Bijlage 1 Toelichting bij bestemmingsplan 'Bleskensgraaf, Heulenslag 19-20'
Tekst van het document
36
4
Verantwoording sectorale aspecten
4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader In de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffect- beoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Aan de hand van de bestemmingswijziging ten behoeve van de realisatie van een twee-onder-een-kapper en het juridisch-planologisch borgen van de twee bestaande woningen in de boerderij zal hierna de vraag beantwoord worden of een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt. De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D11.2 van het Besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling. Gezien de kleinschaligheid is er geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht.
Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Middels het plan wordt een nieuwvestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf uitgesloten door het verwijderen van de agrarische bouwvlakken. De percelen Heulenslag 19-20 krijgen een woonbestemming, waarbij de bestaande twee woningen in de woonboerderij juridisch-planologisch worden geborgd. Verder worden de verouderde en in slechte bouwkundige staat zijnde schuren gesloopt en worden ter plaatse twee burgerwoningen gerealiseerd. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zullen er geen andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen in het lint langs de Heulenslag, ten westen van de bebouwde kom van Bleskensgraaf. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 1,5 kilometer is het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied gelegen. Het betreft de ‘Donkse Laagten’.
37
Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van het uitsluiten van een volwaardig agrarisch bedrijf worden potentiële negatieve effecten op het milieu voorkomen. De verkeersbewegingen zullen als gevolg van het plan niet onevenredig toenemen. Significante negatieve effecten op het milieu zijn vanwege de kleinschaligheid van het plan niet te verwachten. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieu- aspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wm.
38
4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: 1. beschermen tegen overstromingen; 2. water eerlijk verdelen; 3. voorbereiden op extreem weer; 4. streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; 5. bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; 6. kwaliteitsverbetering zwemwater; 7. toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; 8. toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur.
Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Omdat het plan ten noorden van de Heulenslag uitsluitend voorziet in een juridischplanologische wijziging (het verwijderen van het agrarisch bouwvlak), wordt het noordelijk deel van het plangebied verder niet behandeld in deze paragraaf. Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (20200303-9-22628). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt.
39
Watergangen Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting.
C-watergang 067582 C-watergang 067607
C-watergang 067620
A-watergang 112976
Afbeelding 19: Uitsnede legger wateren
In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen. Enkele fysieke werkzaamheden zullen plaatsvinden binnen de beschermingszone. Voor deze werkzaamheden is het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland noodzakelijk. Peilgebied Het plangebied is gelegen in het boezemgebied van de Graafstroom. Boezemgebieden zijn de gebieden in de Alblasserwaard die liggen tussen de boezemkades. De Graafstroom behoort tot de Lage boezem van de Nederwaard en heeft een boezempeil (streefpeil) van -0,9 m NAP en een maalpeil (maximumpeil) van -0,80 m NAP. De bebouwing dient ten minste 0,25 m boven het maximumpeil te staan, dat is dus op -0,55 m NAP-hoogte.
40
Perceel Heulenslag 19-20
Afbeelding 20: Uitsnede peilgebiedenkaart
Waterberging- en compensatie Voor boezemgebieden geldt zowel een oppervlakte- als een volumecompensatieplicht. Eventuele toename aan verharding en ophogingen en andere wijzigingen beneden het niveau van -0,55 m NAP dienen gecompenseerd te worden. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren (5 m³ per perceel). Oppervlaktecompensatie In het plan is sprake van een toevoeging van een wooneenheid in een bestaand boerderijgebouw. Daarnaast worden twee nieuwe woningen gerealiseerd ter plaatse van de te saneren bijgebouw. Tabel 1: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Oppervlakte verharding Boerderij en bijgebouwen 835 m2 Erfverharding 493 m2 Totale oppervlakte bestaande situatie 1.328 m2 Nieuwe situatie Boerderij en nieuwe woningen Erfverharding Totale oppervlakte nieuwe situatie
540 m2 740 m2 1.280 m2
Verschil
48 m² afname
41
Afbeelding 21: Bestaande en nieuwe situatie verharding
Het plan voorziet in een afname aan verharding met 48 m2. Omdat het plan voorziet in een afname aan verharding zijn watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk. Volumecompensatie Voor wat betreft de volumecompensatie is het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) geraadpleegd. Op de kaart van AHN is te zien hoe hoog gronden zijn gelegen ten opzichte van het NAP. Op de kaart is te zien dat maaiveld van het perceel Heulenslag 19-20 hoger is gelegen dan -0,55 m NAP. Hierdoor zijn watercompenserende maatregelen in het kader van volumecompensatie niet noodzakelijk. Het maaiveld ter plaatse van de oever is wel lager gelegen dan -0,55 m NAP. Bij maaiveldverhoging ter plaatse van de oever zullen er wel watercompenserende maatregelen nodig zijn. Omdat op dit moment niet bekend is of en op welke manier het maaiveld wordt opgehoogd of dat er een oeverbeschoeiing gerealiseerd zal worden, zal de eventuele benodigde volumecompensatie inzichtelijk worden gemaakt bij de omgevingsvergunningaanvraag. Locatie voor eventuele benodigde volumecompensatie kan bijvoorbeeld gezocht worden ten oosten van de bestaande boerderij of eventueel kan de C-watergang 067582 verlengd worden richting het oosten.
