bijlage 1 Toelichting BP Oud Alblas, Oosteinde 36
Tekst van het document
De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 0,7% huishoudensgroei per jaar. Oud-Alblas is aangeduid als een woondorp. Woondorpen vinden voorzieningen op korte afstand in het naastgelegen voorzieningendorp. Woondorpen hebben een hechte gemeenschap dat gebruik maakt van een sterk lokaal sociaal netwerk. Om flexibel in te kunnen spelen op de behoefte is van belang om kleinere plannen tot ontwikkeling te brengen. Middels het onderhavige plan wordt per saldo één 33
wooneenheid toegevoegd middels het splitsen van de boerderijwoning. Hierdoor wordt verdere bewoning, onderhoud en daarmee instandhouding van de karakteristieke boerderij gegarandeerd. Omdat de optelsom van de plannen in OudAlblas een groei van woningen laat zien van 1,5%, wordt het plan voorgelegd aan de regiogemeenten middels een lichte onderbouwing.
34
6.4 Gemeentelijk beleid 6.4.1 Structuurvisie Graafstroom Op 29 maart 2011 heeft de voormalige gemeente Graafstroom de ‘Structuurvisie Graafstroom’ vastgesteld. Met de structuurvisie wil de gemeente een strategische stap zetten naar een vitale gemeente waar het goed wonen, werken en leven is voor jong en oud. De gemeente heeft als motto om ook in de toekomst ‘prettig samen te leven in een groene oase van rust en ruimte’. De visie is vooral gericht op het behoud van het bestaande. Het karakteristieke landschap, de cultuurhistorisch waardevolle elementen, het relatief grote voorzieningenaanbod dat zo kenmerkend is voor de gemeente en de dynamiek in de kernen en linten. Wat betreft dorpsontwikkeling wordt ingezet op het behoud van de dynamiek in de kernen en linten. Het afwisselende karakter van kleinschalige bedrijvigheid, agrarisch gebruik en woningbouw zorgt dat het gebied dynamisch blijft. Doordat ondernemingen, woningen en voorzieningen elkaar in een snel tempo afwisselen, ontstaat net als in het buitengebied, een mozaïek aan activiteiten die een meerwaarde betekent voor de ruimtelijke structuur en de beleving van het gebied. In de structuurvisie Graafstroom wordt ingezet op kleinschalige woningbouw met passende woningtypen, bij voorkeur nabij voorzieningen.
Deze opgave vormt, samen met het bouwen in verband met de verdunning van huishoudens, de woningbouwtaakstelling voor de komende jaren. Van een afname van de woningproductie is voorlopig geen sprake. Het onderhavige plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling in het cultuurhistorisch lint langs het Oosteinde. De nieuwe woning wordt geïntegreerd in een bestaande boerderij, waarmee instandhouding van de cultuurhistorische boerderij gegarandeerd wordt. Het plan draagt hiermee bij aan de cultuurhistorische waardevolle elementen die de gemeente zo kenmerkend maakt en de dynamiek binnen het lint langs het Oosteinde. Het onderhavige plan is daarmee in overeenstemming met de Structuurvisie Graafstroom. 6.4.2 MeerjarenPerspectief Wonen In 2017 heeft de voormalige gemeente Molenwaard de herijking van het MeerjarenPerspectief Wonen (MPW) vastgesteld. Het MPW stelt de vraag centraal, de woningbehoefte is richtinggevend voor het aantal te bouwen woningen per kern. Doelgroepen waar het MPW zich op richt zijn mensen die er al wonen en die willen blijven, mensen die een binding hebben met de gemeente, starters, doorstromers en senioren. Uitgangspunt is de regionale woonvisie. Met de splitsing van de cultuurhistorische boerderij wordt verdere bewoning en daarmee onderhoud aan de boerderij verzekerd. Hiermee wordt instandhouding van de karakteristieke boerderij gegarandeerd.
