bijlage 1 Toelichting BP Oud Alblas, Oosteinde 36
Tekst van het document
Toelichting Bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Oosteinde 36’
Gemeente Molenlanden Toelichting Bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Oosteinde 36’
Identificatie
Planstatus
Identificatiecode: NL.IMRO.1978.BPoosteinde36ABS-VG01
Datum: 17-11-2020
Status: Vastgesteld
Projectnummer: 1002244
2
Inhoud 1
2
3
4
5
Inleiding............................................................................................................ 5 1.1
Inleiding ..................................................................................................... 5
1.2
Kader .......................................................................................................... 7
1.3
Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 9
1.4
Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 9
1.5
Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid............................ 10
1.6
Communicatie .......................................................................................... 10
1.7
Realisatie .................................................................................................. 10
1.8
Leeswijzer................................................................................................. 10
Planbeschrijving .............................................................................................. 11 2.1
Bestaande situatie ..................................................................................... 11
2.2
Nieuwe situatie ......................................................................................... 13
Beleidskader ................................................................................................... 15 3.1
Rijksbeleid ................................................................................................ 15
3.2
Provinciaal beleid ...................................................................................... 15
3.3
Regionaal beleid ....................................................................................... 16
3.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................. 16
3.5
Conclusie .................................................................................................. 16
Sectorale aspecten .......................................................................................... 17 4.1
Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 17
4.2
Watertoets ................................................................................................ 17
4.3
Geluidhinder ............................................................................................. 19
4.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................... 20
4.5
Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 20
4.6
Externe veiligheid ..................................................................................... 21
4.7
Kabels en leidingen................................................................................... 21
4.8
Ecologie .................................................................................................... 22
4.9
Bodem ...................................................................................................... 23
4.10
Archeologie ........................................................................................... 24
4.11
Duurzaamheid ....................................................................................... 24
Juridische planbeschrijving .............................................................................. 25 5.1
Inleiding ................................................................................................... 25
5.2
Systematiek van de regels ......................................................................... 25
5.3
Bestemmingen .......................................................................................... 25
5.4
Aanduidingen ........................................................................................... 26 3
6
7
Verantwoording beleidskader .......................................................................... 27 6.1
Rijksbeleid ................................................................................................ 27
6.2
Provinciaal beleid ...................................................................................... 29
6.3
Regionaal beleid ....................................................................................... 33
6.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................. 35
6.5
Conclusie .................................................................................................. 36
Verantwoording sectorale aspecten ................................................................. 37 7.1
Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 37
7.2
Watertoets ................................................................................................ 40
7.3
Geluidhinder ............................................................................................. 46
7.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................... 48
7.5
Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 50
7.6
Externe veiligheid ..................................................................................... 53
7.7
Kabels en leidingen................................................................................... 56
7.8
Ecologie .................................................................................................... 58
7.9
Bodem ...................................................................................................... 60
7.10
Archeologie ........................................................................................... 61
7.11
Duurzaamheid ....................................................................................... 63
Bijlage 1
Omschrijving Ontwerptekening
2
Digitale watertoets
3
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Verkennend bodemonderzoek
4
Auteur Brand BBA Architecten Waterschap Rivierenland De Roever Omgevingsadvies
Referentie 18030
Datum 20-12-2018
20191016-921594 20191262.v01
16-10-2019
Bakker Milieuadviezen
BM/2639-2020
April 2020
14-11-2019
4
1
Inleiding
1.1 Inleiding 1.1.1 Aanleiding Het perceel Oosteinde 36 te Oud-Alblas betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie. In de loop van de tijd is de functie van het perceel gewijzigd naar een bedrijfslocatie ten behoeve van een agrarisch hulp- of nevenbedrijf. Echter heeft het perceel deze bedrijfsfunctie ook verloren, waardoor het perceel thans uitsluitend een woonfunctie heeft. De initiatiefnemer is hierdoor voornemens om de huidige bedrijfsbestemming te wijzigen in een woonbestemming. Verder is op het perceel een cultuurhistorische boerderij aanwezig. Door de omvang van deze boerderij en de status als gemeentelijk monument zijn de kosten voor het onderhoud aan de boerderij relatief hoog. Om in de toekomst het onderhoud aan de boerderij te verzekeren wordt de boerderij gesplitst in twee wooneenheden, zodat het draagvlak voor het onderhoud groter wordt en de instandhouding van de cultuurhistorische boerderij wordt verzekerd. Het plan is echter in strijd met het vigerend bestemmingsplan. Het perceel heeft de enkelbestemming ‘Bedrijf’, waardoor de boerderij juridisch-planologisch niet gesplitst kan worden in twee wooneenheden. Tevens kan de boerderij niet gebruikt worden als burgerwoningen. De initiatiefnemer heeft een principeverzoek ingediend bij de gemeente voor het voorgenomen plan.