42
Afbeelding 22: Uitsnede kaart AHN
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater via het maaiveld af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woningen worden aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Regionale waterkering Het plangebied is gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering.
Binnen de kernzone gelden strenge regels voor het uitvoeren van bouw- en/of sloopwerkzaamheden. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. De geplande sloopwerkzaamheden en de nieuwe inrit vallen deels binnen de beschermingszone van de regionale waterkering. Er vinden geen werkzaamheden plaats binnen de kernzone. Voor de geplande sloopwerkzaamheden en de realisatie van de nieuwe inrit is het aanvragen van een 43
watervergunning bij het Waterschap Rivierenland vereist. De nieuwe woningen zullen volgens het ontwerp buiten de beschermingszone van de regionale waterkering gerealiseerd worden, waardoor voor de bouw van de nieuwe woning geen watervergunning noodzakelijk is. Indien toch binnen de beschermingszone zal worden gebouwd, dient hier tevens een watervergunning voor aangevraagd te worden. Ter bescherming van de waterkering wordt op de verbeelding ter plaatse van de kernzone de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Op basis van de Barro (2012) wordt voor de beschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ opgenomen.
Afbeelding 23: Uitsnede legger waterkeringen
Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de Heulenslag. Het plangebied wordt thans ontsloten middels een in- en uitrit op de Heulenslag. In de nieuwe situatie worden de twee bestaande in- en uitritten gebruikt worden door de twee woningen in de boerderij, zoals dat nu tevens het geval is. Voor de twee nieuwe woningen wordt een gezamenlijke in- en uitrit op de Heulenslag gerealiseerd. Voor het realiseren van een nieuwe in- en uitrit dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap Rivierenland. De Heulenslag betreft een 15T-zone, wat wil zeggen dat de weg gesloten is voor verkeer zwaarder dan 15 ton. Indien het voor de werkzaamheden noodzakelijk is om verkeer zwaarder dan 15 ton over de Heulenslag te laten plaatsvinden, dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenlanden. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor het plan dient een watervergunning aangevraagd te worden bij het Waterschap Rivierenland ten behoeve van de werkzaamheden binnen de beschermingszone van watergangen en de regionale waterkering en het realiseren van een nieuwe in- en uitrit op de Heulenslag. 44
4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/h wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB, de maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 53 dB in landelijk gebied en 63 dB in stedelijk gebied. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van wegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein. Deze geluidsbronnen zijn derhalve verder buiten beschouwing gelaten. Het plan betreft de toevoeging van twee woningen.
In het kader van de Wgh is hiermee sprake van toevoeging van nieuw geluidsgevoelig objecten en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Voortman Ingenieurs. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • De berekende geluidbelasting op de woningen ten gevolge van de Heulenslag en Abbekesdoel ten hoogste respectievelijk 52 en 49 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelastingen zijn hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde voor wegverkeer in buitenstedelijk gebied van 53 dB; • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Wijngaardseweg en Noorderweg ten hoogste respectievelijk 33 en 23 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelastingen zijn niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 voor wegverkeer; • De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen ten hoogste 52 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; • Alle woningen over geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte beschikken, waarmee aan het streven uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. Een verzoek tot vaststelling voor hogere waarden dient ingediend te worden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden.
