestemmingen.................................................................................................................. 32
6
Maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid........................................................................ 33 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 33 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................................... 33
7
Bijlagen .......................................................................................................................................... 34
Pagina 3 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
1 Inleiding Aanleiding en doelstelling Kanaaldijk Noord 1 is een bedrijfsperceel dat is gelegen in Arkel, een dorp gelegen in de Alblasserwaard en onderdeel van de gemeente Molenlanden. Voorliggend plan houdt de ontwikkeling in van een nieuwe levensbestendige woning binnen het bouwvlak en de omzetting van de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning. De bestemming van het plangebied zal hiervoor omgezet worden van Bedrijf naar Wonen. Het overtollige bedrijfsgebouw van het voormalige tectyleerbedrijf dat zich op het perceel bevond zal gesaneerd worden. De levensloopbestendige woning zal gepositioneerd worden ter plaatse van de huidige bedrijfshal, zodat de bestaande doorzichten van het perceel behouden blijven. Bij de bestaande (bedrijfs-)woning zal een aanbouw aan de woning gerealiseerd worden. De ontwikkeling is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Voorliggend plan voorziet in de juridische regels en ruimtelijke onderbouwing om de ontwikkeling mogelijk te maken.
Leeswijzer Onderhavig bestemmingsplan bestaat naast deze inleiding uit een beschrijving van het beoogde plan in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 wordt verantwoord waarom het plan past binnen het beleid van de gemeente. In hoofdstuk 4 wordt de milieutechnische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Hoofdstuk 5 bevat de juridische planbeschrijving. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid toegelicht. Na de toelichting volgen de regels inclusief de bijlagen en de verbeelding van het bestemmingsplan.
Pagina 4 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
2 Het plan Ligging van het plangebied Het plangebied ligt aan Kanaaldijk-Noord 1 in de kern Arkel. Arkel ligt in de Alblasserwaard, iets ten noorden van Gorinchem in het gelijknamige Land van Arkel. Het Land van Arkel was een leenschap van de graven van Holland. Tot aan 1412 werd het land beheerd door de heren van Arkel. De dorpskern van Arkel wordt omringd door water. Ten oosten van de kern stroomt de Linge en aan de westelijke zijde het Merwedekanaal. Direct ten noorden van de kom van Arkel mondt de Linge uit in het Merwedekanaal. Het perceel ligt vlak bij de sluis van het Zederikkanaal, die de Linge met het Merwedekanaal verbindt. Arkel vormt samen met zes andere kernen gemeente Giessenlanden. Sinds januari 2019 vormt de gemeente Giessenlanden samen met de gemeente Molenwaard de gemeente Molenlanden.
Figuur 1. Kanaaldijk-Noord (in rode cirkel) in omgeving. (Bron: Google Earth)
Figuur 2. Kanaaldijk-Noord met in rood het bouwvlak met bestemming bedrijf. (Bron: Google Earth)
Pagina 5 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Beschrijving plan Bestaande situatie In de bestaande situatie is het bouwvlak als Bedrijf bestemd. Het voormalige gebruik betrof een tectyleerbedrijf. De bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd. Binnen het bouwvlak staat een bedrijfswoning, een bedrijfshal en twee bijgebouwen.
Figuur 3. Bestaande situatie. (Bron: Langerak Teken- en Adviesbureau)
Beoogde situatie Voorliggend plan beoogd het toevoegen van een levensloopbestendige woning in en het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar reguliere woning. Hiertoe dient de bestemming van het plangebied gewijzigd te worden van Bedrijf naar Wonen. Daarnaast zal een bedrijfshal gesloopt worden om plaats te maken voor de nieuw te bouwen woning. Het bijgebouw dat achter de bedrijfshal staat zal blijven staan en als bijgebouw van de woningen gebruikt worden. Overtollige verharding zal worden verwijderd. Verder zal het bijgebouw naast de bestaande bedrijfswoning gesloopt worden en aan de bedrijfswoning zal een aanbouw gerealiseerd worden. Met het beëindigen van de bedrijfsbestemming van het bouwvlak zal de bestaande bedrijfswoning gewijzigd worden naar een burgerwoning.
