CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1 Toelichting BP Groot Ammer, Achtkanter

Raadsvergadering 2 maart 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Groot-Ammers, Achtkanter14.651 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het plan zorgt voor een kwalitatieve toevoeging aan de woningvoorraad van de gemeente Molenlanden. 6.4.2 MeerjarenPerspectief Wonen (MPW) In 2017 heeft de voormalige gemeente Molenwaard de herijking van het MeerjarenPerspectief Wonen (MPW) vastgesteld. Het MPW stelt de vraag centraal, de woningbehoefte is richtinggevend voor het aantal te bouwen woningen per kern. Doelgroepen waar het MPW zich op richt zijn mensen die er al wonen en die willen blijven, mensen die een binding hebben met de gemeente, starters, doorstromers en senioren. Uitgangspunt is de regionale woonvisie. Voor Groot-Ammers is een woningbehoefte berekend van 140 tot 250 woningen tot 2030, waar grotendeels in wordt voorzien. In de plannen die door de gemeente geaccordeerd zijn, is deze locatie al meegenomen. Dit bestemmingsplan voorziet per saldo in een toename van 4 woningen. In Groot-Ammers is behoefte aan meer woningen. Doordat plannen doorschuiven, waaronder ook dit plan, past de fasering van de plannen beter bij de behoefte. Zoals eerder ook geconstateerd werd, corrigeert de markt het als er een teveel aan plannen ontstaat. Vier extra woningen is ten opzichte van de berekende behoeft passend; kwantitatief is er dan ook geen probleem met dit plan. Volgens het MPW is er behoefte aan alle typen woningen. Dit plan speelt in op deze woningbehoefte.

Tevens draagt dit plan bij aan de behoefte aan levensloopbestendige woningen. Het plan is in overeenstemming met het MeerjarenPerspectief Wonen (MPW).

33

6.4.3 Bestemmingsplan ‘Groot-Ammers Zuidoost’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Groot-Ammers Zuidoost’, dat door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Molenwaard is vastgesteld op 2 september 2011. Het plangebied betreft de enkelbestemming: • Woongebied; En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Maximum bouwhoogte: 10 m; • Maximum goothoogte: 6 m;

Plangebied

Afbeelding 10: Uitsnede bestemmingsplan ‘Groot-Ammers Zuidoost’

Het gewijzigde plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘Groot-Ammers Zuidoost’ (vastgesteld op 2 sept. 2011). De beoogde woningen passen niet binnen de bouwvlakken.

6.5 Conclusie Op basis van de beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • • • • •

Het plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘Groot-Ammers Zuidoost’. Het plan betreft geen stedelijke ontwikkeling. De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is daarmee niet van toepassing; Middels de bestemmingsplanwijziging wordt ingespeeld op de huidige woningbehoefte in Groot-Ammers. Het gewijzigd woningaanbod wordt regionaal gemeld en meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 20202030. Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders.

34

7.

Verantwoording sectorale aspecten

7.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling bestaande uit 12 woningen. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Het plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om een gewijzigd woningaanbod bestaande uit twaalf woningen te realiseren.

Er vinden geen productiewerkzaamheden plaats en er is geen sprake van productie van afvalstoffen, anders dan regulier huishoudelijk afval en bedrijfsafval. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zullen er geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Ligging van het plangebied De plangebied is gelegen aan de zuidoostelijke rand van het dorp Groot-Ammers. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000-gebieden, belangrijk weidevogelgebied of het Natuurnetwerk Nederland.

35

Afbeelding 11: Plangebied t.o.v. beschermde natuurgebieden

Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen ten opzichte van de huidige juridisch-planologische situatie (geen maximum aantal wooneenheden). De verkeersgeneratie als gevolg van dit plan kan in voldoende mate worden afgewikkeld via de bestaande wegen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer.

36

7.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheer van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde komt, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineen geslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.

Het beleidsplan moet de gemeente helpen om een veilig robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijvoorbeeld evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen.

Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door onder andere centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen. 37

Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (Dossiercode 20190509-9-20536). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Watergangen In directe omgeving van het plangebied zijn een A-watergang (001061) en twee B-watergangen (124649/124684) gelegen (zie afbeelding 12). De A- en de Bwatergang 124684 zijn buiten het plangebied van dit bestemmingsplan gelegen. De B-watergang 124649 aan de zuidzijde van het plangebied is overeenkomstig het moederplan ‘Groot-Ammers Zuidoost’ bestemd als ‘Water’ (zie afbeelding 7 in hoofdstuk 2.2). De nieuwe woningen wordt buiten de beschermingszones van de omliggende watergangen gerealiseerd. Er worden geen aanpassingen gedaan aan de bestaande watergangen. Het aanvragen van watervergunning bij het waterschap Rivierenland is derhalve niet noodzakelijk. B-watergang: 124684

A-watergang: 001061 B-watergang: 124649

Afbeelding 12: Legger wateren

38

Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW065. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,52 meter NAP en een winterpeil van -1,57 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Afbeelding 13: Peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlakte water worden afgevoerd, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaand verhard oppervlak (bebouwing, bestrating e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Dit bestemmingsplan voorziet in een juridisch-planologische wijziging waarmee een gewijzigd woningaanbod kan worden gerealiseerd dat beter aansluit bij de vraag in de huidige woningmarkt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is gekeken wat de planwijziging voor gevolgen heeft voor de verharding in het gebied. Voor het plan is een verhardingsbalans opgesteld (zie tabel 3).

39

Het oorspronkelijke plan (bestemmingsplan ‘Groot-Ammers Zuidoost’) betreft de bouw van 10 twee-onder-een-kapwoningen en 14 vrijstaande woningen op vrije kavels. Dit bestemmingsplan richt zich op een deel van het oorspronkelijke plan (zie afbeelding 14). Ter plaatse van het plangebied was het oorspronkelijke plan om 8 twee-onder-een-kapwoningen te realiseren. Voor het oorspronkelijke plan is een nieuwe B-watergang (124649) gerealiseerd tussen de A-watergangen 001061 en 001069 met een oppervlakte van circa 570 m2.

Plangebied

Afbeelding 14: Oorspronkelijke plan (bestemmingsplan ‘Groot-Ammers Zuidoost’)

Het nieuwe plan is om weerszijden van de voetverbinding van de Haarsteeg naar de Achtkanter vier vrijstaande woningen en 8 twee-onder-een-kapwoningen te realiseren.

Afbeelding 15: Nieuwe situatie

40

Normaliter kan watercompensatie maximaal 5 jaar na de dag waarop de watervergunning is verzonden ingezet worden. Deze termijn is inmiddels verstreken. In overleg met het Waterschap Rivierenland is besloten dat voor de 8 twee-ondereen-kapwoningen in het plan (die in het oorspronkelijke plan al voorzien waren) de gerealiseerde watercompensatie voor het oorspronkelijke plan kan worden ingezet. Dit bestemmingsplan maakt naast de 8 twee-onder-een-kapwoningen ook de extra bouw van 4 vrijstaande woningen mogelijk. Voor de vrijstaande woningen dient conform het vigerende beleid van het waterschap Rivierenland de benodigde watercompensatie te worden gerealiseerd. Dit komt bovenop de reeds gerealiseerde watercompensatie waarvoor een nieuwe B-watergang (124649) gerealiseerd tussen de A-watergangen 001061en 001069. Tabel 3: Verhardingsbalans Nieuw t.o.v. oorspronkelijk plan Kavel 1 (70% van 451 m2)* Kavel 6 (70% van 417 m2)* Kavel 7 (70% van 418 m2)* Kavel 12 (70% van 455 m2)* Totaal

Oppervlak (m²) 316 m2 292 m2 293 m2 318 m2 + 1.219 m2 toename

*Het Waterschap Rivierenland hanteert wat betreft de kavels voor vrijstaande woningen (woning incl. bijgebouwen, tuinhuisjes, terrassen, opritten en overige verhardingen) een verhardingspercentage van 70% per kavel.