45
Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft het college van de gemeente Molenlanden de Hogere waarden vastgesteld. Dit vaststellingsbesluit is opgenomen in de bijlage van deze toelichting. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen. Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft het college van de gemeente Molenlanden de Hogere waarden vastgesteld. Dit vaststellingsbesluit is opgenomen in de bijlage van deze toelichting. Voor de woningen dient een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitgevoerd te worden om de karakteristieke geluidwering van de gevels te bepalen en te toetsen aan het Bouwbesluit.
46
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 2: Grenswaarden Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 µg/m3 (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m3 concentratie 24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. concentratie meer dan 50 µg/m3 Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m3 concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.
Geldig Vanaf 2015 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft NSL-monitoring 2021 het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 15,2 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 15,9 µg PM10/m3 (6 overschrijdingsdagen p.j.); • Een fijnstofconcentratie van 8,7 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met
47
niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
48
4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader Bij realisering van nieuwe hindergevoelige functies (bedrijf) dient te worden onderzocht of er zich in de omgeving hindergevoelige objecten bevinden die hinder kunnen ondervinden. Uitgangspunt daarbij is dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Voor een goede ruimtelijke ordening wordt in het algemeen gebruik gemaakt van het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor één van beiden optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Het is wel aan te bevelen eventuele afwijkingen te benoemen en te motiveren.
Onderzoek Het plan betreft de realisatie van twee nieuwe woningen en het juridischplanologisch vastleggen van de twee bestaande woningen in de boerderij. Hiermee is sprake van toevoeging van milieugevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende functies en of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Het plan getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als agrarische en kleinschalige bedrijvigheid aanwezig. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstype rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd. Daarnaast heeft de gemeente voor agrarische bedrijven in relatie tot omliggende geurgevoelige objecten een geurverordening vastgesteld. Hierin is vastgelegd dat de richtafstanden voor geur buiten de bebouwde kom gereduceerd kunnen worden naar 25 meter.
In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende bedrijven aanwezig welke in het kader van bedrijven en milieuhinder relevant zijn.
49
Tabel 3: Bedrijf- en milieuhinder van omliggende bedrijven Adres Functie Richtafstand Werkelijke afstand conform VNG (bouwvlak bedrijf (zwaarste) tot plangebied) Heulenslag 16a Wormenkwekerij 30 meter 30 meter Heulenslag 15a Schildersbedrijf 0 meter 41 meter Abbekesdoel 22 Groenvoorziening en 50 meter 62 meter bomenspecialist Abbekesdoel 16 5020.4/501/502/504 10 meter 38 meter
Heulenslag 16a: 30 meter
Heulenslag 15a: 41 meter
Abbekesdoel 22: 62 meter
Abbekesdoel 16 38 meter
Afbeelding 24: Afstanden milieubelastende objecten t.o.v. plangebied
Uit bovenstaande blijkt dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden, behoudens die van de wormenkwekerij. Voor de wormenkwekerij gelden de volgende richtafstanden. Tabel 4: Richtafstanden Categorie Fokken en houden van maden, wormen e.d.
Richtafstand in gemengd gebied Geur Stof Geluid Gevaar 50 meter * 0 meter 10 meter 0 meter
* Wormen zijn geen landbouwhuisdieren, waardoor de geurverordening hierop niet van toepassing is. Voor de wormenkwekerij geldt een zwaarste richtafstand van 50 meter (geur) in gemengd gebied. De bestaande twee woningen in de bestaande woonboerderij zijn gelegen binnen de richtafstand voor geur van de wormenkwekerij aan de Heulenslag 16a. Omdat de afstanden uit het VNG Handreiking richtafstanden betreffen, kan gemotiveerd van de richtafstanden afgeweken worden.
50
Afbeelding 25: 50 meter richtafstand-contour wormenkwekerij
Het plan voorziet met betrekking tot de woonboerderij in het planologisch vastleggen van de bestaande situatie. De twee bedrijfswoningen worden omgezet in twee burgerwoningen. Het plan is met betrekking tot de woonboerderij conserverend van aard. In het kader van bedrijven en milieuzonering verandert de situatie van de woonboerderij niet; het zijn en blijven milieugevoelige objecten ten opzichte van andere milieubelastende functies. Gezien in de huidige situatie de twee woningen in de woonboerderij al bewoond worden en de wormenkwekerij reeds enkele jaren actief is, kan worden gesteld dat ter plaatse van de woningen Heulenslag 19 en 20 geen sprake is van onevenredige geurhinder vanwege de wormenkwekerij. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. De wormenkwekerij wordt tevens niet door de bestaande woningen in de woonboerderij belemmerd, omdat op kortere afstand van de wormenkwekerij reeds al milieugevoelige objecten (zoals de burgerwoning Heulenslag 16) aanwezig zijn. Het plan maakt tevens een nieuwe twee-onder-een-kapper mogelijk. Deze worden op meer dan 50 meter afstand van de wormenkwekerij gerealiseerd en voldoen daarmee wel aan de richtafstanden uit de VNG Handreiking. Ook worden ze verder van de wormenkwekerij ten opzichte van de bestaande woningen in de woningboerderij gerealiseerd.