Figuur 4. Nieuwe situatie. In kader de voorziene wijzigingen. (Bron: Langerak Teken- en Adviesbureau)
Pagina 6 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Landschappelijke inrichting Voor de ontwikkeling is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, zie onderstaande afbeelding. In het plan is opgenomen dat een nieuwe haag op de erfgrens tussen de twee woningen aangelegd gaat worden met streekeigen beplanting (bijvoorbeeld liguster of veldesdoorn). Daarnaast zal de bestaande haag beneden langs de Kanaaldijk behouden blijven en met extra struiken versterkt worden. De bestaande bomen (eiken) aan de westzijde van het perceel en de bestaande woningen op het achtererf aan de zuidzijde zullen allen behouden blijven. In het werk zal hier middels bijvoorbeeld boombeschermende maatregelen rekening mee gehouden worden. De nieuwe woning wordt voorzien van een aangebouwde inpandige berging. Hiermee wordt voorkomen dat extra bijgebouwen moeten worden gebouwd
Figuur 5. Inrichtingsplan Kanaaldijk-Noord (bron Langerak Teken & Adviesbureau)
Beschrijving nieuwe woning De nieuwe levensloopbestendige woning wordt uitgevoerd als één bouwlaag met een kap en is voorzien van een aangebouwde berging en slaap- en badkamer. De woning wordt duurzaam gebouwd. De nieuwe woning heeft landelijke stijlkenmerken. Onderstaand enkele referentiebeelden voor de nieuw te bouwen woning.
Figuur 6. Schets plattegrond nieuwe woning.
Referentiebeeld voor de nieuwe woning.
Pagina 7 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Figuur 7. Referentiebeelden voor de gevel.
Pagina 8 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
3 Beleidsmatige onderbouwing Inleiding Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Deze gaat uit van een scheiding tussen beleid en normstelling (juridische verankering). Het beleid wordt opgenomen in structuurvisies. Normstelling vindt plaats in het bestemmingsplan en/of in algemene regels die overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen. Streekplannen en planologische kernbeslissingen zijn vanaf 1 juli 2008 gelijkgesteld aan structuurvisies. Het overgangsrecht van de Wro regelt dat concrete beleidsbeslissingen van Rijk en provincie overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen. Naar verwachting treedt in 2022 de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke omgeving. De Omgevingswet bundelt wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De nieuwe wet zorgt voor minder en overzichtelijkere regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. In anticipatie op de nieuwe wet worden bestaande ruimtelijke plannen omgezet naar omgevingsplannen. Wanneer mogelijk zal in dit beleidshoofdstuk alvast gebruik gemaakt worden van (ontwerp) omgevingsplannen. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het geldende beleidskader dat relevant is voor het plangebied.
Paragraaf 3.2 belicht het rijksbeleid. Het provinciaal/regionaal beleid wordt weergegeven in paragraaf 3.3 en het gemeentelijk beleid in paragraaf 3.4.
Rijksbeleid 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De structuurvisie is de opvolger van de Nota Ruimte en de Nota mobiliteit. Het Rijk kiest daarin een aantal doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; • verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; • waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voorts benoemt het Rijk 13 nationale belangen. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebieds- of project specifieke afweging zal maken. Indien nodig maakt het Rijk duidelijk welke nationale belangen voorgaan. Nationale Omgevingsvisie De omgevingsvisie is een instrument van de Omgevingswet. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.
De ontwerp-NOVI heeft als toekomstperspectief een duurzame leefomgeving waarbij de kwaliteiten van de omgeving worden behouden en versterkt. Daarnaast bestaan de Nederlandse uitdagingen van de ruimtelijke inrichting in een klimaatbestendige delta en zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland. Dit kan worden bereikt door goede samenwerking tussen de verschillende betrokken instanties.
Pagina 9 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
De opgaven die voort komen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten1: - Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie - Duurzaam economisch groeipotentieel - Sterke en gezonde steden en regio’s - Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Binnen deze prioriteiten zal aandacht zijn voor de onderlinge verwevenheden en spanningen daartussen en voor thema’s en opgaven die daar dwars doorheen lopen, zoals leefomgevingskwaliteit, gezondheid, cultureel erfgoed, water, bodem en (nationale) veiligheid. Binnen de prioriteiten hanteert het Rijk drie afwegingsprincipes2 die helpen om beleidskeuzes te maken: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal 3. Afwentelen wordt voorkomen Planspecifiek Het plan betreft het realiseren van een wooneenheid aan een bouwvlak. Hiervoor wordt de bestemming van het bouwvlak gewijzigd van bedrijf naar wonen en een bestaande bedrijfshal gesloopt. Het plan is dermate kleinschalig dat de relatie met het nationale beleid nihil is. De SVIR vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan. 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ hieraan toegevoegd.
Overheden dienen op grond van het gewijzigde Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren om tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling te komen. Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. In de nieuwe systematiek worden de huidige definities niet gewijzigd. Ten aanzien van de “treden” van de Ladder zijn er wel wijzigingen: in de nieuwe Ladder zijn de treden 1 en 2 samengevoegd en trede 3 is geschrapt, waardoor er geen sprake meer is van verschillende treden. In artikel 1.1.1 Bro worden relevante begrippen gedefinieerd. Een woningbouwontwikkeling valt onder de definitie van stedelijke ontwikkeling als deze groter is dan 12 woningen. De Ladder stelt dat voldaan wordt aan de Ladder als de woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied. Planspecifiek Het plan voorziet in de behoefte aan levensloopbestendige woningen. In de regio Zuid-Holland is de behoefte voor nieuwe woningen aanwezig.
