Bijlage 1. Toelichting BP dorpsstraat 18 te Oud-Alblas
Tekst van het document
Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat 31
langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een Aof B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Waterberging en -compensatie Volumecompensatie Het plangebied is gelegen in het boezemgebied van De Alblas. Activiteiten in boezemgebieden zijn vergunningplichtig. Boezemgebieden zijn de gebieden in de Alblasserwaard die liggen tussen de boezemkades.
De Alblas behoort tot de Boezem van de Nederwaard en heeft een maximum peil van -0,80 m NAP. Wat betreft de volumecompensatie op boezemland wordt gekeken naar het maximale peil van de boezem plus 0,25 m. Hiermee gaat de volumecompensatie voor de boezem van de Nederwaard tot het niveau van -0,55 m NAP. Wanneer het plangebied wordt opgehoogd, dienen alle kuubs die door de ophoging beneden het peilniveau -0,55 m NAP worden aangebracht te worden gecompenseerd. Hiervoor dient een watervergunning te worden aangevraagd. Bij de aanvraag voor de watervergunning dient een dwarsprofiel van het bouwplan met de regionale waterkering en een compensatieberekening te worden toegevoegd. Eventuele compensatie zal plaatsvinden aan de oever van de Alblas. Het maaiveld van het plangebied is gelegen op een hoogte van circa -0,17 m NAP. Dat betekent dat het bouwen op het maaiveld niet zal leiden tot compensatie, omdat de bebouwing wordt gerealiseerd boven het maximum peil + 0,25 m van De Alblas plaatsvinden. Daarnaast voorziet het plan in de sloop van de bestaande bedrijfswoning en de relatief grote bedrijfsloods. Daarvoor in de plaats wordt een nieuwe burgerwoning met bijgebouw gerealiseerd. Daarmee wordt verwacht dat het bouwvolume op het perceel zal afnemen en daardoor ook geen compensatie nodig is.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ overgenomen in dit bestemmingsplan. Daarmee ontstaat er een omgevingsvergunningplicht voor werkzaamheden, waardoor er altijd advies van de waterbeheerder nodig is om een vergunning te kunnen verlenen. De belangen van de waterbeheerder zijn daarmee geborgd.
32
Plangebied
Afbeelding 10: Uitsnede peilgebiedenkaart
Oppervlaktecompensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m². • Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2 respectievelijk 500 m2; • Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht. De bebouwing en verhardingen van de huidige situatie is in kaart gebracht aan de hand van luchtfoto’s.
Omdat op dit moment niet bekend is hoe de toekomstige situatie/verhardingen er exact uit komen te zien, hanteert het waterschap een verhardingspercentage van 70% voor kavels van vrijstaande woningen.
33
Afbeelding 11: Bestaande (links) en toekomstige (rechts) verharding
Tabel 2: Verhardingsbalans Bestaande situatie Bebouwing Verharding Totale verharding bestaande situatie
305 m² 227 m² 532 m²
Nieuwe situatie 70% van oppervlakte perceel (773 m²) Totale verharding nieuwe situatie
541 m² 541 m²
Verschil:
9 m² toename
Het plan voorziet in een toename van slechts 9 m² aan verharding. In dat geval zal (9 × 0,0436 =) 0,40 m3 aan water gerealiseerd moeten worden. Uitgaande van een peil van 0,2 meter, betekent dit een oppervlakte van 1,97 m2 aan watercompensatie. Deze compensatie zou op het eigen perceel kunnen plaatsvinden. Voor het realiseren van watercompensatie is een watervergunning benodigd. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2 als deze vrijstelling niet eerder is gebruikt. De afdeling Vergunningen van het waterschap besluit uiteindelijk of gebruik kan worden gemaakt van deze eenmalige particuliere vrijstelling. Of er uberhaupt sprake zal zijn van een toename in verharding zal uiteindelijk blijken bij de omgevingsvergunningaanvraag en de aanvraag voor de watervergunning. Watergang/boezemgebied Direct ten noorden van het plangebied is het riviertje de Alblas gelegen. De Alblas is als A-watergang 001245 opgenomen. A-watergangen hebben een beschermingszone van 5 meter aan weerszijden van de watergang. Echter, omdat de locatie is gelegen in het boezemgebied, is het hele perceel opgenomen als 34
beschermingsgebied. Daardoor is het bij werkzaamheden nodig om een watervergunning aan te vragen. Het plan voorziet niet in werkzaamheden aan de watergang. Het aanvragen van een watervergunning is derhalve niet nodig. Wel voorziet het plan in werkzaamheden in het beschermingsgebied/het boezemgebied. Hiervoor zal wel een watervergunning moeten worden aangevraagd.