Op 3 april 2019 heeft de gemeente Molenlanden in een schriftelijke reactie aangegeven medewerking te willen verlenen aan het onderhavige plan middels een herziening van het bestemmingsplan. 1.1.2 Plangebied Het plangebied betreft het perceel Oosteinde 36 te Oud-Alblas. Het plangebied wordt in het noorden begrensd door De Alblas en in het oosten door de perceelafscheiding van het naastgelegen woonperceel Oosteinde 35. Ten zuiden wordt het plangebied begrensd door het Oosteinde en een ondiepe watergang zorgt voor de westelijke begrenzing. Het plangebied is onder te verdelen in de kadastrale percelen ABS02-E-984 en 985.
5
Afbeelding 1: Begrenzing plangebied
1.1.3 Belang De gemeente Molenlanden geeft toestemming aan ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied wanneer sprake is van een aangetoonde verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de individuele, bedrijfs- en maatschappelijke belangen en overige belangen in de directe omgeving niet nadelig worden beïnvloed. Middels het plan wordt de cultuurhistorische boerderij gesplitst in twee wooneenheden, waardoor meer draagvlak wordt gecreëerd voor het onderhoud aan de monumentale boerderij en daardoor instandhouding verzekerd wordt. voor de boerderij ontstaat hiermee een toekomstbestendige situatie. Het plan draagt hiermee bij aan het behoud van het cultuurhistorische karakter van de lintbebouwing langs het Oosteinde. Verder zijn volwaardige bedrijven in de lintbebouwing, zoals het Oosteinde, niet wenselijk. Middels het voorliggende plan wordt de bedrijfsbestemming op het perceel Oosteinde 36 volledig gewijzigd naar een woonbestemming. Hiermee wordt eventuele nieuwvestiging van een volwaardig bedrijf op deze locatie uitgesloten en sluit de nieuwe functie van het perceel beter aan op het huidige gebruik op het perceel. Het plan is hiermee een passende ontwikkeling voor de gemeente Molenlanden.
6
1.2 Kader Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’, vastgesteld op 25 januari 2010 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom. Het perceel heeft hierin de bestemming: • Bedrijf. De dubbelbestemmingen: • Waterstaat – Waterbergingsgebied; • Waterstaat – Waterkering. En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Functieaanduiding ‘cultuurhistorische waarden’; • Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – agrarisch hulp- of nevenbedrijf’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning overgangsgebied’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied dorpslint’.
Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Graafstroom'
7
Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ Op 15 september 2015 is de 3e herziening van bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de derde herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het deelgebied betekent dat de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’, ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 4’ zijn toegevoegd;
Afbeelding 3: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Graafstroom 3e herziening'
Bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ Op 20 februari 2018 is een volgende herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’, het bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de herziening zijn tevens regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het deelgebied betekent dit de aanpassing/actualisatie van de regelgeving en het toevoegen van de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’.
8
Afbeelding 4: Uitsnede bestemmingsplan 'parapluherziening Buitengebied Graafstroom'
1.3 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. Middels het onderhavige bestemmingsplan wordt het juridisch-planologisch mogelijk gemaakt om ter plaatse van het perceel Oosteinde 36 te Oud-Alblas de bedrijfsbestemming te wijzigen in ‘Wonen’ en de monumentale boerderij te splitsen in twee burgerwoningen.
1.4 Maatschappelijk draagvlak Voorontwerp Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente Molenlanden bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan besproken met de Provincie Zuid-Holland en het Waterschap Rivierenland. Verder heeft het voorontwerpbestemmingsplan vanaf 21 juli 2020 zes weken ter inzage gelegen (Gemeenteblad nr. 190068), waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om een inspraakreactie kenbaar te maken. Er zijn geen reacties ingediend. Terinzagelegging Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben vanaf 1 oktober 2020 zes weken ter inzage gelegen (Gemeenteblad nr. 252716), waarbij eenieder de mogelijkheid heeft gehad om een zienswijzen kenbaar te maken. Er zijn geen zienswijzen ingediend. 9
1.5 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
1.6 Communicatie Er wordt op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure (via internet en de Staatscourant).
1.7 Realisatie Wanneer geen beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan na de beroepstermijn onherroepelijk. De omgevingsvergunning voor het plan kan dan worden aangevraagd.
1.8 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • • • • • •
Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; Hoofdstuk 3: Beleidskader; Hoofdstuk 4: Sectorale aspecten; Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving; Hoofdstuk 6: Verantwoording beleidskader; Hoofdstuk 7: Verantwoording sectorale aspecten.