Het plan betreft 1 woning en valt daarmee niet onder de definitie stedelijke ontwikkeling. Het plangebied bevindt zich in agrarisch gebied net buiten het stedelijk gebied van de kern Arkel. Op de plaats van de beoogde woningbouw is in de huidige situatie een bedrijfshal aanwezig. De verstedelijking neemt niet toe door voorliggend plan. Het plan, ondanks dat het onder de norm van de Bro van een stedelijke ontwikkeling valt, voldoet hiermee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
1 https://ontwerpnovi.nl/samenvatting/default.aspx 2 ontwerpnovi.mett.nl/richting+geven+op+prioriteiten/Default.aspx#Afwegingsprincipes
Pagina 10 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Provinciaal en Regionaal beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Zuid Holland De omgevingsvisie is op 2019-02-20 door de Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland vastgesteld. Op 20 april 2019 is de Omgevingsvisie in werking getreden en bevat samen met de Omgevingsverordening Zuid-Holland de kaders van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De visie vervangt de volgende beleidsstukken: • • • • •
provinciale ruimtelijke structuurvisie het milieubeleidsplan het regionale waterplan het verkeers- en vervoersplan de natuurvisie
Door het samenvoegen van deze beleidsstukken streeft de provincie naar een zorgvuldige afweging tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. In de Omgevingsvisie worden ambities beschreven die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Deze ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft voor ontwikkelingen. Per opgave kan de ruimte die provincie geeft verschillen. Er zijn zes ambities geformuleerd voor de fysieke leefomgeving: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving
Daarnaast heeft de provincie twaalf samenhangende opgaven gedefinieerd, die zij voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit van provinciaal belang acht. Per opgave zijn beleidskeuzes opgesteld. De 12 opgaven zijn: landschap en cultuurhistorie – beschermen, versterken en beleefbaar maken van de kwaliteit van het landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving. gezondheid en veiligheid – zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder. natuur en recreatie – behouden en versterken van natuurwaarden en het ontwikkelen van voldoende, aantrekkelijk en beleefbaar groen en water, waar mensen met plezier recreëren. ruimte en verstedelijking- zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. wonen – bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen. bodem en ondergrond – zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond. cultuurparticipatie en bibliotheken – ondersteunen van cultuurparticipatie en bibliotheken klimaatadaptie – bevorderen van een leefomgeving die de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen kan opvangen.
zoetwater en drinkwater – duurzaam voorzien in de behoefte van zoetwater en waarborgen van de beschikbaarheid van voldoende drinkwater bereikbaarheid – bevorderen van een goede en veilige bereikbaarheid, met een mobiliteitsnetwerk dat keuzevrijheid biedt en aansluit op de behoeften van reizigers en vervoerders.
Pagina 11 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
regionale economie – versterken van een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie energievoorziening – bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plekgebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie. Nu de ruimtelijke ontwikkeling sterker wordt bepaald door maatschappelijke, veelal kleinschalige initiatieven, is een gedeeld beeld van de ruimtelijke kwaliteit op regionale schaal van belang. De provincie stelt met het handelingskader ruimtelijke kwaliteit spelregels vast die het bovenlokale, algemene belang borgen en heeft samen met partijen in de regio een kwaliteitsbeeld voor het betreffende gebied geformuleerd (de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit). De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.
Planspecifiek Voorliggend plan voegt zich in de bestaande structuur en kan daarmee ingepast worden. “Inpassing betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied, een toevoeging van een woning in een lint of de opknapbeurt van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de relevante richtpunten.” Voorliggend plan betreft de toevoeging van een woning aan Kanaaldijk-Noord 1. De bestaande structuren en kwaliteiten hoeven hiervoor niet gewijzigd te worden. De beeldkwaliteit van de woning sluit aan op het heersende landschapsbeeld en daarmee de cultuurhistorische kwaliteit van Arkel. 3.3.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De visie uit de omgevingsvisie Zuid-Holland is uitgewerkt in concrete regels ten aanzien van (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen. Deze zijn opgenomen in de omgevingsverordening Zuid Holland. Deze regels hebben elk een werkingsgebied, dat is weergegeven op de bijbehorende kaarten.
Planspecifiek Om te beoordelen welke randvoorwaarden van toepassing zijn op voorliggend plan is de digitale kaart van de provinciale verordening geraadpleegd. De onderstaande onderwerpen zijn relevant voor onderstaand plan. Ladder duurzame verstedelijking ‘Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: Pagina 12 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd; b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of c. n.v.t.’ In paragraaf 3.1.2 over het rijksbeleid is reeds ingegaan op de ladder duurzame verstedelijking. Hierin is toegelicht dat een stedelijke ontwikkeling van minder dan 12 woningen niet gedefinieerd wordt als een stedelijke ontwikkeling. Ten tweede voorziet de ontwikkeling van een levensloopbestendige woning in een actuele behoefte aan woningen in de regio. Het perceel dat in landelijk gebied ligt, wordt benut door transformatie van het bedrijfsperceel naar een woonperceel. Het plan sluit daarmee aan bij het vereiste van de Ladder duurzame verstedelijking benoemd in de verordening. Ruimtelijke Kwaliteit ‘Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. en verder n.v.t.’ Voorliggend plan wordt ingepast in de bestaande bebouwde structuur van de kern Arkel.