A-watergang 001245 (blauw)
Plangebied
Beschermingszone water (groen)
Afbeelding 12: Uitsnede Legger wateren
Waterkering Het plangebied is gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. De regionale waterkering en de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de waterkering zijn door de verordening Keur beschermd. In principe geldt binnen de kernzone dat hier niet gebouwd mag worden. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. Het plan voorziet niet in werkzaamheden aan de kernzone van de regionale waterkering. Wel zullen er werkzaamheden plaatsvinden in de beschermingszone van de waterkering. Hiervoor zal een watervergunning aangevraagd moeten worden bij het waterschap. De nieuwbouw moet in ieder geval buiten het profiel van vrije ruimte (pvvr) van de waterkering worden gerealiseerd. Bij de aanvraag van de watervergunning dient een dwarsprofiel van het bouwplan aan worden geleverd van de nieuwbouw ten opzichte van de waterkering en het pvvr. Ter bescherming van de regionale waterkering wordt ter plaatse van de kernzone de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. De gebiedsaanduiding 35
‘vrijwaringszone – dijk – 1’ wordt opgenomen ter plaatse van de beschermingszone. Deze dubbelbestemming en gebiedsaanduiding beschermd de waterkering door de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming te beperken. Tevens wordt bij een omgevingsvergunningaanvraag advies ingewonnen bij de beheerder van de waterkering. Daarmee is de bescherming van de waterkering geborgd.
Beschermingszone (licht oranje) Plangebied
Kernzone (geel)
Afbeelding 13: Uitsnede Legger waterkeringen
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. Bij de verwerking van het hemelwater mogen geen uitlogende materialen gebruikt worden. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland.
36
Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Voor de werkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap. Ter bescherming van de waterbelangen zijn de dubbelbestemmingen ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ en ‘Waterstaat – Waterkering’ en de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ opgenomen.
37
4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Onderzoek Het plan voorziet in het wijzigen van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. De positie van de woning wordt op het perceel gewijzigd. Vanuit de Wgh is daarmee sprake van het wijzigen van een geluidsgevoelig object en is een akoestisch onderzoek nodig.
De woningen zijn ten aanzien van wegverkeerslawaai gelegen binnen de geluidzone van diverse wegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd bedrijventerrein, deze bronnen worden derhalve verder buiten beschouwing gelaten. Om de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai op de geplande woningen in kaart te brengen is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: •
•
• •
De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Noordzijde ten hoogste 34 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer; De berekende geluidbelasting ten gevolge van alle 30 km/h wegen, waarvan de Dorpsstraat veruit maatgevend is, ten hoogste 56 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh bedraagt. 30 km/uur wegen hebben van rechtswege geen geluidzone en worden in het kader van de ruimtelijke ordening niet getoetst aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen (incl. 30 km/h wegen) ten hoogste 56 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De woning aan de noordzijde over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte beschikt en aan het gemeentelijk geluidbeleid kan worden voldaan, zodat een acceptabel woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. 38
Aan te vragen hogere grenswaarden wegverkeerslawaai Voor de onderzochte woning hoeft geen hogere waarde te worden vastgesteld. Geluidwering van de gevel Voor woningen met een geluidbelasting hoger dan 53 dB, excl. aftrek art. 110g Wgh dient voor de bouwaanvraag een aanvullend onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd te worden om de karakteristieke geluidwering van de gevel te bepalen en te toetsen aan de wettelijke eisen uit het Bouwbesluit. De benodigde karakteristieke geluidwering van de gevel bedraagt ten hoogste 28 dB.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft geluid geen belemmeringen. Er hoeft geen hogere waarden te worden vastgesteld.