Berekening watercompensatie Het plan resulteert in een toename aan verharding met 1219 m2. Op basis hiervan is het realiseren van watercompensatie noodzakelijk. De benodigde watercompensatie bedraagt 1219 m2 * 0,0436 m3/ha = 53,15 m3. Uitgaande van een toelaatbare peilstijging van 0,2 meter betekent dit een te realiseren extra wateroppervlak van 266 m2. Oplossing watercompensatie Het beleid van het Waterschap Rivierenland is dat watercompensatie kan worden gerealiseerd door het verbreden van watergangen of het realiseren van nieuw oppervlaktewater, mits dit in directe verbinding staat met het polderpeil. De watercompensatie dient te worden gerealiseerd in hetzelfde peilgebied als waar de woningbouwontwikkeling is voorzien. Gezien hier sprake is van een uitzonderlijke situatie kan voor dit plan gebruik worden gemaakt van de waterbergingsbank GrootAmmers van de gemeente Molenlanden. Om aan de watercompensatieplicht te voldoen wordt door de ontwikkelaar in eerste instantie onderzoek gedaan om elders binnen het peilgebied OVW065 de benodigde watercompensatie te realiseren. Voor de realisatie van de watercompensatie elders dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland.

41

Indien geen locatie wordt gevonden zal voor dit plan gebruik worden gemaakt van de waterbergingsbank Groot-Ammers van de gemeente Molenlanden. Deze oplossing is afgestemd en akkoord bevonden door het waterschap Rivierenland. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen.

Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De woningen zullen aangesloten worden op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen kern- en/of beschermingszones van een primaire en/of regionale waterkering. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.

42

7.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.

Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, dus kan buiten beschouwing worden gelaten. Onderzoek Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat: ▪

▪ ▪

De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Haarsteeg en de Graafland op de gevels van de woningen ten hoogste respectievelijk 47 en 31 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB incl. aftrek art. 110g Wgh voor wegverkeer; De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen ten hoogste 47 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; Alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte waarmee aan het streven uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.

Aan te vragen hogere grenswaarden wegverkeerslawaai Voor deze woningen hoeven geen hogere waarden te worden aangevraagd. 43

Geluidwering van de gevel Voor deze woningen hoeft geen nader onderzoek naar de geluidwering van de gevel plaats te vinden omdat de gecumuleerde geluidbelasting niet hoger is dan 53 dB, excl. aftrek art. 110g Wgh. Algemeen geldt dat zonder aanvullende geluidwerende voorzieningen en bij toepassing van gebruikelijke bouwconstructies/materialen (spouwmuren, standaard dubbel glas, enkele kierdichting, ventilatieroosters etc.) een minimale geluidwering van 20 dB wordt bereikt. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft geluid geen belemmeringen.

44

7.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijn stof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 4: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3 Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011

25 µg/m3

Vanaf 2015

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de Monitoring NSL (2018) het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie tussen 20,20 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 18,47 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 11,28 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgesteld in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met 45

niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het Besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht.

46

7.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In tabel 5 zijn de afstanden weergeven.

Tabel 5: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-handboek bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de directe omgeving van het plangebied zijn onderstaande bedrijven gelegen. Tabel 6: Bedrijven- en milieuhinder van omliggende bedrijven Adres Functie Richtafstand Graafland 38 Graafland 42/43 De Boomgaard 3

Agrarische functie Paardenmanege Veldsportcomplex

100 meter (geur) 50 meter (geur) 50 meter (geluid)

Afstand tot plangebied 120 meter 240 meter 150 meter

47

De Boomgaard 3

Graafland 42/43

Graafland 38 Afbeelding 16: Plangebied t.o.v. omliggende bedrijven/functies

Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt.

48

7.6 Externe veiligheid Beleidskader Besluit externe veiligheid inrichtingen Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichting gebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen is de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Besluit externe veiligheid buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen.

Besluit externe veiligheid transportroutes Voor transportroutes zijn de regels vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. De belangrijkste wegen en spoorwegen, waaronder de A15 en de Betuwelijn, en vaarwegen vallen onder het Basisnet. Hiervoor gelden voorgeschreven veiligheidszones en vervoersintensiteiten, waarbij is uitgegaan van autonome groei. Voor overige wegen worden de werkelijke/ verwachten vervoersintensiteiten gehanteerd. Nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de afstanden van het plaatsgebonden risico. Als nieuwbouw binnen het invloedsgebied van een transportroute komt, is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Onderzoek Inrichtingen Volgens de risicokaart bevindt het plangebied zich in het invloedsgebied een inrichting waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op het bedrijventerrein Gelkenes, op ca. 1,7 km van het plangebied, is het bedrijf Akzo Nobel Decorative Coatings B.V gelegen.

Op het terrein van Akzo Nobel Decorative Coatings ligt PGS15 opgeslagen.

49

Akzo Nobel

Plangebied

Afbeelding 17: Risicokaart externe veiligheid

Plaatsgebonden risico Uit het attribuutrapport blijkt dat de 10-6 PR-contour van de inrichting ten hoogste enkele tientallen meters buiten de inrichtingsgrens ligt (zie afbeelding 18). Deze ligt derhalve niet over het plangebied en daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Groepsrisico Voor het bedrijf geldt een rekenkundig invloedsgebied van 2.765 meter. Het groepsrisico ligt echter ruim onder de oriëntatiewaarde (zie afbeelding 19), waarmee dit gekwalificeerd kan worden als een ‘verwaarloosbaar groepsrisico’.

50

De PGS15-opslagen van het bedrijf betreffen ruimten van 200 – 300 m2 en 1500 – 2500 m2, beide met beschermingsniveau 1. Voor dergelijke opslaginrichtingen geldt volgens de Regeling externe veiligheid inrichtingen een maximaal te hanteren invloedsgebied van 350 meter. Het plangebied ligt buiten dit invloedsgebied. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is daarmee niet nodig.

Afbeelding 18: Plaatsgebonden risico Akzo Nobel Decorative Coatings B.V. (Attribuutrapport Risicokaart.nl)

Afbeelding 19: Groepsrisico Akzo Nobel Decorative Coatings B.V. (Attribuutrapport Risicokaart.nl)

Buisleidingen In en om het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig.

51

Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Vaarwegen Het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van de rivier de Lek. De Lek wordt in het rapport Basisnet Water aangeduid als zwarte vaarweg (binnenvaart met frequent vervoer van gevaarlijke stoffen: belangrijke binnenvaarwegen). Dat betekent dat het plan moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor de zwarte vaarwegen zijn gebruiksruimtes voor het vervoer (veiligheidsbuffer) gedefinieerd. Deze gebruiksruimtes worden uitgedrukt in een plaatsgebonden risico (PR) 10-6 per jaar contour en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico De contour van het plaatsgebonden risico ligt op de oever van de Lek.

Het plaatsgebonden risico is daarom geen belemmering voor het plan Groepsrisico Artikel 8 van het Bevt schrijft voor dat indien het plan gelegen is binnen een afstand van 200 meter vanaf de vaarweg, er een verantwoording van het groepsrisico moet plaatsvinden. Het plangebied is gelegen op circa 1 kilometer, waardoor een verantwoording van het groepsrisico niet nodig is. Artikel 7 van het Bevt schrijft voor dat in de toelichting bij een bestemmingsplan, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval moet worden ingegaan op: • De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op dat binnenwater, en • Voor zover dat plan betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op dat binnenwater een ramp voordoet. In geval van een ramp op de Lek hebben de bewoners van de woningen de mogelijkheid om via de hoofdentree van hun woning en omliggende wegen te vluchten. Gezien de grote afstand tot de waterlijn heeft men voldoende tijd om te vluchten. In geval van een gifwolk is men veilig in de woning als men de ramen en deuren sluit en de ventilatie uitzet.

Tenslotte hebben de hulpdiensten voldoende ruimte om de ramp te bestrijden en de gevaarlijke stoffen op te ruimen Conclusie Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg. 52

7.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals, rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

53

7.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plan- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Om de invloed van het plan op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen, heeft Mertens B.V. een ecologische quickscan uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om groen te rooien en het plangebied bouwrijp te maken buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in Provincie Zuid-Holland. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen.

Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. In de omgeving zijn ook voldoende alternatieven aanwezig. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in provincie Zuid- Holland. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten. Om de rugstreeppad zich niet te laten vestigen in het plangebied gedurende de aanlegfase is het van belang om het ontstaan van waterplassen op het land te voorkomen. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de plannen aan de Achtkanter te Groot-Ammers zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.’

54

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Belangrijk Weidevogelgebied of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 5 km liggen de Natura 2000-gebieden ‘Uiterwaarden van de Lek’ en ‘Donkse Laagten’. Wat betreft de mechanische effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat, gezien de grote afstand tot deze natuurgebieden, de ontwikkeling niet zal leiden tot een significante toename in verstoring op de Natura2000-gebieden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Afbeelding 20: Plangebied t.o.v. beschermde natuurgebieden

Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Van de Natura2000-gebieden in de omgeving van het plangebied zijn de gebieden ‘Donkse Laagten’ en ‘Uiterwaarden van de Lek’ (beiden op circa 5 km afstand) de dichtstbij gelegen gebieden met kwetsbare en gevoelige habitattypen (pas.natura2000.nl). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op de Natura 2000gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het stikstofdepositieonderzoek is toegevoegd in de bijlage. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft het aspect ecologie geen belemmeringen.

55

7.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen voor het beoogde gebruik is door Bakker Milieuadviezen een verkennend onderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ▪ ▪ ▪

▪

‘De zintuiglijk schone bovengrond is in 3 mengmonsters onderzocht en is geheel schoon voor alle parameters uit het standaardpakket; De kleiige ondergrond bevat een verwaarloosbaar licht verhoogd gehalte aan molybdeen; In het grondwater is barium in een gehalte boven de tussenwaarde aangetroffen en het gehalte aan minerale olie in lichte mate boven de streefwaarde. Barium komt bijna standaard in gehalten boven de streefwaarde voor en soms (zoals in dit geval) wordt ook de tussenwaarde overschreden zonder aanwijsbaar oorzakelijk verband. Vanwege het ontbreken van een oorzakelijk verband is er dan ook geen reden voor een herbemonstering. Het verhoogde bariumgehalte veroorzaakt geen enkel risico. Het verhoogde oliegehalte wordt toegeschreven aan storende humuszuren in de venige ondergrond. Ook deze verhoging heeft geen consequenties voor de bestemming wonen; In de kleiige bovengrond is een PFOA-gehalte bepaald van 1.3 ug/kgds en in de ondergrond is dit duidelijk hoger, namelijk 7.5 ug/kgds. PFOS is alleen in de bovengrond aangetoond (0.72 ug) en de overige PFAS zijn niet verhoogd;

Op grond van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen woningbouw. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.

56

7.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorisch en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden, waaronder de voormalige gemeente Molenwaard, hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe ‘de verstoorder betaalt’. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • Lage verwachting (alle perioden). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (geel); • Hoge verwachting tussen 1,5 en 5 meter beneden maaiveld (voor prehistorie tot middeleeuwen). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 150 cm2 is archeologisch noodzakelijk.

57

Plangebied

Afbeelding 21: Archeologische verwachtingskaart

Ten behoeve van het oorspronkelijke plan is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek zijn: •

‘Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie? Het plangebied ligt in de Gelkenes-polder ten oosten van het dorp GrootAmmers in het komgebied van de Lek.

•

Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen? In het plangebied komen twee soorten bodems voor, klei-op-veen en veen-opklei-op-veen. Dit zijn vaaggronden, jonge bodems waar nog weinig bodemvormende processen in plaats hebben gevonden. Ter hoogte van twee boringen ligt een pakket ophoogzand, afkomstig van zandopslag op de rest van het plangebied. De bodem lijkt onverstoord te zijn.

•

Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? En zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en NAP? Op basis van de resultaten van het booronderzoek zijn geen relevante afzettingen of niveaus te verwachten in het plangebied

•

Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd? Op basis van het bureauonderzoek gold in het zuiden en oosten van het plangebied een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor resten uit het Mesolithicum en Neolithucum. Deze resten werden verwacht in de top van donken en/of oeverafzettingen. Omdat deze afzettingen bij het booronderzoek niet zijn aangetroffen, moet de verwachting voor resten uit deze perioden naar beneden worden bijgesteld naar een lage verwachting. 58

•

In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden? In het plangebied worden op basis van het booronderzoek geen archeologische waarden verwacht die kunnen worden verstoord. Deze vraag is daarom niet relevant voor het plangebied.

Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren.’ Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect archeologie de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag.

59

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=25763881-24e6-48dd-956d-93a2b9bbf386