Als onderdeel van het plan wordt een bedrijfsbestemming gewijzigd naar wonen, een bedrijfshal gesloopt en vervangen door een woning, en verdere bedrijfsstructuren gesaneerd. De beëindiging van het bedrijf en wijziging naar woonbestemming bevordert de kwaliteit van de leefomgeving. De structuur wijzigt niet wezenlijk omdat openbare weg niet aangepast of verlegd wordt. Het straatbeeld vanaf de dijk wijzigt beperkt doordat de nieuwe woning op de plaats van de oude bedrijfshal gerealiseerd zal worden. De bestaande doorzichten blijven hiermee gehandhaafd. De nieuwe woning zal een landelijke stijl hebben zodat het aansluit op de agrarische omgeving. De nieuwe bebouwingstypologie sluit in bouwhoogten en rooilijnen aan op de omliggende bebouwing Gezien bovenstaande leidt het plan niet tot inhoudelijke wijzigingen van provinciaal belang. De kavel blijft compact ingericht en doet geen afbreuk aan de aanwezige structuur en of waarden. De bebouwingsdichtheid neemt nauwelijks toe. Vanuit de verordening vloeien dan ook geen aanvullende randvoorwaarden voort die van toepassing zijn op het plan. 3.3.3 Regionale structuurvisie 'Open voor elkaar' In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld.
Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en bepaalt de beleidskeuzes met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien.
Planspecifiek Voorliggend plan voldoet aan de regionale structuurvisie omdat het omzetten van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming past binnen de centrale visie om een vitale regio te
Pagina 13 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
behouden. De nieuwe functie zorgt voor het vergroten van het woningaanbod en voor kwaliteitsverbetering op de locatie. 3.3.4 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied een dynamische stedelijke zone. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Er wordt onderscheid gemaakt in: • • •
Stedelijk gebied; Voorzieningendorpen; Woondorpen.
De huidige afspraak is een netto toevoeging van maximaal 3.364 woningen netto in totaal voor de regio voor de periode 2015-2025. De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 0,7% huishoudensgroei per jaar. Planspecifiek De kern Arkel is een voorzieningendorp/woondorp. Voor de kern Arkel is opgenomen dat een plan met 10 woningen of meer voorgelegd moet worden aan de regio. De verwachte woningbouw in Arkel laat doorgerekend tot 2024 een groei zien van 1,8%. Dit ligt boven de afgesproken 0,7%. Daarom is het plan voorgelegd in het regionaal overleg. Vanuit de regio is positief gereageerd op de voorgenomen ontwikkeling.
Gemeentelijk beleid De gemeente Molenlanden is op 1 januari 2019 ontstaan uit een fusie van de gemeenten Molenwaard en Giessenlanden. De kern Arkel behoort tot de voormalige gemeente Giessenlanden. 3.4.1 Structuurvisie ‘Omgevingsvisie Giessenlanden’ In de Structuurvisie van Giessenlanden staan de hoofdlijnen van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente en onderscheiden deelgebieden (wijken, kernen, buitengebied) in onderlinge samenhang. In de structuurvisie zijn voor Arkel uitgangspunten beschreven voor het ruimtelijk beleid ter plekke. Het afwegingskader voor een initiatief wordt bepaald door de omgevingswaarden van het gebied, de visie voor het gebied en aansluiting bij rolverdeling tussen initiatiefnemer en gemeente. De kernwaarden waar de gemeente zich voor inzet zijn ‘balans’, ‘samenhang’ en ‘symbiose’: Het behouden en verstevigen van de balans tussen de belangen van mensen, ecologie en economie. Verder het versterken van de maatschappelijke en ruimtelijke samenhang van de zeven zelfstandige kernen met elk hun eigen karakter en het omringende landschap en water. De symbiose bestaat uit het herstel van de verbondenheid tussen stad en land, onder en bovengrond, mens en natuur, economie en samenleving, waarbij juist vermenging (i.p.v. scheiding) van functies bijdraagt aan een aantrekkelijke woon-, werk- en leefomgeving.