39
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 3: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.
40
4.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Tabel 4: Afstanden/toelaatbaarheid per (milieu)categorie Gebied met functiemenging Gebied met functiescheiding Cat. Toelaatbaarheid MilieuRustige Gemengd categorie woonwijk of gebied rustig buitengebied Activiteiten zijn zodanig 1 10 m 0m weinig milieubelastend voor 2 30 m 10 m hun omgeving, dat deze 3.1 50 m 30 m aanpandig aan woningen – 3.2 100 m 50 m in gebieden met 4.1 200 m 100 m A functiemenging – kunnen 4.2 300 m 200 m worden uitgevoerd. De 5.1 500 m 300 m eisen uit het Bouwbesluit 5.2 700 m 500 m voor scheiding tussen wonen 5.3 1.000 m 700 m en bedrijven zijn daarbij 6 1.500 m 1.000 m toereikend.
B
C
Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.
Bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009)
In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een grotere functiescheiding dan een 41
gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In beide gevallen wordt er gewerkt met milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden om de functies van elkaar te scheiden. Onderzoek Het plan betreft de functiewijziging van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Tevens wordt met het plan de positie van de woning op het perceel gewijzigd. Hiermee is sprake van het wijzigen van een milieugevoelig object. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is gekeken naar de eventuele belemmeringen in de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven en instellingen als gevolg van het plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Toetsing aan VNG-Handreiking In de omgeving van het plangebied komen de volgende milieubelastende functies voor. Tabel 5: Omliggende milieubelastende functies # Functie Milieucat.
Hoogste richtafstand
1 Agrarisch bedrijf 3.2 50 meter* 2 Agrarisch bedrijf 3.2 50 meter* 3 Agrarisch bedrijf 3.2 50 meter* 4 Begraafplaats 1 10 meter 5 Aannemersbedrijf <500 m² 2 30 meter 6 Tuincentrum 2 30 meter 7 Loon- en aannemersbedrijf >500 m² 3.1 50 meter 8 Nutsvoorziening** 1 10 meter 9 Centrumfuncties 2*** 30 meter * = De geurafstanden zijn gereduceerd naar aanleiding van de vastgestelde
Werkelijke afstand tot plangebied 79 meter 115 meter 121 meter 24 meter 210 meter 260 meter 250 meter 17 meter 87 meter
Geurverordening gemeente Molenlanden ** = Er is aangesloten bij ‘transformatoren < 1 MVA) *** = Volgens de bestemmingsomschrijving uit het bestemmingsplan zijn binnen de bestemming ‘Centrum’ functies toegestaan t/m categorie 2.
42
1
9 6
6
3
2 2
4
5
8 6 7 Plangebied
Afbeelding 14: Overzicht omliggende milieubelastende functies
Er wordt voldaan aan de richtafstanden. Gesteld wordt dat de bedrijven niet verder in hun bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van het plan en dat ter plaatse van de woningen een acceptabel woon- en leefklimaat heerst. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.
43
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR=10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Uit de kaart Veilige Omgeving van de Atlas van de Leefomgeving blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege deze bronnen. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante transportroutes aanwezig.