De wormenkwekerij vormt in ieder geval geen belemmering voor de nieuwe woningen. Ook hier is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat en de wormenkwekerij wordt niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd als gevolg van de twee nieuwe woningen die het plan mogelijk maakt. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen. Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat en de omliggende bedrijven worden niet (verder) in hun bedrijfsvoering beperkt.
51
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels.
Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is, op enkele onderdelen na, op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Wanneer zich binnen de 10-6 per jaar contour kwetsbare objecten kan een bestemmingsplan worden vastgesteld mits er zodanige voorschriften aan het besluit zijn verbonden dan wel er een traject van wijziging van de milieuvergunning is ingezet, zodat binnen 3 jaar na vaststelling van het besluit voldaan wordt aan de grenswaarde (artikel 8 lid 3 Bevi).
Wel dient in de tussentijd voldaan te worden aan de grenswaarde van 10-5 per jaar. Naast Bevi-inrichtingen zijn er ook inrichting die niet onder het Bevi vallen, maar waar wel opslag van risicovolle stoffen plaatsvindt. Regulering van de risico- aspecten die samenhangen met de opslag van deze stoffen vindt plaats middels het Activiteitenbesluit dan wel de Wet milieubeheervergunning. Een belangrijke richtlijn voor opslag en gebruik vormen de zogenaamde PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen beschrijven de eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan worden bereikt.
52
Onderzoek Invloed van stationaire bronnen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen Beviinrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of wegen waarover bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen worden vervoerd die een bedreiging kunnen vormen voor het plan.
Afbeelding 26: Uitsnede risicokaart
Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. Er zijn geen relevante buisleidingen in de omgeving van het plangebied gelegen. Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Het Besluit externe veiligheid transportroutes, per 1 april 2015 van kracht, stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. 53
Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
54
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een KLIC-melding gedaan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
55
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan voorziet in werkzaamheden welke nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde flora en fauna. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming De planlocatie (A en B) heeft mogelijk een essentiële betekenis voor beschermde soorten. Echter doordat er geen werkzaamheden zijn beoogd in de desbetreffende bebouwing is aanvullend onderzoek naar uilen en vleermuizen niet noodzakelijk. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur. Er zijn karakteristieke landschapselementen aanwezig in de vorm van knotwilgen, deze dienen bij eventuele kap gecompenseerd te worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Aerius-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk.
56
Afbeelding 27: Afstand plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied
Afbeelding 28: Afstand plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
57
Afbeelding 29: Afstand plangebied t.o.v. Belangrijk Weidevogelgebied
Afbeelding 30: Afstand plangebied t.o.v. Strategische reservering natuur
58
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a.
op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.’ Stikstofdepositie In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Van den Heuvel Milieuadvies een stikstofdepositieonderzoek opgesteld om de stikstofdepositie vanwege de aanleg- en gebruiksfase van de ontwikkeling op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden te bepalen. De berekening is berekend met behulp van AERIUS Calculator 2023. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling tijdens beide fases niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect ecologie en stikstofdepositie geen belemmeringen.
59
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek (incl. asbestonderzoek) uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘Op basis van het bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: • De bovengrond op het zuidelijke terreindeel (langs de Graafstroom) was als mengmonster licht verontreinigd met kwik, koper, zink en PAK en matig met lood. Naar aanleiding daarvan zijn de 4 bovengrondmengmonsters apart op lood onderzocht. Hierbij bleek de bovengrond ter plaatse van boring 1 (peilbuislocatie) matig verontreinigd met lood en ter plaatse van de boringen 3, 4 en 5 is de bodem licht verontreinigd met lood.
Hiermee is voldoende aangetoond dat de bodem op het terrein nergens sterk verontreinigd is met lood, waarmee er dus duidelijk geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging; • De bovengrond op het noordelijke en oostelijke terreindeel is licht verontreinigd met kwik, nikkel, zink, lood, molybdeen en PAK. Dit zijn gangbare verhogingen; • De bovengrond op het westelijke terreindeel (alle boringen inpandig uitgevoerd in de stallen) is licht verontreinigd met kwik, zink, lood, PCB en PAK; • Het separaat onderzochte ondergrondmonster 1.2 (afwijkende zwarte bodemlaag 0.5-1 m-mv) blijkt licht verontreinigd met diverse metalen en PAK; • De zintuiglijk onverdachte humeuze klei uit de ondergrond bevat licht verhoogde gehalten aan kwik, lood, molybdeen en nikkel; • De bovengrond op het terrein is in een mengmonster onderzocht op PFAS. De gehalten aan PFOA (7.2 ug) en PFOS (2.1 ug) komen redelijk goed overeen met de verwachtingswaarde volgens de zonekaart van de OZHZ; • Het grondwater uit peilbuis 1 is geheel schoon voor alle NEN-5740parameters. • In een separaat door Adcim BV uitgevoerd asbestonderzoek is geen asbest aangetroffen in de puinlaag ter plaatse van de oprit en het erf en ook niet in de puinhoudende bodem op het oostelijke en zuidelijke terreindeel.
Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit vooralsnog geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van het terrein. 60
Echter gezien de zeer bouwvallige staat van de westelijke schuur (waarop asbest ligt) en het feit dat de bodem ten zuiden van deze schuur vanwege extreme begroeiing absoluut onbereikbaar was voor asbestonderzoek, dient na de sloop van alle bebouwing nog aanvullend asbestonderzoek plaats te vinden op de dan vrijgekomen oppervlakte. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.
61
4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het perceel Heulenslag 19-20 is gelegen op gronden met een: • Zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Op het perceel Heulenslag 19-20 worden werkzaamheden voorzien die groter zijn dan 100 m².
Op het deel van het plangebied ten noorden van de Heulenslag zullen geen werkzaamheden plaatsvinden.
62
Perceel Heulenslag 19-20
Afbeelding 31: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Om aan de onderzoeksplicht te voldoen is door ADC ArcheoProjecten een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De conclusies van het archeologisch onderzoek luiden: ‘De gestelde onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: •
Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? In de diepere ondergrond zijn crevasse of bedding- en oeverafzettingen aanwezig, die mogelijk verband houden met de Schoonrewoerdse stroomgordel. Hierboven ligt een veenpakket dat wordt afgewisseld met (kom)kleilagen. Het bovenste pakket is opgebracht en bestaat uit humeuze zandige of sterk siltige klei of sterk siltig zand.
•
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De bodemopbouw is grotendeels intact. Wel moet ter plaatse van de huidige bebouwing rekening worden gehouden met bodemverstoring.
•
Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? Het opgebrachte pakket wordt als archeologisch relevant beschouwd. In het oosten van het plangebied is het pakket relatief dik, bevat het baksteenfragmenten en is het gerelateerd aan de in het plangebied verwachte 63
woonterp. Hier worden op basis van oud kaartmateriaal ook resten van bebouwing verwacht. In het westen is weliswaar ook een opgebracht pakket aanwezig, maar hier heeft het een geringe dikte en ontbreekt een antropogene bijmenging. Vermoedelijk is in dit deel van het plangebied slechts sprake van een toemaakdek of een (sub)recente ophoging, die verband houdt met de bouw van de stal in 1920. In de diepere ondergrond, vanaf 280 cm –mv, zijn crevasse- of oeverafzettingen van de Schoonrewoerdse meandergordel aanwezig. Gezien geringe rijping heeft het pakket niet langdurig aan het oppervlak gelegen en daarom vormt het geen potentieel bewoningsniveau. •
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Het ophogingspakket in het oostelijk deel van het plangebied dat is gerelateerd aan de terp is vanaf het maaiveld aanwezig.
•
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? In boringen 2 en 3 zijn enkele hard gebakken baksteenfragmenten aangetroffen. Deze fragmenten worden geïnterpreteerd als bouwpuin dat niet nader te dateren is dan daterend uit de Nieuwe tijd.
•
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De verwachting voor resten uit het Neolithicum en de Bronstijd kan naar laag worden bijgesteld. Voor het westen van het plangebied kan de verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd eveneens worden bijgesteld naar laag. In het oosten van het plangebied dient de verwachting voor Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd te worden gehandhaafd.
•
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? De mogelijke archeologische waarden worden niet bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling.
•
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Ter plaatse van de nieuwbouw in het westen van het plangebied is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Indien in het oostelijk deel van het plangebied in de toekomst ontwikkelingen plaatsvinden dient hier aanvullend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
ADC ArcheoProjecten adviseert om het westelijk deel van het plangebied, ter plaatse van de geplande nieuwbouw, vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht toevalsvondsten te melden bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en gemeente Molenlanden’ 64
Vrijgegeven
Afbeelding 32: Locatie vrijgegeven gebied
Conclusie Het westelijk deel van het perceel Heulenslag 19-20 is vrijgegeven. Ter plaatse van de nieuwbouw in het westen van het perceel is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. De archeologische dubbelbestemmingen zijn hier verwijderd. Indien in het oostelijk deel van het plangebied in de toekomst ontwikkelingen plaatsvinden dient hier aanvullend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
65
4.11 Molenbiotoop Beleidskader Het plangebied valt deels binnen de beschermingszones van de molen ‘De Vriendschap’. In het gebied rondom deze molen is een molenbiotoop vastgesteld met een straal van 400 meter vanuit het middelpunt van de molen.
400 m
Molen ‘De Vriendschap’
Afbeelding 33: Molenbiotoop
Onderzoek De nieuwe woningen welke middels onderhavige plan mogelijk worden gemaakt en het bouwvlak op het perceel vallen buiten de molenbiotoop. Op basis hiervan kan worden gesteld dat het plan geen negatieve invloed heeft op de windvang van de molen ‘De Vriendschap’. Ter bescherming van de molenbiotoop wordt de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 400m’ overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Conclusie Het plan heeft geen negatieve invloed op de windvang van de Wingerdse Molen. Ter bescherming van de molenbiotoop is de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 400m’ opgenomen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’.
66
4.12 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De initiatiefnemer is bewust van deze gemeentelijke ambitie en zal onderzoek doen naar toepassingen in het kader van het opwekken van duurzame energie (bijvoorbeeld zonnepanelen). In het kader van de energiebesparing worden de nieuwe woningen op een goede wijze geïsoleerd (conform de huidige bouweisen) en gasloos gerealiseerd. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien op te kunnen vangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem.
Het plan betreft een kleinschalige ontwikkeling. Er vinden geen ingrepen aan de watergangen plaats. Een groot deel van het plangebied blijft groen waarmee hemelwater in de bodem kan infiltreren. Hiermee is voldoende waterberging aanwezig om zware regenbuiten te kunnen opvangen. Daarnaast wordt met het verwijderen van het agrarisch bouwvlak een eventuele nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf met bijbehorende verharding voorkomen. Overstroming Het plangebied is gelegen in het boezemgebied. De boezemgebieden hebben een zeer belangrijke waterbergende functie. Als de rivieren buiten hun oevers treden, wordt het water geborgen in de boezem. De boezem is dus een noodvoorziening die zijn functie altijd moet behouden. Op die manier wordt voorkomen dat de rivieren en overige oppervlaktewaterlichamen overstromen en daarbij grote schade aanrichten in bewoonde gebieden en aan percelen die op verschillende manieren in gebruik zijn. Bij bouwen in het boezemgebied wordt rekening gehouden met de berging die daadwerkelijk wordt weggenomen. De ingenomen kubieke meters worden om die reden bepaald binnen het boezempeil en het vastgestelde maximale peil plus 0,25 meter. Het maaiveld van het plangebied is hoger gelegen dan dit vastgestelde peil en daardoor tast dit plan de waterbergende functie niet aan. Het stijgen van de zeespiegel raakt het noordelijk deel van het plangebied niet direct. 67
Hitte Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de woningen rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Mogelijk dat in de nieuwe woning een installatie wordt geïnstalleerd die naast verwarmen ook kan koelen. Het aspect hittestress is bij de initiatiefnemers onder de aandacht gebracht. Droogte Omdat het steeds droger wordt, zal de bodem sneller verdroogt raken. Gezien de locatie is gelegen in het boezemgebied en daarmee continu wordt aangevoerd met water vanuit de Graafstroom, wordt niet verwacht dat de bodem snel opdroogt. De initiatiefnemer overweegt om regentonnen aan te sluiten op de (nieuwe) woningen, zodat hemelwater opgevangen en vasthouden kan worden en gebruikt kan worden tijdens perioden van droogte. Indien houtstructuren of planten door droogte een gebrek aan water hebben, kan het opgevangen hemelwater gebruikt worden om de bodem te hydrateren. De beplanting kan daardoor blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier.