De omgevingskwaliteiten vormen de basis voor de ambities van de gemeente: • De ondergrond, cultuurhistorie en ontstaansgeschiedenis als vertrekpunt. • Zorgvuldig ruimtegebruik • Koesteren en versterken eigen identiteit dorp en ommeland • Veilig en gezond wonen en kwaliteit in beleving • Duurzame maatregelen en ruimte voor innovatie in balans Pagina 14 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
•
Evenwicht tussen doeltreffende waterhuishouding en landschap
Planspecifiek In voorgenomen planontwikkeling wordt de bestemming van Bedrijf gewijzigd naar Wonen. Hierbij wordt de bestaande bedrijfsbebouwing en -structuren gesaneerd. Op de plaats van de bedrijfshal komt een levensbestendige woning. Het perceel wordt omringd door andere woningen en agrarische percelen. De voorgenomen ontwikkelingen dragen bij aan een prettiger woon- en leefklimaat en versterking van landschappelijke beleving. Het plan sluit aan op zorgvuldig ruimtegebruik en veilig en gezond wonen. Het plan is in overeenstemming met de omgevingsvisie van Giessenlanden. 3.4.2 Woonvisie 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 - 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: • Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. • De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. • De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit.
Tegelijkertijd versnel de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. • Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. • Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen. • Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed). Planspecifiek Voorliggend plan betreft een specifieke ontwikkeling. Het gaat om een bedrijfsbeëindiging waarvoor een levensloopbestendige woning in de plaats gebouwd wordt en om het omzetten van een bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning. De nieuwe woning sluit aan op het beleid omdat een levensloopbestendige woning gerealiseerd wordt. Dit sluit aan op het doel van de woonvisie om nultredenwoningen voor senioren te ontwikkelen. Voorliggend plan houdt bedrijfsbeëindiging in met een noodzakelijke sanering. Door de saneringsplicht en de situering van de nieuwbouw aan de rand van de kern is de locatie niet direct geschikt voor starterswoningen.
Voor wat betreft duurzaamheid zal voldaan worden aan de wettelijke duurzaamheidseisen en wordt de nieuwe woning ook aardgasloos gebouwd. In paragraaf 4.9 is verantwoord hoe aangesloten wordt op het waterbeleid van de gemeente en het waterschap. Tot slot sluit het plan aan op de woonvisie omdat het een transformatieplek betreft. Er behoeft geen natuur of agrarische bestemming omgezet te worden naar woonbestemming. 3.4.3 Vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’ (vastgesteld 11 maart 2015). Voor de planlocatie geldt binnen het bouwvlak de bestemming ‘Bedrijf’ en buiten het bouwvlak ‘Tuin’ of ‘Agrarisch’. De beoogde ontwikkeling van een extra woning is binnen het bouwvlak gepland. De beoogde ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Om de woning mogelijk te maken is een nieuw planologisch kader nodig. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de herbestemming van het bouwvlak van bedrijf naar wonen en het mogelijk maken van een tweede woning binnen het bouwvlak.
Pagina 15 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Daarnaast heeft het perceel een dubbelbestemming Waarde – Archeologie-4. In hoofdstuk 4.7 zal de archeologische kwaliteit van het perceel behandeld worden.
Figuur 8. Vigerend bestemmingsplan.
Pagina 16 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
4 Milieutechnische uitvoerbaarheid Een bestemmingsplan moet voorzien in een goede ruimtelijke ordening, zoals de Wro ex art 3.1 stelt. De invulling van dit vereiste is in de jurisprudentie verder gepreciseerd. Onderstaand is per woon- en omgevingsaspect beoordeeld of en wat voor een wijziging er optreedt en of een goed woon- en leefklimaat voor zowel de omgeving als het plangebied zelf gegarandeerd is.
Milieueffectrapportage Toetsingskader Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd en in lijn gebracht met de Europese richtlijn hieromtrent (nr. 85/337/EEG). Voor deze wetswijziging kon bij de vraag of er een MER moest worden gemaakt, dan wel een mer-beoordeling moest worden uitgevoerd, worden volstaan met een toets aan de activiteiten en de bijbehorende getalsmatige grenzen uit het Besluit m.e.r. (bijlage C en D). Omdat de Europese richtlijn geen getalsmatige grenzen kent voor mer-plichtige activiteiten, zijn deze getalsmatige grenzen niet meer 'hard', maar hebben ze meer een indicatieve waarde. Concreet betekent dit dat bij de vraag of er een m.e.r. of een mer-beoordeling dan wel een planmer moet worden uitgevoerd, niet zonder meer kan worden uitgegaan van de getalsmatige grenzen in kolom 2 van bijlage C en D, maar dat meer in algemene zin beoordeeld moet worden of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, waardoor het opstellen van een MER noodzakelijk zou zijn. Een planmer is wettelijk verplicht wanneer: • Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)mer noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)mer noodzakelijk is; • Een bestemmingsplan activiteiten mogelijk maakt die kunnen leiden tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (dan is een passende beoordeling noodzakelijk).