44
Plangebied
Afbeelding 15: Uitsnede kaart Veilige omgeving (Atlas van de Leefomgeving)
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
45
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Algemeen In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een KLIC-melding te worden gedaan. Bovengrondse hoogspanningslijn Op enige afstand is een bovengrondse hoogspanningslijn Crayestein – Krimpen (380 kV) gelegen.
ca. 480 m
Plangebied
Afbeelding 16: Kaart Atlas voor de Leefomgeving - Bovengrondse hoogspanningslijnen
De sterkte van het magnetische veld in de buurt van een hoogspanningslijn hangt af van de stroom door de draden, de afstand tot de draden en de fasevolgorde van de draden. De magnetische veldsterkte wordt uitgedrukt in tesla of microtesla (één miljoenste deel van een tesla). Het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft geadviseerd om in situaties waarin kinderen langdurig worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) 46
hoger is dan 0,4 microtesla te voorkomen. Op basis hiervan is door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) indicatieve magneetveldzones bij bovengrondse hoogspanningslijnen opgenomen in de Netkaart. De indicatieve magneetveldzone geeft de zone weer waar het jaargemiddelde magnetische veld hoger dan 0,4 microtesla is of in de toekomst kan worden. Voor de bovengrondse hoogspanningslijn (380 kV) geldt een indicatieve magneetveldzone van 150 meter aan weerszijde van de hoogspanningslijn, gerekend over de grond vanuit het hart van de hoogspanningslijn. Het plangebied is gelegen op een minimale afstand van circa 480 meter vanuit het hart van de hoogspanningslijn, waarmee gesteld kan worden dat het plangebied ruim buiten de indicatieve magneetveldzone van de hoogspanningslijn is gelegen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
47
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan voorziet in werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Om de gevolgen hiervan in kaart te brengen is door Bureau Natuurzorg een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De quickscan is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting. De conclusie van de quickscan luidt: “Wet- en regelgeving De geplande werkzaamheden kunnen plaatsvinden met in achtneming van het onderstaande. Ongeacht de uitkomst van onderzoeken is de wettelijke Zorgplicht flora en fauna te allen tijde jaarrond van kracht. Conclusie broedvogels: 1. Er zijn geen nesten, nestlocaties in en aan de woning en schuur, noch op de kavel. Deze worden ook niet verwacht. 2. Mitigerende maatregelen zijn niet nodig.
Conclusie vleermuizen: 1. Er zijn geen verblijfplaatsen aanwezig binnen de woning en de schuur. Deze worden ook niet verwacht. 2. Enig essentieel onderdeel van een habitat voor vleermuizen wordt niet aangetast. 3. Mitigerende maatregelen zijn niet nodig. 4. Vervolgonderzoeken zijn niet nodig. Conclusie zoogdieren: 1. Er zijn geen te beschermen grondgebonden soorten zoogdieren aanwezig. 2. Mitigerende maatregelen zijn niet nodig. Conclusie amfibieën en reptielen: 1. Geen beschermde soorten of enig habitat aanwezig. Volg wel het gegeven advies. 2. Mitigerende maatregelen zijn niet nodig.
48
Conclusie vaatplanten: 1. Geen beschermde soorten aangetroffen. 2. Mitigerende maatregelen zijn niet nodig. Conclusie invasieve exoten: 1. Geen exoten aangetroffen. Conclusie overige: 1. Negatieve effecten op beschermde soorten en de Natura-2000 gebieden worden niet verwacht indien de voorgaande conclusies worden gerespecteerd en de natuurwetgeving wordt nageleefd. Vervolgonderzoeken zijn niet nodig. Aanbevelingen 1. Zorg er altijd voor dat in alle seizoenen altijd een deskundig ecoloog ter beschikking staat wanneer er onverwachte problemen dreigen voor te komen die indruisen tegen de natuurwetgeving.” Stikstofdepositie Voor deze ontwikkeling is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd. De voortoets is opgenomen als bijlage bij de toelichting. De conclusie van de voortoets luidt: “Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling tijdens beide fases niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.” Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie en stikstofdepositie geen belemmeringen.
49
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem te onderzoeken voor de beoogde woonfunctie, is door ADKEON een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij de toelichting gevoegd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: “Conclusies De kleiige bovengrond zonder bijmengingen van het oostelijke deel van de locatie (mengmonster 1) is licht verontreinigd met kwik, lood, zink en PAK. De aangetoonde verontreinigingen geven geen aanleiding voor uitvoering van nader bodemonderzoek en vormen geen belemmering voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie.
De kleiige bovengrond met bijmenging van sporen baksteen van het westelijke deel van de locatie (mengmonster 2) is licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, lood, zink, PAK en PCB. De aangetoonde verontreinigingen geven geen aanleiding voor uitvoering van nader bodemonderzoek en vormen geen belemmering voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie. De kleiige ondergrond (grondmonster 3) is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en molybdeen en matig verontreinigd met koper. Het gehalte aan koper is verhoogd ten opzichte van de toetswaarde voor naderbodemonderzoek. In principe dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar koper in grondwater. Echter is op de locatie geen aanwijsbare bron aanwezig die de verontreiniging in het grondwater veroorzaakt kan hebben. Gezien de gehalten in de kleiige bovengrond wordt tevens niet aannemelijk geacht dat het gehalte als gevolg van uitloging van de bovengrond in het grondwater terecht is gekomen. Aangenomen wordt dat het verhoogd gehalte aan koper in het grondwater een van nature verhoogd gehalte is. De concentratie aan koper in het grondwater is sterk afhankelijk aan de hoeveelheid opgeloste organische stof (DOC). De concentratie aan koper neemt toe bij een toename van DOC in het grondwater.
Op basis hiervan wordt uitvoering van een nader onderzoek ons inziens niet noodzakelijk geacht en vormt het gehalte aan koper geen belemmering voor de voorgenomen nieuwbouwwerkzaamheden.
50
Aanbevelingen Op basis van de aard en de omvang van de lichte verontreinigingen en het van nature verhoogd gehalte aan koper, vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie. Bij eventuele toekomstige afvoer van mogelijk overtollige grond dient men altijd rekening te houden met de regels uit het Besluit Bodemkwaliteit.” Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.
51
4.10 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Archeologie Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (paars). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (roze). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
52
Afbeelding 17: Archeologische beleids- en advieskaart Graafstroom
Het plan voorziet in bodemingrepen die groter zijn dan de archeologische vrijstelling, waardoor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek nodig is. Door ADC ArcheoProjecten is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage bij de toelichting. De conclusie van dit onderzoek luidt: “De […] onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: • Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Het plangebied is gelegen op de stroomrug van de Alblas. Er zijn oeverafzettingen aangetroffen in de diepere ondergrond vanaf circa 2,3 tot 2,7 m -NAP. In de westkant van het plangebied is boven de oeverafzetting een verlandingsgeul aangetroffen. In de overige delen van het plangebied zijn verder ophogingslagen aangetroffen die verwacht kunnen worden bij een bewoningslint. •
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De bovenste 70 tot 135 cm van het bodemprofiel bestaat uit een (sub)recent opgebracht pakket. Hieronder is het bodemprofiel intact. In boring 1 is sprake van diepe verstoringen (tot minimaal 300 cm -mv).
53
•
Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? De in de ondergrond aanwezige oeverafzettingen worden in beginsel als een archeologisch relevante eenheid beschouwd. Als gevolg van het ontbreken van een gerijpte of ontkalkte top is het echter niet aannemelijk dat deze ter plaatse een bewoonbaar oppervlak hebben gevormd. Het in de bovengrond aangetroffen antropogene pakket wordt daarentegen wel als een archeologische relevante eenheid beschouwd.
•
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Tussen de 1,0 – 2,3 m -NAP.
•
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Ja, in het antropogene kleipakket zijn archeologische indicatoren aangetroffen.
•
Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? De indicatoren bevinden zich verspreid antropogene pakket, tussen 80 en 220 cm -mv (1,00 – 2,30 m -NAP).
•
Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Deze indicatoren kunnen in een groot deel van het plangebied aangetroffen worden.
•
Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? De aard van de indicatoren bestaat uit resten baksteen en dateert vermoedelijk uit de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd.
•
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De archeologische verwachting voor resten uit de periode Late Romeinse tijd tot Vroege Middeleeuwen kan op grond van het ontbreken van een gerijpte of ontkalkte top in de oeverafzettingen van de Alblas naar laag worden bijgesteld. De hoge verwachting voor resten uit de periode Late Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd dient vanwege de aanwezigheid van een antropogeen pakket te worden gehandhaafd.
•
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Bij de sloop van de ondergrondse delen van de bestaande bebouwing zullen geen of nauwelijks (mogelijk aanwezige) archeologische waarden worden verstoord. Aangenomen wordt dat de bestaande funderingen niet dieper zullen reiken dan het (sub)recent opgebrachte zandpakket. Een uitzondering betreft de ondergrondse kelder. De sloop hiervan kan wel leiden tot aantasting van (mogelijk aanwezige) archeologische waarden. Gezien de
54
omvang van de kelder (circa 11 m2) zal deze aantasting echter beperkt zijn. De aanleg van de funderingen voor de nieuwbouw kan echter wel leiden tot additionele bodemverstoringen. Omdat nog geen funderingstekeningen beschikbaar zijn, is er nog geen inzicht in de verwachte omvang en diepte van deze verstoringen. •
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Afhankelijk van de aanlegdiepte van de funderingen is vervolgonderzoek noodzakelijk […].
ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling, indien bij de geplande werkzaamheden de bodem niet dieper geroerd wordt dan 80 cm -mv (1,00 m -NAP). Deze diepte is gebaseerd op het hoogste voorkomen van het laat-/postmiddeleeuwse pakket en inclusief een veiligheidsmarge van 20 cm.” Indien de bodem niet dieper wordt geroerd dan 80 cm onder het maaiveld, ondervindt het plan voor wat betreft archeologie geen belemmeringen. Indien de bodem wel dieper zal worden geroerd, is een aanvullend archeologisch onderzoek nodig. Zodoende is in het plangebied een archeologische dubbelbestemming opgenomen met een vrijstellingsdiepte van 80 cm. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. De melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Molenlanden. Cultuurhistorie Het plangebied is gelegen langs het cultuurhistorisch lint langs de Dorpsstraat. Met het plan wordt de bedrijfsloods en de bedrijfswoning verwijderd.
Op het vrijgekomen terrein worden vervolgens een nieuwe burgerwoning met bijgebouw gerealiseerd. De opzet, positionering en uitstraling van de nieuwe gebouwen zullen aansluiten bij de bestaande karakteristieken van het lint en de omliggende bebouwing. Zodoende is het plan in het kader van cultuurhistorie passend. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen. Indien de bodem dieper zal worden geroerd dan 80 cm, is een aanvullend archeologisch onderzoek nodig. Om dit juridisch-planologisch te borgen is in het plangebied een archeologische dubbelbestemming opgenomen waarin een vrijstellingsdiepte van 80 cm is opgenomen. Mocht tijdens de werkzaamheden archeologische vondsten aan het licht komen, dan ontstaat de plicht om deze vondsten te melden bij de gemeente Molenlanden en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
55
4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. Het plan speelt hier op in door een bedrijfsbestemming uit de kern van Oud-Alblas te verwijderen en daarvoor in de plaats een woonbestemming te creëren. De oudere bebouwing wordt gesloopt en daarvoor in de plaats wordt een nieuwe burgerwoning gebouwd. Omdat het een nieuwe woning betreft, zal de nieuwe woning moeten voldoen aan het meest recente Bouwbesluit en daarmee ook aan de meest recente duurzaamheidseisen. De woning zal daardoor voorzien moeten worden van duurzame toepassingen zoals zonnepanelen en een warmtepomp. Daarnaast zal de nieuwe woning ook gasloos worden gerealiseerd. Het plan draagt bij aan de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte.
Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien op te kunnen vangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Het plangebied is direct gelegen aan De Alblas, waar het hemelwater bij overvloedige neerslag naar kan worden afgevoerd. De initiatiefnemer is geïnformeerd over het toepassen van regenton(nen). Hiermee kan hemelwater vastgehouden worden en wordt bijgedragen in het tegengaan van wateroverlast. Overstroming Het plangebied is gelegen in het boezemgebied. De boezemgebieden hebben een zeer belangrijke waterbergende functie. Als de rivieren buiten hun oevers treden, wordt het water geborgen in de boezem. De boezem is dus een noodvoorziening die zijn functie altijd moet behouden. Op die manier wordt voorkomen dat de rivieren en overige oppervlaktewaterlichamen overstromen en daarbij grote schade aanrichten in bewoonde gebieden en aan percelen die op verschillende manieren in gebruik zijn. Bij bouwen in het boezemgebied wordt rekening gehouden met de berging die daadwerkelijk wordt weggenomen. De ingenomen kubieke meters worden om die reden bepaald binnen het boezempeil en het vastgestelde maximale peil plus 0,25 meter.
Het maaiveld van het plangebied is hoger gelegen dan dit vastgestelde peil en daardoor tast dit plan de waterbergende functie niet aan.
56
Verder worden de nieuwe gebouwen die het plan mogelijk maken wordt buiten het profiel van vrije ruimte van de nabijgelegen regionale waterkering gerealiseerd. Ter bescherming van de aanwezige regionale waterkering wordt de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ op de kernzone gelegd en de aanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ op de beschermingszone van de waterkering. Daarmee is bescherming van de regionale waterkering planologisch geborgd. Hitte Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Het plan voorziet in het toevoegen van één woning binnen een bestaand bebouwd perceel. Het aspect hittestress is bij de initiatiefnemers onder de aandacht gebracht. Mogelijk dat in de nieuwe woning een installatie wordt geïnstalleerd die naast verwarmen ook kan koelen. Daarnaast is het toepassen van een groene tuin om hittestress te voorkomen bij de initiatiefnemers onder de aandacht gebracht. Verder is het perceel gelegen aan het riviertje De Alblas, wat zorgt voor een verkoelend effect. Droogte Omdat het steeds droger wordt, zal de bodem sneller verdroogt raken. De initiatiefnemers zijn geïnformeerd over het toepassen van een regenton. Daarmee kan tijdens natte perioden het water opgevangen worden. Dit water kan vervolgens tijdens droge perioden gebruikt worden om de bodem te hydrateren.
De beplanting kan daardoor blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier.
57
5.
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Dorpsstraat 18’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van dit bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Dorpsstraat 18’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplannen ‘Dorpskernen’, ‘Herziening Dorpskernen Graafstroom’, ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ en ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’. De regels van dit bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmings-regels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Tuin Het voor- en achtererf is voorzien van een tuinbestemming. De tuinbestemming sluit aan op de tuinbestemmingen van naastgelegen percelen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, worden gebouwd. Wel zijn vergunningsvrije gebouwen toegestaan. Wonen Om de bedrijfsbestemming te verwijderen en ter plaatse een burgerwoning te kunnen bouwen, is de bestemming ‘Wonen’ opgenomen. De woonbestemming sluit aan op de woonbestemmingen van naastgelegen percelen. Binnen het bouwvlak dient de woning te worden gebouwd. Aan-, uit en bijgebouwen en overkappingen zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan. Waarde – Archeologie – 1a en Waarde – Archeologie – 2a De dubbelbestemmingen zijn opgenomen ter bescherming van eventuele archeologische waarden in de bodem. Uit archeologisch onderzoek is geconcludeerd 58
dat 80 cm onder het maaiveld geen archeologische vondsten te verwachten zijn, waardoor een vrijstelling is opgenomen voor werkzaamheden die tot 80 cm diep reiken. Qua oppervlaktevrijstelling is aangesloten bij de archeologische dubbelbestemmingen uit het moederplan. Waterstaat – Waterbergingsgebied Ter bescherming van het waterbergingsgebied is ter plaatse de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ opgenomen. Waterstaat – Waterkering Ter bescherming van de kernzone van de regionale waterkering, is deze dubbelbestemming opgenomen.
5.4 Aanduidingen • • • •
Bouwvlak; Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – dijk – 1; Maatvoering: maximaal aantal wooneenheden: 1; Maatvoering: maximum goothoogte: 4,5 m.
59