10
2
Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis en stedenbouwkundige structuur De kern Oud-Alblas is één van de kernen van de gemeente Molenlanden. Deze gemeente behoort tot de provincie Zuid-Holland en beslaat het noorden en midden van de Alblasserwaard. De kern Oud-Alblas is ontstaan als lintbebouwing langs de rivier de Alblas. Vanuit de lintbebouwing is er rondom de kerk een buurtschap ontstaan. Het silhouet van Oud-Alblas wordt beheerst door de uit 1400 daterende forse bakstenen kerktoren, waarvan het bovenste deel is versierd met nissen. Na de Tweede Wereldoorlog heeft het lintbebouwingsdorp, zoals de meeste dorpen in de Alblasserwaard, een grote groei doorgemaakt, welke is terug te zien in de seriematige uitbreidingswijken rondom de oorspronkelijke kern van het dorp. Het plangebied aan het Oosteinde is gelegen ten oosten van de kern Oud-Alblas, in de gemengde lintbebouwing. Deze lintbebouwing is gevormd door een langgerekte strook van min of meer samengegroeide bebouwing langs de Alblas. De bebouwing kenmerkt zich door een afwisseling van (grotere) boerderijen en (kleinere) arbeidersen knechtenhuisjes. Hier en daar is de oude bebouwing vervangen door nieuwbouw en hebben de bestaande boerderijen hun agrarische functie verloren en zijn volledig in gebruik als woonfunctie.
2.1.2 Huidige status/gebruik Op het perceel Oosteinde 36 te Oud-Alblas is een cultuurhistorische boerderij gebouwd. Het perceel heeft een bedrijfsbestemming conform het vigerend bestemmingsplan, maar de bedrijfsactiviteiten zijn in de loop van de tijd verloren gegaan, waardoor het perceel thans een volledige woonfunctie heeft.
Afbeelding 5: Aanzicht monumentale boerderij Oosteinde 36 te Oud-Alblas
11
Afbeelding 6: Aanzicht perceel Oosteinde 36 te Oud-Alblas
Afbeelding 7: Luchtfoto bestaande situatie
12
2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Het perceel Oosteinde 36 te Oud-Alblas betreft conform het vigerend bestemmingsplan een bedrijfsperceel. De bedrijfsactiviteiten in de vorm van een agrarisch hulp- en nevenbedrijf zijn echter verloren en vinden er geen bedrijfsactiviteiten meer plaats op het perceel. Hierdoor heeft het perceel uitsluitend een volledige woonfunctie, ondanks de bedrijfsbestemming in het vigerend bestemmingsplan. Middels het onderhavige plan wordt de volledige bedrijfsbestemming gewijzigd naar ‘Wonen’, waarmee de juridisch-planologische situatie overeenkomt met de feitelijke situatie. Verder is op het perceel Oosteinde 36 een cultuurhistorische boerderij aanwezig, waarin één woning is geïntegreerd. Dit betekent dat uitsluitend de eigenaar van deze woning opdraait voor de kosten voor het onderhoud aan de monumentale boerderij. De initiatiefnemer is voornemens om, in het kader van het behoud van de cultuurhistorische boerderij, de boerderij te splitsen in twee burgerwoningen. Hiermee wordt verdere bewoning van de boerderij verzekerd en daarmee meer draagvlak ontstaat voor het onderhoud aan de boerderij en wordt hierdoor instandhouding en een toekomstbestendige situatie gecreëerd voor de boerderij. Het plan voorziet hiermee uitsluitend in inpandige werkzaamheden aan de boerderij. Verder vinden er geen sloop en/of bouwwerkzaamheden plaats.
Met betrekking tot de regels van het bestemmingsplan wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’.
Afbeelding 8: Ontwerptekening nieuwe situatie
13
2.2.2 Ontsluiting en parkeren Ontsluiting Het perceel Oosteinde 36 te Oud-Alblas wordt thans ontsloten middels twee perceelsontsluiting op het Oosteinde. In de nieuwe situatie worden de huidige oostelijke ontsluiting gebruikt voor de inwoners van de bestaande woning en de westelijke ontsluiting voor de nieuwe bewoners van de woning in het achterhuis. Parkeren Voor de vaststelling van de parkeernorm is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381. Uitgaande van het type ‘koop, twee-onder-een-kap’ liggend in het ‘buitengebied’ van een ‘niet stedelijk’ gebied wordt uitgegaan van een gemiddelde parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen per woning (waarvan 0,3 parkeerplaatsen per woning voor bezoekers). Voor de twee woningen komt de gemiddelde parkeerbehoefte op 4,4 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied is ruim voldoende ruimte voor het parkeren van minimaal 5 personenauto’s, waardoor de parkeerbehoefte volledig op eigen terrein wordt opgelost. Het plan voldoet hiermee aan de gemiddelde parkeernormen uit de CROWpublicatie 381.
14
3
Beleidskader
In dit hoofdstuk zijn de conclusies vanuit de beleidsaspecten weergegeven. De uitgebreide verantwoording van het beleidskader staat beschreven in hoofdstuk 6.
3.1 Rijksbeleid Op rijksniveau zijn op ruimtelijk gebied de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de meest bepalende beleidsdocumenten. Vanwege het kleinschalige karakter van het onderhavige plan kan een beschrijving van het Rijksbeleid achterwege worden gelaten. Ladder voor duurzame verstedelijking Het plan voorziet in het toevoegen van één woning in een bestaand gebouw. Geconcludeerd kan worden dat vanuit jurisprudentie het plan geen stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, waardoor toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet vereist dan wel noodzakelijk is.
3.2 Provinciaal beleid De provincie blijft in haar beleid streven naar een vitaal platteland. Nieuwe ontwikkelingen vinden bij voorkeur plaats binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Nieuwe ontwikkelingen kunnen alleen plaats vinden als er sprake is van een aantoonbare (maatschappelijke) vraag en/of een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het onderhavige plangebied maakt geen deel uit van het bestaand stads- en dorpsgebied. Het perceel Oosteinde 36 is wel gelegen in de lintbebouwing en daarmee gelegen in de bebouwde ruimte. Middels het plan wordt een woning toegevoegd in een bestaande cultuurhistorische boerderij, waarmee wordt voorzien in verdichting en in het beter benutten van de ruimte. Het onderhavige plan is zeer kleinschalig en voorziet niet in werkzaamheden/ ontwikkelingen waarmee de richtpunten voor ontwikkelingen in de gebieden ‘linten’ en ‘veenweidelandschap’ worden aangetast. Het onderhavige plan is in overeenstemming met de Kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Het onderhavige plan kan worden geschaard binnen de categorie ‘inpassen’. De ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedseigen identiteit en is passend bij de schaal en aard van het gebied. Het onderhavige plan sluit aan bij de Kwaliteitskaart.
15
3.3 Regionaal beleid In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, is het authentieke karakter van de regio waar bewoners zich thuis voelen een streven. Met het toevoegen van een wooneenheid in de bestaande boerderij wordt verdere bewoning en daarmee onderhoud van de boerderij gegarandeerd. Hiermee wordt tevens de instandhouding van de cultuurhistorische boerderij verzekerd en toekomstbestendig gemaakt. Het plan draagt hiermee bij aan het behoud van het authentieke karakter van het cultuurhistorische landschap en is daarmee in overeenstemming met het regionaal beleid. Middels het onderhavige plan wordt per saldo één wooneenheid toegevoegd. Omdat de optelsom van de plannen in Oud-Alblas een groei van woningen laat zien van 1,5%, wordt het plan voorgelegd aan de regiogemeenten middels een lichte onderbouwing.
3.4 Gemeentelijk beleid Met de ontwikkeling van het voorgenomen plan wordt voorzien in de gemeentelijke doelstellingen zoals opgenomen in het Structuurvisie Graafstroom, het MeerjarenPerspectief Wonen en de Toekomstvisie Molenwaard van de gemeente. Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’, vastgesteld op 25 januari 2010 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom. Het voorgenomen plan is in strijd met dit bestemmingsplan. Het perceel heeft de enkelbestemming ‘Bedrijf’, waardoor de boerderij juridisch-planologisch niet gesplitst kan worden in twee wooneenheden. Tevens kan de boerderij niet gebruikt worden als burgerwoningen.
3.5 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan, maar is wel in overeenstemming met het overige ruimtelijk beleid.
16
4
Sectorale aspecten
In dit hoofdstuk zijn de conclusies vanuit de sectorale milieuaspecten weergegeven. De uitgebreide verantwoording staat beschreven in hoofdstuk 7. Sectoraal aspect: 4.1 Milieueffectrapportage 4.2 Watertoets 4.3 Geluidhinder 4.4 Luchtkwaliteit 4.5 Bedrijf-milieuhinder 4.6 Externe veiligheid 4.7 Kabels en leidingen 4.8 Ecologie 4.9 Bodem 4.10 Archeologie 4.11 Duurzaamheid
Extern onderzoek uitgevoerd:
Belemmering:
Nadere voorwaarden:
Ja
Nee
Nee
Ja
Nee
Nee
4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, geen sprake is van productiewerkzaamheden, geen sprake is van een toename van aantallen verkeersbewegingen, etc. kan – met in achtneming van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling, redelijkerwijs worden verwacht dat geen sprake is van ernstige milieugevolgen gerelateerd aan de ruimtelijke ontwikkeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. kan worden volstaan met een onderbouwing van de diverse milieuaspecten in de voorliggende toelichting van het bestemmingsplan ‘OudAlblas, Oosteinde 36’.
4.2 Watertoets Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20191016-9-21594). Watergangen In de directe omgeving van het plangebied zijn A-watergang 001245 en Cwatergangen 069822 en 069858 gelegen. Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van respectievelijk 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting. Het plan voorziet niet in werkzaamheden binnen een beschermingszone van een watergang, waardoor een watervergunning niet noodzakelijk is voor het onderhavige plan. Waterberging en -compensatie Het onderhavige plangebied is gelegen in het boezemgebied van de Alblas. Boezemgebieden zijn de gebieden in de Alblasserwaard die liggen tussen de 17
boezemkades. De Alblas behoort tot de Boezem van de Nederwaard. Voor boezemland geldt een volumecompensatie; ophogingen en andere wijzigingen beneden het peilniveau van de boezem dienen gecompenseerd te worden. Een toename aan verhard oppervlak dient tevens gecompenseerd te worden aan de hand van de stelregel van het waterschap (436 m³ nieuwe waterberging per 10.000 m² toename verharding). Volumecompensatie Het plan voorziet in het integreren van een wooneenheid binnen de bestaande boerderij. Gesteld kan worden dat de volume aan bebouwing op het perceel hierdoor niet toeneemt en derhalve geen compenserende maatregelen genomen hoeven te worden in het kader van volumecompensatie. De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ is overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan. Oppervlaktecompensatie Het plan voorziet in een toename van 992,5 m² aan verharding. Conform de stelregel van het waterschap dient hiermee 43,3 m³ aan water gerealiseerd te worden. Uitgaande van een peilstijging van 0,2 m betekent dit een waterberging van 216,4 m². De waterberging kan eventueel plaatsvinden langs de Alblas. Voor plannen van particulieren in het buitengebied is een eenmalige toename aan verharding van 1.500 m² vrijgesteld van watercompensatie. Indien de initiatiefnemer hier nog geen gebruik van heeft gemaakt, zijn watercompenserende maatregelen niet nodig.
De afdeling Vergunningen van het waterschap zal beoordelen of hiervan nog gebruik gemaakt kan worden Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woning wordt aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied is geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland gelegen. Waterkering Er vinden geen werkzaamheden plaats binnen de kern- en/of beschermingszone van de regionale waterkering, waardoor het aanvragen van een watervergunning niet noodzakelijk is. Ter bescherming van de waterkering wordt op basis van de Barro (2012) op de kernzone de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ en op de beschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ gelegd. Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder het Oosteinde. Het plangebied wordt thans ontsloten middels een ontsluiting op het Oosteinde. Middels het plan worden de ontsluitingen niet gewijzigd.
18
Het Oosteinde betreft een 15T-zone, wat wil zeggen dat de weg gesloten is voor verkeer zwaarder dan 15 ton. Indien het voor de werkzaamheden noodzakelijk is om verkeer zwaarder dan 15 ton over het Oosteinde te laten plaatsvinden, dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenlanden. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
4.3 Geluidhinder Het perceel Oosteinde 36 te Oud-Alblas ligt binnen de invloedssfeer van enkele wegen. Het perceel is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein. Geluidhinder vanwege deze geluidsbronnen zijn hierom buiten beschouwing worden gelaten. Het onderhavige plan betreft de toevoeging van een woning in de boerderij op het perceel Oosteinde 36. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het toevoegen van een nieuw geluidsgevoelig object en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door De Roever Omgevingsadvies. De conclusie van dit rapport luidt: ‘Uit het onderzoek blijkt dat een hogere waarde procedure moet worden gevolgd ten gevolge van het wegverkeerslawaai afkomstig van de Oosteinde. De hoogst berekende geluidbelasting vanwege de Oosteinde bedraagt 51 dB. De maximaal te ontheffen grenswaarde van 53 dB wordt niet overschreden. Het plan voldoet aan de voorwaarden uit de beleidsregel. Maatregelen om de geluidbelasting terug te dringen tot de voorkeursgrenswaarde zijn niet mogelijk. De benodigde karakteristieke geluidwering van de gevel bedraagt maximaal 23 dB. De benodigde materialen om een dergelijke gevelwering te behalen kunnen onderzocht worden in een aanvullend gevelweringsonderzoek.
De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Matig’ tot ‘Zeer goed’. De gewenste woning beschikt over een geluidluwe gevel (noordwesten). De achtertuin is aan deze gevel gelegen. Gesteld kan worden dat de cumulatieve geluidbelasting een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluidhinder geen belemmeringen.
19
4.4 Luchtkwaliteit Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2019 het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 19,8 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 19,4 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 12,0 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
4.5 Bedrijven- en milieuhinder Het onderhavige plan betreft de toevoeging van een woning. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient onderzocht te worden of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en of er beperkingen van de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende functies optreden. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Op basis hiervan dient aangetoond te worden dat er sprake is van een acceptabel woonen leefklimaat en dat de betreffende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Ter plaatse van het plangebied is sprake van lintbebouwing met woningen en bedrijvigheid. Er is geen sprake van functiescheiding. Het bestemmingsplan staat bedrijvigheid bovendien expliciet toe. Gesteld kan worden dat er sprake is van een ‘gemengd gebied’ en daardoor de richtafstanden één afstandstrap verlaagd mogen worden. De gemeente heeft daarnaast voor agrarische bedrijven in relatie tot omliggende geurgevoelige objecten een geurverordening vastgesteld (‘Geurverordening 2013 gemeente Molenwaard’). Hierin is vastgelegd dat de richtafstanden voor geur buiten de bebouwde kom gereduceerd kunnen worden naar 25 meter.
Er wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden en daarmee kan gesteld worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de bewoner(s) van de nieuwe woning en bedrijven in de omgeving niet (verder) worden belemmerd. Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
20
4.6 Externe veiligheid Invloed van stationaire bronnen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen Beviinrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of wegen waarover bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen worden vervoerd die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan. Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen In en om het plangebied zijn geen van dergelijke buisleidingen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
4.7 Kabels en leidingen In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen of straalpaden gelegen, behoudens de hoogspanningslijnen ten westen van het plangebied. Op enige afstand is een bovengrondse hoogspanningslijn (380 kV) gelegen. De sterkte van het magnetische veld in de buurt van een hoogspanningslijn hangt af van de stroom door de draden, de afstand tot de draden en de fasevolgorde van de draden. De magnetische veldsterkte wordt uitgedrukt in tesla of microtesla (één miljoenste deel van een tesla). Het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft geadviseerd om in situaties waarin kinderen langdurig worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) hoger is dan 0,4 microtesla te voorkomen. Op basis hiervan is door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) indicatieve magneetveldzones bij bovengrondse hoogspanningslijnen opgenomen in de Netkaart. De indicatieve magneetveldzone geeft de zone weer waar het jaargemiddelde magnetische veld 21
hoger dan 0,4 microtesla is of in de toekomst kan worden. Voor de bovengrondse hoogspanningslijn nabij het plangebied geldt een indicatieve magneetveldzone van 150 meter aan weerszijde van de hoogspanningslijn, gerekend over de grond vanuit het hart van de hoogspanningslijn. Het plangebied is gelegen op een afstand van 180 meter vanuit het hart van de hoogspanningslijn, waarmee gesteld kan worden dat het plangebied ruim buiten de indicatieve magneetveldzone van de hoogspanningslijn is gelegen en derhalve kan worden geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
4.8 Ecologie Soortenbescherming Het plan voorziet in de interne splitsing van een bestaande boerderij. De werkzaamheden vinden uitsluitend binnen een thans bewoond pand plaats. Verder voorziet het plan niet in werkzaamheden. Hierdoor voorziet het plan niet in werkzaamheden welke in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Gebiedsbescherming Verder maakt het plangebied geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000-gebieden, Belangrijk Weidevogelgebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het plangebied is op een minimale afstand gelegen van 321 tot het Belangrijk weidevogelgebied, 738 meter tot het NNN, 1,9 km tot Strategische reservering natuur en 2,6 km tot een Natura2000-gebied. Stikstofdepositie Het plan voorziet in het toevoegen van één woning. Om te bepalen of een stikstofdepositieonderzoek nodig is voor het onderhavige plan is het ‘Stroomschema beoordeling WABO-aanvragen bouw i.v.m. stikstofdepositie’ van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid geraadpleegd. Hierin is opgenomen dat voor woningbouwprojecten van 1 woning en gelegen op een minimale afstand van 1,4 kilometer van een Natura 2000-gebied geen rekening hoeft te worden gehouden met stikstof.
Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 2,6 km tot het Natura 2000gebied ‘Donkse Laagten’ en circa 23,9 km tot het Natura 2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk’. Deze Natura 2000-gebieden hebben echter geen stikstofgevoelige habitats, waardoor de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats ‘de Biesbosch’ betreft, gelegen op een afstand van circa 6,1 km. Gesteld kan worden dat het plangebied op ruim voldoende afstand is gelegen van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden en derhalve een stikstofdepositieonderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie 22
Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect ecologie geen belemmeringen. Conform artikel 1.11 van de Wnb dient te allen tijden voldoende zorg in acht genomen te worden ten aanzien van Natura2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
4.9 Bodem Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde woongebruik op het perceel Oosteinde 36 te Oud-Alblas is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek opgesteld. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘Op basis van het bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: • De licht puinhoudende bovengrond rondom de boerderij is licht verontreinigd met diverse metalen en met PAK. Dit zijn gebruikelijke verhogingen op langdurig in gebruik zijnde percelen in het algemeen; • De ongeroerde puinvrije kleiige bovengrond onder de klinkervloer van het voormalige stalgedeelte in de boerderij bevat licht verhoogde gehalten aan nikkel en PCB; • De kleiige bovengrond van het grasveld op het oostelijke terreindeel bevat minimaal verhoogde gehalten aan cadmium en lood; • De ondergrond (ongeroerde zware klei) bevat een verwaarloosbaar verhoogd gehalte aan molybdeen; • Op de oostelijke perceelsgrens ligt voor 2/3 deel een gedempte sloot. Hier zijn de boringen 14, 15 en 16 uitgevoerd. Boring 14 is uitgevoerd waar de sloot volgens informatie nooit heeft gelegen en dat blijkt ook uit het boorprofiel. Bij de boringen 15 en 16 was de dempingsgrond wel geroerd maar niet verdacht vanwege het ontbreken van bijmengingen of verdachte kenmerken. Wel was bij boring 16 duidelijk voelbaar dat er voor de demping ook takkenbossen zijn gebruikt.
Een en ander stemde overeen met hetgeen de eigenaar hiervan vermeld had. Er was geen aanleiding voor een analyse; • De bovengrond op het oostelijke terrein is in een mengmonster onderzocht op PFAS. Het gehalte aan PFOA (3 ug) komt goed overeen met de verwachtingswaarde volgens de zonekaart van de OZHZ; • Het grondwater uit peilbuis 1 is schoon voor alle NEN-5740-parameters; • In een separaat door Adcim BV uitgevoerd asbestonderzoek is geen asbest aangetroffen in de puinhoudende bovengrond op de westelijke terreinhelft. Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging waarbij de agrarische bestemming wijzigt in een woonbestemming.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.
23
4.10 Archeologie Met de splitsing van de boerderij voorziet het plan niet in graafwerkzaamheden, waardoor de verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet van toepassing is en derhalve een archeologisch onderzoek achterwege kan blijven. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft archeologie geen belemmeringen.
4.11 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De initiatiefnemer is bewust van deze gemeentelijke ambitie. De initiatiefnemer zal onderzoek doen naar het eventueel toepassen van maatregelen om duurzame energie op te wekken en/of om de woning energiezuinig te maken.
24
5
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Oosteinde 36’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Oosteinde 36’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Oosteinde 36’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’, vastgesteld op 20 februari 2018. De regels van het bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Oosteinde 36’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Wonen De volledige bedrijfsbestemming wordt met het plan gewijzigd naar ‘Wonen’ zodat het huidige gebruik overeenkomt met de juridisch-planologische situatie. Waarde – Archeologie 1, 2 en 4 Ter bescherming van de eventuele archeologische waarden ter plaatse van de deelgebieden wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1, 2 en 4’ opgenomen. Waterstaat – Waterkering Deze dubbelbestemming is mede bestemd voor het in stand houden, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de regionale waterkering.
25
Waterstaat – Waterbergingsgebied Ten behoeve van de handhaving en ontwikkeling van de waterbergende functie van de boezemladen wordt deze dubbelbestemming opgenomen.
5.4 Aanduidingen • • • •
Bouwvlak; Functieaanduiding ‘cultuurhistorische waarden’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 2’.
26
6
Verantwoording beleidskader
6.1 Rijksbeleid 6.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Het Rijk streeft naar een Nederland dat concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Dit wil zij doen met een krachtige aanpak, die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig om deze nieuwe aanpak vorm te geven. Daarnaast geven nieuwe politieke accenten, veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen aanleiding voor herziening van het rijksbeleid. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.
Het Rijk geeft aan dat landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten identiteit geven aan een gebied en culturele voorzieningen en cultureel erfgoed bovendien van groeiend belang zijn voor de concurrentiekracht van Nederland. In de nieuwe structuurvisie is aangegeven dat het Rijk verantwoordelijk blijft voor het cultureel en natuurlijk UNESCO Werelderfgoed (inclusief de voorlopige lijst), kenmerkende stadsen dorpsgezichten, rijksmonumenten en het maritieme erfgoed. Het beleid ten aanzien van landschap is echter niet langer een Rijksverantwoordelijkheid en laat het Rijk over aan de provincies. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad. 6.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen.
Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische 27
hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmings- plannen aan moeten voldoen. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro. 6.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren. Per 1 juli 2017 is artikel 3.1.6. van de Bro op een aantal punten gewijzigd. In het geval in het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, dient de toelichting een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien.
Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. De definitie is verder niet uitgewerkt. Inmiddels biedt jurisprudentie een beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt: ‘De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRvS 18 december 2013, ECLI: NL:RVS:2013:2471).
Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL: RVS:2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3).’ Het plan voorziet in het toevoegen van één woning in een bestaand gebouw. Geconcludeerd kan worden dat vanuit jurisprudentie het plan geen stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, waardoor toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet vereist dan wel noodzakelijk is. 28
6.2 Provinciaal beleid 6.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie ZuidHolland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.
Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Het onderhavige plangebied maakt geen deel uit van het bestaand stads- en dorpsgebied. Het perceel Oosteinde 36 is wel gelegen in de lintbebouwing en daarmee gelegen in de bebouwde ruimte. Middels het plan wordt een woning toegevoegd in een bestaande cultuurhistorische boerderij, waarmee wordt voorzien in verdichting en in het beter benutten van de ruimte. Verbeteren ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang.
Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van 29
ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling in de lintbebouwing. Met de toevoeging van één wooneenheid in de boerderij wordt verdere bewoning, onderhoud en daarmee instandhouding van de cultuurhistorische boerderij gegarandeerd en toekomstbestendig gemaakt. Hiermee blijft de ruimtelijke kwaliteit in de vorm van een karakteristieke boerderij behouden en draagt het plan bij aan het behouden van het cultuurhistorische karakter van de lintbebouwing in de Alblasserwaard. Kwaliteitskaart Laag van de cultuur- en natuurlandschappen De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. In de Omgevingsvisie heeft de provincie de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen vastgelegd op de kwaliteitskaart. Het onderhavige plangebied is gelegen in de gebieden ‘veenweidelandschap’ en ‘linten’.
De ruimtelijke structuur in het veenweidegebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veenweidelandschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veenweidelandschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.
Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend;
30
•
Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.
Plangebied
‘Linten’
‘Veenweidelandschap’
Afbeelding 9: Uitsnede Kwaliteitskaart 'laag van de cultuur- en natuurlandschappen'
Het onderhavige plan is zeer kleinschalig en voorziet niet in werkzaamheden/ ontwikkelingen waarmee de richtpunten voor ontwikkelingen in de gebieden ‘linten’ en ‘veenweidelandschap’ worden aangetast. Het onderhavige plan is in overeenstemming met de Kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie Zuid-Holland. 6.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie.
31
Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9). Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de
relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Het onderhavige plan kan worden geschaard binnen de categorie ‘inpassen’. De ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedseigen identiteit en is passend bij de schaal en aard van het gebied. Het onderhavige plan sluit aan bij de Kwaliteitskaart. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10). Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het onderhavige plan betreft een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stadsen dorpsgebied (BSD). Het onderhavig plan betreft vanuit jurisprudentie geen stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame ontwikkeling’ is daarmee niet vereist dan wel noodzakelijk (zie paragraaf 6.1.3).
32
6.3 Regionaal beleid 6.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en bepaalt de beleidskeuzes met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, is het authentieke karakter van de regio waar bewoners zich thuis voelen een streven. Met het toevoegen van een wooneenheid in de bestaande boerderij wordt verdere bewoning en daarmee onderhoud van de boerderij gegarandeerd.
Hiermee wordt tevens de instandhouding van de cultuurhistorische boerderij verzekerd en toekomstbestendig gemaakt. Het plan draagt hiermee bij aan het behoud van het authentieke karakter van het cultuurhistorische landschap en is daarmee in overeenstemming met het regionaal beleid. 6.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied een dynamische stedelijke zone. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Er wordt onderscheid gemaakt in: • Stedelijk gebied; • Voorzieningendorpen; • Woondorpen. De huidige afspraak is een netto toevoeging van maximaal 3.364 woningen netto in totaal voor de regio voor de periode 2015-2025.