Bij een planmer gaat het om besluiten uit kolom 3 van bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Een project-mer of besluit-mer betreft een besluit op grond waarvan geen nader besluit mer- of (beoordelings-)plichtig besluit meer nodig is. Het plan schept dus geen kader meer voor een mer(beoordelings)plichtig besluit. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan wat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een mer-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een veehouderij (met aanzienlijke milieugevolgen). Het betreft hier besluiten uit kolom 4 van bijlage C en D van het Besluit m.e.r. De wetswijziging van 1 april 2011 heeft tot gevolg dat ook onder de drempelwaarden beoordeeld moet worden of een mer-procedure doorlopen moet worden. Dit geldt zowel voor besluiten uit kolom 4 als voor besluiten (plannen) uit kolom 3 (planmer). In geval het project onder de drempelwaarde valt is deze beoordeling vormvrij. Dit betekent dat deze beoordeling via de officiële mer-beoordelingsprocedure kan geschieden, maar in veel gevallen zal een beoordeling in de toelichting bij het plan voldoende zijn. Planspecifiek Voorliggend plan valt in categorie D11.2 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject’. Het plan overschrijdt de getalsmatige grenzen van het Besluit m.e.r. (kolom C en D) niet. Deze grenzen zijn: Tabel 1. Categorie D11.2 met getalsmatige grenzen.
(Bron: bijlage D van Besluit milieueffectrapportage) D 11.2
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met In gevallen waarin de activiteit betrekking inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Pagina 17 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Dit betekent dat er sprake is van een vormvrije mer beoordeling. Voor voorliggend plan kan op basis van de in hoofdstuk 2 beschrijving van het plan en hoofdstuk 4 de milieutechnische uitvoerbaarheid voldoende inzicht gegeven worden in de kenmerken, plaats en de potentiële milieugevolgen van het plan.
Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen), worden hinder en gevaar beperkt of voorkomen en wordt het voor bedrijven of woonfuncties mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Er dient dus beoordeeld te worden: 1. Past de nieuwe functie in de omgeving? 2. Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Om dit gestandaardiseerd te kunnen beoordelen zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer verfijnde afstemming voor de beperking of voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. In de brochure wordt onderscheid gemaakt in verschillende omgevingstypen. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. De betreffende VNG-publicatie vormt geen wettelijk kader. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden.
Planspecifiek Voorgenomen planontwikkeling bestaat uit het toevoegen van een woning aan het bouwvlak en het wijzigen van de bestemming van bedrijf naar wonen binnen het bouwvlak. In de bestaande situatie ligt ten noordwesten van het plangebied een bedrijfspand. In dit bedrijfspand zijn garageboxen gevestigd voor omliggende bewoners. Tussen dit bedrijfspand en de planlocatie is al een woonbestemming gelegen. Er zijn dus al in de bestaande situatie belemmerende functies aanwezig voor dit bedrijfspand. Er worden dan ook als gevolg van het plan, door het toevoegen van de nieuwe woning, geen bedrijven in de omgeving beperkt of vormen deze een belemmering voor de woning. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt dan ook geen belemmering voor voorliggend plan.
Geluidhinder In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ernaar gestreefd om de geluidhinder als gevolg van spoor-, wegverkeer of industrie te beperken. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functies belast mogen worden. De Wgh geeft tevens aan in welke situaties middels onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening en bijbehorende jurisprudenties zijn aanvullende onderzoeksverplichtingen gesteld. Planspecifiek Voorliggend plan houdt het realiseren van een extra woning in. Een woning is een geluidsgevoelige bestemming. Om de geluidswaarden te beoordelen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 1. De conclusie van het onderzoek luidt: ‘De geluidbelasting op voorgevel van een nieuw te realiseren woning aan de Kanaaldijk Noord 1 bedraagt maximaal Lden= 43 dB ten gevolge van het wegverkeer op de Kanaaldijk. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai wordt niet overschreden. Het wegverkeer op de overige wegen leidt eveneens tot een lage geluidbelasting. Het plan voldoet aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Een Hogere waardeprocedure is niet nodig.’
Pagina 18 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Gezien bovenstaande conclusie vormt het aspect geluidhinder geen belemmering voor voorliggend plan.
Ecologie en natuurbescherming Natuur is een gevoelige functie die beschermd moet worden tegen negatieve effecten. Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en Nationaal beschermde soorten. Met de Wet natuurbescherming komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen in principe bij de provincies te liggen. Dit is conform het bestuursakkoord natuur waarin is aangegeven dat de decentralisatie van de taken en bevoegdheden op het vlak van de natuurwetgeving haar beslag zal krijgen in de Wet natuurbescherming. Provincies nemen hiermee de taak over die tot nu toe werd uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Daarmee is de provincie bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten (hierna genoemd ‘handelingen’) bij Natura 2000-gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen) en dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen).
Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.4.1 Flora en fauna In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bepaald worden of een plan geen nadelige effecten heeft voor beschermde plant- en diersoorten in en nabij het plangebied. Indien de ontwikkeling verstoring of uitroeiing van beschermde soorten kan inhouden dient onderzocht te worden of eventuele soorten aanwezig zijn. Wanneer dit het geval is moet tevens aangetoond worden middels welke ingrepen deze verstoring voorkomen wordt dan wel gecompenseerd. Planspecifiek Voorliggend plan betreft het slopen van een bedrijfshal en bijgebouw en het bouwen van een nieuwe woning. Om te bepalen of door het plan nadelige effecten optreden voor beschermde soorten is een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2. Onderstaand de tabel met onderzochte soorten en de bijbehorende conclusies. Natuurgebieden H.3 Natura2000 §3.2.1 - Habitattypen
Gevolgen In het Natura2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ komen verschillende habitattypen voor die gevoelig zijn voor stikstof. Om te bepalen of er stikstofdepositie op Natura2000 gebieden optreedt dient er een Aeriusberekening uitgevoerd te worden. Dit is geen onderdeel van het Verkennend Ecologisch Onderzoek. Nee
- Soorten NNN-gebieden §3.2.2 Omgevingsvisie/verordening Soortgroep H.4 Flora §4.2
Nee Nee Overtreding verbodsbepalingen Nee
Pagina 19 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Algemeen §4.3.3 en 4.3.5
Vogels §4.3.1
Vissen §4.3.2 Amfibieën §4.3.3
Reptielen §4.3.4 Zoogdieren §4.3.5 Vleermuizen §4.3.6 Overige soorten §4.3.7
Voor de beschermde soorten, Meerkikker, Bastaardkikker, Poelkikker, Egel, Huisspitsmuis, Bunzing, Dwergmuis, Hermelijn, Rosse woelmuis en Wezel geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet Natuurbescherming door de provincie Zuid-Holland. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. Nee. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wet natuurbescherming wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaard periode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Vogelnesten die jaarrond beschermd worden door de Wnb, zijn niet aangetroffen of te verwachten binnen het plangebied. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels. Nee Nee, mits voorkomen wordt dat er gedurende de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten.
Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen. Nee Nee Nee Nee
Het aspect Flora en fauna vormt geen belemmering voor voorliggend plan. 4.4.2 Natuurgebieden Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen (extern) effect hebben op nabijgelegen natuurgebieden. De gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet vindt plaats via de Natura 2000-gebieden met Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Daarnaast zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit is de vroegere Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarische gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen bestaande natuurgebieden (waaronder de 20 Nationale Parken) en nieuwe natuurgebieden, landbouwgebieden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer, alle Natura Pagina 20 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
2000-gebieden en alle grote wateren van Nederland (meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee). Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Op 15 juni 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld. Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van de toekomstige afname van stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie. In de praktijk blijkt echter de afname van stikstofdepositie als gevolg van de maatregelen niet gegarandeerd te kunnen worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State een uitspraak gedaan. Hierin oordeelt de Raad dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissies en deposities ontstaan als gevolg van het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator (update april 2020).
Planspecifiek Om te beoordelen of de beoogde ontwikkeling geen belasting voor nabijgelegen Natura-2000 gebieden oplevert door extra stikstofbelasting is een Aeriusberekening uitgevoerd, zie bijlage 3. De conclusie van het onderzoek luidt: ‘De Aeriusberekening is uitgevoerd om te bepalen of sloop van een schuur en nieuwbouw van een woning aan Kanaaldijk Noord 1 te Arkel geen nadelige effecten oplevert voor Natura 2000-gebieden in de omgeving. In de nabije omgeving ligt het natuurgebied Lingegebied en Diefdijk-Zuid op ca. 1 km afstand. Op respectievelijk 5, 6 en 10 km zijn de gebieden Loevestein, Pompveld & Kornsche boezem, Zouweboezem en Biesbosch gelegen. Er is door middel van de Aeriuscalculator bepaald of de stikstofdepositie op deze Natura 2000-gebieden of verder gelegen gebieden hoger is dan de maximaal toegestane waarde van 0,00 mol/ha/j. Voor het invoeren van de gegevens is uitgegaan van de sloop van een schuur en de nieuwbouw van één woning. Er is gerekend met het extra verkeer naar de bouwplaats voor personeel en materiaal. Ook is het gebruik van een hijskraan en laadschop/graafmachine op de bouwplaats meegerekend. Daarnaast is het verkeer in de gebruiksfase meegerekend omdat het nieuwe bebouwing betreft. De conclusie is dat voor alle onderdelen de activiteit niet leidt tot een toename van stikstof op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
Er is voor het plan dan ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk en de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoering en exploitatie van het plan. Gezien bovenstaande conclusies vormt het aspect Ecologie en natuurbescherming geen belemmering voor voorliggend plan.