68
5
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Heulenslag 19-20’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Heulenslag 19-20’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Heulenslag 1920’ is aansluiting gezocht bij de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Graafstroom’, ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’, ‘Parapluplan Parkeren’ en ‘parapluherziening Arbeidsmigranten Molenlanden’. De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Agrarisch met waarden Ten noorden van de Heulenslag behoudt de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Het agrarisch bouwvlak is verwijderd. De bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de grondeigenaren (die geen eigenaar zijn van de percelen Heulenslag 19-20) ter plaatse wijzigen niet, omdat zij het bouwvlak vóór deze bestemmingsplanwijzing al niet konden benutten. Verkeer Ten behoeve van de openbare weg Heulenslag wordt de huidige bestemming ‘Verkeer’ overgenomen. Wonen Op het gehele plangebied wordt de huidige agrarische bestemming gewijzigd naar een woonbestemming. Binnen de woonbestemming worden de bestaande twee woningen in de boerderij juridisch-planologisch gewaarborgd en wordt de realisatie van twee nieuwe woningen ten westen van de boerderij mogelijk gemaakt. 69
Waarde – Archeologie 1, 2, 4, 5 en 8 De archeologische dubbelbestemmingen zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem. Het westelijk deel van het perceel Heulenslag 19-20 is vrijgegeven, hier is bescherming van de archeologische waarden niet meer nodig en de dubbelbestemming is hier dan ook niet opgenomen. Waterstaat – Waterbergingsgebied De gronden welke mede bestemd zijn voor de waterberging worden voorzien van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’. Waterstaat – Waterkering Ter bescherming van de regionale waterkering wordt ter plaatse van de kernzone van de regionale waterkering de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen.
5.4 Aanduidingen •
Bouwvlakken; De begrenzing van het bouwvlak op de percelen Heulenslag 19-20 is overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan. Daarbij is het bouwvlak gesplitst, zodat er een bouwvlak ontstaat voor de bestaande woonboerderij en een bouwvlak voor de twee nieuwe woningen. Het bouwvlak ter plaatse van de nieuwe woningen wordt iets ingekort, verder van de Heulenslag af.
•
Functieaanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ Middels deze aanduiding wordt voorkomen dat de cultuurhistorische waarde van het cultuurhistorisch pand onevenredig wordt aangetast en dat sloop van het pand uitsluitend kan plaatsvinden in uitzonderlijke gevallen. De aanduiding is dan ook bedoeld ter bescherming, behoud, beheer en herstel van de cultuurhistorische waarden.
•
Functieaanduiding ‘specifieke vorm van verkeer – erftoegangsweg’ Deze aanduiding is overgenomen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’, zodoende is de erftoegangsweg als zodoende aangeduid.
•
Maatvoeringsaanduidingen ‘maximum aantal wooneenheden: 2’ Op beide bouwvlakken wordt deze maatvoeringsaanduiding toegevoegd. Zodoende zijn in beide bouwvlakken 2 wooneenheden toegestaan. Op deze manier worden de bestaande 2 woningen in de woonboerderij juridischplanologisch geborgd en worden aan de westzijde van het perceel twee wooneenheden toegestaan.
•
Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – stiltegebied’ Het stiltegebied aan de noordzijde van het plangebied wordt als zodanig aangeduid. De aanduiding is overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan. Binnen deze gronden zijn geen nieuwe ontwikkelingen toegelaten die het natuurlijk heersende geluidsniveau van 40 dB(A) structureel aantasten.
•
Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ Ter bescherming, onderhoud en instandhouding van de regionale waterkering 70
is deze aanduiding opgenomen. De begrenzing komt overeen met de begrenzing uit de Legger waterkeringen van het waterschap Rivierenland. •
Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 400m’ Ter bescherming van de molenbiotoop is de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 400m’ opgenomen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’.
•
Gebiedsaanduiding ‘wetgevingszone – aanlegvergunning gevoelige bodem’ Voor de wetgevingszone gelden binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ specifieke regels.
•
Gebiedsaanduiding ‘wetgevingszone – aanlegvergunning overgangsgebied’ Voor de wetgevingszone gelden binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ specifieke regels.
71