Met de splitsing draagt het plan bij aan een kwalitatieve verbetering van de woningvoorraad binnen de gemeentegrenzen en wordt daarmee doorstroming bevorderd. Het plan is hiermee in overeenstemming met het MeerjarenPerspectief Wonen. 6.4.3 Toekomstvisie Molenwaard De Toekomstvisie Molenwaard geeft aan dat de gemeente plaats biedt aan mensen die hier wonen en die hier willen blijven en mensen die een binding hebben met de 35
gemeente. Mensen moeten kunnen wonen waar ze willen, de woonwens en de eigen kern als woonplaats staan centraal. Mensen moeten zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Daarom zet de gemeente in op levensloopbestendige wonen en zorg aan huis. In mei 2013 heeft de raad de kaders voor verdeling van het woningbouwprogramma vastgesteld. Relevante kaders zijn het aansluiten bij de demografische ontwikkeling, het bouwen in voorzieningendorpen voor senioren en plannen met maatschappelijke urgentie (zoals centrumplannen) voorrang geven. Het onderhavige plan betreft een zeer kleinschalig plan; het toevoegen van één wooneenheid middels de splitsing van een bestaande boerderij. Het plan zorgt voor een kwalitatieve verbetering van de woningvoorraad van de gemeente Molenlanden. 6.4.4 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’, vastgesteld op 25 januari 2010 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom. Het voorgenomen plan is in strijd met dit bestemmingsplan. Het perceel heeft de enkelbestemming ‘Bedrijf’, waardoor de boerderij juridisch-planologisch niet gesplitst kan worden in twee wooneenheden. Tevens kan de boerderij niet gebruikt worden als burgerwoningen.
6.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • In het onderhavige plan is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk is; • Het onderhavige plan zorgt voor de instandhouding van een cultuurhistorische boerderij; • Het onderhavige plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’; • Het onderhavige plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders.
36
7
Verantwoording sectorale aspecten
7.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Voor de beantwoording van de vraag of er een m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat voor de ruimtelijke ontwikkeling is allereerst het bepaalde in het Besluit m.e.r. van belang. De verplichting tot het opstellen van een m.e.r. is opgenomen in artikel 7.2 Wm. Dit artikel vormt een omzetting van de EG-m.e.r-richtlijnen. Voor de beantwoording van de vraag of voor een concreet plan een m.e.r. dient te worden doorlopen, dient primair te worden beoordeeld of de activiteit valt binnen de onderdelen C en D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Onderdeel C geeft aan wanneer sprake is van een m.e.r.-plicht. Een onderscheid dient te worden gemaakt tussen een plan-m.e.r. (kolom 3 van onderdeel C) en een besluit-m.e.r (kolom 4 van onderdeel C).
Onderdeel D geeft de activiteiten en gevallen aan waarin sprake is van een m.e.r.- beoordelingsplicht (dan moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van significante milieugevolgen en als deze aan de orde zijn dient een m.e.r. plaats te vinden). Voor het onderhavige plan kan gesteld worden dat er geen directe m.e.r.-plicht vanuit de Wm en vanuit het besluit m.e.r. geldt op grond van Bijlage C. De activiteiten / bouw welke middels onderhavig bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt vallen binnen de in de bijlage D bij het Besluit m.e.r. (D11.2). Het plan betreft uitsluitend het toevoegen van één woning binnen een bestaand gebouw. Hierdoor worden geen drempels/ grenswaarden uit het Besluit milieueffectrapportage overschreden, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. Kenmerken van het project In het onderhavige plan vinden geen productiewerkzaamheden plaats. Er is geen sprake van productie van afvalstoffen, anders dan regulier huishoudelijk afval. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen/bedrijven zullen er geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Middels het onderhavige plan worden eventuele nieuwe bedrijfsactiviteiten juridisch-planologisch uitgesloten.
37
Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000-gebieden, Belangrijk Weidevogelgebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het plangebied is op een minimale afstand gelegen van 321 tot het Belangrijk weidevogelgebied, 738 meter tot het NNN, 1,9 km tot Strategische reservering natuur en 2,6 km tot een Natura2000-gebied.
Afbeelding 10: Afstand plangebied tot NNN en Belangrijk weidevogelgebied
Afbeelding 11: Afstand plangebied tot Natura2000 en Strategisch reservering natuur
Kenmerken van de potentiële effecten van het project Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zal het niet leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende 38
hoofdstukken zijn de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Hieruit blijkt dat er door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieueffecten. Conclusie Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, geen sprake is van productiewerkzaamheden, geen sprake is van een toename van aantallen verkeersbewegingen, etc. kan – met in achtneming van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling, redelijkerwijs worden verwacht dat geen sprake is van ernstige milieugevolgen gerelateerd aan de ruimtelijke ontwikkeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. kan worden volstaan met een onderbouwing van de diverse milieuaspecten in de voorliggende toelichting van het bestemmingsplan ‘OudAlblas, Oosteinde 36’.
39
7.2 Watertoets Beleidskader In het onderhavige plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.
Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen.
Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.
40
Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20191016-9-21594). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Watergangen In de directe omgeving van het plangebied zijn A-watergang 001245 en Cwatergangen 069822 en 069858 gelegen. Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van respectievelijk 5 en 1 meter.
Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting. Het plan voorziet niet in werkzaamheden binnen een beschermingszone van een watergang, waardoor een watervergunning niet noodzakelijk is voor het onderhavige plan.
A-watergang 001245
C-watergang 069858
C-watergang 069822
Afbeelding 12: Uitsnede legger wateren
41
Waterberging en -compensatie Het onderhavige plangebied is gelegen in het boezemgebied van de Alblas. Boezemgebieden zijn de gebieden in de Alblasserwaard die liggen tussen de boezemkades. De Alblas behoort tot de Boezem van de Nederwaard. Voor boezemland geldt een volumecompensatie; ophogingen en andere wijzigingen beneden het peilniveau van de boezem dienen gecompenseerd te worden. Een toename aan verhard oppervlak dient tevens gecompenseerd te worden aan de hand van de stelregel van het waterschap (436 m³ nieuwe waterberging per 10.000 m² toename verharding).
Plangebied
Afbeelding 13: Uitsnede peilgebiedenkaart
Volumecompensatie Het plan voorziet in het integreren van een wooneenheid binnen de bestaande boerderij. Gesteld kan worden dat de volume aan bebouwing op het perceel hierdoor niet toeneemt en derhalve geen compenserende maatregelen genomen hoeven te worden in het kader van volumecompensatie. De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ is overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan. Oppervlaktecompensatie Waar exact verharding wordt verwijderd en wordt toegevoegd is nog niet bekend. Derhalve is – mede vanwege de grootte van het perceel – aangesloten bij het verhardingspercentage van de naastgelegen percelen Oosteinde 32/33 en 38/39 Oud-Alblas. Deze twee percelen zijn tevens voorzien van een boerderij waarin twee wooneenheden zijn geïntegreerd. Het percentage verharding op deze percelen is respectievelijk 34% en 44%. Voor het onderhavige plan wordt aangesloten bij een verhardingspercentage van 44%.
42
Afbeelding 14: Overzicht verharding naastgelegen percelen langs Oosteinde
Tabel 1: Verhardingspercentage naastgelegen percelen langs Oosteinde Oosteinde 38/39 Oud-Alblas Oosteinde 32/33 Oud-Alblas Bebouwing 563,3 m² Bebouwing 428,5 m² Verharding (100%) 23,4 m² Verharding (100%) 255,7 m² Halfverharding (50%) 176,2 m² Halfverharding (50%) 206,3 m² Verhard terrein Grootte perceel
763,0 1.736,5 m²
Verhard terrein Grootte perceel
890,5 m² 2.696,9 m²
% verharding
44%
% verharding
34%
Tabel 2: Verhardingsbalans Oosteinde 36 Oud-Alblas Bestaande situatie Woonboerderij Schuur Loods Gebouwtje Verharding bestaande situatie
374,3 m² 30,0 m² 199,0 m² 23,4 m² 626,7 m²
Nieuwe situatie Verharding 44% van plangebied (3.680 m²)
1.619,2 m²
Totale verharding nieuwe situatie
1.619,2 m²
Verschil
992,5 m² toename
43
Het plan voorziet in een toename van 992,5 m² aan verharding. Conform de stelregel van het waterschap dient hiermee 43,3 m³ aan water gerealiseerd te worden. Uitgaande van een peilstijging van 0,2 m betekent dit een waterberging van 216,4 m². De waterberging kan eventueel plaatsvinden langs de Alblas. Voor plannen van particulieren in het buitengebied is een eenmalige toename aan verharding van 1.500 m² vrijgesteld van watercompensatie. Indien de initiatiefnemer hier nog geen gebruik van heeft gemaakt, zijn watercompenserende maatregelen niet nodig. De afdeling Vergunningen van het waterschap zal beoordelen of hiervan nog gebruik gemaakt kan worden Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.
Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woning wordt aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied is geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland gelegen. Waterkering Het plangebied is deels gelegen in de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering.
De waterkering en de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de kade zijn door de verordening Keur beschermd. Binnen de kernzone van de waterkering gelden strenge regels. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering.
44
Afbeelding 15: Uitsnede legger waterkeringen
Er vinden geen werkzaamheden plaats binnen de kern- en/of beschermingszone van de regionale waterkering, waardoor het aanvragen van een watervergunning niet noodzakelijk is. Ter bescherming van de waterkering wordt op basis van de Barro (2012) op de kernzone de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ en op de beschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ gelegd. Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder het Oosteinde. Het plangebied wordt thans ontsloten middels een ontsluiting op het Oosteinde. Middels het plan worden de ontsluitingen niet gewijzigd. Het Oosteinde betreft een 15T-zone, wat wil zeggen dat de weg gesloten is voor verkeer zwaarder dan 15 ton. Indien het voor de werkzaamheden noodzakelijk is om verkeer zwaarder dan 15 ton over het Oosteinde te laten plaatsvinden, dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenlanden. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
45
7.3 Geluidhinder Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/h wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB, de maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 53 dB in landelijk gebied en 63 dB in stedelijk gebied. Onderzoek Het perceel Oosteinde 36 te Oud-Alblas ligt binnen de invloedssfeer van enkele wegen. Het perceel is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein. Geluidhinder vanwege deze geluidsbronnen zijn hierom buiten beschouwing worden gelaten.
Het onderhavige plan betreft de toevoeging van een woning in de boerderij op het perceel Oosteinde 36. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het toevoegen van een nieuw geluidsgevoelig object en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door De Roever Omgevingsadvies. De conclusie van dit rapport luidt: ‘Uit het onderzoek blijkt dat een hogere waarde procedure moet worden gevolgd ten gevolge van het wegverkeerslawaai afkomstig van de Oosteinde. De hoogst berekende geluidbelasting vanwege de Oosteinde bedraagt 51 dB. De maximaal te ontheffen grenswaarde van 53 dB wordt niet overschreden. Het plan voldoet aan de voorwaarden uit de beleidsregel. Maatregelen om de geluidbelasting terug te dringen tot de voorkeursgrenswaarde zijn niet mogelijk. De benodigde karakteristieke geluidwering van de gevel bedraagt maximaal 23 dB. De benodigde materialen om een dergelijke gevelwering te behalen kunnen onderzocht worden in een aanvullend gevelweringsonderzoek. De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Matig’ tot ‘Zeer goed’. De gewenste woning beschikt over een geluidluwe gevel (noordwesten). De achtertuin is aan deze gevel gelegen. Gesteld kan worden dat de cumulatieve geluidbelasting een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.’
46
Conclusie Voor de nieuwe woning dient een hogere grenswaarde aangevraagd te worden. Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluidhinder verder geen belemmeringen.
47
7.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 2: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011
Jaargemiddelde 25 µg/m3 concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.
Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2019 het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 19,8 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 19,4 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 12,0 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met
48
niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
49
7.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader Bij realisering van nieuwe hindergevoelige functies (woningen) dient te worden onderzocht of er zich in de omgeving bedrijfsactiviteiten bevinden die relevante milieuhinder kunnen veroorzaken. Uitgangspunt daarbij is dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Voor een goede ruimtelijke ordening wordt in het algemeen gebruik gemaakt van het VNG-boekje Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor één van beiden optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Het is wel aan te bevelen eventuele afwijkingen te benoemen en te motiveren.
Tabel 3: Milieucategorieën en zwaarste richtafstanden conform VNG Milieucategorie Zwaarste richtafstand 1 10 meter 2 30 meter 3.1 50 meter 3.2 100 meter 4.1 200 meter 4.2 300 meter 5.1 500 meter 5.2 700 meter 5.3 1.000 meter 6 1.500 meter Onderzoek Het onderhavige plan betreft de toevoeging van een woning. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient onderzocht te worden of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en of er beperkingen van de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende functies optreden. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Op basis hiervan dient aangetoond te worden dat er sprake is van een acceptabel woonen leefklimaat en dat de betreffende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Karakter van het gebied De richtafstanden in het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) hebben betrekking op de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. Onder het omgevingstype ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’ wordt het volgende verstaan: "Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen
50
vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie, een stiltegebied of een natuurgebied)." Onder het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt het volgende verstaan: "Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend." Gesteld kan worden dat er sprake is van een gemengd gebied; direct naast burgerwoningen komen diverse verschillende bedrijvigheid voor zoals agrarische bedrijven. Tevens is er sprake van een lintbebouwing in het buitengebied waarin agrarische bedrijven zijn gevestigd. Hierdoor kunnen de richtafstanden van omliggende bedrijven gereduceerd worden met één afstandstrap.
De gemeente heeft daarnaast voor agrarische bedrijven in relatie tot omliggende geurgevoelige objecten een geurverordening vastgesteld (‘Geurverordening 2013 gemeente Molenwaard’). Hierin is vastgelegd dat de richtafstanden voor geur buiten de bebouwde kom gereduceerd kunnen worden naar 25 meter. In de directe omgeving van het plangebied zijn onderstaande bedrijven gevestigd. Tabel 4: Omliggende relevante bedrijven Adres Functie
Oosteinde 37 Oosteinde 35a Noordzijde 19
Opslag (cat. 1) Agrarisch bedrijf Agrarisch bedrijf
Zwaarste richtafstand conform VNG (gemengd gebied) 0 meter 25 meter* 25 meter*
Werkelijke afstand tot nieuwe woning 19 meter 39 meter 77 meter
* Voor een agrarisch bedrijf stelt de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) richtafstanden van 100 meter voor geur, 30 meter voor stof en geluid en 0 meter voor gevaar. Omdat er sprake is van een gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één afstandstrap gereduceerd worden naar 50 (geur), 10 (stof en geluid) en 0 (gevaar) meter. Middels de Geurverordening 2013 gemeente Molenwaard kan daarnaast de richtafstand voor geur verder gereduceerd worden naar 25 meter. Hierdoor geldt voor een agrarisch bedrijf een zwaarste richtafstand van 25 meter.
51
Noordzijde 19: 77 meter
Oosteinde 37: 19 meter
Oosteinde 35a: 39 meter
Afbeelding 16: Afstand nieuwe woning t.o.v. omliggende bedrijven
Uit voorstaande blijkt dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden en daarmee gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de bewoner(s) van de nieuwe woning en bedrijven in de omgeving niet (verder) worden belemmerd. Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
52
7.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels.
Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is, op enkele onderdelen na, op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Wanneer zich binnen de 10-6 per jaar contour kwetsbare objecten kan een bestemmingsplan worden vastgesteld mits er zodanige voorschriften aan het besluit zijn verbonden dan wel er een traject van wijziging van de milieuvergunning is ingezet, zodat binnen 3 jaar na vaststelling van het besluit voldaan wordt aan de grenswaarde (artikel 8 lid 3 Bevi).
Wel dient in de tussentijd voldaan te worden aan de grenswaarde van 10-5 per jaar. Naast Bevi-inrichtingen zijn er ook inrichting die niet onder het Bevi vallen, maar waar wel opslag van risicovolle stoffen plaatsvindt. Regulering van de risico- aspecten die samenhangen met de opslag van deze stoffen vindt plaats middels het Activiteitenbesluit dan wel de WM vergunning. Een belangrijke richtlijn voor opslag en gebruik vormen de zogenaamde PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen beschrijven de eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan worden bereikt.
53
Onderzoek Invloed van stationaire bronnen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen Beviinrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of wegen waarover bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen worden vervoerd die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan.
Plangebied
Afbeelding 17: Uitsnede Risicokaart
Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. In en om het plangebied zijn geen van dergelijke buisleidingen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen.
54
Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
55
7.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen of straalpaden gelegen, behoudens de hoogspanningslijnen ten westen van het plangebied. Op enige afstand is een bovengrondse hoogspanningslijn (380 kV) gelegen. De sterkte van het magnetische veld in de buurt van een hoogspanningslijn hangt af van de stroom door de draden, de afstand tot de draden en de fasevolgorde van de draden. De magnetische veldsterkte wordt uitgedrukt in tesla of microtesla (één miljoenste deel van een tesla). Het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft geadviseerd om in situaties waarin kinderen langdurig worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) hoger is dan 0,4 microtesla te voorkomen. Op basis hiervan is door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) indicatieve magneetveldzones bij bovengrondse hoogspanningslijnen opgenomen in de Netkaart. De indicatieve magneetveldzone geeft de zone weer waar het jaargemiddelde magnetische veld hoger dan 0,4 microtesla is of in de toekomst kan worden.
Voor de bovengrondse hoogspanningslijn nabij het plangebied geldt een indicatieve magneetveldzone van 150 meter aan weerszijde van de hoogspanningslijn, gerekend over de grond vanuit het hart van de hoogspanningslijn. Het plangebied is gelegen op een afstand van 180 meter vanuit het hart van de hoogspanningslijn, waarmee gesteld kan worden dat het plangebied ruim buiten de indicatieve magneetveldzone van de hoogspanningslijn is gelegen en derhalve kan worden geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan.
56
180 m
Plangebied
Afbeelding 18: Uitsnede kaart Bovengrondse hoogspanningslijnen met indicatieve magneetveldzone
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
57
7.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming (Wnb) toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Het plan voorziet in de interne splitsing van een bestaande boerderij. De werkzaamheden vinden uitsluitend binnen een thans bewoond pand plaats. Verder voorziet het plan niet in werkzaamheden. Hierdoor voorziet het plan niet in werkzaamheden welke in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Gebiedsbescherming Verder maakt het plangebied geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000-gebieden, Belangrijk Weidevogelgebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Het plangebied is op een minimale afstand gelegen van 321 tot het Belangrijk weidevogelgebied, 738 meter tot het NNN, 1,9 km tot Strategische reservering natuur en 2,6 km tot een Natura2000-gebied.
814 m
321 m
738 m
Afbeelding 19: Afstand plangebied tot NNN en Belangrijk weidevogelgebied
58
2,6 km 1,9 km
3,9 km
6,1 km
Afbeelding 20: Afstand plangebied tot Natura2000 en Strategisch reservering natuur
Stikstofdepositie Het plan voorziet in het toevoegen van één woning. Om te bepalen of een stikstofdepositieonderzoek nodig is voor het onderhavige plan is het ‘Stroomschema beoordeling WABO-aanvragen bouw i.v.m. stikstofdepositie’ van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid geraadpleegd. Hierin is opgenomen dat voor woningbouwprojecten van 1 woning en gelegen op een minimale afstand van 1,4 kilometer van een Natura 2000-gebied geen rekening hoeft te worden gehouden met stikstof. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 2,6 km tot het Natura 2000gebied ‘Donkse Laagten’ en circa 23,9 km tot het Natura 2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk’. Deze Natura 2000-gebieden hebben echter geen stikstofgevoelige habitats, waardoor de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats ‘de Biesbosch’ betreft, gelegen op een afstand van circa 6,1 km. Gesteld kan worden dat het plangebied op ruim voldoende afstand is gelegen van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden en derhalve een stikstofdepositieonderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect ecologie geen belemmeringen. Conform artikel 1.11 van de Wnb dient te allen tijden voldoende zorg in acht genomen te worden ten aanzien van Natura2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
59
7.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde woongebruik op het perceel Oosteinde 36 te Oud-Alblas is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek opgesteld. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘Op basis van het bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: • De licht puinhoudende bovengrond rondom de boerderij is licht verontreinigd met diverse metalen en met PAK.
Dit zijn gebruikelijke verhogingen op langdurig in gebruik zijnde percelen in het algemeen; • De ongeroerde puinvrije kleiige bovengrond onder de klinkervloer van het voormalige stalgedeelte in de boerderij bevat licht verhoogde gehalten aan nikkel en PCB; • De kleiige bovengrond van het grasveld op het oostelijke terreindeel bevat minimaal verhoogde gehalten aan cadmium en lood; • De ondergrond (ongeroerde zware klei) bevat een verwaarloosbaar verhoogd gehalte aan molybdeen; • Op de oostelijke perceelsgrens ligt voor 2/3 deel een gedempte sloot. Hier zijn de boringen 14, 15 en 16 uitgevoerd. Boring 14 is uitgevoerd waar de sloot volgens informatie nooit heeft gelegen en dat blijkt ook uit het boorprofiel. Bij de boringen 15 en 16 was de dempingsgrond wel geroerd maar niet verdacht vanwege het ontbreken van bijmengingen of verdachte kenmerken. Wel was bij boring 16 duidelijk voelbaar dat er voor de demping ook takkenbossen zijn gebruikt. Een en ander stemde overeen met hetgeen de eigenaar hiervan vermeld had. Er was geen aanleiding voor een analyse; • De bovengrond op het oostelijke terrein is in een mengmonster onderzocht op PFAS.
Het gehalte aan PFOA (3 ug) komt goed overeen met de verwachtingswaarde volgens de zonekaart van de OZHZ; • Het grondwater uit peilbuis 1 is schoon voor alle NEN-5740-parameters; • In een separaat door Adcim BV uitgevoerd asbestonderzoek is geen asbest aangetroffen in de puinhoudende bovengrond op de westelijke terreinhelft. Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging waarbij de agrarische bestemming wijzigt in een woonbestemming.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen. 60
7.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument. Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden.
Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente is te zien dat het plangebied deels is gelegen op gronden met een: • Zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (paars). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (roze). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
61
Plangebied
Afbeelding 21: Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Met de splitsing van de boerderij voorziet het plan niet in graafwerkzaamheden, waardoor de verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet van toepassing is en derhalve een archeologisch onderzoek achterwege kan blijven. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft archeologie geen belemmeringen.
62
7.11 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De initiatiefnemer is bewust van deze gemeentelijke ambitie. De initiatiefnemer zal onderzoek doen naar het eventueel toepassen van maatregelen om duurzame energie op te wekken en/of om de woning energiezuinig te maken.
63