Bodemkwaliteit Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Pagina 21 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Planspecifiek Voor voorliggend plan wijzigt de bestemming van bedrijf naar wonen. De nieuwe bestemming stelt hogere milieueisen aan de bodem dan het bestaande gebruik. Onderzocht moet worden op de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4. In het onderzoek is het plangebied opgedeeld in twee delen en wordt voor beide plandelen een conclusie gegeven. De conclusie van het onderzoek luidt: Conclusie ten aanzien van de bestemmingsplanwijziging voor perceel G350 De bestemmingsplanwijziging is ter plaatse van perceel G350 (tijdens de uitvoering het veldwerk waren de perceelsgegevens nog niet voorhanden).
Afbeelding A. Groen gearceerd perceel G350 met de bestemmingsplanwijziging In dit deel van het terrein is de voormalige olie-vetafscheider, de wasplaats en de voormalige werkplaats aanwezig. Zowel in het onderzoek van Bakker milieuadviezen als in dit uitgevoerde onderzoek zijn alleen lichte verontreinigingen aangetroffen in grond- en grondwater. Gezien de aangetroffen lichte verontreinigingen in grond en grondwater en de aangetroffen is de hypothese onverdacht niet geheel bevestigd. De onderzoeksresultaten zijn van die mate dat er geen aanleiding is voor nader bodemonderzoek. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt de algemene bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingsplan wijziging.
Conclusie ten aanzien van perceel G351 Ter plaatse van perceel G351 wordt de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming gewijzigd. Het feitelijk gebruik op dit deel van het bestemmingsplan wijzigt niet en hier zijn geen werkzaamheden voorzien. Er is nu sprake van een bedrijfswoning met tuin, na wijziging is er sprake van een burgerwoning met tuin (de huidige woning blijft gehandhaafd).
Pagina 22 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Afbeelding B. Groen gearceerd perceel G351 Zowel in het onderzoek van Bakker milieuadviezen als in dit uitgevoerde onderzoek zijn alleen lichte verontreinigingen aangetroffen in grond- en grondwater, uitgezonderd een sterke asbestverontreiniging >100mg/kg/ds. Gezien de aangetroffen lichte verontreinigingen in grond asbestverontreiniging is de hypothese onverdacht niet bevestigd.
en
grondwater
en
de
sterke
De onderzoeksresultaten zijn van die mate dat er aanleiding is voor nader asbestbodemonderzoek om de aard en omvang van de verontreiniging vast te stellen en of in hoeverre het asbest al met dit onderzoek verwijderd is. De verontreiniging betreft een geval voor 1987. Aanbevolen wordt bij een toekomstige herinrichting van het terrein het asbest te verwijderen. De conclusies van het onderzoek zijn dat voor het noordelijk plandeel er geen belemmeringen bestaan om de bestemming te wijzigen naar wonen. De conclusies voor het zuidelijk plandeel geven aan dat er aanleiding is om nader onderzoek uit te voeren naar asbest in de voormalig gedempte sloot. Aangezien er op dit deel van het terrein geen fysieke werkzaamheden zijn voorzien en het feitelijk gebruik hier niet wijzigt, wordt aanbevolen te volstaan met het uitvoeren van nader onderzoek en het verwijderen van asbest bij een toekomstige herinrichting. De resultaten van dit onderzoek zal aan het bestemmingsplan toegevoegd worden dan wel als separate bijlage meegenomen worden.
Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Pagina 23 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Tabel 2. Grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit
Toetsing van
Grenswaarde
Stof Stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie 40 µg / m³ Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden 200 µg / m³ overschreden) Fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg / m³ 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 keer per jaar 50 µg / m³ worden overschreden) Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg / m³ In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. Planspecifiek Een plan blijft in de regel onder het NIBM criterium waardoor niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden als het minder dan 1.500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m2. In het onderhavig plan is hiervan sprake. Nader onderzoek in het kader van luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. Voorts is de huidige situatie ten aanzien van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is de site https://www.nsl-monitoring.nl geraadpleegd.
Figuur 9. NO-2 concentratie op nabijgelegen wegen. Wooneenheden binnen rode cirkel.
Figuur 10. PM2,5 concentratie op nabijgelegen wegen. Wooneenheden binnen rode cirkel.
Pagina 24 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
Figuur 11. PM10 concentratie op nabijgelegen wegen. Wooneenheden binnen rode cirkel.
De concentraties blijven op basis van de NSL monitoringstool onder de wettelijk vereiste gemiddelde concentraties. De WHO en GGD hanteren advieswaarden voor fijn stof (PM 10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM 2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. Voorliggend plan is getoetst aan het wettelijk vereiste.
Externe Veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen; (Bevi staat voor Besluit externe veiligheid inrichtingen) • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Deze begrippen worden hieronder toegelicht. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²).
Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is, dit risico moet worden verantwoord, Pagina 25 Bestemmingsplan Arkel, Kanaaldijk-Noord 1
ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico des te zwaarder de verantwoording is. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.
Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedsfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Voor sommige transportassen wordt rekening gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden.